id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 18 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090318.9 Rolnummer: 2007/AR/2025 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-11-18 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-07-02 19:25 Fiche De nietigverklaring van een (eerste) beroepsakte houdt in dat de beroepstermijn wordt gestuit. Deze stuiting loopt vanaf de datum van de neerlegging van de (eerste) beroepsakte tot aan het arrest dat de (eerste) beroepsakte nietig verklaart. Vanaf dan begint een nieuwe beroepstermijn te lopen. In casu was deze nieuwe beroepstermijn verstreken voor de neerlegging van de (tweede) beroepsakte ingevolge betekening van het bestreden vonnis. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Termijn hoger beroep Vrije woorden: Hoger beroep - nietigverklaring beroepsakte - stuiting van de termijn om hoger beroep in te stellen (art. 40, derde lid, Taalwet) gevolgen ten aanzien van de beroepstermijn. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 18 maart 2009 EINDARREST onontvankelijk hoger beroep - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2025 van: bvba C. VERPLEGING, met zetel te 1081 Koekelberg, Steengroefstraat 3, met ondernemingsnr. 0441.869.642, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de eerste kamer dd. 13-10-2005, oorspronkelijk eiseres op hoofdeis en verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman mr. BEECKMANS Saskia, advocaat te 1080 Brussel, Mettewielaan 49 Bus 10 tegen : bvba PLAFOBELL, met zetel te 8560 Wevelgem, Menenstraat 515, met ondernemingsnr. 0425.551.371, geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster op hoofdeis en eiseres op tegeneis, hebbende als raadsman mr. MICHIELS Patrick, advocaat te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 27 velt het hof het volgend arrest. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 10 augustus 2007 tekende de B.V.B.A. C. Verpleging (hierna "appellante" genoemd) hoger beroep aan tegen het vonnis op tegenspraak gewezen op 13 oktober 2005 door de rechtbank van koophandel te Kortrijk, eerste kamer, tussen appellante en de B.V.B.A. Plafobell (hierna "geïntimeerde" genoemd) in de zaak met A.R. nr. 1095/
- De partijen werden ter openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies. De overgelegde stukken werden ingezien. Antecedenten Onderhavig geschil nam een aanvang wanneer appellante bij exploot dd. 30/11/2004 overging tot dagvaarding van geïntimeerde voor de rechtbank van koophandel te Brussel in "verbreking" van een tussen hen op 15/6/1996 gesloten overeenkomst in het nadeel van geïntimeerde en in veroordeling van deze laatste tot (terug)betaling van de reeds betaalde voorschotten nl. 74,37 euro en 1.239,47 euro meer de intresten vanaf de data van betaling (respectievelijk 15 juni en 18 juni 1996) en de gedingkosten. Hierop volgde een tegenvordering van geïntimeerde strekkende tot de ontbinding van voormelde overeenkomst lastens appellante en tot de veroordeling van appellante tot betaling van de conventionele schadevergoeding ad. 1.222,12 euro meer de gerechtelijke intresten en de gedingkosten. Bij vonnis dd. 11/3/2005 van de rechtbank van koophandel te Brussel, 2de kamer, werd de zaak verzonden naar de rechtbank van koophandel te Kortrijk en werden de kosten voorbehouden. Beide partijen volhardden in hun respectieve standpunten en vorderingen. Geïntimeerde breidde haar tegenvordering uit met een vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ten belope van 750 euro. De eerste rechter verklaarde zowel de hoofdvordering als de tegenvordering ontvankelijk, doch beide ongegrond en zegde voor recht dat elke partij haar eigen kosten diende te dragen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit vonnis werd betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot dd. 27/2/
- Bij verzoekschrift neergelegd op 22/11/2005 tekende appellante hoger beroep aan strekkende tot de gedeeltelijke vernietiging van het vonnis a quo en de toekenning van haar oorspronkelijke hoofdvordering met veroordeling van geïntimeerde tot de gedingkosten van beide aanleggen. Deze zaak staat gekend onder A.R. nr. 2005/AR/
- Bij besluiten neergelegd op 30/1/2006 besloot geïntimeerde tot de ongegrondheid van het hoger beroep en formuleerde een incidenteel beroep strekkende tot de toekenning van haar oorspronkelijke tegenvordering in ontbinding van de overeenkomst met schade-vergoeding en in betaling van het bedrag van 750 euro wegens tergend en roekeloos geding meer de gerechtelijke intresten. Bij arrest gewezen op 14/6/2007 door het hof van beroep te Gent, eerste bis kamer, werd vastgesteld dat zowel het hoger beroep als het incidenteel beroep nietig waren en derhalve onontvankelijk en werd appellante veroordeeld tot de gedingkosten van het hoger beroep. De nietigheid van het hoger beroep vond steun in artikel 40, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken ("taalwet" genoemd) aangezien in het verzoekschrift tot hoger beroep een in het Frans opgesteld citaat voorkwam dat als ondersteuning werd ingeroepen van de grieven die in de akte van hoger beroep werden uiteengezet. De nietigheid van het incidenteel beroep was gegrond op artikel 1054, tweede lid, Ger. W. Bij verzoekschrift neergelegd op 10 augustus 2007 tekent appellante een tweede maal hoger beroep aan tegen het bestreden vonnis, ditmaal zonder citaat van een Franse tekst. Met dit hoger beroep beoogt appellante hetzelfde als het voorgaande hoger beroep, met name de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis en de toekenning van haar oorspronkelijke hoofdvordering. Geïntimeerde besluit tot de onontvankelijkheid van dit tweede hoger beroep en formuleert een incidenteel beroep ertoe strekkende appellante te veroordelen tot betaling van de som van 750 euro ten titel van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep, vermeerderd met de gerechtelijke rente vanaf heden. Dit betreft evenwel geen incidenteel beroep doch een nieuwe vordering in graad van hoger beroep die uit haar aard ontvankelijk is. Beoordeling
