id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090320.3 Rolnummer: 2008/RK/296 Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-28 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 19:27 Fiche Het hof beoordeelt de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang, het spoedeisend karakter, en bevestigt de ongegrondheid van de oorspronkelijke vordering. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Algemeen (ruimtelijke ordening) Vrije woorden: Herstelvordering - ruimtelijke ordening - kort geding Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 20-03-2009 hypothecaire inschrijving 1ste hypotheekkantoor te Brugge 61-T-28/05/2008 - 06703 2008/RK/296 in de zaak van: DE GEMACHTIGDE AMBTENAAR INZAKE ONROEREND ERFGOED, optredende namens het VLAAMS GEWEST, met kantoren te 1210 Brussel, Koning Albert II laan 19, bus 22, woonstkeuze doende bij zijn raadsman hierna vermeld, appellant, hebbende als raadsman mr. BRONDERS Bart, advocaat te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106 tegen:
- D. F. D'H. J.-P., wonende te geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. MICHOLT Ralf, advocaat te 8000 BRUGGE, Maria Van Bourgondielaan 7B
- D. F. D'H. F., wonende te , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN BRABANT Alexander, advocaat te 8000 BRUGGE, Gulden Vlieslaan 16
- D. F. D'H. M., wonende te
- D. F. D'H. A., wonende te geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. MICHOLT Ralf, advocaat te 8000 BRUGGE, Maria Van Bourgondielaan 7B velt het Hof het volgend arrest: De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in het Nederlands, de debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. De overgelegde overtuigingsstukken en het dossier van de rechtspleging werden ingezien. HET HOF VERLEENT VOLGEND ARREST. 1.
- Bij exploten van 19 mei 2008 en 26 mei 2008 dagvaardde de appellant de geïntimeerden onder toepassing van artikel 584 Ger.W. voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, zetelend in kort geding, teneinde: · de geïntimeerden te doen veroordelen tot het uitvoeren van de in zijn (niet gedateerde) herstelvordering opgelegde dringende werken aan een monument gelegen te , kadastraal gekend onder , Afdeling , Sectie , perceelnummers , , en , meer bepaald: ü uitvoeren van de nodige stabiliteitswerken; ü wind- en waterdicht maken (desnoods met voorlopige maatregelen); ü herstellen van bedakingen, met inbegrip van dakramen en dakstructuur; ü reinigen en herstellen van goten; ü treffen van maatregelen tegen brand, diefstal en moedwillige beschadigingen; ü wegnemen/curatief behandelen van de door zwam of insecten aangetaste houten constructiedelen en metsel- en pleisterwerk; ü wegnemen van gevelbegroeiing en -bemossing; ü verwijderen van alle duivenmest en -kadavers; · te doen zeggen voor recht dat voormelde werken dienen te worden aangevat binnen één maand na de betekening van het vonnis (bedoeld wordt beschikking) en dat zij dienen te worden beëindigd binnen zes maanden na de betekening van het tussen te komen vonnis (sic), zulks onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 euro per dag vertraging, zonder het toekennen van een bijkomende termijn ex artikel 1385bis, 4de lid Ger.W.; · te doen zeggen voor recht dat hij als door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaar wordt gemachtigd om desnoods ambtshalve te voorzien in de uitvoering van de opgelegde werken, op kosten van de geïntimeerden, te begroten op basis van de loutere voorlegging door hem van de facturen; · te doen zeggen voor recht dat het verbeurd zijn van de dwangsommen zal kunnen worden bewezen door alle middelen van recht; · de geïntimeerden te doen veroordelen tot de kosten van het geding, zoals nader begroot aan zijn zijde; · het vonnis (sic) uitvoerbaar bij voorraad te doen verklaren, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling, noch kantonnement. 1.
- De geïntimeerden concludeerden voor de eerste rechter tot de onontvankelijkheid, ontoelaatbaarheid, minstens ongegrondheid van de vordering van de appellant. 1.
- Bij de in deze instantie bestreden beschikking d.d. 8 oktober 2008 werden de vorderingen ontvangen, doch afgewezen als ongegrond, met de veroordeling van de appellant tot de kosten, zoals nader begroot aan de zijde van de geïntimeerden. 2.
