← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090312.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 12 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090312.5 Rolnummer: 2008/AR/920 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 145 - laatst gezien 2026-07-02 19:23 Fiche Na aankoop met beding van aanwas (zonder tijdsbepaling of tijdsbeperking, opzegmogelijkheid of enig ander uitdrukkelijk ontbindend beding of ontbindende voorwaarde) zijn ongehuwd samenwonenden onverdeelde eigenaars van een woning. Na beëindiging van de relatie is het exclusieve gebruik en genot van de woning bij de vrouw die stipt maandelijks een bedrag betaalt ten belope van de helft van de verschuldigde intresten op de lening meer een aanvullend bedrag wat samen als huur werd ontvangen door de man. Na 5 jaar vordert de man de verdeling. De verdeling kan niet zonder meer op grond van artikel 815 B.W. worden toegestaan. De vraag is of door beëindiging van de samenleving de oorzaak van het beding van aanwas niet verdwenen en daardoor dit beding niet vervallen is. De leer van de verdwijning van de oorzaak is niet toepasselijk op de rechtshandelingen ten bezwarende titel zoals in casu. Al houdt het beding van aanwas op zichzelf stand, het moet nog blijken dat degene die zich er op beroept, te goeder trouw is en geen rechtsmisbruik pleegt. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling - Uit onverdeeldheidtreding Vrije woorden: Onverdeeldheid ingevolge aankoop met beding van aanwas - Eis tot verdeling - Beëindiging van de relatie van de ongehuwd samenwonenden - Geen toepasselijkheid van de leer van de verdwijning van de oorzaak. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 12 maart 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2008/AR/920 van: D. S. A., wonende te appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, op tegenspraak gewezen door de vijfde kamer dd. 8-2-2008, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. PEXSTERS Eliane, advocaat te 8490 Varsenare, Westernieuwweg 75 ; tegen : V. R., , wonende te geïntimeerde, oorspronkelijk eiser, hebbende als raadsman mr. DEMAEGDT Paul, advocaat te 8000 Brugge, Filips de Goedelaan 11 velt het hof het volgend arrest.

  1. 1.
  2. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 03.04.2008, heeft appellante tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis d.d. 08.02.2008 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer. De eerste rechter beval de vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid ingevolge hun concubinaat. Hij benoemde ambtshalve als boedelnotaris meester Paul Lommee, notaris te 8210 Zedelgem. Hij machtigde de notaris om over te gaan tot de openbare verkoop van de woning, gelegen te ten kadaster gekend in de sectie , n° , met een oppervlakte van . Hij benoemde notaris Pieter Van Hoestenberghe met de opdracht de niet verschijnende of weigerende partijen te vertegenwoordigen en verder te handelen overeenkomstig artikel 1209-3° al Ger. W. 1.
  3. De syntheseconclusies die appellante en geïntimeerde tijdig ter griffie neerlegden, respectievelijk op 24.12.2008 en op 21.01.2009, vervangen voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3° Ger.W. de gedinginleidende akte (artikel 748 bis Ger.W.) en de vorige conclusies. 1.
  4. Het hoger beroep strekt ertoe het vonnis te doen vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering tot uitonverdeeld-heidtreding met betrekking tot het onroerend goed van partijen gelegen te afdeling () sectie , n° , groot , te doen ongegrond verklaren. Ondergeschikt is gevorderd dat een persoonlijke verschijning van partijen zou bevolen worden. 1.
  5. Geïntimeerde vraagt dat het hoger beroep zou worden afgewezen als ongegrond en dat het bestreden vonnis dienvolgens zou worden bevestigd.
  6. 2.
