id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 20 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090320.6 Rolnummer: 2008/RK/52 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-06-04 Raadplegingen: 239 - laatst gezien 2026-07-02 19:26 Fiche Door een nieuwe stedenkundige vergunning werd aan een onwettige toestand een einde gesteld, waaronder noch een stakingsbevel noch een zegellegging verdere gevolgen kunnen ressorteren. Het hof beoordeelt wel nog over de kosten terzake. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Waals Gewest - Stedenbouwreglementen Vrije woorden: Stedenbouw - Stakingsbevel - Bouwvergunning - Kosten. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 20-03-2009 2008/RK/52 in de zaak van: Het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van heet Vlaams Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, met kabinet te 1210 Brussel, koning Albert II laan 19, 11de verdieping, woonstkeuze doende bij zijn raadsman hierna vermeld, appellant, hebbende als raadsman mr. BRONDERS Bart, advocaat te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106 tegen:
- CASTIGLIONE A3+A5 N.V., met zetel gevestigd te 9000 Gent, Zonnestraat 8, ingeschreven met KBO-nummer 0441.225.185,
- M. R., wonende te 3.
- A. G., en zijn echtgenote 3.
- L. M., samen wonende te
- D. X., wonende te
- C. P., wonende te
- VERIMM B.V.B.A., met zetel te 8660 De Panne, Duinhoekstraat 94, ingeschreven met KBO-nummer 0454.667.011, 7.
- H. L., en zijn echtgenote 7.
- L. E., samen wonende te geïntimeerden, allen woonstkeuze doende bij hun raadsman hierna vermeld hebbende als raadsman mr. LUST Antoon, advocaat te 8310 ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 27 velt het Hof het volgend arrest:
- Het hof nam kennis van de bestreden beschikking (in het verzoekschrift tot hoger beroep onjuist betiteld als vonnis) d.d. 3 oktober 2007, gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne, zetelend zoals in kort geding. Tegen deze beschikking werd tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de partijen, bij monde van hun raadslieden, gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen neergelegde conclusies als de overgelegde overtuigingsstukken werden ingezien.
- De betwisting tussen de partijen gaat terug op de oprichting door de eerste geïntimeerde N.V. Castiglione A3 + A5 van een meergezinswoning (een multifamiliaal villagebouw bestaande uit 19 appartementen) op een perceel gelegen te , kadastraal bekend onder de de afdeling, sectie , nrs. , waarvoor zij op 15 maart 2005 een stedenbouwkundige vergunning bekwam van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde (na gunstig advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar d.d. 5 maart 2005). Bij arrest van de Raad van State nr. 172.828 d.d. 27 juni 2007 werden echter de stedenbouwkundige vergunning d.d. 15 maart 2005 én het eraan voorafgaand advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar d.d. 5 maart 2005 vernietigd. Voorafgaandelijk aan dit vernietigingsarrest m.n. op 18 juni 2007 (zijnde onmiddellijk na de sluiting van de debatten voor de Raad van State waarbij de auditeur bij de Raad van State zijn auditoriaatsrapport d.d. 13 november 2007 houdende vernietiging had gehandhaafd) had het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde enerzijds de stedenbouwkundige vergunning d.d. 15 maart 2005 ingetrokken en anderzijds een nieuwe vergunning afgeleverd aan de eerste geïntimeerde N.V. Castiglione A3 + A
- Deze nieuwe stedenbouwkundige vergunning werd evenwel geschorst bij beslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar d.d. 10 juli 2007 en werd vervolgens vernietigd bij Ministerieel Besluit van 8 augustus
- Op 23 augustus 2007 werd door D. R. T. (ambtenaar bij Ruimtelijke Ordening West-Vlaanderen, behoorlijk beëdigd en handelend krachtens delegatie hem verleend bij besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2000, BS. 13 mei 2000): - enerzijds een proces-verbaal van vaststelling en van stillegging der werken en van staken gebruik; - anderzijds een proces-verbaal van zegellegging; opgesteld. De staking van de werken werd opgelegd voor het volledige gebouw terwijl de staking van gebruik en de verzegeling werd opgelegd voor alle appartementen, behoudens vier die inmiddels waren verkocht. Op dat ogenblik was het gebouw reeds opgetrokken conform de stedenbouwkundige vergunning d.d. 15 maart 2005 en dienden er volgens de geïntimeerden geen vergunningsplichtige werken meer uitgevoerd te worden. Op 27 augustus 2007 werd het betreffende stakingsbevel bekrachtigd door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur en middels aangetekend schrijven d.d. 28 augustus 2007 werden alle belanghebbenden in kennis gesteld van het proces-verbaal d.d. 23 augustus 2007 en van de bekrachtigingsbeslissing d.d. 27 augustus
