← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090317.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 17 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090317.10 Rolnummer: 2008/AR/1130 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-09-23 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 19:25 Fiche De omstandigheid dat men niet beschikt over de nodige informatie om tijdig de verklaring te doen en dat men verlieslatend is, vormen als zodanig geen gewettigd excuus om zich te onttrekken aan de verklaringsplicht van artikel 1452 Ger. Wetb. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag onder derden Vrije woorden: Beslag onder derden - verplichtingen derde-beslagene - verklaring - sanctie. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 17 maart 2009 ________ 2008/AR/1130 in de zaak van: COPYTEAM B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9230 WETTEREN, Schooldreef 16 B, ingeschreven met KBO-nummer 0851.255.370, appellante, hebbende als raadsman mr. VAN KEER Greta, advocaat te 9290 BERLARE, Donklaan 77/12 tegen: BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van financiën op vervolging van DE ONTVANGER DER DIRECTE BELASTINGEN TE WETTEREN, met kantoor te 9230 WETTEREN, Gentsesteenweg 93, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. WESTERLINCK Jean-Pierre, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Parklaan 44 Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof nam kennis van de op 4 januari 2008 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde verleende beschikking, waartegen appellante, met haar op 28 april 2008 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1.

  1. G. B., zaakvoerder en enig aandeelhouder van appellante, is aan geïntimeerde voor de aanslagjaren 1993 t.e.m. 1995, 2000 en 2003 een totaal bedrag van 124.540,11 EUR in personenbelasting verschuldigd, inclusief intresten en kosten. De belastingschuld, met inbegrip van de nalatigheidsintresten en de kosten, werd berekend tot het einde van de maand mei
  2. In toepassing van artikel 164, §1 van het Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelasting 1992, werd met het oog op de invordering van een totaal bedrag van 120.927,58 EUR lastens G. B. bij aangetekende brief van 24 augustus 2004 aan appellante een vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag ter kennis gebracht met verzet tegen afgifte van inkomsten, sommen en zaken aan beslagene B.. Appellante werd verzocht om deze som rechtstreeks voor rekening van G. B. te betalen aan geïntimeerde met het tegoed dat zij aan B. nog verschuldigd is of dat zich in haar handen bevindt (stuk 1 geïntimeerde). Bij brief van 20 oktober 2004 werd appellante er door geïntimeerde aan herinnerd dat zij als rechtstreeks schuldenaar op grond van de bepalingen van de artikelen 1452, 1455 en 1542, eerste lid Ger.W. kan worden vervolgd indien ze haar verplichtingen niet nakomt. Appellante bleef echter in gebreke en legde geen verklaring van derde-beslagene af, noch nam zij contact op met het kantoor van de ontvanger (stuk 2 geïntimeerde). Omdat zij haar wettelijke verplichtingen niet nakwam, heeft geïntimeerde appellante gedagvaard teneinde haar schuldenaar te horen verklaren tot het geheel van de oorzaken van het beslag op grond van de bepalingen van artikel 164, §5 KB/WIB 92 en artikel 1452, 1455 en 1542, eerste lid en 1543 Ger.W. 1.
  3. De vordering werd bij de bestreden beschikking integraal toegekend. De eerste rechter oordeelde dat de sanctie van artikel 1542 Ger.W. op zijn plaats is gelet op de houding van appellante, die er duidelijk toe strekte de figuur van het derdenbeslag te frustreren. Volgens de eerste rechter is er duidelijk collusie tussen appellante en haar enige aandeelhouder en zaakvoerder G. B.. De eerste rechter achtte geen redenen voorhanden om de sanctie te matigen en verklaarde appellante tot schuldenaar voor het geheel van de oorzaken en kosten van het derdenbeslag. 1.
