← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090320.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090320.4 Rolnummer: 2002/AR/2307 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-29 Raadplegingen: 155 - laatst gezien 2026-07-02 19:27 Fiche Het arrest beoordeelt de wettigheid van de onteigening, de motivering en de schadevergoeding. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Algemeen (onteigening) Vrije woorden: Onteigening Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 20-03-2009 terug op rol na ambtshalve weglating oud nr. 1995/AR/2181 onteigening 2002/AR/2307 in de zaak van:

  1. V. M., en zijn echtgenote
  2. V. H. D., huisvrouw, samen wonende te appellanten, hebbende als raadsman mr. DENYS Martin, advocaat te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen: DE NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN (afgekort NMBS) voor wie het geding heeft hervat: INFRABEL N.V., openbare instelling, met maatschappelijke zetel te 1070 Brussel, Barastraat 110, met ondernemingsnummer 0869.763.267, op vervolging en benaarstiging van de heer Voorzitter van het Comité tot Aankoop van Onroerende Goederen te 8500 Kortrijk, Hendrik Consciencestraat 9/2, alwaar woonstkeuze wordt gedaan, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. MICHOLT Ralf, advocaat te 8000 BRUGGE, Maria Van Bourgondielaan 7B velt het Hof het volgend arrest: De partijen werden gehoord bij monde van hun raadslieden in openbare zitting en in het Nederlands. De conclusies en de regelmatig overgelegde stukken werden ingezien.
  3. De appellanten hebben, tijdig en in rechtsgeldige vorm, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 31 maart 1995 gewezen door de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waarbij de vordering en de tegenvordering tot herziening van de vonnissen van de vrederechter van het kanton Tielt d.d. 27 oktober 1994 en 28 december 1994 ontvankelijk, doch ongegrond werden verklaard. De appellanten werden verwezen in de kosten van de dagvaarding in herziening en de rechtsplegingvergoedingen werden gecompenseerd.
  4. De in casu in betwisting zijnde onteigening werd benaarstigd door de Nationale Maatschappij Der Belgische Spoorwegen (hierna genoemd NMBS). Ingevolge het K.B. van 14 juni 2004 (B.S. 24 juni 2004) werd de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel opgericht. Artikel 3§3 van dit K.B. bepaalt dat Infrabel in de rechten en de verplichtingen treedt die voortvloeien uit de lopende onteigeningsprocedures. Infrabel heeft op regelmatige wijze het geding hernomen en verder gezet. 3.
  5. De onteigeningsprocedure heeft betrekking op de navolgende onroerende goederen gelegen te , ° afdeling: - een perceel grond met een oppervlakte van te nemen in het perceel gekadastreerd sectie nr. ; - een perceel grond met oppervlakte te nemen in het perceel gekadastreerd sectie nr. ; - een perceel grond met een oppervlakte van te nemen uit het perceel gekadastreerd sectie nr. ; zijnde de innemingen nummer 2, deel van inneming 3 en de inneming 4 van het (gewijzigd) tabelplan nr. D 3.3228.0730/37.011.001.02 goedgekeurd door het K.B. van 13 mei 1994 (B.S. 4 augustus 1994). De procedure voorzien in de wet van 26 juli 1962 werd toepasselijk verklaard. Volgens Infrabel zijn de innemingen volgens het gewestplan gelegen in een gebied "uitbreidingzone voor industrie" . De appellanten stellen daarentegen dat de innemingen - althans de voortuinstrook - zich bevindt in een uitbreidingszone voor ambachtelijk gebied en gebied voor kleine ondernemingen. 3.
  6. De onteigening geschiedde ter realisatie van een brug over de spoorlijn 73 (Deinze - De Panne) ter vervanging van de gelijkgrondse spooroverweg ter hoogte van de Deinzesteenweg te Pittem. Dit plan kaderde in de heraanleg van de gehele spoorlijn Deinze - De Panne. Een eerste onteigeningsprocedure werd ontoelaatbaar verklaard (vonnis vrederechter Tielt d.d. 8 september 1993, bevestigd door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 3 november 1993) en hierop dient in het kader van de huidige procedure niet meer te worden teruggekomen. Het hof dient enkel rekening te houden met het onteigeningsbesluit van 13 mei 1994 op grond waarvan de NMBS een nieuwe onteigeningsprocedure opstartte. Het provisioneel vonnis van de vrederechter van het kanton Tielt dagtekent van 27 oktober
  7. De vrederechter bepaalde de provisionele vergoedingen op in totaal 1.023.000 BEF, thans 25.359,51 euro. De door de vrederechter aangestelde deskundige, landbouwingenieur Lucien Bockstaele, maakte een P.V. van plaatsbeschrijving en een schattingsverslag op. Met zijn vonnis van 28 december 1994 heeft de vrederechter de voorlopige onteigeningsvergoedingen bepaald op in totaal 2.882.171 BEF, thans 71.447,15 euro. Op 10 januari 1995 hebben de appellanten een vordering tot herziening aanhangig gemaakt. De eerste rechter volgde de vrederechter zowel wat betreft de wettigheid van de onteigening als wat betreft de omvang van de onteigeningsvergoeding. 4.