- Bij dagvaarding d.d. 6 september 2007 hebben de geïntimeerden (zijnde enerzijds eerste geïntimeerde N.V. Castiglione A3 + A5 als bouwheer en eigenares van nog 6 appartementen en anderzijds de overige geïntimeerden als eigenaars van een appartement in het bedoelde gebouw) onder toepassing van artikel 154,6e lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna genoemd D.O.R.O.) tegen de appellant de opheffing gevorderd van het stakingsbevel d.d. 23 augustus 2007, van de beslissing tot zegellegging van dezelfde datum en van het bekrachtigingsbesluit van 28 augustus (bedoeld werd 27 augustus) 2007, met bevel om binnen de 24u na betekening-bevel van de tussen te komen beschikking tot zegellichting over te gaan onder verbeurte van een dwangsom van 6.500,00 euro per dag vertraging. Middels de bestreden beschikking d.d. 3 oktober 2007 werd de vordering van de geïntimeerden ontvankelijk en in die zin gegrond verklaard dat: - het stakingsbevel van 23 augustus 2007, de beslissing tot zegellegging van 23 augustus 2007 en de bekrachtigingsbeslissing van 27 augustus 2007 werden opgeheven; - de geïntimeerden gemachtigd werden om de aangebrachte zegels te verbreken. Het meer gevorderde werd afgewezen als ongegrond en de appellant werd veroordeeld tot de kosten van eerste aanleg, zoals nader begroot aan de zijde van de geïntimeerden. Middelerwijl, m.n. op 31 augustus 2007, was door de eerste geïntimeerde N.V. Castiglione A3 + A5 een nieuwe aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning ingediend bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde. Na een openbaar onderzoek en nadat door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 26 februari 2008 een gunstig advies was uitgebracht, werd bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde d.d. 3 maart 2008 aan eerste geïntimeerde N.V. Castiglione A3 + A5 een (nieuwe) stedenbouwkundige vergunning toegekend.
- Middels zijn verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 21 februari 2008, vordert de appellant dat het hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, dienvolgens het bestreden vonnis (bedoeld wordt de bestreden beschikking) hervormt en opnieuw wijzende: - de vordering van de geïntimeerden onontvankelijk, minstens ongegrond verklaart; - geïntimeerde solidair en (sic) in solidum, minstens de ene bij gebrek van de andere, veroordeelt tot de kosten van het geding, zoals nader begroot aan zijn zijde op de kosten van de beide instanties. Hij volhardt hierin in zijn in deze instantie neergelegde conclusies. De geïntimeerden vorderen dat het hof: - in hoofdorde zegt voor recht dat de vordering van de appellant zonder voorwerp is geworden; - in ondergeschikte orde de bestreden beschikking bevestigt en de appellant veroordeelt tot de kosten van de huidige instantie, nader begroot aan hun zijde.
- Boven werd reeds aangegeven dat het hoger beroep van de appellant tijdig en op regelmatige wijze werd ingesteld. Bij gebrek aan tegenspraak en andere ambtshalve op te werpen excepties is dit hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren.
- Door de geïntimeerden wordt voorgehouden dat gezien op 3 maart 2008 een (nieuwe) stedenbouwkundige vergunning werd verleend dit het einde van het stakingsbevel inhoudt en het hoger beroep van de appellant daardoor totaal doelloos en zonder voorwerp is geworden. Dit wordt op zichzelf niet betwist door de appellant, met dien verstande dat hij laat gelden dat: - de aan de eerste geïntimeerde N.V. Castiglione A3 + A5 verleende stedenbouwkundige vergunning geen invloed heeft op de beoordeling van de wettelijkheid van het stakingsbevel d.d. 23 augustus 2007, van de beslissing tot zegellegging d.d. 23 augustus 2007 en van de bekrachtigingsbeslissing d.d. 27 augustus 2007; - hij nog steeds belang heeft bij de vaststelling van de wettelijkheid van het stakings- en bekrachtigingsbevel en van de beslissing tot zegellegging, gezien zulks aanleiding geeft tot het afwijzen van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden zodat de gerechtskosten te hunnen laste dienen te worden gelegd. Door de nieuwe stedenbouwkundige vergunning werd aan de onwettige toestand die was ontstaan na het vernietigingsarrest van de Raad van State een einde gesteld, waardoor noch het stakings- en bekrachtigingsbevel noch de beslissing tot zegellegging verdere gevolgen konden ressorteren. In die zin is dan ook de vordering van de geïntimeerden strekkende tot opheffing van het stakingsbevel van 23 augustus 2007, van de beslissing tot zegellegging van 23 augustus 2007 van de bekrachtigingsbeslissing van 27 augustus 2007 (én niet het hoger beroep van de appellant) zonder voorwerp geworden.
