id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 17 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090317.11 Rolnummer: 2008/AR/895 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-09-23 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 19:25 Fiche Een notariële akte, voorafgaand aan een echtscheiding door onderlinge toestemming, waarbij aan een partij gedurende 7 jaar een maandelijks bedrag wordt 'toebedeeld' en partijen expliciet verklaren van elkaar geen onderhoudsbijdrage te vorderen, betreft een kapitaalschuld waarop de verkorte verjaringstermijn van artikel 2277 Burg. Wetb. geen toepassing vindt UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) Vrije woorden: Beslag schuld - verjaring - artikel 2277 B.W Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 17 maart 2009 ________ 2008/AR/895 in de zaak van: G...... L......, wonende te ................................., appellante, hebbende als raadsman mr. DEBRA Pierre, advocaat te 8630 VEURNE, Oude Beestenmarkt 18 appellante, toegelaten tot de gunst van de rechtsbijstand bij arrest van het Bureau voor Rechtsbijstand in het Hof van Beroep te Gent van 12 maart 2008; tegen:
- C............ J.........., geïntimeerde,
- S........ S........., geïntimeerde, beiden wonende te .......................................................en hebbende als raadsman mr. VANNESTE Sabine, advocaat te 8770 INGELMUNSTER, Weststraat 5 Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof nam kennis van de op 20 februari 2008 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge verleende beschikking, waartegen appellante, met haar op 31 maart 2008 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1.
- Appellante en eerste geïntimeerde zijn bij vonnis van 18 november 1981 uit de echt gescheiden door onderlinge toestemming. Tweede geïntimeerde is de huidige echtgenote van eerste geïntimeerde. Bij akte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming, verleden op 6 augustus 1980 voor het ambt van notaris Pierre Erneux, werd onder meer bepaald (vrije vertaling): "A. Teneinde aan mevrouw L. G. haar gerechtigheden te voldoen, zal zij behouden of wordt haar toebedeeld: 1° de volgende meubelen ....... 2° twee obligaties van het gemeentekrediet, een obligatie van 50.000 BEF en een andere van 25.000 BEF; 3° een bedrag van zevenduizend frank (7.000) dat haar zal gestort worden door de heer J. C. binnen de eerste vijf dagen van elke maand te rekenen vanaf de maand augustus 1980 en dit gedurende 7 jaar, dit wil zeggen tot de maand juli 1987". Wat de onderhoudsbijdrage betreft werd gestipuleerd dat geen van beide echtgenoten lastens de andere een onderhoudsgeld vordert. De akte werd bevestigd bij akte van 18 november 1981 verleden voor het ambt van notaris Erneux (stukken 2 en 3 appellante). 1.
- Op 18 september 2007 liet appellante krachtens de voormelde notariële akten van 6 augustus 1980 en 18 november 1981 een bevel betekenen voorafgaand aan uitvoerend beslag op roerend goed, waarbij gevraagd werd om aan haar de som van 14.829,05 EUR te betalen, waaronder een hoofdsom van 14.576,14 EUR, samengesteld als volgt: "7.000 BEF per maand gedurende 7 jaar = 7.000 x 84 maanden = 588.000 BEF of 14.576,14 EUR" (stuk 6 appellante). Bij akte van 27 september 2007 werd aan geïntimeerde het bevel betekend voorafgaand aan uitvoerend onroerend beslag op een appartement dat eerste en tweede geïntimeerde sedert meer dan 10 jaar dient als echtelijke woonst (stuk 7 appellante). 1.
- Bij dagvaarding van 1 oktober 2007 hebben geïntimeerden verzet aangetekend tegen het op 18 september 2007 betekende bevel. Geïntimeerden vorderden: - de vordering van appellante onontvankelijk en ongegrond te verklaren; - uiterst subsidiair, voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat het bevel geen vormgebreken vertoont en de vermelde clausule opgenomen is in een geldige titel, uitstel van betaling en/of gemak van betaling. 1.