  8. Met hun hoger beroep hebben de appellanten aanvankelijk hun vordering, zoals geformuleerd voor de eerste rechter hernomen. Aldus vorderden zij dat de onteigening onwettig, onregelmatig, ontoelaatbaar wordt verklaard en dienvolgens dat: - de teruggave wordt bevolen van de ten onrechte onteigende goederen; - de wederoverdracht wordt verleden voor een daartoe aan te stellen notaris; - de overschrijving wordt bevolen van het tussen te komen arrest; - dat de geïntimeerde wordt veroordeeld tot alle gedingkosten. In ondergeschikte orde vorderden zij dat een verkeersdeskundige wordt aangesteld met als opdracht o.m. de toegankelijkheid van hun eigendom - uitgebaat als landbouwbedrijf - te beschrijven en advies te geven over de wijze waarop de toegang naar zowel de akkers als naar het bedrijf het best kan worden gerealiseerd. In meer ondergeschikte orde vorderen zij nog dat de onteigeningsvergoeding dient te worden bepaald op 7.000.000 BEF, thans 173.525, 47 euro. In de loop van de procedure hebben de appellanten - er zich bewust van zijnde dat de wederinbezitstelling ingevolge de uitgevoerde werken niet meer mogelijk is en als gevolg van het tot stand komen van de wet van 21 april 2007 - gevorderd dat het hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag zou stellen: "Schendt de wet van 21 april 2007 de artikelen 10,11,16, 144 en 145 van de Grondwet en artikel 6 EVRM doordat in de rechtsverhouding tussen de overheid en de burger de overheid van meet af aan beschikt over een bevoorrechte positie die enkel maar kan teniet gedaan worden door de rechter die volgens de wet van 21 april 2007 aan de burger zware vergoedingen kan opleggen alleen al omdat hij beroep gedaan heeft op de rechter". En: "Schendt de wet van 21 april 2007 de artikelen 10,11,16, 144 en 145 van de Grondwet en artikel 6 EVRM doordat ze onmiddellijk van toepassing is op alle hangende zaken niettegenstaande het beroep reeds werd ingesteld voor er sprake was van de wet van 21 april 2007". Vervolgens vorderen zij nog steeds dat de onteigening onwettig wordt verklaard en dat dienvolgens een deskundige wordt aangesteld met het oog op het bekomen van een volledige schadevergoeding, zijnde de waarde die de onroerende goederen op heden zouden hebben indien er geen onteigening was geweest en de toegankelijkheid naar de akkers en het bedrijf te beschrijven voor en na de onteigening, alsook de meerkost voor de toegankelijkheid en de minderwaarden van de restanten te ramen. Zij vorderen meteen ook dat de geïntimeerde wordt veroordeeld om hen een aanvullend bedrag van 25.000,00 euro te betalen in afwachting van de vaststelling van de hen toekomende vergoedingen. In ondergeschikte orde en voor zoveel de onteigening toch wettig wordt geacht, vorderen zij dat de onteigeningsvergoeding wordt bepaald op 173.525,47 euro te vermeerderen met de wederbeleggingsvergoedingen, de wachtintresten (8 % gedurende 6 maanden) en de vergoedende en de gerechtelijke intresten vanaf het eigendomoverdragend vonnis van 27 oktober
  9. Tenslotte vorderen zij dat de geïntimeerde wordt veroordeeld tot de nader bepaalde gedingkosten van beide instanties, hierin begrepen de advocatenkosten van zowel de procedure voor de vrederechter als van de procedure voor de eerste herzieningrechter (welke advocatenkosten evenwel niet nader werden begroot) . 4.
  10. Met hun besluiten, ter terechtzitting van het hof op 6 februari 2009 neergelegd, hebben de appellanten afstand gedaan van hun vordering om de hiervoor omschreven prejudiciële vraag te stellen en dit gelet op het arrest van het Grondwettelijk hof d.d. 18 december 2008 (nr. 182/2008). Wel vorderen zij dat de rechtsplegingvergoeding die aan de geïntimeerde verschuldigd zou kunnen zijn verminderd wordt tot 0,00 euro. 4.
  11. De geïntimeerde vordert dat: - het hoger beroep als ongegrond wordt afgewezen; - het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dienvolgens de onteigeningsvergoeding wordt bepaald op 25.359,51 euro (voorheen 1.023.000 BEF), alles inbegrepen, niets uitgezonderd; - de appellanten worden veroordeeld om haar terug te betalen het bedrag van 46.087,65 euro (voorheen 1.859.171 BEF), te vermeerderen met de intresten te berekenen conform de bepalingen van de wet van 6 april 2000 en met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het tussen te komen arrest; - de vordering tot vraagstelling aan het grondwettelijk hof wordt afgewezen als ongegrond; - de appellanten worden verwezen in de nader bepaalde gedingkosten (RPV: 2.500,- euro).
  12. In de mate dat de appellanten concluderen tot de niet - toelaatbaarheid van de tegenvordering van de geïntimeerde in terugbetaling van de te veel betaalde onteigeningsvergoedingen (syntheseconclusie p. 18 - welk standpunt evenwel in het beschikkend gedeelte van hun conclusie niet werd hernomen) scharen zij zich ten onrechte achter de theorie van Mr. V. L. waaruit zou moeten blijken dat de vordering tot herziening op grond van artikel 16 van de Wet van 26 juli 1962 geen aanleiding kan geven tot een veroordeling in terugbetaling. Het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) heeft dienaangaande als volgt geoordeeld in zijn arrest van 18 oktober 1994: "Artikel 16 van de Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (vroegere artikelen, 6 en 6bis) gelezen in samenhang met artikel 16 van de Grondwet (vroegere art. 11), noch artikel 1 van het aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 60 van hetzelfde verdrag, in zoverre die bepaling de onteigenende overheid heeft begrepen onder de partijen die voor de rechtbank van eerste aanleg de herziening van de voorlopige onteigeningsvergoedingen kunnen vragen die kan leiden tot een vermindering van de bedoelde onteigeningsvergoedingen na de bezitsoverdracht". De omstandigheid dat er heden ten dage wetsvoorstellen op tafel liggen (wetsvoorstel Senaat d.d. 2 december 2003; wetsvoorstel Kamer d.d. 16 december 2003) in de zin als geformuleerd door Mr. V. L., is niet van aard het hof te overtuigen zijn rechtspraak dienaangaande te moeten herzien. De wetsvoorstellen hebben immers geen kracht van wet. Het hof kan enkel rekening houden met de in voege zijnde wetgeving.
  13. Bewijskracht van het vonnis van de vrederechter van 27 oktober
  14. Dit vonnis oordeelde dat de procedure geldig en regelmatig werd ingesteld en dat de voorgeschreven pleegvormen overeenkomstig de wet van 26 juli 1962 vervuld zijn. De beslissing van de vrederechter die de provisionele vergoedingen vaststelt in het kader van de spoedprocedure van de Wet van 26 juli 1962 is voor geen enkel rechtsmiddel vatbaar, ook niet voor cassatie (art. 8). Art.16 van voornoemde wet machtigt, na de vaststelling van de voorlopige vergoeding door de vrederechter, zowel de onteigenaar als de onteigende om een vordering tot herziening in te stellen bij de rechtbank van eerste aanleg. De vordering tot herziening is een op zichzelf staande procedure, die onderworpen is aan de regels van het Gerechtelijk Wetboek. In het kader van deze procedure kan de onteigende volgens de gemeenrechtelijke regels alsnog al zijn rechten doen gelden, met inbegrip van de excepties betreffende de al dan niet regelmatigheid van de procedure. De herzieningsvordering verschaft dientengevolge aan de onteigende partij de gelegenheid om het gehele proces over te doen (Cass. 7.12.1990, R.W. 1990- 1991, 1332, met conclusie van advocaat-generaal J. du Jardin). Het staat vast dat de appellanten tijdig en op regelmatige wijze de onwettigheid / de onregelmatigheid / de ontoelaatbaarheid van de doorgevoerde onteigening hebben ingeroepen.
