← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090324.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090324.3 Rolnummer: 2006/AR/565 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 269 - laatst gezien 2026-07-02 19:27 Fiche

  1. Artikel 49 Programmawet van 9.7.2004 is een retroactief geldende wetsbepaling, en als dusdanig niet in strijd met artikel 6 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM.
  2. Het enkel feit dat een belastingplichtige, die in de overtuiging verkeerde dat hij onderworpen was aan rechtspersonenbelasting, een aangifte in de rechtspersonenbelasting deed en geen aangifte in de vennootschapsbelasting, is niet gelijk te stellen met het geval waarin de belastingplichtige heeft nagelaten een aangifte te doen binnen de wettelijke termijnen, en laat de administratie niet toe op die grond een aanslag van ambtswege te vestigen.
  3. Wanneer de in het bericht van wijziging van aangifte aangehaalde motieven reeds een antwoord vormen op de opmerkingen van de belastingplichtige op het bericht van wijziging van aangifte, kan de administratie in het in artikel 346 laatste lid WIB/1992 voorziene antwoord op de opmerkingen van de belastingplichtige volstaan met te verwijzen naar de motieven van het bericht van wijziging van aangifte. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - RECHTSPERSONEN Vrije woorden: Aangifte belastingen Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer ________ terechtzitting van 24-03-2009 BELASTINGEN Nr.2006/AR/565 in de zaak van: DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, in de persoon van de Gewestelijk Directeur der Directe Belastingen te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN DER PERRE Joseph, advocaat te 8460 OUDENBURG, Westkerksestraat 9 tegen: KONINKLIJKE WAREGEMSE KOERSVERENIGING V.Z.W., met zetel te 8790 WAREGEM, Felix Verhaeghestraat 5, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. SPEECKE Johan, advocaat te 8500 KORTRIJK, Pres. Kennedypark 8a/0001 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
  4. a. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 5.3.2001 vorderde de geïntimeerde de vernietiging, minstens de integrale ontheffing van de aanslagen in de vennootschapsbelasting op haar naam gevestigd voor de aanslagjaren 1985 (kohierartikel 768765), 1986 (kohierartikel 868165), 1987 (kohierartikel 968231), 1988 (kohierartikel 037022), 1992 (kohierartikel 437074), 1993 (kohierartikel 537052), 1994

(863630574), 1995 (kohierartikel 863632350). Zij vorderde bovendien dat de teruggave zou bevolen worden van alle sommen die op grond van de aldus ontheven aanslagen werden geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 418 WIB/
  1. Voorheen was het bezwaar van de geïntimeerde tegen deze aanslagen ontvankelijk doch ongegrond verklaard bij beslissing van 7.12.2000 van de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Brugge, behoudens voor de aanslagjaren 1987 en 1988 voor dewelke het bezwaar gedeeltelijk werd ingewilligd. In haar uiteindelijke vordering vorderde de geïntimeerde ook dat zou worden gezegd voor recht dat de aanslagen zijn verjaard. b. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 14.9.2001 vorderde de geïntimeerde de vernietiging, minstens de integrale ontheffing van de aanslagen in de vennootschapsbelasting op haar naam gevestigd voor de aanslagjaren 1989 (kohierartikel 137001) en 1990 (kohierartikel 137011). Zij vorderde bovendien dat de teruggave zou bevolen worden van alle sommen die op grond van de aldus ontheven aanslagen werden geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 418 WIB/
  2. Voorheen was het bezwaar van de geïntimeerde tegen deze aanslagen ontvankelijk doch ongegrond verklaard bij beslissing van 12.7.2001 van de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Brugge. In haar uiteindelijke vordering vorderde de geïntimeerde ook dat zou worden gezegd voor recht dat de aanslagen zijn verjaard. c. Bij vonnis van 20.12.2005 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, werden de beide zaken samengevoegd, en werden de vorderingen ontvankelijk en gegrond verklaard in die zin dat werd aangenomen dat de geïntimeerde ten onrechte belast was in de vennootschapsbelasting maar onderworpen moest worden aan de rechtspersonenbelasting. De bestreden aanslagen werden vernietigd en de rechtbank veroordeelde de appellant tot terugbetaling van alle sommen die op grond van de vernietigde aanslagen zouden zijn geïnd of ingehouden, vermeerderd met de moratoire intrest voorzien in artikel 418 WIB/