- Bij dagvaarding van 8 oktober 2007 hebben geïntimeerden verzet aangetekend tegen het op 27 september 2007 betekende bevel voorafgaandelijk uitvoerend beslag op onroerend goed. Formeel werd gevorderd: - de vordering van appellante onontvankelijk en ongegrond te verklaren; - uiterst subsidiair, voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat het bevel geen vormgebreken vertoont en de vermelde clausule opgenomen is in een geldige titel, uitstel van betaling en/of gemak van betaling. 1.
- Bij akten neergelegd ter griffie op 29 november 2007 is mevrouw S. S. vrijwillig tussengekomen in de beide procedures, met verzoek akte te nemen van het neergelegde verzoekschrift en het verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren. 1.
- Eerste en tweede geïntimeerden vorderden samen in besluiten hetgeen volgt: - in hoofdorde: het bevel voorafgaandelijk uitvoerend beslag op onroerend goed dd.27 september 2007 nietig te verklaren wegens vormgebreken; - in ondergeschikte orde, de procedure op te schorten tot na voorlegging van de stukken op wettelijke wijze, conform art.8 van de wet op het gebruik van talen in gerechtszaken; - subsidiair ten gronde: te zeggen voor recht dat de schuldvordering van appellante is verjaard en het verzet tegen de gedwongen uitvoering, gekend in de procedures AR 07/2912/A en 07/3034/A ontvankelijk en gegrond is; - even subsidiair, in elk geval te zeggen voor recht dat het bevel voorafgaand uitvoerend onroerend beslag onontvanke-lijk, minstens ongegrond is ten aanzien van de vrijwillig tussenkomende partij; - in de meest subsidiaire orde: geïntimeerde toe te laten de bedragen waartoe hij zou worden veroordeeld af te betalen middels maandelijkse betalingen van 175,00 EUR en te zeggen dat geïntimeerde en de vrijwillig tussenkomende partij niet kunnen gehouden zijn tot de betaling van welkdanige kosten; - op tegenvordering: appellante te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beslag van 2.500,00 EUR. 1.
- Beide verzetsprocedures tegen het op 18 september 2007 betekende bevel tot betaling enerzijds en het op 27 september 2007 betekende bevel voorafgaandelijk uitvoerend onroerend beslag anderzijds, werden, na voeging, bij de bestreden beschikking ontvankelijk en gegrond verklaard. Beide bevelen werden van generlei waarde verklaard en er werd geoordeeld dat zij geen rechtsgevolgen kunnen sorteren. De eerste rechter oordeelde dat er sprake is van een schuld ‘betaalbaar bij het jaar of bij kortere termijnen', zodat de door artikel 2277 B.W. bepaalde vijfjarige verjaringstermijn geldt. Bij gebreke aan hetzij schorsing, hetzij stuiting van de verjaringstermijn, stelde de eerste rechter vast dat de vordering van appellante reeds verjaard was op het ogenblik van de aanvang van de gedwongen tenuitvoerlegging. De gedwongen tenuitvoerlegging werd onrechtmatig geacht bij gebrek aan een actuele titel. 1.
- Intussen heeft gerechtsdeurwaarder D.Verhaeghe te Brugge bij exploot van 31 januari 2008 een nieuw betekening-bevel voorafgaandelijk uitvoerend beslag op onroerend goed betekend en op 19 februari 2008 uitvoerend beslag op onroerend goed gelegd om de redenen uiteengezet in zijn schrijven dd.19 februari 2008 (stuk 7 appellante). Geïntimeerden tekenden hiertegen verzet aan bij exploot van 29 februari 2008 bij de Beslagrechter te Brugge (stuk 6 geïntimeerden). Dit verzet werd inmiddels ontvankelijk en gegrond verklaard bij beschikking van 14 oktober 2008 van de beslagrechter te Brugge op dezelfde gronden als deze van de thans voor dit Hof bestreden beschikking. Appellante stelde eveneens hoger beroep in tegen de beschikking van 14 oktober
- II. Hoger beroep 2.
- Appellante vraagt haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de beschikking van de beslagrechter te Brugge van 20 februari 2008 te vernietigen en opnieuw wijzende, te zeggen voor recht dat zij uitvoert krachtens een actuele titel zodat de in haar opdracht benaarstigde gedwongen tenuitvoer-legging van de notariële akten dd.6 augustus 1980 en 18 november 1981 lastens eerste geïntimeerde, rechtmatig is; Tevens vraagt zij de veroordeling van geïntimeerden tot de gedingkosten. 2.
