id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090316.5 Rolnummer: 2007/AR/2228 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-05-26 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 19:25 Fiche Om te besluiten tot een minnelijk kantonnement moet er sprake zijn van: - de bedoeling van de partijen om de consignatie als een voorwaardelijke betaling te aanzien; - de geldsom moet buiten de macht van de schuldenaar zijn geplaatst. Beide voorwaarden moeten worden getoetst aan de feiten, waaronder ook de beslissing van de stafhouder tot consignatie van een bedrag als voorwaarde van de opvolging als raadsman in een dossier. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BALIE Vrije woorden: Consignatie - minnelijk kantonnement - beslissing stafhouder in het kader van de opvolging in een dossier Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 16-03 2009 Nr. 2007/AR/2228 ------------------------- in de zaak van : R. D., advocaat, wonende te ............................., appellant, hebbende als raadsman mr. Eddy Van Camp, advocaat met kantoor te 2018 Antwerpen, Molenstraat 52-54, tegen Mr. L. D., advocaat met kantoor te ....................................., optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de N.V. CAR SERVICE EDDY IN VEREFFENING, met maatschappelijke zetel te 9300 Aalst, Moorselbaan 370 en met ondernemingsnummer 0445.724.007, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde van 8 september 2004, geïntimeerde q.q., ter terechtzitting van 16 februari 2009 vertegenwoordigd door mr. Astrid Van Grembergen, advocaat met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Vijfstraten 57, velt het Hof volgend arrest De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten. Het hoger beroep met verzoekschrift neergelegd op 7 september 2007 tegen het vonnis d.d. 6 december 2006 gewezen door de rechtbank van koophandel te Dendermonde, zevende kamer, is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is ontvankelijk. ANTECEDENTEN I. Met dagvaarding van 8 maart 2005 ten laste van Mr.L. D. als curator over het faillissement van de NV Car Service Eddy in vereffening (faillissementsvonnis van 8 september 2004), vordert Mr.R. D., alhier de appellant, dat zijn schuldvordering wordt opgenomen in het bevoorrecht passief van het faillissement van de NV Car Service Eddy in vereffening, op grond van art. 20, 4 Wet van de Voorrechten en Hypotheken, voor het bedrag van 26.358,67 EUR en dat hij in aanmerking komt bij de nog te bevelen uitkeringen. In de inleidende dagvaarding geeft de appellant uiteenzetting van de gronden van zijn vordering, met name dat hij schuldeiser is van de NV Car Service Eddy voor zijn prestaties als raadsman van de vennootschap. Hij eindigt de motivering van de inleidende dagvaarding met de volgende overwegingen: " Aangezien gedaagde partij op datum van 6 september 2000 is overgegaan tot consignatie van een bedrag van 700.000,00 BEF (17.352,55 EUR) op een bijzondere rekening in handen van de heer stafhouder van de balie te Antwerpen, in het kader van de taxatie. Aangezien de vordering van verzoeker bevoorrecht is op voornoemd bedrag en op de ondertussen toegekende intresten, tot aanzuivering van zijn vordering. " Voor de eerste rechter herformuleert de appellant zijn vordering in die zin dat hij met zittingsbesluiten neergelegd op 8 november 2006 vordert dat voor recht zou worden gezegd dat het door de gefailleerde vennootschap bij de stafhouder van de orde van advocaten te Antwerpen geconsigneerde bedrag van 17.352,24 EUR aan hem toekomt. Mr. L. D. q.q., alhier de geïntimeerde q.q., vordert voor de eerste rechter bij tegeneis dat voor recht zou worden gezegd dat het kwestieus geconsigneerde bedrag toekomt aan de failliete boedel. II. De eerste rechter verklaart de respectieve hoofd- en tegenvorderingen ontvankelijk, doch slechts de tegenvordering van de curator gegrond. Hij zegt voor recht dat "het op valutadatum van 6 september 2000 op de rekening nr. 630-0691596-45 van de orde van advocaten van Antwerpen gestorte bedrag van 700.000 frank of omgerekend 17.352,54 euro komt meer de intresten toe aan de boedel van het faillissement van de nv Car Service Eddy" en "de schuldvordering van de heer D. wordt opgenomen in het gewoon passief van het faillissement van de nv Car Service Eddy voor een bedrag van 26.358,67 euro". De eerste rechter zegt tenslotte voor recht dat de proceskosten ten laste van de appellant worden gelegd op grond van art. 72 van de faillissementswet. Als belangrijkste overwegingen van de eerste rechter weerhoudt het hof wat volgt: - bepalend voor de beoordeling van de betwisting, is wat de partijen zijn overeengekomen - uit de voorliggende briefwisseling blijkt dat de er sprake is van een bewaargeving van de 700.000 BEF (= 17.352,54 EUR) en niet van een eigenlijke betaling. III. A. De appellant vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en dat voor recht wordt gezegd dat - aan de consignatie van 700.000 BEF (= 17.352,55 EUR) in handen van de stafhouder te Antwerpen dezelfde rechtsgevolgen worden toegekend als aan een gerechtelijk kantonnement; - het geconsigneerde bedrag van 700.000 BEF (= 17.352,55 EUR) en de daarop verworven intresten, dienen toe te komen aan de appellant; - het saldo van de schuldvordering ad 9.089,15 EUR wordt opgenomen in het bevoorrecht passief op grond van art. 20,4 Hyp.Wet. Ondergeschikt vordert de appellant de opneming van zijn volledige schuldvordering ad 26.441,70 EUR in het bevoorrecht passief met toepassing van art. 20, 4° Hyp.Wet. B. De geïntimeerde q.q. vraagt de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond. BEOORDELING Vooraf zij er genoteerd dat de partijen geen cijfermatige betwistingen voeren. I. A. Het eerste onderdeel van de betwisting tussen de partijen geldt de vraag of aan de consignatie van 700.000 BEF (= 17.352,55 EUR) die indertijd, met name in september 2000, is geschied, dezelfde gevolgen kunnen worden toegekend als die welke de gevolgen zijn van een minnelijk kantonnement. Beide partijen zijn het erover eens dat er, om te kunnen besluiten tot een minnelijk kantonnement, twee voorwaarden moeten zijn vervuld: - de bedoeling van de partijen om de consignatie als een voorwaardelijke betaling te aanzien en - de geldsom moet buiten de macht van de schuldenaar, in casu de gefailleerde, zijn geplaatst. B. De storting van 700.000 BEF (= 17.352,55 EUR) is verricht door de NV Car Service Eddy op een rekening van de Orde van Advocaten te Antwerpen, binnen het kader van de opvolging van de appellant als "oude" raadsman van de NV Car Service Eddy door een nieuwe raadsman. Binnen deze context is het nuttig te hernemen wat de Stafhouder te Antwerpen onder meer heeft geschreven op 20 juli 2000: " Aangezien de staat van onkosten en ereloon van Mr.R.D. onbetaald ev. betwist wordt, heb ik overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek een verslaggever aangesteld om advies te verstrekken aan de Raad van de Orde, die zal overgaan tot onderzoek van het dossier en taxatie van de staat. (...) Intussen zal Mr.M. slechts kunnen optreden voor zover de door Mr.D. in rekening gebrachte bedragen geconsigneerd worden op rekeningnummer (...) van de Orde van Advocaten van Antwerpen en zulks in afwachting van de taxatiebeslissing van de Raad van de Orde. Een en ander is gesteund op art. 3, alinea 1 van het nationaal reglement op de opvolging van een advocaat. " (zie stuk nr. 2, dossier appellant) Art. 3, alinea 1 van het reglement inzake de opvolging van een advocaat, wordt geciteerd door de geïntimeerde q.q. en luidt als volgt: " Indien de staat van kosten en ereloon van de eerste advocaat wel wordt betwist, mag de opvolgende advocaat zonder de toestemming van zijn confrater de zaak niet voortzetten, noch provisie ontvangen vooraleer het ereloongeschil bij een rechtsmacht aanhangig is gemaakt; dit verbod blijft geldig zolang het bedrag, eventueel door de stafhouder van de eerste advocaat vastgesteld, niet werd betaald of geconsigneerd. " C. De consignatie van de 700.000 BEF (= 17.352,55 EUR) had in de eerste plaats tot doel de vrijgave van de dossiers te bekomen voor de behandeling ervan door de nieuwe raadsman. De consignatie had echter hoe dan ook als gevolg dat het kwestieuze bedrag buiten de macht van de NV Car Service Eddy kwam te vallen: de vennootschap kon door de consignatie niet meer beschikken over het