  3. De appellant werd verwezen in de gerechtskosten. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 7.3.2006 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis. Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig. Met zijn hoger beroep streeft de appellant de vernietiging na van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als ongegrond. Bij conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 30.3.2007 stelt de geïntimeerde incidenteel beroep in om te vorderen dat zou beslist worden dat de invordering van de bestreden aanslagen verjaard is. Voor het overige wordt ook opnieuw gevorderd dat de bestreden aanslagen zouden vernietigd minstens ontheven worden, en de teruggave zou worden bevolen van alle sommen die op grond van de aldus ontheven aanslagen werden geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 418 WIB/
  4. De geïntimeerde voert aan dat de invordering van de bestreden aanslagen verjaart vijf jaar na het eisbaar worden van de belastingschuld d.i. twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet, tenzij geldige stuiting. Waar dwangbevelen werden betekend maakt de geïntimeerde een onderscheid tussen twee soorten dwangbevelen: • dwangbevelen die een zuiver bevel tot betalen bevatten op straffe van uitvoerend beslag: de dwangbevelen van 20.3.1992 (met betrekking tot de aanslagjaren 1985, 1986 en 1987) en 25.10.1995 (met betrekking tot de aanslagjaren 1988, 1989 en 1990); • dwangbevelen die een bevel tot betalen bevatten, maar er meteen bij vermelden dat de tenuitvoerlegging slechts zal volgen na definitieve afhandeling van het bezwaar of beroep en dat het exploot de tenuitvoerlegging bijgevolg nog niet inleidt: alle latere dwangbevelen (voor alle aanslagjaren). Wat deze tweede soort dwangbevelen betreft verdedigt de geïntimeerde de stelling dat zij niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 49 van de Programmawet van 9.7.2004, dat artikel 49 Programmawet geen retroactieve werking heeft, dat artikel 49 Programmawet artikel 6 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol schendt. Artikel 49 van de Programmawet van 9.7.2004 bepaalt: " Niettegenstaande het dwangbevel de eerste akte van de rechtstreekse vervolgingen is in de zin van de artikelen 148 en 149 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moet het dwangbevel ook geïnterpreteerd worden als een verjaringsstuitende akte in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter heeft. " Uit die wetsbepaling volgt dat een dwangbevel of bevel tot betalen dat wordt betekend voor een betwiste belastingschuld en bijgevolg geen bevel kan inhouden om de belastingschuld te betalen binnen 24 uren, niettemin een geldige verjaringsstuitende akte uitmaakt, zelfs als er geen onbetwistbaar verschuldigde gedeelte is als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)en de betekening ervan gebeurt met het oog op het stuiten van de verjaring. Dat artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 uitsluitend stuitende werking toekent aan een bevel tot betalen dat de belastingschuldige beveelt om binnen 24 uur te betalen, op straffe van tenuitvoerlegging door beslag, is een onjuiste juridische veronderstelling (vergelijk omtrent dit alles met Cass. 17.1.2008, rolnr. F.07.0057.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.12, http://jure.juridat.just.fgov.be). Door het bedoeld dwangbevel wordt de verjaring gestuit, ook al staat dit dwangbevel los van elke maatregel van tenuitvoerlegging (zie de parlementaire voorbereiding van de Programmawet, meer bepaald de verantwoording bij het amendement nr. 7 van de Regering, Parl. Besch. Kamer, 51 1138/015 (2003-2004), p. 2). Ten onrechte stelt de geïntimeerde dan ook dat artikel 49 Programmawet niet van toepassing is op dwangbevelen die de tenuitvoerlegging niet inleiden. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de Programmawet werd gesteld dat men met de bepaling die artikel 49 geworden is, een interpretatieve wetsbepaling en geen retroactief geldende wetsbepaling wou maken, terwijl de titel van het Hoofdstuk XII van de Programmawet waartoe het gezegd artikel 49 behoort luidt: " Interpretatie van de toepassing van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, op het vlak van de inkomstenbelastingen.". Samen met het Hof van Cassatie (zie het hoger aangehaald arrest) en met het Arbitragehof (arrest nr. 20/2006 dd. 1.2.2006, cijfer B.12.4, http://www.const-court.