- De appellant streeft de hervorming na van de bestreden beschikking van 8 oktober 2008 in die zin dat hij de toekenning vordert van de door hem voor de eerste rechter geformuleerde (en aldus in deze instantie hernomen) vordering, dit alles met de veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van de beide instanties, nader begroot aan zijn zijde. 2.
- De eerste, derde en vierde geïntimeerden vorderen in het dictum van hun conclusies dat het hof het hoger beroep ongegrond zou verklaren, met veroordeling van de appellant tot de kosten van het hoger beroep, nader begroot aan hun zijde. Evenwel dient vastgesteld te worden dat zij in hun conclusie evenwel de door hen voor de eerste rechter ontwikkelde middelen die volgens hen leiden tot de ontoelaatbaarheid (c.q. onontvankelijkheid), minstens ongegrondheid van de vordering hernemen m.n.: · het gebrek aan hoedanigheid en belang van de appellant; · de exceptio obscuri libelli; · het gebrek aan urgentie. Aldus dient vastgesteld te worden dat zij (minstens impliciet) incidenteel hoger beroep instellen tegen de bestreden beschikking nu de eerste rechter de vordering van de appellant heeft "ontvangen" (m.a.w. ontvankelijk c.q. toelaatbaar heeft verklaard). 2.
- De tweede geïntimeerde vordert dat het hof: · de vordering van de appellant toelaatbaar doch onontvankelijk verklaart wegens gebrek aan hoogdringendheid, minstens ongegrond verklaart; · in elk geval hem buiten zake stelt; met veroordeling van de appellant tot de kosten van het geding, nader begroot aan zijn zijde. Ook de tweede geïntimeerde stelt derhalve (minstens impliciet) incidenteel hoger beroep in.
- Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden beschikking van de wn. Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 08.10.2008, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat tegen deze beschikking tijdig en regelmatig naar de vorm door de appellant hoger beroep werd ingesteld bij zijn op 29 oktober 2008 ter griffie neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep. Ook de incidentele hogere beroepen werden regelmatig geformuleerd. Bij gebrek aan tegenspraak en aan ambtshalve door het hof op te werpen middelen zijn zowel het principaal hoger beroep als de incidentele hogere beroepen ontvankelijk te verklaren.
- De eerste rechter heeft op een beknopte doch afdoende wijze de feitelijke gegevens die aan de oorsprong liggen van de vordering van de appellant weergegeven. Door de partijen worden geen nieuwe feitelijke elementen aangehaald die een aanvulling of aanpassing van de door de eerste rechter uiteengezette feitelijke gegevens noodzaken, zodat het desbetreffend volstaat naar de bestreden beschikking te verwijzen. 5.
- Waar de eerste, derde en vierde geïntimeerden de door hen voor de eerste rechter ingeroepen "exceptio obscuri libelli" hernemen, dient dit exceptief verweer (dat desgevallend leidt tot de nietigheid van het inleidend exploot van dagvaarding én niet tot de onontvankelijkheid c.q. ontoelaatbaarheid van de vordering) in eerste instantie te worden ontmoet. Voormelde geïntimeerden hebben reeds in hun eerste conclusie voor de eerste rechter gewag gemaakt van de (beweerde) miskenning van artikel 702, 3° Ger. W. zodat de door hen ingeroepen exceptie kan worden ontvangen (cf. artikel 864,1e lid Ger.W.). Krachtens voormeld artikel 702,3° Ger.W. moet het exploot van dagvaarding op straffe van nietigheid het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering vermelden. Het hof vermag te stellen dat het onderwerp van de vordering in de inleidende dagvaarding afdoende werd omschreven. De appellant vordert (middels voorlopige maatregelen) van de geïntimeerden de uitvoering van een aantal nader omschreven werken aan de bedoelde panden en dit onder verwijzing naar het proces-verbaal d.d. 5 april 2005 van de ambtenaar bij de AHROM (Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van de provincie West-Vlaanderen). Deze werken (waarvan de uitvoering wordt gevraagd) zijn telkenmale terug te brengen naar de vaststellingen omtrent de staat van vetusteit en gebrek aan onderhoud van de bedoelde gebouwen zoals deze blijken uit voormeld proces-verbaal. Onterecht wordt aldus door de eerste, derde en vierde geïntimeerden voorgehouden dat zij niet weten welke de werken juist zijn waarvan de appellant de uitvoering vordert. Zij zijn wel degelijk in de mogelijkheid om binnen de door de appellant getrokken grenzen het debat aan te gaan en hun verweer te voeren Het incidenteel hoger beroep van de eerste, derde en vierde geïntimeerden is derhalve op dit punt reeds als ongegrond af te wijzen. 5.