- Het bovenstaande neemt echter niet weg dat het hof thans met het oog op de beslissing omtrent de kosten de vordering zoals aangebracht door de geïntimeerden en inzonderheid de wettelijkheid van het stakingsbevel d.d. 23 augustus 2007, van de beslissing tot zegellegging d.d. 23 augustus 2007 en van de bekrachtigingsbeslissing d.d. 27 augustus 2007, dient te beoordelen. Op het ogenblik van deze beslissingen was er geen stedenbouwkundige vergunning (meer) voorhanden voor het gebouw in kwestie, zodat de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen ab initio dienen te worden beschouwd als zijnde uitgevoerd en in stand gehouden zonder geldige toelating of vergunning, wat een wanbedrijf uitmaakt (cf. artikel 146, lid 1,1° D.O.R.O.). Het hof stelt vast dat waar de appellant in deze instantie weliswaar tot de onontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerden concludeert, hij geen enkel middel daartoe aanbrengt. Inzonderheid herneemt hij niet het door hem voor de eerste rechter ontwikkelde middel dat de geïntimeerden niet zouden beschikken over een rechtmatig belang om hun vordering lastens hem te formuleren. Voor zoveel als nodig treedt het hof de desbetreffend door de eerste rechter gemaakte beoordeling bij en maakt zij zich deze eigen. Mede bij gebrek aan ambtshalve op te werpen middelen waren er dus geen gronden voorhanden om de vordering van de geïntimeerden als onontvankelijk af te wijzen. Aangaande de door de geïntimeerden ingeroepen onwettigheid van het stakingsbevel, de zegellegging en het bekrachtigingsbesluit, stelt het hof vooreerst vast dat de geïntimeerden het door hen voor de eerste rechter in eerste instantie hieromtrent ontwikkelde middel m.n. de hoedanigheid van degenen die tot het stakingsbevel en tot het bekrachtigingsbesluit hebben besloten, niet hernemen. Wel is het hof met de eerste rechter van oordeel dat een staking van de werken, gesteund op het op dat ogenblik voorhanden zijnde wanbedrijf, niet wettig kan worden verantwoord als er geen vergunningsplichtige werken meer worden uitgevoerd noch een functiewijziging heeft plaats gevonden, noch te vrezen valt voor verdere schade. In casu werd in het proces-verbaal van vaststelling en van stillegging van de werken en van staken gebruiken d.d. 23 augustus 2007 als volgt gemotiveerd: "...vastgesteld te hebben dat op het perceel: e afd., sectie , nummer(s) , , volgende werken en handelingen wederrechtelijk in uitvoering waren en in stand werden gehouden: Overeenkomstig art. 146,1e handelingen, werken en wijzigingen te hebben uitgevoerd na vernietiging (RvSt arrest nr 172.828) van de stedenbouwkundige vergunning waaronder begrepen het afwerken, bewonen en instandhouden van een appartementsgebouw zonder te beschikken over een uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning. ... Overwegend dat de constructie bijgevolg niet een over een uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning beschikt. Overwegende dat, alhoewel het gebouw langs buiten afgewerkt lijkt, dit langs de binnenkant nog niet het geval is. Dat op 4 appartementen, het gebouw leeg is en nog niet bewoonbaar is. Dat er 4 appartementen zijn die heden door de particuliere eigenaars afgewerkt worden. Dat de stedenbouwkundige inspecteur niet voorbij kan gaan aan het feit dat er geen uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning voorhanden is voor het gebouw. Dat de appartementen heden nog steeds te koop worden aangeboden (dit blijkt oa uit het grote aantal affiches voor de ramen)... Om te verhinderen dat de appartementen woonklaar worden gemaakt en dat nog appartementen worden verkocht is beslist over te gaan tot verzegeling van de appartementen die nog niet ingericht worden door de kopers. Dit als bewarende maatregel om verdere schade en problemen te vermijden ...". Welke vergunningsplichtige werken precies en in concreto nog in uitvoering waren en in stand gehouden wordt er op geen enkele wijze vastgesteld. Evenmin wordt er op enige wijze uiteengezet welke concrete aanwijzingen of gegevens precies de optredende ambtenaar heeft vastgesteld en hem deden besluiten tot de beweerde strijdige werken en handelingen die in uitvoering waren en in stand werden gehouden. Integendeel, uit de aangehaalde motivering komt eerder naar voor dat alle vergunningsplichtige werken reeds waren uitgevoerd en er enkel nog een aantal inrichtingswerken dienden te gebeuren. Zulks blijkt ten andere ook uit de door de geïntimeerden voorgelegde foto's waaruit blijkt dat op