  1. be)moet evenwel worden aangenomen dat het niet gaat om een interpretatieve wetsbepaling, maar dat bij de wetgever de zekere bedoeling voorzat om door middel van een maatregel met terugwerkende kracht de rechten van de Schatkist te vrijwaren in de nog hangende procedures waarin de betwiste belasting op grond van het door het Hof van Cassatie ingenomen standpunt, dreigde te verjaren of waarin de verjaring reeds was ingetreden. Een wetsbepaling is geen interpretatieve bepaling wanneer zij geen interpretatie waartoe de rechter kon komen bekrachtigt, maar wel een leemte in de wetgeving opvult (vergelijk met Cass. 24.4.2008, rolnr. F.07.0014.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.6, http://jure.juridat.just.fgov.be). Het is juist de bedoeling geweest van artikel 49 Programmawet op het vlak van de inkomstenbelastingen de leemte in artikel 2244 Burg.W. op te vullen die erin bestond dat deze bepaling maar zo kon geïnterpreteerd worden dat het dwangbevel een middel van tenuitvoerlegging is dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt en een uitvoerbare beslagmaatregel voorafgaat (zie Cass. 21.2.2003, Pas. 2003, nr. 124 p. 385). In die zin stelde ook het Arbitragehof vast dat aan het begrip dwangbevel in artikel 2244 Burg.W. een bijkomende betekenis werd toegevoegd door artikel 49 Programmawet (zie Arbitragehof, arrest nr. 20/2006 dd. 1.2.2006, cijfer B.12.1 tot B.12.4, http://www.const-court.be). Dat artikel 49 Programmawet een terugwerkende bepaling is met invloed op de hangende procedures, ondanks het feit dat ze als interpretatieve bepaling werd voorgesteld, blijkt uit de parlementaire voorbereiding (zie bvb. de uiteenzetting van de Minister van Financiën in het aanvullend verslag voor de Commissie voor de Financiën en de Begroting, Parl. Besch. Kamer, 51 1138/023, p. 5 en 6, waarin uitdrukkelijk te kennen wordt gegeven dat de bepaling van toepassing is op de nog bij de rechtbanken hangende zaken). Uit het feit dat de wetgever heeft willen doen aannemen dat het een interpretatieve bepaling betrof, m.a.w. een bepaling die aangaf dat het bedoelde dwangbevel steeds als een verjaringsstuitende akte te beschouwen is geweest, ook in geval de betwiste belastingschuld geen zeker en vaststaand karakter had, volgt de duidelijke bedoeling om ook voor het verleden artikel 49 Programmawet te doen toepassen. De geïntimeerde voert verder aan dat artikel 49 Programmawet de artikelen 6 EVRM en 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden schendt. Het is niet voor betwisting vatbaar dat de wetgever met artikel 49 Programmawet de nadelige gevolgen voor de Belgische Staat van de rechtspraak van het Hof van Cassatie in zijn arresten van 10.10.2002 en 21.2.2003, is willen tegengaan en meer bepaald heeft willen vermijden dat tal van vorderingen uit belastingschuld zouden verjaren, en onder meer heeft gewild dit te vermijden voor de vorderingen die nog niet het voorwerp uitgemaakt hadden van een definitieve rechterlijke uitspraak (zie bvb. de uiteenzetting van de Minister van Financiën in het aanvullend verslag voor de Commissie voor de Financiën en de Begroting, Parl. Besch. Kamer, 51 1138/023, p. 5 en 6). Hierbij weze opgemerkt dat, zo in de parlementaire voorbereiding op zeker ogenblik sprake is van fraudedossiers (zie bvb. de uiteenzetting van de Minister van Financiën in het aanvullend verslag voor de Commissie voor de Financiën en de Begroting, Parl. Besch. Kamer, 