  15. De regelmatigheid van de gevoerde procedure: 7.
  16. De onteigeningswet van 26 juli 1962 is een bijzondere wet, die een afwijking toestaat op het algemeen eigendomsrecht en derhalve strikt dient te worden toegepast. Tot onteigening kan slechts rechtsgeldig worden overgegaan mits aan de (vorm-) voorwaarden daartoe werd voldaan. Zo is vooreerst vereist dat de bevoegde overheid een correcte beslissing tot onteigening heeft genomen of machtiging daartoe heeft verleend aan de overheden of instellingen die daartoe kunnen gemachtigd worden, zoals o.m. aan de appellante. De onteigenaar is zelf gebonden niet alleen door het besluit dat de onteigeningsmachtiging toestaat, doch ook door alle substantiële pleegvormen, opgelegd door de onteigeningswet. De onteigende dient aldus kennis te kunnen nemen van het onteigeningsbesluit, de machtiging tot onteigening en de motivering ervan. De onteigeningswet heeft daartoe specifieke waarborgen ingebouwd ter bescherming van de onteigenden. Het volstaat daartoe te verwijzen naar de art. 3 en 5 van de onteigeningswet die uitdrukkelijk bepalen dat: art. 3: de onteigenaar ter griffie van de bevoegde vrederechter dient neer te leggen:
  17. het Koninklijk Besluit (Ministerieel Besluit) dat machtiging verleent tot de onteigening;
  18. het plan van de te onteigenen percelen;
  19. een verzoekschrift om dag en uur te zien bepalen waarop de onteigenden zullen worden gedagvaard op de plaats van de te onteigenen percelen. art. 5: de dagvaarding tot onteigening moet bevatten:
  20. het Koninklijk Besluit (Ministerieel Besluit) dat de onteigening uitvaardigt;
  21. het verzoekschrift dat door de onteigenaar werd ingediend;
  22. de beschikking van de vrederechter. 7.
  23. Aan deze vormvereisten werd voldaan. Aan het verzoekschrift werden gehecht:

(1)het voor eensluidend verklaard afschrift van het onteigeningsbesluit (K.B. van 13 mei 1994);
(2)een voor eensluidend verklaarde afdruk van het onteigeningsplan D3.3228.0730/37011.001.02;
(3)een voor eensluidend verklaarde afdruk van het onteigeningsplan D3.3228.0730/37011.001.01;
(4)een voor eensluidend verklaarde afdruk van het 4° gewijzigd tabelplan der aan te kopen gronden D3.3533.0730/37011.001.02;
(5)een voor eensluidend verklaarde afdruk van het tabelplan der aan te kopen gronden D/3533b Pittem/1;
(6)een voor eensluidend verklaard afschrift van het plan der werken D/3141.73/1. Aan de dagvaarding werden gehecht:
(1)het verzoekschrift ingediend bij de vrederechter d.d. 10 oktober 1994;
(2)het bevel van de vrederechter d.d. 10 oktober 1994;
(3)het KB van 13 mei
  1. 7.
  2. Het onteigeningsbesluit dagtekent van 13 mei
  3. Bij dit besluit werd aan de NMBS machtiging tot onteigening verleend. Dit besluit heeft rechtsgevolgen voor de eigenaars van de te onteigenen gronden zodat dit besluit dientengevolge overeenkomstig de motiveringswet van 1991 formeel moet gemotiveerd zijn, moet aangeven waarop die machtiging gesteund is. Naar de onteigenden toe die getroffen worden door het onteigeningsbesluit dient verduidelijkt te worden waarop de machtigende overheid haar besluit baseert. Te dezen is het onteigeningsbesluit o.m. als volgt gemotiveerd: "Overwegende dat volgens de vooropstaande planning de elektrische tractie op de genoemde spoorlijn tegen mei 1996 in dienst dient gesteld te worden. Overwegende dat de elektrische exploitatiewijze van deze spoorlijn met snellere en geluidlozer treinen een passende beveiliging en zo mogelijks de afschaffing der overwegen noodzakelijk maakt. Overwegende dat in deze omstandigheden de afschaffing van overweg 24 te Pittem zich opdringt ingevolge de hoge verkeersintensiteit aldaar en de er zich reeds bij herhaling voorgedane verkeersongevallen. Overwegende dat wegens de plaatselijke toestand de bouw van een brug over de sporen in het verlengde van de bestaande wegenis vanuit (verkeer)technisch), stedenbouwkundig en financieel oogpunt de meest aangewezen oplossing vormt. Overwegende dat de inbezitneming van de percelen, aangeduid op plan D/3533b/1 Pittem gewijzigd na openbaar onderzoek in plan D3.3228.0730/37011.001.02 en gelegen op het grondgebied van de gemeente Pittem nodig is voor het uitvoeren van de hierboven beschreven werken. Overwegende dat de onmiddellijke inbezitneming van de bedoelde percelen ten algemenen nutte derhalve onontbeerlijk is." Verder werd het onteigeningsbesluit gemotiveerd door de verwijzing naar het door de Ministerraad goedgekeurde tienjarenplan in het kader van de investeringen van de NMBS, de modernisering en de elektrificatie van de spoorlijn Deinze - De Panne. 7.