- Geïntimeerden vragen de integrale bevestiging van de bestreden beschikking, en, voor het geval dit Hof zou oordelen dat de schuldvordering van appellante niet is verjaard: - in ondergeschikte orde, te zeggen voor recht dat het bevel voorafgaandelijk uitvoerend beslag op onroerend goed dd.27 september 2007 nietig is wegens vormgebreken; - in nog meer ondergeschikte orde, te zeggen voor recht dat het bevel voorafgaandelijk uitvoerend roerend beslag dd.18 september 2007 en het bevel voorafgaandelijk uitvoerend beslag op onroerend goed dd.27 september 2007 op basis van de schuldvordering zoals omschreven in de akten E.O.T. afgesloten tussen eerste geïntimeerde en appellante onontvankelijk, minstens ongegrond is ten aanzien van tweede geïntimeerde en het verweer van tweede geïntimeerde dienaangaande ontvanke-lijk en gegrond te verklaren; - uiterst subsidiair, geïntimeerde(n) in elk geval toe te laten de bedragen waartoe zij zouden worden veroordeeld af te betalen mits maandelijkse afbetalingen van 175,00 EUR. Tevens stellen zij bij conclusie incidenteel hoger beroep in, waarbij zij de veroordeling vragen van appellante tot de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ten bedrage van 2.500,00 EUR. Ten slotte vragen zij te zeggen voor recht dat zij niet kunnen gehouden zijn tot de betaling van welkdanige kosten en dat appellante gehouden is tot de kosten van de bevelen en de kosten van hoger beroep, alsook tot de kosten van het geding. III. Beoordeling A. Wat betreft de verjaring van de schuldvordering en de actualiteit van de titel 3.
- Geen uitvoerend beslag op roerend of onroerend goed mag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens zekere en vaststaande zaken (art.1494 Ger.W.). De materieel-rechtelijke verhouding tussen partijen is vastgelegd door de uitvoerbare titel. Daarop kan de beslagrechter en thans dit Hof, dat kennis neemt van executiegeschillen, niet meer inwerken. De uitvoerbare titel geeft echter enkel de positie weer van de partijen op het ogenblik van zijn ontstaan. Allerlei later ingetreden omstandigheden of gebeurtenissen kunnen op de schuldvorde-ring inwerken, waardoor de schuldvordering, die in de titel is neergelegd, niet langer de materieelrechtelijke verhouding tussen de partijen juist weergeeft. De schuldvordering kan door latere gebeurtenissen geheel of ten dele uitdoven, ten gevolge waarvan de uitvoerbare titel niet meer doeltreffend of actueel is. Het komt het Hof toe de actualiteit van de titel te onderzoeken waarvan de uitvoering wordt benaarstigd. De grondslag hiervoor is te vinden in artikel 1498 Ger.W. De beslagrechter die kennis neemt van zwarigheden bij de executie, kan niet alleen oordelen over de regelmatigheid, maar ook over de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging. De tenuitvoerlegging is onrechtmatig wanneer de beslaglegger niet meer de actuele schuldeiser is of wanneer de schuldvordering inmiddels is teniet gegaan. Het Hof dient te onderzoeken of de schuldvordering, die uit de uitvoerbare titel van appellante blijkt, is tenietgegaan na het ontstaan van de titel in welk geval de tenuitvoerlegging onrecht-matig zou zijn. Hierbij mag geen afbreuk worden gedaan aan wat in de notariële akte werd gestipuleerd. Het Hof mag niet raken aan de materieelrechtelijke verhouding tussen de partijen, maar enkel het executiegeschil beslechten. 3.
