id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 12 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090312.6 Rolnummer: 2006/AR/2609 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-06-02 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-07-02 19:23 Fiche De wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen noch het uitvoeringsbesluit van dezelfde datum hebben de bepalingen van het KB van 6 november 1979, dat in art. 3.4 van zijn bijlage draaideuren aan ziekenhuizen verbiedt, opgeheven. Alleen is vast te stellen dat de toegang tot het ziekenhuis, bestaande uit een draaideur, niet beantwoordde aan de wettelijke normen en dat het ziekenhuis, door een draaideur te voorzien, aansprakelijk is voor het ongeval dat zich aan deze deur heeft voorgedaan op grond van art. 1382 BW. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - MEDISCH- EN GEZONDHEIDSRECHT - Gezondheidszorg - Verzorgingsinstellingen - Algemeen Vrije woorden: Ziekenhuis - Draaideur - KB 7 augustus 1987 - Opgeheven (nee) fout (art. 1382 BW). Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 12 maart 2009 2006/AR/2609 in de zaak van: LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 PB 40, ingeschreven met KBO-nummer 0411.702.543, appellant, hebbende als raadsman mr. HOFMANS Frans, advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 682 tegen:
- ALGEMEEN ZIEKENHUIS SINT-LUCAS V.Z.W., met zetel te 9000 GENT, Groene Briel 1, eerste geïntimeerde,
- WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN N.V., met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Kunstlaan 56, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 1459, ingeschreven met KBO-nummer 0403.290.168, tweede geïntimeerde, beiden hebbende als raadsman mr. VAN POUCKE Mark, advocaat te 9000 GENT, Coupure 373 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 16 oktober 2006 stelt de LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep in tegen een vonnis van 5 september 2005 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zestiende kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
- De betwisting tussen partijen houdt verband met de val van D. W. M. op 26 april 1998 ter hoogte van de automatische draaideur aan de ingang van het A.Z. Sint-Lucas te Gent. Volgens appellante heeft D. W. bij het naar buiten gaan een duw in de rug gekregen van de deur, waardoor zij ten val kwam en een heupfractuur opliep. Zij wijst er op dat draaideuren verboden zijn aan de uitgang van een ziekenhuis. Appellante diende als mutualiteit van D. W. tussenkomst te verlenen voor de medische kosten. Appellante vorderde voor de eerste rechter de solidaire veroordeling van geïntimeerden tot betaling van het bedrag van 8.905,72 EUR, meer de vergoedende intresten vanaf een gemiddelde datum, hetzij 27 augustus 1998, de gerechtelijke intresten op de hoofdsom en de vergoedende intresten en de kosten van het geding. De eerste rechter heeft bij het bestreden vonnis de vordering van appellante ongegrond verklaard en haar veroordeeld tot de kosten van het geding.
- Appellante beoogt met haar hoger beroep het tenietdoen van het bestreden vonnis en de toekenning van haar vordering zoals gesteld voor de eerste rechter. Hierbij vordert zij thans eveneens voorbehoud voor verdere uitgaven. Geïntimeerden vragen dat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard. beoordeling
- Geïntimeerden betwisten niet dat D. W. M. op 26 april 1998 ten val kwam toen zij het A.Z. Sint-Lucas verliet. Volgens geïntimeerden bleef zij in de draaicirkel van de automatische draaideuren wachten op haar schoonzoon en dochter. Hierdoor balanceerde zij met haar lage onderrug in de actieradius van de deur, waardoor zij een duw kreeg en op de grond viel. Appellante verwijst naar een verklaring van D. W. waaruit zou blijken dat zij zich op het ogenblik van het ongeval nog volledig binnen de draaideur bevond en vanuit die positie tot buiten de actieradius van de deur werd gekatapulteerd. In de verklaring die door de dochter van D. W. werd geschreven maar door haar zelf werd ondertekend, staat te lezen: "D. W. M. kreeg een duw in de rug van de automatische draaideur v/h. ziekenhuis St Lucas te Gent zodat zij naar buiten gecatapulteerd werd en zodus te val kwam. Deur stopte niet bij het voelen van een hindernis ???". Aangaande de omstandigheden van de val verwijzen geïntimeerden naar een verslag dat door inspecteur CARTON zou opgesteld zijn. Dit verslag wordt ondanks herhaalde vraag van appellante niet voorgelegd. Met hetgeen in dit verslag zou staan, kan dan ook geen enkele rekening worden gehouden.
- Appellante is van oordeel dat eerste geïntimeerde een fout beging in de zin van artikel 1382 B.W. door de ingang van het ziekenhuis uit te rusten met een automatische draaideur, hetgeen verboden zou zijn door artikel 3.4 K.B. d.d. 6 november
- Ten onrechte houden geïntimeerden voor dat de bepalingen van het K.B. d.d. 6 november 1979 niet meer gelden ingevolge de afschaffing van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, die werd vervangen door de wet van 7 augustus
- Deze wet, noch het uitvoeringsbesluit van dezelfde datum bevatten bepalingen die de normen van het K.B. d.d. 6 november 1979 opheffen. Hetzelfde geldt het Besluit van de Vlaamse Regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor de erkenning van ziekenhuizen. Appellante wijst er hierbij terecht op dat artikel 68 van de ziekenhuiswet van 7 augustus 1987 uitdrukkelijk bepaalt dat de ziekenhuizen de normen moeten naleven welke door de Koning worden bepaald en deze normen onder meer betrekking hebben op de algemene inrichting van de ziekenhuizen. Artikel "3.
