id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090316.7 Rolnummer: 2007/AR/2192 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-10-01 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 19:24 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht - Werken van beeldende kunst - volgrecht Vrije woorden: Volgrecht - SABAM - openbare veiling kunstwerken - gebrek aan medewerking - omkering bewijslast Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 16-03 2009 Nr. 2007/AR/2192 ------------------------ na weglating van 2001/AR/935 in de zaak van : N.V. DAUM, met maatschappelijke zetel te 9400 Ninove, Aaltersesteenweg 39 bus 4 en ingeschreven in het handelsregister te Aalst onder nr.62.626, appellante, hebbende als raadsman mr. Christian De Neve, advocaat met kantoor te 9910 Knesselare, Urselseweg 63, tegen C.V.B.A. SABAM, met maatschappelijke zetel te 1040 Brussel, Aarlenstraat 75-77 en ingeschreven in het register der burgerlijke vennootschappen te Brussel onder nr. 6, geïntimeerde, hebbende als raadslieden mr. Bart Van den Brande en mr. Andries Hofkens, advocaten met kantoor te 1170 Brussel, Vorstlaan 100, velt het Hof volgend arrest : De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten. Gezien de dagvaarding van 4 maart 1997 waarbij de CVBA Sabam de veroordeling vordert van de NV Daum tot - het binnen de 10 dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis, afgifte te doen van de respectieve catalogi van de te koop gestelde kunstwerken op de kunstveilingen van 21/22 januari 1996, 18/19 februari 1996, 3/4 maart 1996, 7/8/9 april 1996, 21/22 april 1996, 9/10 juni 1996 en 25/26 augustus 1996 en van de sindsdien bijkomend georganiseerde openbare kunstveilingen, alsook de toewijzingsprijzen van alle effectief verkochte kunstwerken en de processen-verbaal van de optredende gerechtsdeurwaarder, dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 10.000,00 BEF per kunstveiling en per dag vertraging; - het betalen van een provisionele som van 300.000,00 BEF, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de respectieve data van de verkopen; - het betalen van 150.000,00 BEF als schadevergoeding voor vijftien verkopen. In de inleidende dagvaarding stoelt de CVBA Sabam zich op de wetten van 25 juni 1921 betreffende het volgrecht en van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, tot inning van een volgrecht op de openbare veilingen van kunstwerken ten voordele van de desbetreffende kunstenaars, auteurs van de verkochte kunstwerken. De CVBA Sabam bevestigt in de inleidende dagvaarding dat zij haar vordering formuleert in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van de bij haar aangesloten kunstenaars of hun erfgenamen, waarvan de kunstwerken verkocht zijn op één van de kwestieuze kunstveilingen. De CVBA Sabam houdt verder voor dat de NV Daum - als verkoper (die solidair met de organisator en de verantwoordelijke) gehouden is tot de betaling van de volgrechten met toepassing van art. 1 K.B. 23 september 1921 en art. 13 Wet van 30 juni 1994) niettegenstaande herhaalde verzoeken en een aangetekende aanmaning van 10 september 1996, in gebreke is gebleven de nodige informatie te verstrekken aan haar m.b.t. de kwestieuze openbare kunstveilingen (hierboven reeds opgesomd), waardoor het onmogelijk is de kunstwerken van de bij haar aangesloten kunstenaars aan te stippen en de volgrechten te berekenen. * Het hoger beroep vanwege de NV Daum met verzoekschrift neergelegd op 19 april 2001 is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het is gericht tegen a. het vonnis d.d. 17 april 1997, bij verstek van de NV Daum gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, eerste kamer, waarbij de debatten ambtshalve werden heropend met de vraag aan de CVBA Sabam haar vordering nader toe te lichten; b. het vonnis d.d. 2 maart 2000, bij verstek van de NV Daum gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, vierde kamer, waarbij de rechtbank - de vordering van Sabam ontvankelijk verklaart en in bepaalde mate reeds gegrond - de NV Daum veroordeelt om binnen de 10 dagen na betekening van het vonnis afgifte te doen van de catalogi en processen-verbaal zoals door de CVBA Sabam gevorderd, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000,00 BEF per dag vertraging en met een maximum van 750.000,00 BEF - de NV Daum veroordeelt tot betaling van een provisie van 100.000,00 BEF aan achterstallige volgrechten, meer de gerechtelijke intresten vanaf 5 maart 1997 - de NV Daum veroordeelt tot betaling van 25.000,00 BEF als schadevergoeding, meer de gerechtelijke intresten vanaf 5 maart 1997 - het "restant van de vordering in