- De kern van het dispuut tussen partijen betreft de vraag of de schuldvordering van appellante nog niet verjaard is en of appellante nog gerechtigd is over te gaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging door betekening van een bevel voorafgaand aan roerend en onroerend beslag op 18 en 27 september 2007 krachtens twee notariële akten, die reeds dateren van 6 augustus 1980 en 18 november 1981, en welke tot stand kwamen voorafgaand aan de echtscheiding onderlinge toestemming tussen appellante en eerste geïntimeerde. Door de gedwongen uitvoering beoogt appellante betaling te bekomen van een bedrag van 14.829,05 EUR, waaronder een hoofdsom van 14.576,14 EUR, samengesteld als volgt: "7.000 BEF per maand gedurende 7 jaar = 7.000 x 84 maanden = 588.000 BEF of 14.576,14 EUR". De gedwongen uitvoering steunt op een clausule in de notariële akte, waarin onder meer aan appellante werd ‘toebedeeld' om haar gerechtigheden te voldoen: "een bedrag van zevenduizend frank (7.000) dat haar zal gestort worden door de heer J. C. binnen de eerste vijf dagen van elke maand te rekenen vanaf de maand augustus 1980 en dit gedurende 7 jaar, dit wil zeggen tot de maand juli 1987". Het staat vast dat appellante tijdens de betrokken zeven jaar van augustus 1980 tot juli 1987 en ook in de 20 daaropvolgende jaren nooit op betaling heeft aangedrongen. Anderzijds blijkt ook dat eerste geïntimeerde na de uitspraak van het echtscheidings-vonnis is uitgeweken naar de U.S.A. (Californië), waardoor een gedwongen executie op verzoek van appellante ernstig werd bemoeilijkt. De omstandigheid dat eerste geïntimeerde zich steeds heeft gekweten van zijn onderhoudsverplichtingen ten aanzien van zijn kinderen en met hen goede contacten is blijven onderhouden, doet geen afbreuk aan de vraag die thans ter discussie staat. 3.
- De vraag of de schuldvordering van appellante al dan niet verjaard is, hangt meer bepaald af van de beoordeling van de aard van haar schuldvordering. Indien deze schuldvordering moet worden beschouwd als een periodieke schuldvordering in de zin van artikel 2277 B.W. geldt een verkorte vijfjarige verjarings-termijn en is verjaring ingetreden, bij gebreke aan schorsing of stuiting van de verjaringstermijn, waardoor de uitvoerbare titel zijn actualiteit heeft verloren en de gedwongen uitvoering onrechtmatig is. Artikel 2277 B.W. bepaalt: "Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten; Die van uitkeringen tot levensonderhoud; Huren van huizen en pachten van landeigendommen; Interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, Verjaren door verloop van vijf jaren". De kortere verjaringstermijn van artikel 2277 B.W. wordt verantwoord door de bijzondere aard van de schuldvorderingen die zij beoogt: het gaat erom, wanneer de schuld betrekking heeft op de uitkeringen van inkomsten die "bij het jaar of bij kortere termijnen" betaalbaar zijn, ofwel de kredietnemers te beschermen en de schuldeisers tot zorgvuldigheid aan te zetten, ofwel te vermijden dat het totaalbedrag van de periodieke schuldvorderingen voortdurend aangroeit. De kortere verjaring maakt het ook mogelijk de schuldenaars te beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden (zie Grondwettelijk Hof, 17 januari 2007, arrest nr.13/2007). De wetgever bedoelde met deze bepaling alle periodiek weerkerende schulden die van dezelfde aard zijn als deze opgesomd in dit artikel en die het karakter hebben van inkomstenschulden, in tegenstelling tot kapitaalschulden (zie Cass.6 februari 1998, Arr.Cass. 1998, nr.75). Ten aanzien van dit doel vertoont bijvoorbeeld de schuld met betrekking tot de levering van mobiele telefonie volgens het Grondwettelijk Hof gelijkenissen met de schulden bedoeld in artikel 2277 B.W. (arrest nr.13/2007, 17 januari 2007). De vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 B.W. is van toepassing op alle periodieke prestaties die bij het jaar of op kortere periodieke termijnen betaalbaar gesteld worden. Periodieke schulden waarop de korte verjaring van artikel 2277 B.W. van toepassing is, zijn deze die elementen bevatten die kunnen worden gelijkgesteld met de schulden van termijnen en van renten, huren en intresten van geleende sommen. Zij vertonen het kenmerk dat zij na verloop van tijd toenemen en de schuldenaar kunnen ruïneren. Zij onderscheiden zich van de kapitaalschulden, waarvan het bedrag reeds bij het begin duidelijk is vastgesteld, ook wanneer deze in periodieke schijven betaalbaar zou zijn, en waarvan het totaalbedrag niet verandert naarmate de tijd verstrijkt (zie DEKKERS, A., DIRIX, E., Deel II, nr.1353, 568). Artikel 2277 B.W. is bijgevolg niet van toepassing op kapitaalschulden, ook niet wanneer deze betaalbaar is gesteld bij het jaar of bij kortere termijnen. 3.