  4. Evenals de eerste rechter is het hof van oordeel dat het onteigeningsbesluit afdoende gemotiveerd is. Het doel van de onteigening wordt zeer duidelijk uiteengezet. De onteigenden werden afdoend geïnformeerd waarom er tot onteigening werd overgegaan. Anders dan de appellanten willen doen aannemen is het hof van oordeel dat de onteigening noodzakelijk was en het algemeen belang dient. Het afschaffen van spoorwegovergangen is immers meer dan noodzakelijk ter bevordering van een vlot verkeer en ter voorkoming van verkeersongevallen. Bezwaarlijk kunnen de appellanten blijven voorhouden dat er andere mogelijkheden zouden zijn om het in het onteigeningsbesluit beoogde doel te bereiken. De appellanten tonen niet aan dat de beslissing van de overheid, vervat in zowel het onteigeningsbesluit als de stedenbouwkundige vergunning (eveneens aangevochten door de appellanten, hetgeen resulteerde in het arrest van de Raad van State d.d. 27 september 2007), een willekeurige beslissing zou uitmaken. Integendeel! Het hof treedt te dezen de beslissing van de Raad van State bij en neemt hierbij de hiernavolgende overwegingen van het arrest over: "Overwegende dat met de verzoekers (noot van het hof: de huidige appellanten) wordt vastgesteld dat vanuit theoretisch standpunt, voor de afschaffing van de overweg vier oplossingen mogelijk waren, met name: - de overbrugging van de spoorlijn, - de overbrugging van de rijweg door de aanleg van een spoorwegbrug, - de onderdoorgang van de spoorlijn (volgens de verzoekers de voor de hand liggende oplossing) of - de onderdoorgang van de rijweg: Overwegende dat uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij (noot van het hof: de NMBS - Infrabel) koos voor de eerste oplossing, in het kader van de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid, met name de overbrugging van de spoorlijn door het aanleggen van een viaduct; dat deze keuze werd gemaakt nadat het advies van het college van burgemeester en schepen van de gemeente Pittem op 17 september 1993 en dat van de Administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer, Dienst West-Vlaanderen op 25 oktober 1993, werd ingewonnen; dat het bestreden besluit vervolgens ingaat op het planologische en stedenbouwkundige aspect van het project en overweegt dat "voor het gebiedsdeel waarin het perceel begrepen is een bij (koninklijk) besluit van 17.12.1979 goedgekeurd gewestplan (Roeselare-Tielt) van toepassing is" en dat toepassing wordt gemaakt van artikel 20 van dat gewestplan: dat het bestreden besluit vervolgens vaststelt dat "het perceel niet gelegen is in een bij besluit goedgekeurd bijzonder plan van aanleg" en evenmin "binnen het (beheersings)gebied van een behoorlijk vergunde verkaveling "; dat het bestreden besluit daaraan toevoegt dat het project een werk van openbaar nut betreft, waarbij zowel vanuit de globale verkeerstechnische problematiek als vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid de realisatie van de overbrugging de meest aangewezen oplossing is; dat het bestreden besluit tenslotte overweegt dat "het ontwerp in overeenstemming is met de wettelijk bepalingen en verenigbaar is met onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg; Overwegend dat het bestreden besluit tevens een aantal verkeerstechnische voorwaarden inhoudt en bepalingen bevat betreffende de aanleg van de weg en het plaatsen van vangrails; Overwegende dat de verzoekers in de uiteenzetting van het middel geen afdoende gegevens bijbrengen waaruit blijkt dat het in redelijkheid ondenkbaar is dat een administratieve overheid de overbrugging van de overweg met een viaduct in deze concrete situatie zou verkiezen boven de andere alternatieven; Overwegende dat de kennelijke onredelijkheid waarmee het bestreden besluit zou zijn genomen evenmin wordt aangetoond door het verslag dat op aanvraag van de verzoekers werd opgesteld in het kader van de onteigeningsprocedure". Het hof maakt de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Raad van State tot de zijne in het kader van de onderhavige onteigeningsprocedure. De bevoegde overheid heeft aldus op grond van zijn discretionaire bevoegdheid een beslissing genomen na het inwinnen van de nodige adviezen. Zij beschikt over een beoordelingsvrijheid die de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop zij haar bevoegdheid uitoefent. De wijze waarop de spoorweginfrastructuur werd aangepast, te dezen via het aanleggen van een brug over de openbare weg was te dezen de meest geschikte oplossing binnen de door de wet gestelde grenzen. Wanneer hiervoor een gedeelte van de eigendom van de appellanten diende te worden onteigend is dit uitsluitend omdat het privaat belang diende te wijken voor het openbaar belang. Terecht oordeelde de eerste rechter overigens dat een meerdere motivering dan deze opgenomen in het onteigeningsbesluit niet vereist is en het geenszins aan de rechtbank toekomt de opportuniteit van de onteigening als bestuurshandeling zelf in twijfel te trekken noch de opportuniteit van de werkzaamheden met welk doel de onteigening moet worden gerealiseerd. De rechter is bevoegd om een door een openbaar bestuur bij de uitoefening van zijn niet gebonden bevoegdheid begane aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden, maar is niet bevoegd om aan het bestuur zijn beleidsvrijheid te ontnemen en kan zich in geen geval in de plaats van het bestuur stellen, tenzij er sprake zou zijn van machtsoverschrijding of machtsafwending, hetgeen te dezen helemaal niet het geval is. De onteigening heeft duidelijk tot doel een werk van openbaar nut te realiseren, waarbij zoals terecht werd overwogen in het onteigeningsbesluit de bouw van een brug wegens de plaatselijke toestand vanuit verkeertechnisch, stedenbouwkundig en financieel oogpunt de meest aangewezen oplossing is. 7.
  5. Ook de hoogdringendheid werd afdoende gemotiveerd omdat volgens de vooropstaande planning de elektrische tractie op de genoemde spoorlijn tegen mei 1996 in dienst diende gesteld te worden, hetgeen het mogelijk maakte een treinverkeer toe te laten met snellere en geluidlozer treinen en waarbij er tezelfdertijd kon gezorgd worden voor een passende beveiliging en de afschaffing van een gevaarlijke overweg.
  6. Het gebrek aan openbaar onderzoek: Het hof treedt dienaangaande de zienswijze van de eerste rechter helemaal bij en maakt deze tot de zijne. In het kort kan alhier worden herhaald of toegevoegd dat: - er in de onteigeningswet van 26 juli 1962 niet wordt voorzien in een voorafgaandelijk openbaar onderzoek; - uit het onteigeningsbesluit van 12 februari 1992 (B.S. 8 april 1992,7976) blijkt dat er een openbaar onderzoek is geweest, weze het in het kader van het eerder genomen onteigeningsbesluit, en dat als gevolg daarvan trouwens de onteigeningsplannen m.b.t. de kwestieuze innemingen, eigendom van de appellanten, werden aangepast; - waar het eerste onteigeningsbesluit geen uitvoering kon krijgen, het niet meer nodig was om na het tot stand komen van het tweede onteigeningsbesluit (met dezelfde doelstelling) andermaal een openbaar onderzoek te houden. - de appellanten niet aantonen dat hun belangen zouden zijn geschaad. De vrederechter stelde in zijn vonnis van 27 oktober 1994 reeds vast dat volgens de uitleg van de appellanten zij regelmatig zijn tussengekomen bij de administratieve overheden en de NMBS om hun zaak te bepleiten en alternatieve oplossingen voor te stellen. Zij hebben dientengevolge hun bezwaren kunnen uiten.