51 1138/023, p. 4 en p.10), ook door de Minister gesteld werd dat "alle dossiers waarin een dwangbevel werd uitgevaardigd zonder dat de schuld een zeker en vaststaand karakter heeft door de voorgestelde interpretatieve bepaling zullen worden gedekt" (zie de uiteenzetting van de Minister van Financiën in het aanvullend verslag voor de Commissie voor de Financiën en de Begroting, Parl. Besch. Kamer, 51 1138/023, p. 11). Er zijn geen redenen om de toepassing van artikel 49 Programmawet te beperken tot fraudedossiers, des te meer nu artikel 49 Programmawet zelf dit niet bepaalt. Volgens de rechtspraak van het EHRM is het de wetgever niet verboden om van bestaande wetsbepalingen af te wijken door nieuwe bepalingen met terugwerkende kracht in te voeren, maar verzetten het principe van voorrang van het recht en de notie van eerlijk proces gehuldigd door artikel 6 EVRM zich, behoudens om dwingende motieven van algemeen belang, tegen inmenging van de wetgever in de rechtspraak met het doel de rechterlijke beslechting van een geding te beïnvloeden (zie bvb. EHRM, dd. 11.4.2006, inzake van Cabourdin tegen Frankrijk, cijfer 28; EHRM, 2.5.2006, inzake van Saint-Adam et Millot tegen Frankrijk, cijfer 19; EHRM, 12.9.2007, Ducret tegen Frankrijk, cijfer 32; EHRM, 18.12.2008, Unédic tegen Frankrijk, cijfer 71; EHRM, 16.1.2007, Chiesi S.A. Tegen Frankrijk, cijfer 35; vindplaats http://echr.coe.int/echr). Zo uiteraard artikel 49 Programmawet een financieel impact had voor de Belgische Staat en een louter belang van financiële aard niet volstaat om toe te laten retroactief wetgevend op te treden (zie o.m. EHRM, 11.4.2006, inzake van Cabourdin tegen Frankrijk, cijfer 37; EHRM, 2.5.2006, inzake van Saint-Adam et Millot tegen Frankrijk, cijfer 27; EHRM, 12.9.2007, Ducret tegen Frankrijk, cijfer 40), moet nochtans worden aangenomen dat artikel 49 Programmawet het louter belang van financiële aard oversteeg, en er dwingende motieven van algemeen belang voorhanden waren die noopten tot het optreden van de wetgever. De gevolgen van de afwezigheid van verjaringsstuitend karakter van een dwangbevel met betrekking tot een belastingschuld die geen zeker en vaststaand karakter heeft, zijn niet beperkt tot het huidig geding of tot enkele gedingen of geschillen, maar hebben een veel breder impact op de Belgische economie. Dit blijkt onder meer uit de vaststelling tijdens de parlementaire voorbereiding van de Programmawet van 20.12.2003 (eerste reactie op de vermelde cassatiearresten, zie Arbitragehof, arrest nr. 20/2006 dd. 1.2.2006, cijfer B.14.10 http://www.const-court.be), dat de fiscale achterstand inzake van de inkomstenbelastingen voor meer dan 40 % bestaat uit betwiste aanslagen, en uit de vaststelling in de parlementaire voorbereiding van de thans besproken Programmawet dat bepaalde dossiers die van het voordeel van de rechtspraak van het Hof van Cassatie zouden kunnen genieten, betrekking hadden op grote fiscale fraude. De wetgever heeft derhalve de rechten van de Schatkist tegen een ernstig gevaar willen vrijwaren, en handelde in die omstandigheden om dwingende motieven van algemeen belang. In zoverre de geïntimeerde de schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden aanvoert, moet worden vastgesteld dat ook hier dezelfde dwingende motieven van algemeen belang voorhanden zijn. Artikel 1, eerste en tweede lid van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden voorzien uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor de Staat om, in het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren, af te wijken van het principe van eerbiediging van het eigendomsrecht. Er moet ook te dezen aangenomen worden dat het vereiste rechtmatig evenwicht tussen het algemeen belang van de gemeenschap en de bescherming van het eigendomsrecht van het individu (zie bvb. EHRM, dd. 16.4.2002, Dangeville tegen Frankrijk, cijfer 52; of EHRM, dd. 23.10.1997, National and Provincial Building Society, Leeds Permanent Building Society, Yorkshire Building Society tegen Verenigd Koninkrijk, cijfer 80; EHRM, dd. 14.2.2006, inzake van Lecarpentier e.a. tegen Frankrijk, cijfer 50; vindplaats: http://echr.coe.int/echr) werd geëerbiedigd. Tevergeefs poogt de geïntimeerde de gelding van artikel 49 Programmawet afhankelijk te maken van het al dan niet eerbiedigen van een redelijke termijn, als beginsel van behoorlijk bestuur, bij de beslissing over het bezwaar. Zulks aannemen zou volstrekt in strijd zijn met het europeesrechtelijk rechtszekerheidsbeginsel (vergelijk bijvoorbeeld met HvJ, dd. 20.5.2008, inzake van Santos Pinto tegen Portugal, cijfer 42, http://echr.coe.int/echr), zeker nu het begrip "redelijke termijn" op zich een relatief vaag begrip is. Het middel van verjaring van de invordering van de bestreden aanslagen is ongegrond. 3. Te dezen dient te worden onderzocht of de geïntimeerde belast diende te worden in de rechtspersonenbelasting dan wel in de vennootschapsbelasting. Meer bepaald dient te worden nagegaan of de geïntimeerde een onderneming exploiteerde of zich bezig hield met verrichtingen van winstgevende aard (artikel 94 laatste lid en 136 WIB/1964; artikel 182 en 220, 3° WIB/1992). Bezigheden van winstgevende aard maar zonder winstoogmerk worden gekenmerkt door een voortdurende beroepswerkzaamheid bestaande uit verrichtingen van nijverheids-, handels- of landbouwkundige aard, die zo vaak worden herhaald dat ze een bezigheid vormen en door de aanwending van nijverheids- of handelsmethoden. Het moet gaan om een werkelijke beroepswerkzaamheid wat een zekere organisatie impliceert, hetgeen occasionele of geïsoleerde verrichtingen uitsluit. Het nastreven van winst is niet noodzakelijk Het maatschappelijk doel van de geïntimeerde werd in haar oorspronkelijke statuten (stuk 5 van de geïntimeerde) als volgt omschreven (vrije vertaling uit het Frans): " De vereniging heeft tot doel de promotie en de aanmoediging van de paardenfokkerij; om dit doel te verwezenlijken kan zij tentoonstellingen, wedstrijden en rennen organiseren en belangen nemen in alle vergelijkbare verenigingen bij wijze van materiële hulp of door haar invloed aan te wenden." Bij buitengewone algemene vergadering van de geïntimeerde van 9.11.1988 (d.i. op een ogenblik dat de huidige betwisting tussen de administratie en de geïntimeerde reeds gerezen was: zie bvb. het bericht van wijziging van aangifte van 27.11.1987 voor het aanslagjaar 1985, stuk II/10 van de appellant) heeft zij het maatschappelijk doel in haar statuten als volgt aangepast: " De vereniging heeft tot doel: 1. het in stand houden van de oude Waregemse traditie "Waregem Koerse", waarvan de oorsprong dateert van 1847. Hiervoor dient de vereniging jaarlijks op het Gaverbeekhippodroom een grote meeting te organiseren, de dinsdag na de laatste zondag van augustus. Deze meeting dient minstens twee steeple-chases te bevatten met sprong over