  7. Het geschil houdt verband met het feit dat partijen een einde hebben gesteld aan het ongehuwd samenwonen maar inmiddels bij akte van 25.08.1987 een bouwgrond hadden gekocht, elk voor de helft, waarop vervolgens een woning is gebouwd. In genoemde akte werd volgend beding van aanwas opgenomen: "De kopers verklaren dat ieder van hen zijn aandeel in de prijs en in het gekochte uit eigen middelen heeft betaald. De bijdrage van elke koper is bepaald met inachtneming van zijn vermoedelijke kansen op een gelijke levensduur. Tussen de kopers is bij wijze van kansovereenkomst bedongen dat ieder van hen zijjn aandeel thans verkrijgt onder de ontbindende voorwaarde van zijn vooroverlijden en dat ieder van hen het aandeel van zijn medekoper verkrijgt onder de opschortende voorwaarde van diens vooroverlijden, zodat het aandeel van de eerststervende bij zijn overlijden zal verblijven aan de langstlevende. De kopers verklaren nog dat zij, gelet op het bedrag van ieders bijdrage in de prijs, op ieders levenskans en op ieders kans uiteindelijk het gehele bij deze akte aangekochte goed verkrijgen, deze overeenkomst beschouwen als gesloten onder bezwarende titel, en dat daaruit geen enkele last of verplichting zal ontstaan voor de langstlevende ten aanzien van de nalatenschap van de eerststervende. Bij overlijden van een van de kopers zal het goed toekomen aan de overlevende, onder last alle schulden daaraan verbonden alleen verder te dragen, zonder dat de erfgenamen van de vooroverleden koper enig recht zullen kunnen laten gelden of iets verschuldigd zullen zijn. Het beding van aanwas strekt zich tevens uit op alle op te richten gebouwen, die door natrekking met voormeld aangekocht goed een geheel zullen vormen op de dag van overlijden. De langstlevende der kopers zal aldus ook bekomen het genot en het vrije gebruik van de wederhelft van het verkocht goed." Buiten de ontbindende en opschortende voorwaarden m.b.t. het vooroverlijden van elke medekoper over en weer, bevat voornoemd beding van aanwas geen tijdsbepaling of tijdsbeperking, opzegmogelijkheid of enig ander uitdrukkelijk ontbindend beding of ontbindende voorwaarde. Met het oog op de bouw van de woning werd een lening aangegaan van 2.000.000 oude BEF bij akte kredetopening, verleden op 22 mei 1991 voor notaris Vrielynck. Volgens de bepalingen van genoemde akte dient het ontleend kapitaal in één enkele betaling terugbetaald aan de kredietgever op 27.10.2012 en zijn de intresten betaalbaar per semester op 3 februari en op 3 augustus van ieder jaar. 2.
  8. Zoals de respectieve getuigschriften van woonst met historiek van het adres aantonen, hebben partijen voormeld goed betrokken van 2 maart 1992 tot 30 oktober
  9. Geïntimeerde is verhuisd en appellante is alleen blijven wonen in genoemde woning. Sinds dat de partijen zijn uiteengegaan wordt de onroerende voorheffing betaald door elke partij die haar helft betaalt. De intresten op de hypothecaire lening worden aan de kredietgever betaald door geïntimeerde, aan wie appellante maandelijks 296 EUR betaalt uit hoofde van huur. 2.
  10. Op 25 september 2007 heeft geïntimeerde appellante laten dagvaarden: er werd toepassing gevorderd van artikel 815 B.W.. Volgens de eerste rechter strekte de vordering ertoe, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met uitsluiting van de mogelijkheid van kantonnement: - de vereffening en verdeling te horen bevelen van het onverdeeld vermogen dat tussen partijen bestaat in verband met het kwestieus onroerend goed met medegaande openbare veiling van dit goed; - vooraf een boedelbeschrijving te horen opmaken; - "eiseres" (sic) te horen veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording over het beheer van de goederen van de boedel, met opname van het batig saldo in de boedel. De eerste rechter zegde voor alle duidelijkheid dat de vordering de vereffening en verdeling beoogt van de onverdeeldheid uit concubinaat met medegaande, de veiling van het onroerend goed dat van die onverdeeldheid deel uitmaakt. Het is die vordering die hij heeft ingewilligd.