  7. Redelijkheids- en continuïteitsbeginsel: 9.
  8. Hiervoor werd reeds beslist dat de rechter niet bevoegd is om aan het bestuur zijn beleidsvrijheid te ontnemen en zich niet in de plaats van het bestuur kan stellen, tenzij er sprake zou zijn van machtsoverschrijding of machtsafwending, hetgeen te dezen helemaal niet het geval is. De onteigening streefde geen enkel ander doel na dan hetgeen duidelijk in het onteigeningsbesluit werd uiteengezet. De schade door de onteigening berokkend aan de onteigende appellanten weegt niet op tegen het algemeen belang dat door het bouwen van de spoorwegbrug (doel van de onteigening) wordt gerealiseerd, hetgeen toelaat dat het treinverkeer mogelijk is met snellere en geluidlozer treinen en tegelijk een passende beveiliging en de afschaffing van een gevaarlijke overweg mogelijk maakt. Er kan alhier andermaal verwezen worden naar het hierboven aangehaald arrest van de Raad van State dat duidelijk overwoog: "Overwegende dat de kennelijke onredelijkheid waarmee het bestreden besluit zou zijn genomen evenmin wordt aangetoond door het verslag dat op aanvraag van de verzoekers werd opgesteld in het kader van de onteigeningsprocedure". Dit arrest, waarin de appellanten eisende partij waren, is hen tegenwerpelijk en de overwegingen ervan zijn evengoed van toepassing op het onteigeningsbesluit. De omstandigheid dat de onteigening en vervolgens de uitgevoerde werken schade veroorzaken tast op zich de wettelijkheid van het onteigeningsbesluit niet aan. Met deze elementen wordt rekening gehouden bij het bepalen van de onteigeningsvergoeding. 9.
  9. Het hof treedt verder volmondig de overwegingen van de eerste rechter bij waar hij de voorgehouden schending van het continuïteitsbeginsel weerlegt. De appellanten beweren, doch bewijzen helemaal niet dat de NMBS - thans Infrabel- het continuïteitsbeginsel zou hebben geschonden; dat door de NMBS in de jaren 1987 en 1989 een gunstig advies zou zijn uitgebracht voor de bouw van een varkensstal wordt aan de hand van de overgelegde stukken niet bewezen. Terecht verwijst de eerste rechter dan ook naar het verslag van deskundige L. Bockstaele dat de desbetreffende bouwvergunningen werden afgeleverd op 29 april 1987 (woning) en op 25 oktober 1989 (varkensstal) en dat de gemeente Pittem zelf voor het eerst in kennis werd gesteld van de geplande afschaffing van de overweg en van de bouw van de brug bij brief uitgaande van het Ministerie van Verkeer van 18 juni
  10. Onwettigheid ingevolge het ontbreken van een Milieu- effectenrapport (M.E.R.). De appellanten hernemen integraal hun overwegingen zoals uiteengezet in hun conclusies voor de eerste rechter. Er is geen milieu-effectenrapport (M.E.R.) vereist voorafgaand aan een onteigeningsbesluit. De onteigeningswet voorziet daar niet in. Het M.E.R. is vereist voor de volledigheid van de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor welbepaalde werken. In het stadium van de onteigeningsprocedure moet er geen stedenbouwkundige vergunning worden overgelegd. Voor de volledigheid van de onteigeningsprocedure is er dientengevolge ook geen M.E.R. noodzakelijk. Een onteigeningsbesluit is geen ‘vergunningsprocedure'. Ten overvloede verwijst het hof verder naar de overwegingen van de eerste rechter, die de middelen van de appellanten op pertinente wijze heeft weerlegd. Het hof maakt de overwegingen van de eerste rechter tot de zijne. Het hof verwijst daarnaar en acht deze overwegingen alhier als herhaald.
  11. Besluit: Het hof bevestigt het bestreden vonnis waar het besluit dat de onteigening niet onwettig was en dat de oorspronkelijke vordering van de NMBS, thans Infrabel, toelaatbaar was. Er dient verder te worden ingegaan op de betwisting tussen de partijen met betrekking tot de onteigeningsvergoeding. Het hof acht zich voldoende ingelicht door het voorliggende deskundigenverslag en acht het helemaal niet nodig in te gaan op het verzoek van de appellanten om een nieuwe (verkeers-) deskundige aan te stellen. De door de vrederechter aangestelde deskundige (ir. Lucien Bockstaele / Brugge) heeft met kennis van zaken advies gegeven. Het hof ontdekt in dit deskundigenverslag geen fouten of aanwijsbare redenen om dit verslag ter zijde te moeten leggen en een nieuwe deskundige aan te moeten stellen. Het hof is van oordeel dat deskundige L. Bockstaele het probleem van de toegankelijkheid tot de woning en tot het bedrijf van de appellanten zeer goed heeft ingeschat en dat hij daarvoor een oplossing heeft geadviseerd. De bevindingen van de gerechtsdeskundige worden overigens niet tegengesproken door de studies die de appellanten hebben laten uitvoeren door hun eigen deskundigen.
  12. De onteigenden hebben recht op een billijke vergoeding, die overeenstemt met de actuele of venale waarde - dit is de normale waarde op de vastgoedmarkt - van het goed op het ogenblik van de onteigening, hetzij op datum van het vonnis waarbij de vrederechter vaststelt dat de formaliteiten zijn nageleefd en de provisionele vergoeding heeft bepaald, hetzij te dezen op 27 oktober
  13. De vergoeding moet juist zijn, d.w.z. volledig en aan de werkelijkheid beantwoordend; met alle bestanddelen van de geleden schade moet rekening worden gehouden; de vergoeding mag geen oorzaak van verrijking betekenen. De vergoeding vertegenwoordigt de herstelling van de berokkende schade. De venale waarde van het onroerend goed is de essentie van de onteigeningsvergoeding. Deze wordt voor zoveel als mogelijk opgezocht aan de hand van vergelijkingspunten, die waar nodig aangepast worden in functie van de eigen kenmerken van het onteigende goed. Er moet rekening gehouden worden met de objectieve en controleerbare kenmerken die het onroerend goed heeft (stedenbouwkundige kenmerken, geografische ligging, de bereikbaarheid, de toegankelijkheid, de vorm, de bebouwbare oppervlakte ... ) op datum van de onteigening.