  4. Appellante vraagt in hoger beroep de vernietiging van de bestreden beschikking en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde als ongegrond, met veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen. Als verweer tegen de gevraagde schuldenaarsverklaring voert zij aan: - dat de sanctie voorzien in artikel 1542 Ger.W. facultatief is, wat impliceert dat de sanctie zich enkel opdringt indien duidelijk zou blijken dat de derde-beslagene bewust het uitvoerend beslag heeft gefrustreerd met de enige bedoeling geïntimeerde te schaden in haar rechtmatige belangen, hetgeen in casu niet het geval is nu er geen sprake is van bewust achterhouden door appellante van gevraagde informatie; - dat het geenszins haar bedoeling was om het derdenbeslag te frustreren en dat er geen sprake is van misbruik door G. B. van de vennootschap van appellante om zijn onvermogen te bewerkstelligen; - dat zij niet beschikte over de nodige informatie om de verklaring van derde-beslagene tijdig te verrichten; - dat zij geen winst maakte in 2005 en 2006, maar enkel verlies zodat haar zaakvoerder G. B. niet gerechtigd was op een winstuitkering; - dat noch G. B., noch appellante beschikken over de nodige middelen om de gevraagde som te voldoen en dat een veroordeling tot betaling van de integrale som zou leiden tot een faling van appellante. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van de bestreden beschikking. Zij stelt dat appellante zich niet kan verschuilen achter haar beweerde onwetendheid betreffende de wet. Zij wijst erop dat in het vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag expliciet werd gewezen op de geldende wetsartikels en de daarin voorziene sanctie en dat van een derde-beslagene, handelend als bonus pater familias, mag worden verwacht dat hij iets onderneemt wanneer hij via een herinneringsschrijven wordt gemeld dat de administratie de intentie heeft om haar te dagvaarden voor de beslagrechter met het oog op de schulde-naarsverklaring. Dat dergelijke schuldenaarsverklaring zou kunnen leiden tot een faling, kan volgens geïntimeerde niet beletten dat de sanctie wordt toegepast. II. Beoordeling 2.
  5. Het hof dient zich uit te spreken over de vraag of de eerste rechter terecht de sanctie van de schuldenaarsverklaring van de derde-beslagene ten aanzien van appellante heeft toegepast en dit voor het geheel van de oorzaken en de kosten van het beslag. Dit moet worden beoordeeld in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak. Op 24 augustus 2004 ging geïntimeerde over tot een vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag in handen van appellante. Ten gevolge hiervan was appellante wettelijk verplicht de tegoeden die zij aan G. B. verschuldigd was, rechtstreeks aan geïntimeerde te betalen en ook binnen vijftien dagen na het derdenbeslag een verklaring te doen van de sommen of zaken, die het voorwerp zijn van het beslag. De verklaring van derde-beslagene moet nauwkeurig alle dienstige gegevens vermelden voor de vaststelling van de rechten van partijen en, naargelang het geval, in het bijzonder: 1° de oorzaken en het bedrag van de schuld, de dag van haar opeisbaarheid en in voorkomend geval haar modaliteiten; 2° de bevestiging door de derde-beslagene dat hij niet of niet meer de schuldenaar is van de beslagene; 3° de opgave van de beslagnemingen onder derden, waarvan aan de derde-beslagene reeds kennis is gegeven (art.1452 Ger.W.). De tijdige afgifte van deze verklaring is van fundamenteel belang voor de beslagleggende schuldeiser, omdat zij hem in staat stelt zo spoedig mogelijk te vernemen of de derde-beslagene al dan niet schuldenaar is van zijn debiteur en hij zo kan te weten komen of zijn vordering door het beslag verzekerd is, dan wel of hij bijkomende maatregelen moet nemen. 2.