  11. de eerste grief: ultra petita verbod "ne eat iudex ultra petita partium" - schending van de algemene rechtsbeginselen: het beschikkingsbeginsel, de rechten van verdediging, de rechterlijke onpartijdigheid. Het Hof moet vaststellen dat het voor de eerste rechter gevoerde debat zich beperkte tot de onverdeeldheid met betrekking tot het kwestieus onroerend goed. In zijn conclusies van 07.12.2007 heeft geïntimeerde gewezen op de betwisting door appellante van de vordering "gebaseerd op het feit dat tussen partijen een onverdeeldheid werd bedongen en dat de overeengekomen bescherming van het onverdeelde onroerend goed geen reden van bestaan heeft nu de liefdesrelatie tussen partijen tot een eind is gekomen." Elke concrete aanwijzing ontbrak dat de onverdeeldheid tussen partijen nog op iets anders betrekking had dan op het onroerend goed. Als er daarover al enige twijfel bestond bij de eerste rechter omwille van de wijze waarop het dictum in de dagvaarding en in de conclusies van 07.12.2007 was geredigeerd, dan was het aangewezen geweest om de partijen daarover duidelijkheid te vragen. Waar het nu in beroep op aankomt is te weten of er door geïntimeerde enige andere onverdeeldheid dan deze met betrekking tot het onroerend goed ter sprake is gebracht en desgevallend bewezen werd. Er is geen enkele andere onverdeeldheid ter sprake gebracht en zeker is geen andere onverdeeldheid bewezen: het is niet omdat er een ongehuwd samenwonen geweest is, dat er nog een andere onverdeeldheid is ontstaan. Waar het Hof moet vaststellen dat er geen aanleiding was om de vereffening en verdeling te bevelen van een andere tussen partijen bestaande onverdeeldheid dan deze die tot stand was gekomen door de aankoop van een bouwgrond op 25.08.1987 en de oprichting van een woning op die grond, is dat een reden om het vonnis te hervormen. Dat maakt dat het overbodig is dieper in te gaan op de juridische beschouwingen, die appellante nog maakte met het oog op deze hervorming.
  12. tweede grief: beding van aanwas - geen verval van rechtshandeling Appellante is niet akkoord dat met betrekking tot het onroerend goed het artikel 815 B.W. werd toegepast op grond van volgende overwegingen: "Het beding van aanwas is een kanscontract onder bezwarende titel, waarbij elke deelgenoot dezelfde kans heeft om uiteindelijk het goed te verwerven. Volgens het Hof van Cassatie vormt dergelijk beding geen verboden erfovereenkomst en is de toekenning van ‘eventuele rechten' bij overlijden nooit verboden in zoverre de toekenning uiteindelijk uitsluitend afhangt van een externe gebeurtenis ttz. Een gebeurtenis waarop de bedinger rechtens geen enkele invloed ‘mag' uitoefenen zoals het overlijden. In casu dient derhalve de vraag onderzocht in hoevere ‘pendente conditione' (zolang geen der partners is overleden) toch uitonverdeeldheidtreding gevraagd kan worden. Alhoewel eiser zijn vordering expliciet steunt op art. 815 B.W. dient nochtans opgemerkt dat inzake vrijwillige mede-eigendom, zoals hier bij gemeenschappelijke aankoop van het onroerend goed, art. 815 B.W. in eerste instantie niet toepasselijk is. Dit heeft tot gevolg dat de verdeling alleen kan gevorderd worden wanneer de overeenkomst dit toelaat of wanneer de afgesproken bestemming van het gemeenschappelijk goed geen reden van bestaan meer heeft. Dit laatste geval zou concreet tot gevolg hebben dat het beding vervalt en dat gewoon de onverdeeldheid blijft bestaan; indien de onverdeeldheid dus bedoeld is ingevolge de relatie, betekent de breuk dat er onvrijwillige onverdeeldheid ontstaat en dat er opnieuw beroep kan worden gedaan op art. 815 B.W. Het is in casu onbetwistbaar dat de intieme relatie tussen partijen definitief achter de rug is en dat de aankoop van de bedoelde bouwgrond enkel en alleen zijn betekenis had in het kader van het mogelijk maken en bestendigen van de relatie. Verweerster kan zich derhalve niet langer beroepen op het element van het gezamenlijk gecreëerde doelvermogen, nu de relatie als basis van dit doelvermogen, niet meer bestaat." Waar de eerste rechter zegde dat het onmogelijk is voor geïntimeerde die samen met appellante een aankoop deed met een beding van aanwas om zonder meer op basis van artikel 815 B.W. de uitonverdeeldheidtreding te vragen, wordt hij gevolgd door het Hof. Omwille van het feit dat de beide kopers reeds over hun rechten hebben beschikt in elkaars voordeel dient bij het beding van aanwas te worden gesteld dat de uitonverdeeldheidtreding krachtens artikel 815 B.W. onmogelijk is (zie: D. MICHIELS, Tontine en aanwas in Huwelijksvermogensrecht). De vraag