- De feitenrechter beoordeelt soeverein of periodiek weerkerende schulden al dan niet het karakter van een inkomen hebben. In tegenstelling tot de eerste rechter, is dit Hof van oordeel dat de schuldvordering van appellante het karakter heeft van een vast bepaalde kapitaalschuld van 14.576,14 EUR, betaalbaar in periodieke schijven van 173,52 EUR over een periode van 7 jaar, waarvan het totaalbedrag niet toeneemt naarmate de tijd verstrijkt. Het gaat niet om een schuld die door het verstrijken van de tijd ongemerkt zou aangroeien tot een grote kapitaalschuld. Zoals blijkt uit de formulering in de notariële akte werden aan appellante, naast de helft van de meubels en twee obligaties, ook een bedrag toebedeeld van 14.576,14 EUR terug te betalen over een periode van 7 jaar eindigend in juli 1987, door 84 maande-lijkse stortingen van 173,52 EUR. De omstandigheid dat het totaalbedrag van 14.576,14 EUR niet expliciet in de akte wordt vermeld, belet niet dat door de duidelijk omschreven verplichting voor eerste geïntimeerde om gedurende een vaste periode van 7 jaar iedere maand 173,52 EUR te betalen, een kapitaalschuld aan eerste geïntimeerde werd opgelegd ten belope van 14.576,14 EUR, betaalbaar in maandelijkse schijven. Eerste geïntimeerde heeft zich bij de ondertekening van de akte met kennis van zaken verbonden tot de betaling van deze vaste en onveranderlijke kapitaalschuld. Dat het bedrag blijkens de bewoordingen van de akte verdeeld werd over 84 maandbedragen van 173,52 EUR gedurende 7 jaar, doet niets af aan het karakter van de kapitaalschuld. Deze betaling heeft geen uitstaans met enige alimentatieverplichting, nu appellante en eerste geïntimeerde in de notariële akte wederzijds afstand deden van hun onderhoudsvorderingen. 3.
- De verkorte verjaringstermijn van artikel 2277 B.W. kon geen toepassing vinden op de schuldvordering van appellante, maar wel de algemene regels inzake verjaring. Voor de wet van 10 juni 1998 was de gemeenrechtelijke verjaringstermijn de dertigjarige termijn. Thans verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen alsook de actio judicati door verloop van tien jaar (art.2262bis, §1 B.W.). Wat het overgangsrecht betreft, bepaalt artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998 dat de nieuwe verjaringstermijn slechts begint te lopen vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet (d.i. op 27 juli 1998) zonder dat de totale duur meer dan 30 jaar mag bedragen. Aangezien appellante is overgegaan tot gedwongen uitvoering van een persoonlijke schuldvordering op 18 september en 27 september 2007, d.i. voor het verstrijken van de 10-jarige verjaringstermijn, die is ingegaan op 27 juli 1998, was haar schuldvordering nog niet verjaard op het tijdstip van de gedwongen uitvoering. Zij beschikte nog steeds over een uitvoerbare titel, die nog niet was tenietgegaan door betaling en evenmin was verjaard, zodat haar gedwongen uitvoering rechtmatig was. B. Wat betreft de nietigheid van het bevel voorafgaandelijk uitvoerend beslag 3.