afwachting naar de bijzondere rol" verwijst en - de NV Daum veroordeelt tot de gerechtskosten. c. het vonnis d.d. 8 februari 2001, op verzet van de NV Daum tegen de beide voormelde verstekvonnissen, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, negende kamer, waarbij de rechtbank de verzetprocedures samenvoegt en het verzet weliswaar ontvankelijk doch voor het overige ongegrond verklaart en de NV Daum tot de gerechtskosten veroordeelt. * De appellante, de NV Daum, vordert de vernietiging van de bestreden vonnissen en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde, de CVBA Sabam, als onontvankelijk, minstens ongegrond. In grote lijnen komt de argumentatie van de appellante neer op wat volgt: - de CVBA Sabam heeft geen belang; zij toont niet aan dat er werken bij de NV Daum van kunstenaars zijn verkocht die aangesloten zijn bij de CVBA Sabam en waarop de CVBA Sabam dienvolgens volgrecht zou hebben; het is aan de CVBA Sabam om met toepassing van de wet van 25 juni 1921 aan te tonen dat zij optreedt voor aangesloten leden; - onder de toepassing van de wet van 25 juni 1921 en het KB van 23 september 1921 had de NV Daum geen verplichting om de CVBA Sabam vooraf in te lichten; - de NV Daum heeft alle gevraagde processen-verbaal voorgelegd, alsook een aantal catalogi doch niet alle, die zij niet meer terugvindt; - de door de eerste rechter toegekende provisie van 100.000,00 BEF is verregaand overdreven; er kan hoogstens sprake zijn van een volgrecht ad 32.730,00 BEF - er was geen voorafgaande meldingsplicht ten tijde van de kunstveilingen; er is dan ook geen enkele aanleiding tot een bijkomende schadevergoeding. De geïntimeerde, de CVBA Sabam, vraagt de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond. Zij vordert thans de definitieve veroordeling van de NV Daum tot bijkomend boven wat de eerste rechter heeft toegekend: - 4.957,87 EUR (= 7.436,89 EUR - 2.478,94 EUR) aan volgrechten, meer de vergoedende intresten vanaf 22 augustus 1998 ; - 624,27 EUR (= 1.240,00 EUR - 615,73 EUR), meer de vergoedende intresten vanaf 22 augustus 1998; - en verder dat alle intresten zouden worden gekapitaliseerd op de datum van de neerlegging van haar conclusie op 22 januari
- Centraal in haar motivering is de opwerping dat de NV Daum, hoewel talrijke malen daartoe aangemaand, nimmer - bijgevolg ook niet nà de betreffende kunstveilingen - de gepaste medewerking heeft verleend tot voorlegging van de relevante catalogi en andere overtuigingstukken, zodat haar vorderingen ten volle verantwoord blijven. BEOORDELING I. In hoger beroep blijft de NV Daum voorhouden dat de CVBA Sabam niet over het vereiste belang beschikt om de vordering in te stellen. Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden (Laenens, J., Broeckx, K. en Scheers, D., Handboek gerechtelijk recht, nr. 131, p. 84). De CVBA Sabam mocht bij het instellen van haar vordering tot voorlegging van processen-verbaal en catalogi alsook tot betaling van de volgrechten en een schadevergoeding, ongetwijfeld materieel voordeel verwachten. Of de CVBA Sabam daadwerkelijk aanspraak kan maken op wat zij vordert, betreft niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid van de vordering, maar de gegrondheid ervan. De procespartij, die beweert houder te zijn van een subjectief recht, heeft belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat door de NV Daum wordt ingeroepen, betreft niet de ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering (vgl. Cass., 26 februari 2004, R.W., 2006-2007, 133; RABG, 2004, nr. 10, p. 612). De vorderingen van de geïntimeerde waren en zijn bijgevolg ontvankelijk. I. A. De verkopen waaromtrent de CVBA Sabam volgrechten vordert, dateren van de periode 1996-
- Inhoudelijk zijn de kwestieuze verkopen onderworpen aan de wet van 25 juni 1921 en het K.B. van 23 september
- Deze voorzien in een volgrecht dat aan de plastische kunstenaar wordt toegekend op de werken die in openbare veilingen worden verkocht. Tot betaling van de volgrechten zijn de verkoper, de koper, de inrichter en de ministeriële ambtenaar solidair gehouden. (zie art. 1 van de Wet van 25 juni 1921) Art. 5 van het KB van 23 september 1921 verschaft aan de auteur de mogelijkheid om een volmacht te geven aan een beheersvennootschap voor de inning van de volgrechten. Met M.B. van 1 september 1995 (in toepassing van art. 67 en 72,4° lid van de Wet van 30 juni 1994) wordt vastgesteld dat de geïntimeerde gemachtigd is om haar werkzaamheden als beheersvennootschap op het Belgische grondgebied uit te oefenen. Lopende het geding is de wet van 4 september 2006 van kracht geworden. Art. 8 van deze wet bepaalt: " De volgrechten met betrekking tot de doorverkopen bij openbare veiling van werken, in de zin van artikel 1 van de wet van 25 juni 1921 tot het innen van een recht op de openbare kunstveilingen, ten bate van de kunstenaars, auteurs der verkochte werken, die plaatsvonden voor 2 februari 1999, waarvoor de verschuldigde rechten op de dag van de inwerkingtreding van dit lid nog niet betaald werden aan de auteur of de vennootschap belast met het beheer van zijn rechten, zullen verdeeld worden door de door de Koning aangewezen beheersvennootschappen. " Artikel 1 van het KB van 2 augustus 2007 duidt de geïntimeerde aan als zulke beheersvennootschap zoals vermeld in het voormelde artikel