die zo aan de orde komt, luidt als volgt: is door beëindiging van de samenleving van partijen de oorzaak van het beding van aanwas niet verdwenen en is daardoor dit beding niet vervallen? Volgens de stelling van geïntimeerde is er geen wil meer om de liefdesrelatie te bestendigen en is aldus de oorzaak van het beding van aanwas verdwenen met als gevolg dat de vordering tot uitonverdeeldheidtreding dan wel toegekend kan worden. Al erkent geïntimeerde dat het leerstuk van het wegvallen van de oorzaak normaliter niet wordt toegepast op de handelingen ten bezwarende titel, toch blijkt hij daarop beroep te doen omdat dit uitzonderlijk toch mogelijk zou zijn. De leer van de verdwijning van de oorzaak wordt niet toegepast op de handelingen ten bezwarende titel omdat de situatie bij een rechtshandeling om niet anders is dan de situatie bij een wederzijds contract ten bezwarende titel. Terwijl in het eerste geval de oorzaak gelegen is in de beweegreden van de partij die de prestatie levert, heeft in het tweede geval de oorzaak te maken met de interne verhouding tussen de wederzijds aangegane verbintenissen. Geïntimeerde heeft niet concreet kunnen aantonen dat in onderhavig geval de leer uitzonderlijk wel toegepast kan worden. De toepassing van deze leer vereist overigens dat de oorzaak verdwenen of weggevallen is door een voorval of gebeurtenis buiten zijn wil. Dat de liefdesrelatie beëindigd werd, is een feit dat zeker is maar het lijkt onmogelijk dat appellante bewijst dat die beëindiging gebeurde buiten zijn wil: geïntimeerde heeft enkel maar kunnen beweren dat een einde is gekomen aan de relatie door het feit dat appellante een nieuwe relatie aanknoopte met een andere man. Al houdt het beding van aanwas op zichzelf stand, toch moet nog blijken dat geïntimeerde die zich beroept op dat beding, te goeder trouw is en geen rechtsmisbruik pleegt. Geïntimeerde maakte ook wel gewag van een mogelijkheid om de ontbinding te vorderen van het overeengekomen beding van aanwas. Indien geïntimeerde deze ontbinding werkelijk had gevorderd - hetgeen het geval niet is - zou de ontbinding toch niet mogelijk zijn zonder het bewijs dat de voorwaarde van samenwonen voor de partijen de doorslag heeft gegeven. Dat bewijs is niet geleverd. Appellante beoogt dus de instandhouding van het kanscontract waarbij de contractanten ongetwijfeld ook hun eigen belangen op het oog hadden, hetgeen ook verklaart waarom geïntimeerde niet eerder dan op 25.09.2007 - dat is bijna 5 jaar na het uiteengaan van de partijen -, te kennen gaf dat hij een einde wilde zien aan hun vroeger kanscontract. Het Hof ziet in de omstandigheden na 30 oktober 2002 een modus vivendi die alleen is uit te leggen door de aanvankelijke wil om de overeenkomst van 25.08.1987 te eerbiedigen. Volgende omstandigheden worden bedoeld; - de betaling door elk van de partijen van de helft van de onroerende voorheffing; - het exclusieve gebruik en genot van de woning door appellante die stipt maandelijks 296 EUR betaalt aan geïntimeerde die aldus een bedrag bekwam dat ten belope van de helft van de verschuldigde intresten op de lening (433,81 EUR : 2 = 216,90 EUR) meer een aanvullend bedrag wat samen als huur werd ontvangen; - de betaling door geïntimeerde van de schuld aan de kredietverlener met het fiscaal voordeel dat hij mogelijks daardoor geniet; Gelet op de eerbiediging van de overeenkomst gedurende ongeveer 5 jaar na 30.10.2002 en gelet op het feit dat het niet duidelijk is welke omstandigheden het verschil maken tussen de periode van 31.10.2002 tot 25.09.2007 en de periode na 25.09.2007, kan er in hoofde van appellante geen gemis aan goede trouw of rechtsmisbruik worden verweten. Het besluit van het Hof is dat een wettelijke grondslag ontbreekt op grond waarvan de vereffening en verdeling van de onverdeeldheid met betrekking tot de kwestieuze woning door de rechter kan worden bevolen. Een persoonlijke verschijning is onnodig gebleken. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Doet het bestreden vonnis teniet, En opnieuw recht doende, verklaart de vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond, Verwijst geïntimeerde in de kosten van de beide instanties en begroot deze kosten voor appellante als volgt: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 1.200 EUR; - rolrecht beroep: 186 EUR; - rechtsplegingsvergoeding beroep: 1.200 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 12-3-
  13. Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter; - B. De Wilde, griffier. B. De Wilde P. De Buck Rep.nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.