- Geïntimeerden werpen op dat het bevel voorafgaandelijk uitvoerend beslag op onroerend goed dd.27 september 2007 nietig is bij gebreke aan een volledig afschrift van de titel. Krachtens artikel 1564 Ger.W. wordt het uitvoerend beslag op onroerend goed voorafgegaan door een bevel bij exploot betekend aan de persoon dan wel aan de werkelijke of in de titel der schuldvordering gekozen woonplaats. Bovenaan op dit bevel wordt volledig afschrift van de titel gegeven, indien hij niet reeds aan de schuldenaar betekend was binnen de drie jaren die aan het bevel voorafgaan of wanneer het gaat om een authentieke akte waarbij een hypotheek wordt gevestigd. Een integrale overname van de titel is noodzakelijk. De loutere verwijzing ernaar of de overname van uittreksels is onvoldoende. De bepaling van artikel 1564 Ger.W. geldt overeenkomstig artikel 1622 Ger.W. op straffe van nietigheid. Deze sanctie onderstelt een belangenkrenking. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat het exploot van bevel voorafgaandelijk het uitvoerend beslag op onroerend goed geen volledig afschrift bevat van de titel, meer bepaald van de notariële akten van 6 augustus 1980 en 18 november
- Het exploot vermeldt dat het wordt betekend krachtens de uitgifte in uitvoerbare vorm van een notariële akte, verleden voor notaris Pierre ERNEUX op 6 augustus 1980 en de uitgifte in uitvoerbare vorm van de notariële akte dd.18 november 1981 (stuk 7 appellante). Hierover geïnterpelleerd door de raadsman van appellante, erkent de instrumenterende gerechtsdeurwaarder Mr.Hillemans-Verhaeghe in zijn schrijven van 18 december 2007 dat de titel wél nog betekend diende te worden bij de procedure van onroerend beslag en dat zijn kantoor hier een fout heeft gemaakt, waarvoor hij zijn verontschuldigingen aanbiedt. Tevens verklaart hij de kosten van de procedure en van het verzet ten laste te willen nemen en stelt hij voor om de procedure van onroerend beslag te hernemen met een bevel, ditmaal wél met een betekening van de titel, gevolgd door een onroerend beslag (stuk 9 appellante). Appellante toont aan op dat zij inmiddels wél een volledig afschrift van beide notariële akten heeft laten betekenen bij het exploot van betekening-bevel voorafgaandelijk uitvoerend beslag op onroerend goed dd.31 januari 2008, gevolgd door een uitvoerend beslag op onroerend goed op 19 februari 2008, welk beslag geldig is en waartegen geïntimeerden verzet aantekenden op 29 februari 2008, dat werd ingewilligd bij de beschikking van 14 oktober 2008, die thans niet ter beoordeling voorligt. Zij meent dat het bevel van 27 september 2007, dat thans ter discussie staat voor dit Hof, op zich niet nietig is daar het een ingebrekestelling is en blijft, voor zover het daarbij blijft, hetgeen het geval zou zijn. 3.
- Het Hof is van oordeel dat de in het exploot van 31 januari 2008 verrichte regularisatie geen einde maakt aan de onregelmatigheid van het oorspronkelijk exploot van betekening-bevel van 27.09.2007, dat geen volledig afschrift van de titel bevatte. Het exploot van betekening-bevel kan omwille van deze onregelmatigheid slechts nietig worden verklaard indien de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt, in casu van geïntimeerden. Het Hof is van oordeel dat er geen sprake is van belangenschade in hoofde van eerste geïntimeerde, die de notariële akten op grond waarvan wordt uitgevoerd zelf ondertekend heeft. Artikel 1564, tweede lid Ger.W. bevat slechts de toepassing van de algemene regel volgens dewelke de authentieke notariële akte niet hoeft te worden betekend vóór de aanvang van de gedwongen tenuitvoerlegging aan de tegenpartij, omdat deze, door de akte te ondertekenen, vermoed wordt de inhoud ervan te kennen (zie G.de Leval, La saisie immobilière, p.201, nr.236; Traité des saisies, p.532, nr.259). Artikel 1495, eerste lid Ger.W. dat de voorafgaande betekening als voorwaarde stelt voor de gedwongen