id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 12 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090312.8 Rolnummer: 2005/AR/3094 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-06-03 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 19:23 Fiche Wanneer wordt vastgesteld dat een beslissing van het OCMW tot verhaal van de kosten van verblijf in een RVT op de onderhoudsplichtige nietig is wegens miskenning van de formele motiveringsverplichting en om die reden bij toepassing van art. 159 G.W. buiten toepassing moet worden gelaten, rijst de vraag of de rechter, gevat in het kader van een procedure strekkende tot veroordeling van de onderhoudsplichtige tot betaling van de verblijfskosten, zelf mag oordelen of en in welke mate de betrokkene kan worden aangesproken. De debatten dienen daartoe te worden heropend. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BIJSTAND AAN PERSONEN - OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) - Algemeen (bijstand aan personen - openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW)) Vrije woorden: OCMW - Verhaal verblijfskosten op onderhoudsplichtige - Formule motiveringsplicht - Gevolg van nietigheid - Eigen beslissing rechter. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 12 maart 2009 TUSSENARREST (na tussenarrest d.d. 03.04.2008) (definitief t.a.v. tweede geïntimeerde) (heropening debatten - overleggen stukken - verstrekken informatie - conclusietermijnen - verdere behandeling op 15.10.2009, 9u30) 2005/AR/3094 in de zaak van: V. D. H. D., wonende te appellant,hebbende als raadsman mr. HOSTE Betty, advocaat te 8870 IZEGEM, Burg. Vandenbogaerdelaan 18 tegen:
- OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OCMW) van de GEMEENTE SINT-MARTENS-LATEM, publiekrechtelijk rechtspersoon, voor wie ten deze handelt SCHOONBAERT I., gewestelijk ontvanger, met zetel te 9830 SINT-MARTENS-LATEM, Priesterage 13, eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BEELE Thierry, advocaat te 9000 GENT, Gebr. De Cockstraat 2
- V. D. H. K., wonende te tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. AERTS Paul, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5 wijst het hof het volgend arrest: De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting. Het dossier van de rechtspleging, inzonderheid het tussenarrest van 03.04.2008 - in hoger beroep van het bestreden vonnis d.d. 31 oktober 2005 van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zevende kamer -, de neergelegde conclusies en stavingstukken werden ingezien. voorgaanden
- Bij tussenarrest van 03.04.2008: - werden het hoger beroep en de incidentele beroepen toelaatbaar verklaard; - werd beslist dat art. 100 § 1 van de OCMW-wet terzake niet van toepassing is; - werden, alvorens nader te oordelen, de debatten ambtshalve heropend om: * het OCMW van Sint-Martens-Latem toe te laten een afschrift over te leggen van: - de beslissing van de OCMW-raad om in te gaan op het verzoek tot tussenkomst van J. P. en het verslag van het onderzoek waarop deze beslissing is gesteund; - de beslissing van de OCMW-raad van 02.07.1996 waarbij zou beslist zijn om de borgstelling voor J. P. te weigeren;- de beslissing van de OCMW-raad van 01.10.1997 waarbij zou besloten zijn tot terugvordering lastens D. V. D. H.; - het verslag van het sociaal onderzoek naar de financiële toestand van J. P. en van D. V. D. H.. * te antwoorden op de volgende vragen: - is er een gemotiveerde beslissing van de OCMW-raad waarin wordt uiteengezet waarom steun aan J. P. moet worden verleend? - is er een gemotiveerde beslissing van de OCMW-raad waarin wordt uiteengezet waarom wordt overgegaan tot invordering van opnamekosten ten laste van D. V. D. H.?
- In haar conclusies na tussenarrest legt het OCMW van Sint-Martens-Latem een sociaal verslag en de beslissing van 02.07.1996 houdende weigering tot borgstelling neer. Verder wijst zij erop dat de beslissing van 01.10.1996 reeds werd neergelegd en dat er geen beslissing van 01.10.1997 bestaat (de vermelding daarvan berustte op een materiële misslag).Wat betreft de vraag naar de gemotiveerde beslissing van de OCMW-raad met betrekking tot de reden waarom steun werd verleend en waarom werd overgegaan tot invordering ten laste van D.V.D.H., verwijst zij naar de beslissing van 01.10.1996, waarvan zij stelt dat deze gesteund is op en achterliggend gemotiveerd is door het voorafgaand sociaal verslag en de door partijen overgemaakte diverse akten en dat ze werd genomen na het horen van D. V. D. H. op 03.09.