bedrag. Dit is een noodzakelijk gevolg van het eerste doel van de consignatie. De consignatie was en is daarenboven slechts zinvol te aanzien als een voorwaardelijke betaling. Met name zou het bedrag automatisch toekomen ten voordele van de appellant, in zoverre de Raad van de Orde een bedrag aan kosten en ereloon zou bepalen - of de partijen het naderhand zouden eens worden over een bedrag - dat gelijk zou zijn aan of hoger dan het geconsigneerde bedrag. De stelling van de curator, nl. dat de consignatie slechts de bedoeling had om de vrijgave van de dossiers naar de nieuwe raadsman toe, mogelijk te maken, blijft staan bij het onmiddellijke gevolg (met name de vrijgave van de dossiers) en verliest uit het oog dat er nog een tweede stap was in de behandeling van de betwistingen tussen de NV Car Service Eddy en zijn vroegere raadsman, de appellant, zijnde de cijfermatige vastlegging van diens kosten en ereloon. De consignatie van het kwestieuze bedrag kan dan ook niet los gezien worden van die tweede stap, met name de vastlegging van de kosten en ereloon van de appellant en de uiteindelijk vrijgave ervan. De consignatie van de gelden had een welbepaalde bestemming, met name de appellant, in de mate er een aanspraak op kosten en ereloon zou worden vastgelegd door de Raad van de Orde (of in de mate de partijen over een bedrag dienomtrent zouden akkoord zijn gekomen). Aldus is er sprake geweest van een voorwaardelijke betaling door de NV Car Service Eddy. D. Dit onderdeel van het hoger beroep is gegrond. II. Wat het saldo betreft, met name 9.089,15 EUR, kan de appellant geen aanspraak maken op het voorrecht van art. 20, 4° Hyp.Wet. Zoals de curator terecht aanstipt, moeten de (bij hypothese) schuldvorderingen waarop de appellant een voorrecht wil uitoefenen, nog specifiek aanwijsbaar zijn op het ogenblik van de faillietverklaring. Het zogenaamde "behoud van de handelszaak" komt niet in aanmerking als grondslag voor het voorrecht van de kosten tot behoud van de zaak. Anderzijds, bij gebreke van individualisering geniet de advocaat niet van het voorrecht van art. 20, 4° Hyp.Wet voor zijn tussenkomst die geleid heeft tot de verzilvering van een schuldvordering vóór het openvallen van het faillissement van zijn cliënt (cf. E.Dirix onder Kh.Ieper, 12 oktober 1998, R.W., 1998-1999, 1226). De kosten en ereloon i.v.m. tot het afweren van een schuldvordering, komen dienvolgens evenmin in aanmerking voor het voorrecht van art. 20, 4° Hyp.Wet, bij gebreke van wat dan ook dat zou zijn behouden door de inspanningen van de advocaat. De appellant wijst geen concrete schuldvorderingen aan die nog individualiseerbaar zouden zijn geweest ten tijde van het openvallen van het faillissement. In die omstandigheden is de schuldvordering van 9.089,15 EUR op te nemen in het gewoon passief van het faillissement. III. De gerechtskosten Gelet op enerzijds de late vordering in rechte tot opname in het passief en anderzijds het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen (cf. art. 1017 Ger.W.) wordt voor recht gezegd dat elk der partijen haar eigen gerechtskosten verbonden aan de beide aanleggen, zal dragen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis behalve waar het de wederzijdse vorderingen ontvankelijk verklaart; Voor het overige opnieuw recht doende: Zegt voor recht dat het op valutadatum van 6 september 2000 op de rekening nr. 630-0691596-45 van de Orde van Advocaten te Antwerpen gestorte bedrag van 700.000 BEF of thans 17.352,54 EUR meer de intussen verworven intresten, toekomt aan de appellant; Zegt voor recht dat de appellant voor het overige definitief wordt opgenomen in het gewoon passief van het faillissement van de NV Car Service Eddy in vereffening voor het bedrag van 9.089,15 EUR. Zegt voor recht dat elk der partijen haar eigen gerechtskosten zal dragen, zowel die verbonden aan de procedure voor de eerste rechter als die verbonden aan de beroepsprocedure. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Eric Dursin , raadsheer, Nadia De Turck, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. kamervoorzitter in openbare terechtzitting op zestien maart tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.