tenuitvoerlegging, heeft betrekking op de executie van een veroordelende rechterlijke beslissing, niet van een notariële akte. Dit wordt ook bevestigd door artikel 1499 Ger.W. dat de voorafgaande betekening van de titel bij uitvoerend beslag op roerend goed verplicht stelt bij de betekening van het voorafgaand bevel, indien de titel bestaat uit een rechterlijke beslissing. Door het feit dat hij de notariële akte destijds zelf heeft ondertekend en derhalve goed kent en door de duidelijke omschrijving in het exploot van de verbintenis van eerste geïntimeerde m.b.t. de terugbetaling van het gevorderde bedrag, was eerste geïntimeerde duidelijk in kennis gesteld van de verbintenis, waartoe hij zich verbonden had en waarvan appellante de gedwongen uitvoering eiste. Hij kan zich niet beroepen op de nietigheid van het voorafgaand bevel. Hetzelfde kan niet worden gezegd ten aanzien van tweede geïntimeerde, die geen partij was bij de ondertekening van de notariële akte en onbekend was met de inhoud ervan. Ten aanzien van haar dient het bevel voorafgaand aan het uitvoerend onroerend beslag nietig te worden verklaard, op voorwaarde dat er sprake is van belangenschade. Het Hof is van oordeel dat het exploot van betekening-bevel dd.18 september 2007 en 27 september 2007 voorafgaand aan het uitvoerend beslag op respectievelijk roerend en onroerend goed wel nietig is ten aanzien van tweede geïntimeerde, die volledig onbekend was met de notariële akte, op grond waarvan appellante is overgegaan tot gedwongen uitvoering op het onroerend goed, dat blijkens de akte van aankoop dd.26 februari 1996 eigendom is van beide geïntimeerden. De nietigheid van het exploot van betekening-bevel doet geen afbreuk aan de vaststelling dat appellante inmiddels is overgegaan tot een nieuwe rechtsgeldige en regelmatige betekening van haar uitvoerbare titel bij exploot van betekening-bevel voorafgaand aan uitvoerend beslag op onroerend goed op 31 januari 2008, dat aan beide geïntimeerden werd betekend. C. Onontvankelijkheid/ongegrondheid van de bevelen t.a.v. tweede geïntimeerde 3.
- Tweede geïntimeerde werpt op dat zij niet gehouden is tot betaling van sommen vastgesteld in de akte E.O.T. van haar echtgenoot, daterend van 27 jaar geleden. Zij stelt mede-eigenaar te zijn van de roerende en onroerende goederen en legt tot staving hiervan de verkoopsakte m.b.t. het onroerend goed voor dd.26 februari 1996 (stuk 8 geïntimeerden). Tweede geïntimeerde voert aan dat beslag enkel kan gelegd worden op goederen van de beslagene, wanneer de beslagene schuldenaar is van de beslaglegger en dat het beslag door appellante gelegd diende beperkt te worden tot het onverdeeld aandeel van eerste geïntimeerde in het onroerend goed. De vraag of appellante al dan niet terecht is overgegaan tot het leggen van uitvoerend beslag op onroerend goed dat mede toebehoort aan tweede geïntimeerde, meer in het bijzonder de vraag of al dan niet beslag kan worden gelegd op het onroerend goed van geïntimeerden is niet aan de orde voor dit Hof. Deze vraag betreft immers de ontvankelijkheid/gegrondheid van het verzet van tweede geïntimeerde tegen het regelmatig en rechtsgeldig betekende bevel dd.31 januari 2008 en het beslag dd.19 februari 2008, dat in eerste aanleg reeds werd beoordeeld in de beschikking van de beslagrechter te Brugge van 14 oktober
- Het hoger beroep tegen deze beschikking ligt thans niet ter beoordeling van dit Hof, dat enkel werd gevat met het hoger beroep tegen de beschikking van 20 februari 2008 m.b.t. de regelmatigheid en rechtmatigheid van het bevel voorafgaand aan het uitvoerend beslag op roerend en onroerend goed. Het Hof neemt akte van de verklaring van appellante dat enkel eerste geïntimeerde haar schuldenaar is en niet tweede geïntimeerde en dat het uitvoerend beslag verder tegenover eerste geïntimeerde zal worden benaarstigd conform de wettelijke bepalingen. D. Wat betreft het misbruik van beslagrecht 3.