- In zijn conclusies na tussenarrest stelt D. V. D. H. dat er nooit een daadwerkelijk sociaal onderzoek naar de vermogenstoestand van zijn moeder is geweest en dat nooit een gemotiveerde beslissing werd genomen waarin wordt uiteengezet waarom haar steun moest worden verleend en waarom tot invordering diende te worden overgegaan lastens hemzelf. Hij stelt dat de beslissing van 01.10.1996 geenszins als dusdanig kan gelden. beoordeling
- vordering tegen D.V.D.H. 1.1 D.V.D.H. werpt terecht op dat het bestreden vonnis niet heeft geantwoord op alle door hem aangevoerde middelen, zoals artikel 780, 3° Ger.W. op straffe van nietigheid voorschrijft.Aldus werd niet geantwoord op de argumentatie geput uit de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, noch op de door D.V.D.H. opgeworpen schendingen van artikel 16, 1° en 2° lid van het KB van 09.05.1984, noch op het argument dat wijlen J.P. vrijwillig afstand heeft gedaan van haar financiële middelen.Het bestreden vonnis dient bijgevolg nietig te worden verklaard op basis van artikel 780, 3° Ger.W.. Het hof dient de zaak aan zich te trekken en dient zelf te oordelen. 1.2 Uit de bijkomende inlichtingen en stukken verschaft na het tussenarrest van 03.04.2008 blijkt dat de enige beslissing die de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Sint-Martens-Latem heeft genomen om over te gaan tot verhaal op D.V.D.H., de beslissing van 01.10.1996 is.Deze beslissing luidt als volgt:"
- P., J. opname in , borgstelling gevraagd, zoon weigert zijn kindsdeel te betalen, OCMW zal tussenkomen en zoon aanmanen, via aangetekend schrijven.".Deze beslissing voldoet niet aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen die op de kwestieuze beslissing van toepassing is nu het gaat om een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een bestuurde.Overeenkomstig artikel 2 van deze wet dienen bestuurshandelingen uitdrukkelijk te worden gemotiveerd. Luidens artikel 3 moet de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen bevatten die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet de motivering ook afdoende zijn. Voormelde beslissing voldoet niet aan deze motiveringseisen. Aldus: - bevat de beslissing niet de juridische overwegingen waarop zij is gesteund, nl. de toepasselijke regelgeving waarop zij is gebaseerd; - bevat de beslissing ook niet de feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, m.n. de feiten die de toepassing van de regel uitlokken. Zo bevat de beslissing geen enkel feitelijk element in verband met de onderhoudsplicht van D.V.D.H. ten aanzien van zijn moeder, terwijl nochtans het OCMW slechts over een verhaal tegen onderhoudsplichtige familieleden beschikt in de mate waarin deze conform de bepalingen van het burgerlijk wetboek effectief onderhoudsplichtig waren in de betrokken periode. Een gedegen motivering was in voorliggend geval des te meer vereist nu D.V.D.H. precies de behoeftigheid van zijn moeder en dus zijn onderhoudsplicht betwistte. Bovendien is ook niet voldaan aan de bijzondere motiveringseisen opgelegd door artikel 16 van het Koninklijk Besluit van 09.05.1984 tot uitvoering van artikel 100bis §1 van de organieke wet van 08.07.1975 betreffende openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Artikel 16, eerste lid van dit K.B. - zoals het gold ten tijde van de kwestieuze beslissing - schrijft voor dat bij het bepalen van de tussenkomst van de onderhoudsplichtige, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zich