  6. Indien de derde-beslagene zijn verklaring niet heeft gedaan binnen de wettelijke termijn, of niet met nauwkeurigheid heeft gedaan, kan de derde-beslagene, die daartoe voor de beslagrechter wordt opgeroepen, geheel of ten dele schuldenaar worden verklaard van de oorzaken en de kosten van het beslag, onverminderd de kosten van de tegen hem ingestelde rechtspleging, die in die gevallen te zijnen laste zijn (art.1542, eerste lid Ger.W.). De sanctie strekt er niet toe beweerde schade te vergoeden, maar enkel de derde te sanctioneren voor zijn verzuim. De schuldenaarsverklaring heeft geen indemnitair karakter. Bij de toepassing van de sanctie van schuldenaarsverklaring heeft de beslagrechter een zekere beoordelingsmacht. Het gaat om een facultatieve sanctie, zoals blijkt uit de formulering ervan ("kan") en bovendien beschikt de rechter over een matigingsrecht ("geheel of ten dele"). De rechter oordeelt in feite, op onaantastbare wijze, of de sanctie bepaald in artikel 1542 Ger.W. al dan niet dient te worden toegepast en zo ja, in welke mate (zie Cass.3 december 1990, Arr.Cass. 1990-91, 365). Er moet rekening worden gehouden met de toerekenbaarheid van het verzuim van de derde-beslagene. De schuldenaars-verklaring wordt slechts uitgesproken wanneer er sprake is van fraude, collusie of in geval van onverschoonbare onzorgvuldig-heid. Nu de sanctie geen indemnitair karakter heeft, kan de vraag of door het verzuim aan de beslaglegger schade is toegebracht, buiten beschouwing blijven. Om die reden moet de sanctie ook niet beperkt blijven tot het bedrag van de schuldvordering van de debiteur op de derde-beslagene, d.w.z. tot het voorwerp van het beslag, maar kan zij uitgebreid worden tot de oorzaken van het beslag. 2.
  7. De centrale vraag, die thans aan het hof voorligt, is of in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak de sanctie van de schuldenaarsverklaring gegrond is en of de uitbreiding van de sanctie tot het geheel van de oorzaken en de kosten van het beslag zich opdringt. Het staat vast dat appellante op geen enkele wijze heeft gereageerd op de aanzegging van het vereenvoudigd derdenbeslag op 24 augustus 2004, waarin haar duidelijk werd gevraagd het tegoed dat zij aan G. B. verschuldigd is, over te maken aan geïntimeerde in betaling van diens belastingschulden. Appellante heeft nagelaten om binnen de wettelijke termijn van 15 dagen de wettelijk vereiste verklaring van derde-beslagene af te leggen. Zelfs toen appellante door geïntimeerde in gebreke werd gesteld bij brief van 20 oktober 2004, waarin werd vastgesteld dat appellante geen tijdige verklaring van derdehouder heeft afgelegd noch enige betaling heeft gedaan, en waarin werd gedreigd werd met een dagvaarding voor de beslagrechter in schuldenaarsverklaring voor het geheel van de oorzaken en de kosten van het beslag op grond van de artikelen 1452, 1455 en 1542, eerste lid Ger.W., heeft appellante niet gereageerd. Zij bleef in gebreke om tijdig een verklaring van derde-beslagene aan geïntimeerde over te maken. Appellante geeft deze nalatigheid toe, maar werpt op dat deze niet moedwillig is gebeurd, dat haar zaakvoerder niet vertrouwd is met beslagprocedures en dat er geen sprake is van enige collusie met de schuldenaar, met als doel goederen van de schuldenaar te onttrekken aan het onderpand van zijn schuldeisers. De zaakvoerder en enige aandeelhouder van appellante, de heer G. B., heeft, nadat op 24 augustus 2004 fiscaal derdenbeslag in handen van appellante was gelegd, op geen enkele wijze gereageerd of contact heeft opgenomen met de administratie. Appellante heeft zich nooit geïnformeerd omtrent de gevolgen van het in haar handen gelegde derdenbeslag, zelfs niet toen zij op 20 oktober 2004 opnieuw in gebreke werd gesteld en daarbij uitdrukkelijk werd gewaarschuwd dat zij krachtens de wet tot schuldenaar voor het geheel van de oorzaken en de kosten van het beslag kon worden veroordeeld. Appellante betwist niet dat zij geen verklaring van derde-beslagene aflegde en verschuilt zich achter haar goede trouw, het verlieslatend karakter van de vennootschap, haar on-wetendheid alsook op het facultatief karakter van de sanctie. Deze uitleg volstaat volgens het Hof niet om de sanctie buiten toepassing te laten. 2.