  14. Deskundige ir. L. Bockstaele omschrijft de innemingen als volgt: "De innemingen vormen een aan elkaar palende smalle strook van ruim 85m lengte, palend ten oosten aan niet onteigende gronden toebehorend aan de onteigende, ten westen aan de rijksweg Brugge - Kortrijk, ten zuiden aan de voortuin van de woning Brugsesteenweg nr. 123 en ten noorden aan de bedieningsweg langs de spoorlijn nr. 73 Deinze-Adinkerke. De zuidgrens bezit een breedte van circa 6m, meer noordwaards neemt de breedte geleidelijk aan toe om ter hoogte van de bedieningsweg naar de spoorlijn een breedte van circa 15m te bereiken. De te onteigenen grond maakt een onderdeel van een landbouwbedrijf uit dat volgens de onteigende een oppervlakte bezit van ongeveer 11ha. Het bedrijf is gespecialiseerd in de mestvarkenshouderij en de groententeelt in open lucht. Het vetmesten van varkens geschiedt in loonteelt d.w.z. tegen een vaste financiële vergoeding per vetgemest varken. De capaciteit van het bedrijf omvat 1.800 mestplaatsen. Het bedrijf is degelijk uitgerust om de verzorging van de dieren met een minimum aan werk uit te voeren. Er komen drie varkensmeststallen voor die in de lengte naast elkaar geplaatst zijn "... "Tussen de mestvarkensstallen en de rijksweg Brugge - Kortrijk staat de woning van de onteigenden. Het betreft een nieuw gebouwde landelijke woning (type villa) met 15m voorgevelbreedte en 9,10m zijgevelbreedte. De woning is omkaderd met een mooi aangelegde en keurig verzorgde siertuin met 2 voldoende brede en degelijke verharde toegangswegen naar de achteraan gelegen bedrijfsgebouwen" ... "De afstand tussen de voorgevel van de woning en de rijksweg Brugge - Kortrijk (Brugse steenweg) bedraagt ongeveer 16,50m." ( P.V. van plaatsbeschrijving p. 7 - 8). De deskundige vervolledigt zijn P.V. van plaatsbeschrijving met de verwijzing naar de uit te voeren werken: "Naar werd medegedeeld zou de verhoogde berm van de geplande spoorlijnoverbrugging ter hoogte van de onteigenden worden gesteund door een muur, hetgeen zeer hinderlijk zal zijn voor de bewoners van de woning. De 3 in- en uitgangen tot en van de woning en bedrijf liggen thans loodrecht op de as van de rijksweg Brugge - Kortrijk. Door de onteigening zal langs de Brugsesteenweg een bedieningsweg worden aangelegd om de woning en het bedrijf met grote en lange vrachtwagens toegankelijk te maken tot de openbare weg. Om de toegankelijkheid van het bedrijf met grote en lange vrachtwagens mogelijk te maken zullen de onteigenden verplicht worden op eigen kosten nog grote werken uit te voeren en een deel van de siertuin op te offeren en te verharden" (P.V. van plaatsbeschrijving p. 11). In zijn schattingsverslag stelt de deskundige verder: "Het verlies van de onteigende gronden en de uitvoering van de geplande werken waarvoor onteigend wordt, zullen voor de uitbaters van de mestvarkenshouderij zware gevolgen hebben. Om die weg te werken zal de wegeninfrastructuur en de tuin grondig moeten gewijzigd worden" ... " de berm van de te bouwen brug (zal) dicht bij de voorgevel van de woning van de onteigenden komen te liggen" (schattingsverslag p. 7). De gerechtsdeskundige stelt verder nog: "De schade die de onteigenden door de onteigening lijden is niet alleen het verlies van een deel van de mooi aangelegde voortuin, maar ook de algemene waardevermindering die de woning ondergaat en de meerkosten die zij zullen hebben om de toegankelijkheid van de woning en de bedrijfsgebouwen ervan even vlot te laten verlopen als voorheen. Tegenover de as van de Brugsesteenweg komt de woning schuin te liggen, vóór de voorgevel van de woning zal een hoge berm worden opgetrokken en een nieuwe belangrijke bedieningsweg wordt aangelegd, waardoor de woning als het ware in een "put" zal komen te staan" (schattingsverslag p. 8). Voor een meer uitgebreide, nauwkeurige beschrijving van de innemingen verwijst het hof verder naar deze P.V.'s van plaatsbeschrijving en naar voorrmeld schattingsverslag van ir. L. Bockstaele.
  15. Ingevolge de onteigening komt de woning van de appellanten hoe dan ook dichter bij de rijbaan te liggen. Teneinde een (min of meer) vlotte toegang tot hun bedrijf toe te laten met grote vrachtwagens is het volgens de gerechtsdeskundige nodig de voortuin op te offeren. Er kan dan ook aanvaard worden dat ingevolge de onteigening deze siertuin volledig verdwijnt en het restant nog enkel dienstig is om de toegang tot het bedrijf mogelijk te maken. Uit de door de onteigenden overgelegde stukken (w.o. foto's) blijkt dat vóór de onteigening de eigendom en vooral de bedrijfsgebouwen vlot toegankelijk waren. De toegang met lange vrachtwagens naar de bedrijfsgebouwen kon probleemloos geschieden. Ingevolge de onteigening bevindt de inrit, die thans ook dienst doet als uitrit, zich links van het bedrijventerrein. Door het feit dat er geen doorstroming meer mogelijk is diende een keerpunt en manoeuvreerruimte tussen de bestaande woning en de bedrijfsgebouwen te worden voorzien. Hiertoe was het noodzakelijk een bijkomende betonverharding te gieten. Deskundige Bockstaele had er reeds rekening mee gehouden dat om de verkeerstechnische problemen op te lossen het grootste deel van de siertuin diende te worden opgeofferd en het aanleggen van een verharding noodzakelijk is. De wijziging van de dienstweg heeft het probleem van de keermuur van het viaduct niet kunnen neutraliseren. Deze keermuur werd rakelings langs de nieuwe dienstweg gebouwd, hetgeen een obstakel kan uitmaken voor de in- en uitrijdende vrachtwagens. De aanleg van het viaduct heeft ook een grote impact op het wooncomfort van de woning. Waar deze vroeger was ingeplant in een groen-omgeving op een redelijke afstand van de Brugsesteenweg, is deze woning nu komen te liggen op een afstand van amper 9 meter van de keermuur van het viaduct.