- Geïntimeerden vragen een schadevergoeding van 2.500,00 EUR "bij wijze van incidenteel hoger beroep wegens tergend en roekeloos hoger beroep". Het Hof stelt vast dat geïntimeerden in de procedure voor de eerste rechter een ‘tegenvordering' hadden geformuleerd wegens tergend en roekeloos beslag ten belope van 2.500,00 EUR, dewelke ongegrond werd verklaard omdat er geen beslag werd gelegd door appellante. Geïntimeerden hebben op dit punt geen incidenteel beroep geformuleerd maar vragen ‘bij wijze van incidenteel beroep' thans een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Dit betreft geen incidenteel beroep tegen de bestreden beschikking, maar een ontvankelijke nieuwe eis in hoger beroep. Gelet op de gegrondheid van het hoger beroep, dient de eis van geïntimeerden als ongegrond te worden afgewezen. E. Wat betreft de termijnen van respijt 3.
- Voor zover het Hof zou oordelen dat de schuldvordering niet verjaard is en het bevel voorafgaand aan uitvoerend beslag niet nietig zou zijn, verzoeken geïntimeerden bij wijze van incidenteel hoger beroep de verschuldigde bedragen te mogen afbetalen middels maandelijkse afbetalingen van 175,00 EUR. Op dit verzoek kan niet worden ingegaan. Op grond van de notariële akten staat duidelijk vast dat eerste geïntimeerde de verplichting had om het gevorderde bedrag te betalen over een periode van 7 jaar, van augustus 2000 tot juli 2007, en dat deze periode is verstreken zonder dat het bedrag werd betaald. Aangezien de uitvoerbare titel, zijnde de notariële akte, geen respijttermijnen voorziet en door dit Hof geen afbreuk kan worden gedaan aan wat in de uitvoerbare titel is gestipuleerd, dient het bedrag in éénmaal te worden vereffend. Het komt het Hof niet toe in het kader van een executiegeschil vooralsnog in te gaan op een verzoek tot het verlenen van termijnen van respijt aan de executieplichtige. F. De rechtsplegingsvergoeding 3.
- Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding, is het Hof van oordeel dat bij de bepaling van de rechtsplegingsvergoedingen de basisbedragen toepassing vinden, in voege vanaf 1 januari 2008 als gevolg van het K.B. van 26 oktober 2007 ter uitvoering van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten. 3.
- De kosten van beide aanleggen vallen ten laste van eerste geïntimeerde. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald; Doet de beschikking van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge dd. 20 februari 2008 teniet en opnieuw wijzende; Zegt voor recht dat appellante uitvoert krachtens een actuele titel zodat de in haar opdracht benaarstigde gedwongen tenuitvoer-legging van de notariële akten voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming dd. 6 augustus 1980 en 18 november 1981, door betekening op 18 september 2007 en op 27 september 2007 van een bevel voorafgaand aan uitvoerend beslag op roerend en onroerend goed lastens eerste geïntimeerde C. J. rechtsgeldig en rechtmatig is; Stelt vast dat het bevel dd.18 september 2007 voorafgaand aan het uitvoerend beslag op roerend goed en het bevel dd.27 september 2007 voorafgaand aan het uitvoerend beslag op onroerend goed nietig zijn ten aanzien van tweede geïntimeerde; Verleent akte aan appellante van haar verklaring dat enkel eerste geïntimeerde haar schuldenaar is en niet tweede geïntimeerde en dat het uitvoerend beslag verder tegenover eerste geïntimeerde zal worden benaarstigd conform de wettelijke bepalingen. Verklaart de vordering in schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van geïntimeerden ontvankelijk, doch ongegrond; Wijst het verzoek tot het bekomen van termijnen van respijt van geïntimeerden af als ongegrond; Veroordeelt eerste geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot als volgt: - aan de zijde van appellante: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 1.200,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.200,00 EUR - aan de zijde van geïntimeerden: - verzetsakte dd.01.10.2007: 226,42 EUR - verzetsakte dd.08.10.2007: 124,85 EUR - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 1.200,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.200,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 17 maart
- Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div