- De eerste, derde en vierde geïntimeerden herhalen tevens hun voor de eerste rechter ingenomen standpunt dat de appellant niet de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang (in de zin van artikel 17 Ger.W.) zou hebben om de vordering in te leiden. Zij kunnen hierin niet worden gevolgd. Artikel 15§1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten bepaalt: "Onverminderd de straf en de eventuele schadeloosstelling, beveelt de rechtbank, op vordering van de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren, de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen." Bij besluit van de Vlaamse Regering d.d. 10 november 2005 (B.S., 11 januari 2006) werd overgegaan tot de oprichting binnen het Vlaams Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerende Erfgoed (RWO) van een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Inspectie RWO, dat o.m. tot doel heeft de handhavingsmaatregelen toe te passen bedoeld in hoofdstuk V van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (en ook o.m. de handhavingsmaatregelen bedoeld in titel V van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening). Overeenkomstig artikel 16 van het besluit van de Vlaamse Regering d.d. 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse Overheid (B.S., 1 december 2003) berust de bevoegdheid om de beslissingen te nemen betreffende het voeren van de rechtsgedingen als eiser, verweerder of tussenkomende partij voor de hoven en rechtbanken, de administratieve rechtscolleges en het Rekenhof, met uitzondering van de rechtsgedingen voor het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) bij het hoofd van het agentschap, terwijl verder wordt voorzien in: · artikel 19: "§1 Met het oog op een efficiënte en resultaatgerichte interne organisatie kan het hoofd van het agentschap een deel van de gedelegeerde aangelegenheden verder subdelegeren aan personeelsleden van het intern verzelfstandigd agentschap die onder zijn hiërarchisch gezag staan, tot op het meest functionerende niveau; §2 Met betrekking tot de mogelijkheid om gedelegeerde aangelegenheden te subdelegeren kan in beperkingen worden voorzien, door middel van de in artikel 22§2, 1° tot en met 5°, bedoelde besluiten en beheersovereenkomst." · artikel 20: "De subdelegaties worden vastgelegd in een besluit van het hoofd van het agentschap. Het besluit wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Een afschrift wordt aan de minister bezorgd." Bij besluit van de administrateur-generaal van het agentschap Inspectie RWO d.d. 26 oktober 2006 houdende aanwijzing van de stedenbouwkundige inspecteurs en de gemachtigde ambtenaren inzake onroerend erfgoed (B.S., 16 november 2006) wordt o.m. voorzien: "De hierna vermelde personen worden aangewezen als ambtenaren die gemachtigd zijn gerechtelijke herstelmaatregelen te vorderen en uit te voeren met toepassing van artikel 15 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, artikel 37 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium en artikel 42 van het deceet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg: Paul Vansant, adjunct van de directeur Vesna Van Renterghem, adjunct van de directeur." Door te bepalen dat het hoofd van het agentschap Inspectie RWO herstelmaatregelen kan vorderen en dat hij zijn taken kan subdelegeren, heeft de decreetgever aldus aan de gemachtigde ambtenaar inzake onroerend erfgoed "de hoedanigheid en het belang" toegekend om in de aangelegenheid van de monumentenzorg zelf in rechte te treden. Wanneer de wet aan een openbare dienst de bevoegdheid toekent om in rechte te treden, kent zij hem impliciet hiervoor de rechtspersoonlijkheid toe. Volledigheidshalve weze ook opgemerkt dat met de vermelding in de dagvaarding "ten verzoeke van de gemachtigde ambtenaar inzake onroerend erfgoed, optredend namens het Vlaamse Gewest, met kantoren te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan nr. 19 bus 22, de binnen zijn wettelijke opdracht optredende ambtenaar op afdoende wijze naar de artikelen 703, lid 1 en 34 Ger.W. wordt geïdentificeerd wat betreft zijn functie, het bestuur en het adres. De