- Deuren" van bijlage 1 van het K.B. d.d. 6 november 1979 bepaalt in fine: "Draaibomen of draaideuren zijn verboden". Deze bepaling voorziet eveneens dat de deuren van de uitgangen van het gebouw moeten openen in de evacuatierichting, doch dit belet geenszins dat draaideuren verboden zijn. Het feit dat de draaideuren uitgerust waren met een blokkeringsysteem doet hier niet aan af. Voormeld artikel 3.4 heeft een algemene draagwijdte. Ook het feit dat in noodgevallen de vergrendelingen op de deurvleugels wegvallen en zij handmatig in de evacuatierichting kunnen weggeduwd worden, doet er niet aan af dat het nog steeds om draaideuren gaat. Aldus is vast te stellen dat de toegang tot het A.Z. Sint-Lucas op het ogenblik van het ongeval niet beantwoordde aan de wettelijke normen. Door het aanbrengen van uitgangsdeuren die niet beantwoorden aan de wettelijke norm beging eerste geïntimeerde een fout in de zin van artikel 1382 B.W.. Dat tal van ziekenhuizen draaideuren zouden hebben, doet hier niet aan af. In strijd met hetgeen door de eerste rechter werd aangenomen kunnen geïntimeerden zich niet beroepen op een onoverwinnelijke dwaling. Vooreerst is vast te stellen dat het voorschrift van artikel 3.4 van bijlage 1 van het K.B. d.d. 6 november 1979 duidelijk is en er geen twijfel kan laten over bestaan dat een draaideur aan de uitgang van een ziekenhuis verboden is. Eerste geïntimeerde wist of diende minstens te weten dat het aanbrengen van een draaideur niet reglementair was. Het afleveren van een vergunning door de overheid en het bekomen van een gunstig advies leveren geen afdoende grond op voor het aannemen van een onoverwinnelijke dwaling. De brandweerdiensten hebben trouwens niet tot taak om na te gaan of alle wettelijke voorschriften voor de inrichting van een ziekenhuis werden nageleefd. De vergunning kon eerste geïntimeerde niet in de waan brengen dat zij artikel 3.4 van bijlage 1 van het K.B. d.d. 6 november 1979 had nageleefd. Er kan bezwaarlijk worden aangenomen dat elk redelijk en voorzichtig ziekenhuis dit wettelijk gebod niet zou hebben nageleefd. De onwettige aanwezigheid van de draaideur heeft geleid tot de val van D. W. en de door appellante geleden schade veroorzaakt. Waar eerste appellante een fout beging in de zin van artikel 1382 B.W. dient niet nader onderzocht te worden of zij eveneens aansprakelijkheid draagt op grond van artikel 1384 lid 1 B.W., nu dit niet tot een ruimere schadevergoeding kan leiden.
- Het blijkt geenszins dat D. W. M. bij het gebruik van de draaideur een fout beging. D. W. kreeg een duw van de draaideur toen zij zich naar buiten begaf. Het valt niet in te zien hoe D. W. zich hierbij hinderend en storend zou opgesteld hebben en op een oneigenlijke wijze de deur zou gebruikt hebben. Voor zover D. W. op de rooilijn van de draaideuren mocht hebben staan wachten, kan dit evenmin als foutief aangezien worden. Zij mocht er van uitgaan dat de automatische draaideuren zouden stoppen indien zij dicht bij haar of met haar in contact kwamen. Geïntimeerden zijn dan ook gehouden appellante integraal te vergoeden. Cijfermatig bestaat er geen betwisting tussen partijen.
- De rechtsplegingsvergoeding dient in graad van hoger beroep bepaald te worden overeenkomstig het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het gerechtelijk wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 09.11.2007). Er zijn geen redenen om af te wijken van de basisrechtsplegingsvergoeding. Gelet op het bedrag van de vordering dient de rechtsplegingsvergoeding te worden begroot op 900,00 EUR. Dit bedrag vormt een forfaitaire vergoeding voor de kosten en het ereloon van de advocaat. De gevorderde uitgavenvergoeding in graad van hoger beroep is dan ook niet meer toewijsbaar. Het K.B. van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het gerechtelijk wetboek, waarin de uitgavenvergoeding haar grondslag vond en het bedrag ervan werd bepaald, werd overigens opgeheven bij artikel 9 van het voormeld K.B. van 26 oktober
- OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende: Verklaart de vordering van appellante ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt geïntimeerden in solidum om te betalen aan appellante het bedrag van 8.905,72 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intresten van 27 augustus 1998, gemiddelde datum van de uitgaven van appellante, en de gerechtelijke intresten vanaf heden op de hoofdsom en de vergoedende intresten. Verleent voorbehoud aan appellante voor haar verdere uitgaven naar aanleiding van het ongeval van 26 april
- Veroordeelt geïntimeerden tot de kosten van beide aanleggen gevallen aan de zijde van appellante en begroot deze als volgt: - kost dagvaarding: 215,26 EUR - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 356,97 EUR - rolrecht verzoekschrift hoger beroep: 186,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 900,00 EUR 1.658,23 EUR. Zegt dat geïntimeerden hun eigen kosten van beide aanleggen zelf dienen af te dragen. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op TWAALF MAART TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. D. Van den Driessche B. Wylleman G. Jocqué D. Floren rep.nr. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div