  16. Volgens de voorliggende stukken (w.o. de nota der leidingsfeiten en het verslag van deskundige Bockstaele - P.V. plaatsbeschrijving p. 7; schattingsverslag p. 4) zijn de onteigende goederen volgens het gewestplan "Roeselare-Tielt" gelegen in een uitbreidingszone voor industrie. Er liggen geen andere stukken voor tot staving van het standpunt van de appellanten waaruit zou moeten blijken dat de innemingen gelegen zijn in een reservegebied voor ambachtelijke uitbreiding. Uit de door de onteigenden overgelegde "bouwvergunningen" blijkt enkel dat voor het gebied waarin de innemingen gelegen zijn er geen bijzonder plan van aanleg bestaat. Er kan dientengevolge geen rekening gehouden worden met de loutere beweringen van de appellanten. Het ware nochtans eenvoudig geweest - indien hun standpunt met de werkelijkheid zou overeenstemmen - om dienaangaande de nodige stukken over te leggen. De innemingen hadden op zichzelf niet de technische kwaliteiten om een zelfstandige industriële locatie te worden, hiertoe diende onmiskenbaar samengewerkt te worden met de omliggende eigenaars en zwaar geïnvesteerd te worden voor de aanleg van de infrastructuur, wat nooit is gebeurd. Enig initiatief in die zin blijkt zelfs niet. De evolutie naar industriële bedrijvigheid lag hoegenaamd niet voor de hand. Het gebied is als industriële grond duidelijk volledig gecreëerd door en op initiatief van de overheid. De innemingen kunnen derhalve niet beschouwd worden als bouwgrond, gelijk te stellen met grond gelegen in een woonzone. Bij het bepalen van de onteigeningsvergoeding dient er evenwel rekening gehouden te worden met de negatieve effecten van de onteigening op de waarde en de leefbaarheid van de woning en op de exploitatiemogelijkheid van het bedrijf van de appellanten. Het hof is samen met de eerste rechter van oordeel dat de deskundige bij het bepalen van de waarde van de innemingen rekening heeft gehouden met alle mogelijke incidenties van de onteigening. De waarde van de innemingen werd bepaald in functie van het geheel waarvan zij deel uitmaken. De waarde werd door de gerechtsdeskundige dan ook "in concreto" beoordeeld, hetgeen dan ook resulteerde - zoals terecht door de eerste rechter overwogen - in het feit dat de berekening van het grondverlies a rato van 1.600 BEF/m², thans 39,66 euro/m² iets hoger is dan de normale prijzen zoals die blijken uit de vergelijkingspunten, doch dat daarbij rekening werd gehouden met alle mogelijke elementen van het onttrekken van de kwestieuze innemingen aan het patrimonium van de onteigenden, hetgeen dan toch de essentie is bij het bepalen van de onteigeningsvergoeding, die (zoals hiervoor reeds werd beslist) volledig moet zijn en aan de werkelijkheid beantwoordend d.w.z. dat met alle bestanddelen van de geleden schade moet rekening worden gehouden; de vergoeding vertegenwoordigt de herstelling van de berokkende schade. Samen met de gerechtsdeskundige, de vrederechter en de eerste herzieningsrechter is het hof van oordeel dat de grondwaarde dient te worden bepaald op 1.600 BEF, thans 39,66 euro/m² hetzij voor 843m² op 1.348.800 BEF, thans 33.435,88 euro.
  17. Waardevermindering van het overblijvende gedeelte en van de woning: 16.
  18. De geïntimeerde betwist ten onrechte de minderwaarden. Er valt niet te betwisten dat het overblijvende gedeelte van de eigendom (te dezen het perceel 1526/A/2) als gevolg van de onteigening op zichzelf een waardevermindering kan ondergaan (en te dezen effectief heeft ondergaan). In de rechtspraak werd meestal aangenomen dat de schade bestaande uit de waardevermindering van een niet onteigend perceel, die niet te wijten is aan de omzetting van de eigendom van de in te nemen grond, maar wel aan het gebruik waartoe de onteigenaar de onteigende grond bestemt, geen aanleiding geeft op schadeloosstelling wegens onteigening ten algemene nutte en dat de onteigende eigenaars in het kader van de onteigeningsprocedure geen aanspraak op vergoeding kunnen laten gelden uit hoofde van de bestemming die de onteigenaar aan de onteigende gronden zal geven. Die schade zou geen gevolg zijn van de onteigening zelf maar wel van het gebruik van de onteigening door de overheid. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn arrest van 24 november 2006 (C.D.P.K., 2006,101 met noot S. Boullart) geoordeeld dat ernstige schade, veroorzaakt door de aard van het bouwwerk dat door de onteigening wordt aangelegd, aan het niet onteigende excedent voor vergoeding in aanmerking dient te komen. In de betreffende zaak kwam het E.H.R.M. tot de vaststelling dat eens de weg (er was onteigend voor de aanleg van een kruispunt en de constructie van een hangbrug) wordt opengesteld voor het verkeer, de onteigende nadeel lijdt door voortdurende geluidshinder en trillingen. Door in die omstandigheden een vergoeding te weigeren voor het niet onteigende perceel werd, volgens het Hof, het evenwicht verbroken tussen het algemeen belang en het individueel eigendomsrecht, zoals vervat in artikel 1 Eerste Aanvullend protocol E.V.R.M.. Ook het hof is alhier van oordeel dat de schade die in rechtstreeks verband staat met het oogmerk van de onteigening moet vergoed worden. Dit gebruik (te dezen de aanleg van het viaduct) stond immers reeds vast op het ogenblik van de onteigeningsmachtiging en bepaalt mede het oogmerk van de onteigening. (zie de overwegingen van het onteigeningsbesluit). Het valt immers niet te ontkennen dat de onteigening van de kwestieuze innemingen bestemd voor de aanleg van een brug over de spoorlijn Deinze - De Panne ter vervanging van een gelijkgrondse spooroverweg de leefbaarheid van de woning van de appellanten fundamenteel aantast, doch ook dat de vergoeding die zou worden toegekend zonder rekening te houden met de werken uitgevoerd voor het doel van de onteigening de onteigenden niet toelaat een evenwaardige eigendom aan te schaffen/te bekomen. De door de NMBS (thans Infrabel) gegeven bestemming aan de onteigende gronden is inherent aan de onteigening zelf en komt dientengevolge in aanmerking voor vergoeding. 16.