nadere identificatie van de natuurlijke persoon zelf die aangesteld is als gemachtigde ambtenaar inzake onroerend erfgoed wordt door de wet niet vereist. Vervolgens dient het standpunt van de eerste, derde en vierde geïntimeerden, dat evenwel de artikelen 13 tot en met 15 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, volledig zouden kaderen in de strafrechtelijke procedure en geenszins betrekking zouden hebben op een burgerlijke procedure, te worden tegengesproken. Voormeld artikel 15§1 voorziet een regeling wat betreft de handhavingsmaatregelen voor de strafrechter doch in §4 van hetzelfde artikel wordt voorzien: "De dagvaarding voor de correctionele rechtbank of het exploot tot inleiding van het geding is pas ontvankelijk na overschrijving op het hypotheekkantoor, bevoegd voor de plaats waar de onroerende goederen gelegen zijn." Gelet op het hierin geformuleerde onderscheid tussen "de dagvaarding voor de correctionele rechtbank" en "het exploot tot inleiding van het geding", dient aangenomen te worden dat de herstelvordering, zoals voorzien in het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, ook kan worden ingeleid voor de burgerlijke rechter. Uit niets blijkt daarenboven dat hiervan de rechtspleging in kort geding zou zijn uitgesloten, hetgeen overigens strijdig zou zijn met hetgeen wordt bepaald in artikel 584, 1e lid Ger.W.: "De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht ontrekt." De appellant, die het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid heeft om een vordering voor de burgerlijke rechter in te leiden, beschikt tevens over het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid, om in geval van spoedeisendheid zich te wenden tot de kortgedingrechter. 5.
- De vordering van de appellant werd afgewezen als ongegrond wegens gebrek aan hoogdringendheid. De rechter in kort geding, wanneer een zaak aanhangig wordt gemaakt die in de gedinginleidende akte als spoedeisend wordt voorgesteld, is bevoegd om daarvan kennis te nemen. Wanneer hij echter het spoedeisend karakter van de vordering niet erkent, dient hij ze ongegrond te verklaren (vgl. Cass., 10 april 2003, Arr. Cass. 2003, afl. 4, 956). Voor zover de geïntimeerden besluiten tot de ontoelaatbaarheid c.q. onontvankelijkheid van de vordering van de appellant wegens gebrek aan hoogdringendheid, kan zulks derhalve niet worden onderschreven. De appellant houdt voor dat er (in weerwil van de beoordeling door de eerste rechter) wél sprake zou zijn van de rechtens vereiste hoogdringendheid en verwijst hiervoor naar de omstandigheid dat: · de urgentie moet worden beoordeeld op het ogenblik van de uitspraak en derhalve ook rekening moet worden gehouden met wat zich heeft voorgedaan sedert de uitspraak van de beroepen beslissing; · er sprake is van urgentie wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Het kort geding - dat voor de rechtsonderhorige een buitengewoon rechtsmiddel dient te blijven - wordt door diegene die zich op blijkbaar bedreigde rechten beroept slechts op een legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de op heden door hem gevorderde maatregelen te verkrijgen, zijn rechten onherstelbaar zouden worden geschaad of minstens ernstig bedreigd zouden worden en er op die wijze verdere schade dan wel ernstige ongemakken zou worden voorkomen, zodat het voor hem dus onduldbaar zou zijn de afloop af te wachten van een rechtspleging ten gronde. Wanneer het geschil in graad van beroep wordt gebracht, moet het hof daarbij inderdaad rekening houden met de nieuwe elementen die zijn voorgevallen sedert de bestreden beschikking om op soevereine wijze de hoogdringendheid te beoordelen. Bij deze beoordeling van de hoogdringendheid dient rekening gehouden te worden met het gedrag van de eiser zelf. De langdurige inactiviteit van de eiser zelf sluit echter op zich niet noodzakelijkerwijze de urgentie uit wanneer hiervoor ernstige redenen en/of omstandigheden kunnen worden aangevoerd die zulks verantwoorden of wanneer nieuwe feiten de bestaande situatie recentelijk hebben verzwaard of wanneer aangetoond wordt dat deze op een ernstige