laat leiden door een door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgestelde schaal of barema van tussenkomsten, waarvan het kan afwijken mits inachtname van bijzonder omstandigheden. Artikel 16, 2e lid bepaalt vervolgens dat elke individuele beslissing tot het bepalen van de tussenkomst van een onderhoudsplichtige de elementen bevat op grond waarvan het bedrag van de terugvordering werd vastgesteld.De beslissing van 01.10.1996 voldoet totaal niet aan deze bijzondere motiveringseis. Het bevat geen enkele verwijzing naar de door het OCMW van Sint-Martens-Latem gehanteerde schaal en het bevat niet de elementen (doorgaans het netto-belastbaar inkomen en het aantal kinderen ten laste) op grond waarvan het bedrag van de terugvordering werd vastgesteld.Het OCMW van Sint-Martens-Latem kan niet worden gevolgd waar het stelt dat artikel 16 van het K.B. van 09.05.1984 niet van toepassing is omdat D.V.D.H. heeft nagelaten om zijn laatste aanslagbiljet in de personenbelasting voor te leggen. Vooreerst moet worden opgemerkt dat het OCMW in haar eerste brief aan D.V.D.H. in verband met zijn onderhoudsplicht (brief van 08.02.1996) weliswaar heeft gevraagd om dit aanslagbiljet te bezorgen, maar dat zij daar nadien met geen woord meer over heeft gerept, terwijl er toch nog diverse contacten met D.V.D.H. zijn geweest. Bovendien beschikte het OCMW, indien er werkelijk onwil zou zijn geweest, over de mogelijkheid om rechtstreeks bij de Administratie van de Directe Belastingen inlichtingen in te winnen omtrent diens inkomsten.Uit wat voorafgaat volgt dat de beslissing van 01.10.1996 waarbij het OCMW van Sint-Martens-Latem besliste om over te gaan tot invordering bij D.V.D.H. van zijn kindsdeel, niet regelmatig gemotiveerd is en dit zowel in het licht van de wet van 29.07.1991 als van het K.B. van 09.05.1984.Bovendien heeft dit gebrek aan motivering tot gevolg dat D.V.D.H. geen zicht had op de redenen waarom zijn verweer niet in aanmerking werd genomen, noch op de wijze van berekening van zijn kindsdeel.Deze beslissing is bijgevolg onwettig zodat zij, op grond van artikel 159 G.W., buiten toepassing dient te worden gelaten. 1.3 De vraag rijst evenwel of het hof, nu is vastgesteld dat de beslissing van het OCMW buiten toepassing moet worden gelaten, terzake zelf kan beslissen of en in welke mate D.V.D.H. door het OCMW kan worden aangesproken in betaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening die het ten behoeve van zijn moeder heeft gemaakt.Partijen hebben het debat over deze rechtsvraag nog niet gevoerd en het komt aangewezen voor dat zij dit alsnog doen (zie dienaangaande in de rechtsleer o.m.: I. Opdebeek en A. Coolsaet, Formele motivering van bestuurshandelingen, in Administratieve rechtsbibliotheek, Die Keure, 1999, 319-320).De debatten dienen daartoe opnieuw te worden heropend. Voor het geval de voormelde rechtsvraag bevestigend zou moeten worden beantwoord, dienen de partijen de volgende bijkomende informatie te verstrekken/stukken over te leggen: - D.V.D.H. dient zijn inkomstengegevens in verband met de betrokken periode mee te delen, met name de aanslagbiljetten in de personenbelasting voor de jaren 1996-2002; - het OCMW dient op basis van de schalen en barema's die zij in de betrokken periode hanteerde in toepassing van artikel 16 K.B. 09.05.1984 - schalen en barema's die zij dient voor te leggen - en op basis van de inkomstengegevens van appellant te berekenen welke tussenkomst zij van hem kon vorderen.