- B. Uit wat voorafgaat volgt dat de geïntimeerde - die wellicht tot het voorleggen van concrete individuele aansluitingscontracten wél gehouden was onder de wetgeving van vóór de wet van 4 september 2006 en het K.B. van 2 augustus 2007 - thans niet méér moet doen dan te zorgen voor de bekendmakingen in het Belgisch Staatsblad (opgelegd door de wetten van 1921 en 1994) en geen concrete individuele aansluitingscontracten van kunstenaars of hun rechthebbenden dient voor te leggen. C. In onderhavige zaak kan evenwel niet worden voorbijgegaan aan de vaststelling dat de NV Daum, hoewel aangemaand en in kennis gesteld van de bestaande wetgeving door de geïntimeerde - met gewone brieven van 22 januari 1996, 7 juni 1996 en 27 juni 1996 en - met aangetekende brieven van 12 augustus 1996 en 10 september 1996 (zie stukken nr. 1 tot en met 5, dossier geïntimeerde) op deze aanmaningen geen enkele medewerking heeft verleend door bezorging van overzichten van verkopen, laat staan door toezending van processen-verbaal en catalogi van de alsdan gehouden veilingen. Pas na de inleidende dagvaarding van 1997 en dit met mondjesmaat én dit tot op heden nimmer op volledige wijze, heeft de NV Daum processen-verbaal respectievelijk catalogi bezorgd. Indien het zo is dat onder de "oude" wetgeving de voorafgaande inkennisgeving en toezending van catalogi door de veilinghouder niet verplicht was, dan was het onder die "oude" wetgeving nà de veiling hoe dan ook verplicht om het nodige te doen voor de nadere inkennisgeving. Tot het in staat stellen van de geïntimeerde voor het berekenen van de volgrechten moest en moet de geïntimeerde ook in het bezit zijn van de kwestieuze catalogi en processen-verbaal. Het hof verwijst desbetreffend in eerste orde naar de correcte motivering van de eerste rechter in het vonnis van 8 februari 2001 onder "
- Gegrondheid van de vordering" onder a. en b., die zij alhier integraal als herhaald aanziet behalve waar zij strijdig zou zijn met wat in onderhavig arrest door het hof nader wordt overwogen. D. a. Het hof stelt vast dat de appellante nog steeds niet ingaat op wat door de geïntimeerde en uiteindelijk door de eerste rechter is bevolen, nl. wat neerkomt op een volledige openheid en medewerking door de appellante m.b.t. de stukken die te maken hebben met de veilingen. Tevergeefs beroept de appellante zich voor het ontbreken van catalogi op het tijdsverloop en eigenlijk ook op de eigen slordigheid (wegwerpen, verliezen...) om deze niet te moeten voorleggen. De appellante verliest uit het oog dat de wetgeving op de volgrechten al lang bestaat en zij al van midden 1996 door de geïntimeerde op de hoogte is gesteld van haar verplichtingen ter zake. b. De appellante is te kwader trouw en heeft wellicht gehoopt dat het tijdsverloop "op zich" de rechtbank en het hof ertoe zou brengen de aanspraken van de geïntimeerde wegens gebrek aan bewijs af te wijzen. Aan de appellante is intussen wel voldoende tijd verleend om mee te werken aan een en ander. Indien zij in hoofdorde van mening was dat zij hoegenaamd niet tot betaling van een volgrecht gehouden was, had zij nog steeds in ondergeschikte orde de nodige medewerking kunnen verlenen. Dit fundamenteel gebrek aan medewerking komt neer op een fout die een normaal voorzichtige veilinghouder in het rechtsverkeer nooit zou begaan. De passende sanctie is de omkering van de bewijslast, zodat de berekening die door de geïntimeerde wordt voorgelegd als uitgangspunt wordt genomen en het aan de appellante is aan te tonen waar de geïntimeerde verkeerd zou zijn. Op basis van de voorliggende stukken die door de CVBA Sabam worden voorgelegd, kan het totaal bedrag van achterstallige volgrechten van 7.436,81 EUR (= 300.000,00 BEF) worden aangenomen als beantwoordend aan de werkelijkheid: - tussen begin 1996 en mei 1999 zijn er door de appellante minstens 25 openbare verkopingen geweest; - voor die periode zijn er alleszins door de appellante geen volgrechten