  8. Het totaal gebrek aan reactie, in het bijzonder na de duidelijke ingebrekestelling van 20 oktober 2004 en het niet afleggen door appellante van een tijdige en correcte verklaring van derde-beslagene kan niet worden verantwoord door het beweerde gebrek aan nodige informatie om de verklaring tijdig te bezorgen, noch door de omstandigheid dat appellante verlieslatend bleek te zijn. De omstandigheid dat de derde-beslagene geen schuldenaar is van de beslagene ontslaat hem immers niet van de verplichting om zijn verklaring af te leggen, in het bijzonder wanneer hieraan nogmaals wordt herinnerd onder dreiging van de sanctie van schuldenaarsverklaring. Aangezien de verklaringsplicht een resultaatsverbintenis uitmaakt, kan enkel overmacht geïntimeerde exonereren. Nu er geen sprake is van overmacht, dringt de toepassing van de sanctie zich op. 2.
  9. De vraag is of ook toepassing moet worden gemaakt van de matigingsbevoegdheid bij het opleggen van de sanctie, en of appellante tot het geheel dan wel een deel van de oorzaken en de kosten van het beslag moet worden veroordeeld. De beoordeling van de draagwijdte van de sanctie, die geen indemnitair karakter heeft en bedoeld is als een private straf ten aanzien van een derde-beslagene, die de figuur van het derdenbeslag door zijn handelwijze dwarsboomt, wordt door de wetgever overgelaten aan de rechter, die een matigings-bevoegdheid heeft en de schuldenaarverklaring kan uitspreken voor het geheel of een gedeelte van de oorzaken van het beslag. De beslagrechter, die op onaantastbare wijze oordeelt, mag vrij de hoogte van de sanctie bepalen en kan de sanctie matigen naargelang de omstandigheden. Uit het voorgaande is voldoende gebleken dat appellante verzuimd heeft tijdig een verklaring van derde-beslagene te doen, ondanks het beslag op 24 augustus 2004 en een duidelijke ingebrekestelling op 20 oktober
  10. Appellante wordt geacht te weten welke de inhoud en draagwijdte zijn van haar wettelijke verplichtingen als derde-beslagene, die bovendien uitdrukkelijk vermeld werden in de ingebrekestelling die haar op 20 oktober 2004 ter kennis werd gebracht. Dat zij niet over de nodige informatie beschikte om tijdig de verklaring te doen en dat zij verlieslatend was, vormen als zodanig geen gewettigd excuus om zich te onttrekken aan de verklaringsplicht van art.1452 Ger.W. Geïntimeerde heeft zich duidelijk aan de verklaringsplicht onttrokken ingevolge collusie met de schuldenaar, die haar zaakvoerder en enige aandeelhouder is. Het kan niet worden aangenomen dat zij te goeder trouw zou hebben gehandeld en dat het niet haar bedoeling was om het derdenbeslag van geïntimeerde te frustreren. Uit het voorgaande blijkt dat er sprake is van een onverschoonbare onzorgvuldigheid in hoofde van appellante en ook van een bedrieglijke verstandhouding tussen appellante en haar zaakvoerder, aangezien appellante goed was ingelicht over de inhoud en draagwijdte van haar verplichtingen, maar deze niet heeft nageleefd. Appellante nam geen contact op met geïntimeerde en reageerde op geen enkele wijze toen geïntimeerde in niet mis te verstane bewoordingen dreigde met een procedure voor de beslagrechter in schuldenaarsverklaring. 2.
  11. Rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, zijn er geen redenen voorhanden op grond waarvan de sanctie moet worden gematigd. De toepassing van de ruimste sanctie, met name een veroordeling tot het geheel van de oorzaken van het beslag is in deze omstandigheden gerechtvaardigd. De derde-beslagene moet schuldenaar worden verklaard voor het geheel van de oorzaken en de kosten van het beslag. OM DEZE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond; Bevestigt de bestreden beschikking in al zijn onderdelen; Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet nader te begroten, aan de zijde van geïntimeerde begroot als volgt: - rechtsplegingsvergoeding: 1.200 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 17 maart
  12. Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.