het ogenblik van het stakingsbevel alle gemene delen waren afgewerkt, het sanitair en de keukens reeds waren geplaatst en zelfs de tuin reeds gedeeltelijk was aangelegd. Daarenboven blijkt uit de motivering dat het bevel tot staking eerder werd ingegeven als bewarende maatregel m.n. om te verhinderen dat de appartementen woonklaar zouden worden gemaakt of dat nog appartementen zouden worden verkocht, hetgeen ook blijkt uit navolgende motivering van de bekrachtigingsbeslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur d.d. 27 augustus 2007: "Bovendien willen wij de rechtszekerheid van alle partijen vergroten. Daarenboven wordt op deze manier voorkomen dat er nog bijkomende appartementen worden verkocht aan particulieren en kan een eventueel herstel of regularisatie niet verder bemoeilijkt worden door een steeds wijzigend aantal eigenaars en gedupeerden." Volkomen terecht oordeelde de eerste rechter dat van werken die zijn voltooid de staking niet meer kan worden bevolen, vermits de staking niet meer kan bijdragen tot het vrijwaren van de mogelijkheid om een herstelmaatregel op te leggen. Een stakingsbevel is immers geen "voorlopige straf", doch is een preventieve maatregel (Cass., 27 mei 2007, nr. C.06.0567.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070518.2) meer bepaald om te verhinderen dat de wederrechtelijke toestand van de uitvoering van werken zonder of in strijd met een stedenbouwkundige vergunning nog erger of problematischer zou worden zodat een gevorderde herstelmaatregel voor de rechter ten gronde niet meer of zeer moeilijk realiseerbaar zou worden. In die zin is een stakingsbevel voor voltooide handelingen dan ook niet te rechtvaardigen en strijdig met de bepaling van artikel 154, 1e lid D.O.R.O.. Evenmin kan het stakingsbevel worden aangewend om op zich aan de (vermoedelijke) daders van een stedenbouwkundige inbreuk het gebruiksvoordeel te ontnemen in afwachting dat de inbreuk of het gevorderd herstel door de rechter ten gronde zou worden beoordeeld. Het stakingsbevel is gefundeerd op het idee van de beveiliging van de macht van de (bodem)rechter om het herstel te bevelen. Er moet worden vermeden dat werken of handelingen voortgezet worden die later door de rechter ten gronde moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, zodat zijn opdracht om zo nodig het herstel in de vorige toestand te bevelen bemoeilijkt zoniet onmogelijk wordt te realiseren wegens een onomkeerbare toestand. Ook hier is de beslissing van de eerste rechter dus bij te treden en het hof voegt hieraan nog het volgende toe. In geval van gebruik van een volledig opgericht gebouw heeft het stakingsbevel van het gebruik geen preventief karakter meer, maar beoogt het veeleer reeds sanctionerend op te treden en kan dit zelfs mogelijkerwijs zwaardere gevolgen hebben dan een mogelijke veroordeling ten gronde zou kunnen opleveren. Een beslissing ten gronde beslecht immers in eerste instantie het lot van de wederrechtelijk opgerichte werken, met als mogelijk (doch niet steeds noodzakelijk) gevolg dat het (niet-vergunningsplichtige) gebruik onmogelijk wordt. Hetgeen voorafgaat wijst op het slagen van de vordering van de geïntimeerden, zodat de appellant derhalve voor wat betreft de beoordeling van de kosten als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden aangezien. De beslissing van de eerste rechter wat betreft de kosten dient derhalve bevestigd te worden, terwijl de appellant tevens dient verwezen te worden in de kosten van huidige instantie. Er zijn naar het oordeel van het hof geen redenen voorhanden om af te wijken van het basistarief van de rechtsplegingvergoeding zoals voorzien in artikel 3 van het K.B. van 26 oktober
- OM DEZE REDENEN, HET HOF recht doende op tegenspraak. In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni
- Doet de bestreden beschikking teniet, behoudens wat betreft de beoordeling van de kosten. Stelt vast dat het stakingsbevel van 23 augustus 2007, de beslissing tot zegellegging van 23 augustus 2007 en de bekrachtigingsbeslissing van 27 augustus 2007, én derhalve ook de vordering van de geïntimeerden zonder voorwerp zijn geworden. Verwijst de appellant in de kosten van deze instantie, deze aan zijn zijde niet nader te begroten zijnde en aan de zijde van de geïntimeerden begroot op 1.200,00 euro. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op twintig maart tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070518.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div