wijze verergert onder invloed van de duur. Het hof stelt o.m. samen met de eerste rechter vast dat: · de bedoelde panden werden beschermd als monument bij Koninklijk Besluit van 9 juli 1974; · in de periode 1993-1995 reeds door de bestuurlijke overheid herhaaldelijk brieven/aanmaningen werden verstuurd waarbij werd aangegeven dat de gevels en het schrijnwerk van de bedoelde panden zich in een sterk verwaarloosde toestand bevonden; · na een periode van inactiviteit van ongeveer 4 jaar vanwege deze bestuurlijke overheid in de periode 1999-2000 opnieuw brieven/aanmaningen desbetreffend werden verzonden; · vervolgens na opnieuw een inactiviteit van ongeveer 5 jaar op 5 april 2005 een proces-verbaal van de bevoegde ambtenaar bij de AHROM werd opgesteld waarin de vestuste en verwaarloosde toestand van de panden werd beschreven en hiervoor alsdan door de appellant (vermoedelijk in 2006) een (niet-gedateerde) herstelvordering werd opgesteld en overgemaakt aan de procureur des Konings te Brugge; · pas op respectievelijk 19 mei 2008 en 26 mei 2008 werd overgegaan tot dagvaarding in kort geding. Tevens stelt het hof vast dat de appellant op generlei wijze redenen aanvoert waarom gedurende ettelijke jaren werd getalmd met het opstellen van een herstelvordering of het inleiden van een procedure en hij evenmin in concreto aantoont of aannemelijk maakt dat de vetuste toestand of de veiligheidssituatie van de bedoelde panden: · hetzij in de periode tussen het proces-verbaal d.d. 5 april 2005 en de dagvaarding voor de eerste rechter; · hetzij in de periode tussen de bestreden beschikking en de behandeling in hoger beroep; opzichtens de vaststellingen van 5 april 2005 dermate zijn verzwaard dat thans bij hoogdringendheid maatregelen dienen te worden genomen. De bovenstaande overwegingen doen het hof er dan ook toe besluiten dat de appellant niet op genoegzame wijze de hoogdringendheid aantoont van de situatie die hij aanvoert om de in kort geding gevorderde maatregelen te rechtvaardigen, noch het ernstig nadeel dat hij zou lijden indien de gevorderde maatregelen niet onmiddellijk in werking zouden worden gesteld. De bestreden beschikking dient derhalve te worden bevestigd. 5.
- Hetgeen voorafgaat volstaat om de vordering van de appellant in kort geding af te wijzen zonder dat het nodig is de andere middelen van de partijen te beantwoorden. 6.1.a. De eerste rechter heeft terecht de appellant veroordeeld tot de kosten, niet te begroten aan zijn zijde nu deze hem ten laste blijven, en begroot aan de zijde van: · de eerste, derde en vierde geïntimeerden op 1.200,00 euro rechtsplegingvergoeding; · de tweede geïntimeerde op 1.200,00 euro rechtsplegingvergoeding. Aldus werd onterecht in het dictum van de bestreden beschikking dan ook gesteld: "Houden de beslissing over de gedingkosten aan om te worden gevoegd bij het geding ten gronde." 6.
- Wat de kosten in deze instantie betreft weze het opgemerkt dat deze aan de zijde van de geïntimeerden eveneens kunnen worden vereffend op 1.200,00 euro overeenkomstig artikel 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 (tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat). Er zijn geen redenen om van het in voormeld artikel bepaalde basisbedrag af te wijken. OM DIE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart het principaal hoger beroep van de appellant en de incidentele hogere beroepen van de geïntimeerden ontvankelijk doch wijst ze alle af als ongegrond. Bevestigt derhalve de bestreden beschikking met dien verstande dat er geen redenen zijn om te bepalen dat de beslissing omtrent de kosten in eerste aanleg wordt aangehouden om gevoegd te worden bij het geding ten gronde. Verwijst de appellant in de kosten van deze instantie, deze aan zijn zijde niet nuttig te begroten zijnde en aan de zijde van de geïntimeerden begroot op: · voor de eerste, derde en vierde geïntimeerde: 1.200,00 euro rechtsplegingvergoeding; · voor de tweede geïntimeerde: 1.200,00 euro rechtsplegingvergoeding. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op twintig maart tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div