betaald; - dit alles ook rekening houdend met de advertenties voor de verkopingen, waar zeer geregeld de grootste namen in worden vermeld (Chagall, Miro, Dali, Alechinsky, Corneille, Picasso, Saverijs...) én rekening houdend met de volgens art. 2 van de wet van 25 juni 1921 bepaalde tarieven (2% voor een prijs tussen 24,79 EUR en 147,89 EUR; 3 % voor een prijs tussen 247,89 EUR en 495,79 EUR; 4 % voor een prijs tussen 495,79 EUR en 1.239,47 EUR). Dit komt neer op een bedrag van 297,47 EUR (= 12.000,00 BEF) per veiling, wat niet op overtuigende wijze kan worden tegengesproken door de door de appellante voorgelegde stukken. III. De geïntimeerde maakt voorts terecht aanspraak op een bijkomende schadevergoeding die een vergoeding uitmaakt voor de opsporingskosten die de geïntimeerde heeft moeten maken ten gevolge van de ten deze dan toch wel zeer opvallende onwil en kwade trouw in hoofde van de appellante. De vergoeding van 1.240,00 EUR die de geïntimeerde vordert is in alle opzichten billijk en redelijk. IV. A. Op de hierboven vastgestelde volgrechten ad 7.436,81 EUR en bijkomende schadevergoeding van 1.240,00 EUR vermag de geïntimeerde vergoedende intresten te vorderen, die worden toegekend vanaf de gemiddelde datum van 22 augustus
- In de mate er intussen al uitvoering is gegeven geworden aan het bestreden vonnis van 2 maart 2000, zal er hiermee rekening moeten worden gehouden bij de uiteindelijke afrekening en verrekening van de intresten. B. Met besluiten neergelegd op 22 januari 2008 vordert de geïntimeerde de kapitalisatie van de intresten die op die datum zijn vervallen. De vergoedingen die worden gevorderd door de geïntimeerde zijn die welke het gevolg zijn van de schending van wettelijke normen. Voor schadevergoeding uit onrechtmatige daad is intrest op vergoedende intrest mogelijk zonder dat de voorwaarden van art. 1154 B.W. moeten worden voldaan (cf. Cass., 27 oktober 1988, Arr.Cass., 1988-89, 238). Er kan dan ook worden ingegaan op deze vordering van de geïntimeerde. V. De gerechtskosten Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. wordt de appellante veroordeeld tot de gerechtskosten verbonden aan de beroepsprocedure, die worden vastgelegd op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, nl. 900,00 EUR. Het hof merkt op dat de geïntimeerde in graad van hoger beroep geen vorderingen heeft geformuleerd die samen meer dan 10.000,00 EUR bedragen. Omtrent de gerechtskosten verbonden aan de procedure voor de eerste rechter stelt het hof vast dat deze op definitieve wijze door de eerste rechter zijn vastgelegd en dat daarop niet meer kan worden teruggekomen; desbetreffend is de procedure voor de eerste rechter afgesloten, zodat het "nieuwe" systeem van vastlegging van de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure voor de eerste rechter niet kan worden toegepast. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk; Verklaart het hoofdberoep ongegrond; Verklaart het incidenteel beroep grotendeels gegrond; Bevestigt het vonnis van 8 februari 2001 onder het voorbehoud van de herformulering van het verstekvonnis van 2 maart 2000 ten gevolge van de beoordeling van het incidenteel beroep; Vernietigt het verstekvonnis van 2 maart 2000, behalve waar het de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart en de appellante veroordeelt tot de gerechtskosten, en voor het overige definitief beslissend: Verklaart de uiteindelijke vordering van de geïntimeerde grotendeels gegrond in de zin die volgt: Veroordeelt de appellante tot betaling van 8.676,81 EUR (= 7.436,81 EUR + 1.240,00 EUR) meer de vergoedende intresten vanaf de gemiddelde datum van 22 augustus 1998, op welk totaal (kapitaal + vervallen intresten) de geïntimeerde intresten vermag te rekenen vanaf 22 januari 2008, met dien verstande dat er bij de uiteindelijke afrekening tussen de partijen ook rekening moet worden gehouden met wat intussen reeds is betaald dan wel gekantonneerd door de appellante; Zegt dat alle betreffende intresten aan de wettelijke rentevoet zullen worden berekend; Veroordeelt de appellante tot de gerechtskosten verbonden aan onderhavige beroepsprocedure, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan haar zijde daar zij te haren laste blijven, en vastgesteld aan de zijde van de geïntimeerde op 900,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Onverminderd de toepassing van art. 1024 Ger.W. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Eric Dursin, raadsheer, Nadia De Turck, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. kamervoorzitter in openbare terechtzitting op zestien maart tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div