- ontvankelijkheid van het hoger beroep Appellante kan niet gevolgd worden waar zij voorhoudt dat haar hoger beroep, gelet op de toepassing van artikel 40, derde lid, van de taalwet, ontvankelijk is. Ingevolge de toepassing van artikel 40, derde lid, van de taalwet is haar hoger beroep integendeel onontvankelijk. Artikel 40, derde lid, van de taalwet bepaalt het volgende : "De akten, nietig verklaard wegens overtreding van deze wet, stuiten de verjaring alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straf van verval." Overeenkomstig artikel 860, tweede lid, Ger. W. is de termijn om hoger beroep aan te tekenen een termijn van rechtspleging op straffe van verval voorgeschreven. Dit betekent dat hij niet kan worden verkort of verlengd, zelfs met instemming van de partijen, tenzij dat verval gedekt is onder de omstandigheden bij de wet bepaald (artikel 50 Ger. W.), omstandigheden die te dezen niet aan de orde zijn. De nietigverklaring van de beroepsakte in voormeld arrest van 14/6/2007 houdt in dat de beroepstermijn werd gestuit op datum van de neerlegging van de beroepsakte en dat deze stuiting voortduurde tot op de dag van de uitspraak die een einde maakte aan het geding, m.a.w. tot op het ogenblik van de tussenkomst van het arrest van 14/6/
- Vanaf dan begint een nieuwe beroepstermijn te lopen. Wat appellante evenwel vergeet is dat deze nieuwe beroepstermijn niet onbeperkt was, doch ingevolge de betekening van het bestreden vonnis op 27/2/2006, beperkt was tot de duur van één maand (artikel 1051, eerste lid, Ger. W) en dat deze termijn is beginnen te lopen de dag nadat de stuiting heeft opgehouden te bestaan, m.a.w. vanaf 15 juni
- De betekening kon immers pas effect sorteren nadat de nietigheid van de beroepsakte was uitgesproken, zoniet had de stuiting, die door de wet expliciet is voorzien, geen enkele zin en was een nieuw hoger beroep a priori uitgesloten. Aangezien de (tweede) beroepsakte nà het ophouden van stuiting op 14/6/2007 pas werd neergelegd op 10 augustus 2007, daar waar de beroepstermijn opnieuw was beginnen lopen op 15/6/2007 om te eindigen op 15/7/2007, is het hoger beroep laattijdig en derhalve niet ontvankelijk. Geïntimeerde beroept zich aldus terecht op het middel van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.
- tegenvordering In haar beroepsbesluiten neergelegd op 18/10/2007 vordert geïntimeerde de veroordeling van appellante tot betaling van de som van 750 euro meer de gerechtelijke intresten uit hoofde van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos "beroep". Zoals hoger reeds aangehaald stelt geïntimeerde deze vordering verkeerdelijk onder de noemer van het incidenteel beroep. Waar geïntimeerde een vergoeding van schade wegens tergend en roekeloos "beroep" vordert, is dit te aanzien als een nieuwe vordering in graad van hoger beroep. Het beginsel op grond waarvan een procespartij die zich door een vonnis a quo gegriefd voelt, het recht heeft om tegen dit vonnis hoger beroep in te stellen, neemt niet weg dat een roekeloze en lichtzinnige uitoefening van dit recht een ernstige fout uitmaakt die maatschappelijk niet aanvaardbaar is. Een geding is bovendien tergend wanneer een partij de bedoeling heeft de wederpartij schade te berokkenen, of wanneer zij haar recht om in rechte op te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dit recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat. Terzake ligt geen bewijs voor van het feit dat appellante, bij het instellen van haar (tweede) hoger beroep, heeft gehandeld met het oogmerk geïntimeerde schade toe te brengen. Het hoger beroep is zodoende niet tergend. Het feit dat appellante voorts een verkeerde inschatting heeft gemaakt van de toepassing van artikel 40, derde lid, van de taalwet en de gevolgen van de betekening van het bestreden vonnis over het hoofd heeft gezien, maakt haar hoger beroep evenmin lichtzinnig en roekeloos. Op de door geïntimeerde gevorderde schadevergoeding, gaat het hof derhalve niet in.
- gedingkosten Aangezien beide partijen als in het ongelijk gestelde partijen te aanzien zijn, dienen zij elkeen hun eigen gedingkosten van het hoger beroep te dragen en worden de over en weer verschuldigde rechtsplegings-vergoedingen hoger beroep gecompenseerd. OP DEZE GRONDEN HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk. Verklaart de tegenvordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ontvankelijk doch ongegrond. Zegt voor recht dat elke partij haar kosten van het hoger beroep draagt en compenseert de over en weer verschuldigde rechtsplegings-vergoedingen hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 12e kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 18-3-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div