  19. Het hof is te dezen van oordeel dat de gerechtsdeskundige de waardevermindering voor het grondgedeelte van het perceel 1526/A/2 op passende wijze heeft bepaald. Hiervoor werd reeds omstandig omschreven dat de toegankelijkheid tot de eigendom werd beperkt terwijl ook mag worden aangenomen dat er hinder is bij de exploitatie van het bedrijf. In het bestreden vonnis heeft de eerste rechter voldoende uiteengezet dat het maaiveld van dit overblijvend gedeelte na de uitvoering van de werken als het ware in een put zal liggen en dan ook minder geschikt is hetzij voor de uitbreiding van het landbouwbedrijf zelf, hetzij in het kader van de eventuele realisatie van het gewestplan. 16.
  20. De verhoogde berm werd inmiddels juist voor de woning opgetrokken. De door de onteigenden overgelegde foto's geven een duidelijk beeld van de huidige situatie. Het is al te duidelijk dat ingevolge het bouwen van het viaduct waarvan de keermuren in volle beton werden opgericht de waarde van de woning in grote mate wordt aangetast. De hoge berm van de overbrugging komt juist voor de woning te liggen (op een afstand van ca. 9 meter). Het is duidelijk dat er niet alleen hinder is door minder lichtinval (bezonning), maar dat, zoals hiervoor reeds gesteld, ook de leefbaarheid van de woning van de appellanten fundamenteel werd aangetast. De onteigenden hebben nu slechts uitzicht op een verhoogde spoorwegberm. Het hof is van oordeel dat deze eigendomaantasting dient te worden bepaald op 15 % van de totale waarde van de woning (de gerechtsdeskundige, de vrederechter en de eerste herzieningsrechter namen slechts 10 % van de waarde van de woning aan). Er dient evenwel rekening te worden gehouden met de waarde van de woning op datum van het eigendomoverdragend vonnis. De appellanten leggen een raming voor, die dagtekent van
  21. Daar kan geen rekening mee gehouden worden. De gerechtsdeskundige schatte de woning van de appellanten ten tijde van het eigendomoverdragend vonnis op 5.000.000 BEF, thans 123.946,76 euro. Er liggen geen gegevens voor waaruit kan blijken dat de gerechtsdeskundige zich ter zake zou hebben vergist. De waardevermindering dient te worden bepaald op 15 %, hetzij op 750.000 BEF of 18.592,01 euro.
  22. Het hof treedt volmondig de overwegingen van de eerste rechter bij met betrekking tot de vergoeding voor de aanpassingswerken aan de siertuin, de wegverhardingen e.d.m., zijnde de werken die noodzakelijk waren voor de toegankelijkheid van het bedrijf van de appellanten. Rekening houdende met het doel van de onteigening en de uitgevoerde werken hoeft het geen betoog dat ook de aansluitingen op de nutleidingen dienden te worden aangepast. Waar Infrabel stelt dat deze kosten door haarzelf (de vroegere NMBS) zouden zijn uitgevoerd wordt daar geen bewijs van geleverd. De gerechtsdeskundige achtte het uitvoeren van deze werken noodzakelijk en er liggen geen gegevens voor waaruit kan blijken dat dit advies foutief zou zijn.
  23. De moeilijker toegankelijkheid van het bedrijf werd afdoende vergoed bij het bepalen van de grondwaarde van de innemingen en de minderwaarden van de overblijvende delen. Er is geen reden om daar bovenop nog een hoger bedrag in te willigen.
  24. De verwijlintresten: De verwijlintresten ten gunste van de onteigenden zijn verschuldigd vanaf de datum van het eigendomoverdragend vonnis tot op de datum van de consignatie en/of de betaling van de verschuldigde onteigeningsvergoedingen.
  25. Er is geen reden om de vordering van wachtintresten in te willigen. De innemingen genereerden op zich geen (financiële) inkomsten. Ten tijde van de onteigening, van het provisioneel en van het voorlopig vonnis was het bovendien voor de appellanten mogelijk om binnen korte termijn de ontvangen gelden tegen een redelijke intrest te beleggen in afwachting van eventuele andere (onroerende) beleggingen.
  26. De definitieve onteigeningsvergoeding wordt bepaald op: - waarde van de onteigende grond: 1.348.800 BEF 33.435,88 euro - waardevermindering resterend deel van het Perceel 1526/A/2: 342.000 BEF 8.477,96 euro - waardevermindering woning: 750.000 BEF 18.592,01 euro - wederbeleggingsvergoeding: 19 % 463.752 BEF 1.496,11 euro - kosten aanpassingswerken: 250.000 BEF 6.197,34 euro - aanpassingswerken aansluitingen: 25.000 BEF 619,73 euro ---------------------------------------------------- 3.179.552 BEF 78.819,04 euro Conform de beslissing van de vrederechter heeft de geïntimeerde reeds betaald het bedrag van 2.882.171 BEF, thans 71.447,15 euro. Er blijft dientengevolge in hoofdsom verschuldigd door de geïntimeerde, het bedrag van 297.381 BEF, thans 7.371,88 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten te rekenen aan de wettelijke rentevoet vanaf het eigendomoverdragend vonnis, hetzij vanaf 27 oktober
  27. Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen en de aard van het geding, komt het passend voor dat de rechtsplegingvergoedingen worden gecompenseerd. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak. Alle meeromvattende en/of andersluidende conclusies en/of grieven verwerpend als niet dienstig en/of ongegrond. In acht genomen art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk, het incidenteel beroep van de geïntimeerde ongegrond en het hoger beroep van de appellanten in de hierna bepaalde mate gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de definitieve onteigeningsvergoeding wordt gebracht op 78.819,04 euro. Veroordeelt dienvolgens NV INFRABEL om aan de appellanten een bijkomende onteigeningsvergoeding te betalen van 7.371,88 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten te rekenen aan de wettelijke rentevoet vanaf het eigendomoverdragend vonnis, hetzij vanaf 27 oktober
  28. Gelet op het weerhouden gelijk en ongelijk en de aard van de vordering worden de rechtsplegingvergoedingen van deze instantie tussen de partijen gecompenseerd. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op twintig maart tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.