- vordering tegen K. V. D. H. - tegenvordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep 2.1 Het OCMW van Sint-Martens-Latem vraagt in subsidiaire orde, voor het geval haar vordering tegen D.V.D.H. wordt afgewezen, dat K.V.D.H. wordt veroordeeld tot betaling van de nog onbetaalde helft van de kosten van maatschappelijke dienstverlening.Op deze vordering kan hoe dan ook niet worden ingegaan, zodat K.V.D.H. thans reeds buiten zake kan worden gesteld.Luidens artikel 11ter van het KB van 09.05.1984 mag in geval van verhaal tegen onderhoudsplichtigen in een gelijke graad, ten aanzien van ieder van hen immers niet meer worden teruggevorderd dan de kosten van de maatschappelijke dienstverlening vermenigvuldigd met de breuk waarbij de teller gelijk is aan 1 en de noemer gelijk is aan het aantal onderhoudsplichtigen. Wanneer er, zoals in voorliggend geval, twee onderhoudsplichtige kinderen zijn, betekent dit dat elk van hen hoogstens voor de helft kan worden aangesproken. Nu K.V.D.H. haar helft reeds heeft betaald, kan zij niet tot meer worden aangesproken.De initiële, in subsidiaire orde gestelde vordering van het OCMW van Sint-Martens-Latem tegen K.V.D.H. is bijgevolg, nog afgezien van de vraag of zij op ontvankelijke wijze werd ingesteld, ongegrond. 2.2 De zowel tegen D.V.D.H. als tegen het OCMW van Sint-Martens-Latem gerichte tegenvorderingen van K.V.D.H. wegens tergend en roekeloos hoger beroep respectievelijk incidenteel beroep, dienen als ongegrond te worden afgewezen.Niet alleen werden het hoger beroep en het incidenteel beroep niet op lichtzinnige wijze ingesteld. Bovendien heeft de gevorderde schadevergoeding kennelijk enkel betrekking op kosten van juridische bijstand, terwijl artikel 1022, 6e lid Ger.W. elke vordering voor advocatenkosten boven de rechtsplegingsvergoeding uitsluit. 2.3 De gedingkosten gevallen aan de zijde van K.V.D.H. dienen als volgt ten laste te worden gelegd:- de kosten van de procedure voor de eerste rechter dienen ten laste te worden gelegd van het OCMW van Sint-Martens-Latem, die K.V.D.H. heeft gedagvaard en als enige een vordering tegen haar heeft gesteld. Het bestreden vonnis kan hier worden bevestigd;- de kosten van de beroepsprocedure dienen bij helften ten laste te worden gelegd van het OCMW en van D.V.D.H., nu enerzijds K.V.D.H. ten onrechte in de beroepsprocedure werd betrokken door D.V.D.H. en anderzijds de subsidiaire vordering van het OCMW van Sint-Martens-Latem ongegrond wordt verklaard.Wat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep betreft, vordert K.V.D.H. de basisvergoeding, die, gelet op het bedrag van vordering, 2.000,00 euro bedraagt. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Zegt reeds voor recht dat het subsidiair incidenteel beroep van het OCMW van Sint-Martens-Latem tegen K.V.D.H. hoe dan ook ongegrond is. Bevestigt, zij het op andere gronden, het bestreden vonnis waar het de vordering van het OCMW van Sint-Martens-Latem tegen K.V.D.H. heeft afgewezen - met dien verstande dat de vordering niet als onontvankelijk maar als ongegrond wordt afgewezen - en waar het het OCMW van Sint-Martens-Latem tot de gedingkosten gevallen aan de zijde van K.V.D.H. heeft veroordeeld.Wijst de tegenvorderingen van K.V.D.H. wegens tergend en roekeloos hoger beroep en tergend en roekeloos incidenteel beroep af als ongegrond. Veroordeelt D.V.D.H. en het OCMW van Sint-Martens-Latem tot de gedingkosten in hoger beroep gevallen aan de zijde van K.V.D.H.. Begroot deze op 2.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding. Vooraleer te oordelen over de vordering jegens D.V.D.H.: Heropent de debatten teneinde de partijen toe te laten te voldoen aan het gevraagde onder randnummer 1.
- Zegt dat D.V.D.H. zal concluderen tegen uiterlijk 7 mei
- Zegt dat het OCMW van Sint-Martens-Latem zal concluderen tegen uiterlijk 3 september
- Stelt de zaak voor verdere behandeling op de openbare terechtzitting van donderdag 15 oktober 2009 om 09.30 uur. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter,G. JOCQUE, raadsheer,B. WYLLEMAN, raadsheer,en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op TWAALF MAART TWEEDUIZEND EN NEGEN,bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. D. Van den Driessche B. Wylleman G. Jocqué D. Floren rep.nr. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div