de beek; 2. de paardenfokkerij te bevorderen en aan te moedigen; te dien einde mag zij tentoonstellingen, wedstrijden en koersen inrichten en haar materiële en morele steun verlenen, onder welke vorm ook. De vereniging heeft verder tot voorwerp het bevorderen en aanmoedigen van de paardenliefhebberij in de meest ruime zin van dat begrip, evenals het propageren van de hippische sport in al haar takken en disciplines. De vereniging realiseert haar sociaal voorwerp onder meer door het houden van competities voor en met paarden in alle mogelijke disciplines, gene uitgezonderd; door het uitschrijven van prijzen (geldelijke en andere) voor de deelneming aan zulke competities; het organiseren van alle welkdanige wettelijke toegelaten weddenschappen in verband met zulke competitie; het inrichten en uitbaten van al dan niet gesloten renbanen voor het houden van zulke competities evenals van andere soortgelijke kampplaatsen en terreinen voor de beoefening van hippische sporten, alsook training van man (of vrouw) en paard met het oog op de beoefening van hippische sporten. Het organiseren en houden van prijskampen, keuringen en openbare vertoningen voor en van paarden, evenals het inrichten van terreinen voor het houden van zulke prijskampen en openbare verkopingen van paarden; het inrichten en houden van oefenkampen voor gelijk welke discipline van de paardensport, evenals het houden van leergangen betreffende de kennis van het paard in al zijn aspecten, evenals de beoefening van gelijk welke discipline van de paardensport, dat alles zowel in theorie als in praktijk. Het aanmoedigen en publiceren van studies die het paard, de paardenfokkerij, de paardenverzorging en de paardensport, evenals de geschiedenis ervan dezelfde betreffen. Het inrichten en houden van tentoonstellingen, lezingen en colloquia die het paard, de paardenfokkerij, de paardenverzorging en de paardensport, rechtstreeks of onrechtstreeks als voorwerp hebben. De vereniging verwezenlijkt haar sociaal voorwerp zowel door zelfstandige handelingen als door samenwerking met andere personen, verenigingen en vennootschappen. Bovenstaande opsommingen zijn niet limitatief, doch enkel exemplatief . " De geïntimeerde organiseert elk jaar op één welbepaalde dag, nl. de dinsdag volgend op de laatste zondag van augustus paardenwedrennen. Deze paardenwedrennen gaan gepaard met weddenschappen. Haar inkomsten haalt de geïntimeerde voornamelijk uit de opbrengst van weddenschappen die worden afgesloten ter gelegenheid van de paardenwedrennen (zie in dit verband de jaarlijks weerkerende vermeldingen in de "bilan" per aanslagjaar zich bevindende in het stukkenbundel van de appellant, nl. onder benaming "bookmakers" en "totalisator", vergelijk wat dit laatste betreft met stuk II/35 van de appellant blz. B.8 en B.9; zie ook stuk II/11 van de appellant, bijlage 64/85, waarin de geïntimeerde stelt dat een belangrijk deel van haar inkomsten afkomstig is van de uitbating van onderlinge weddenschappen). De activiteit van de geïntimeerde spitst zich toe op de jaarlijkse organisatie van deze paardenwedrennen (zie ook in die zin stuk II/29 van de appellant, waarin door de geïntimeerde wordt benadrukt dat de leden van de VZW hun tijd en moeite wijden om jaarlijks een succes te maken van het gebeuren) en wat ermee gepaard gaat (zoals bvb. het onderhoud van tribunes e.d.). Enige andere activiteit, en meer bepaald een belangloze activiteit, blijkt niet tenzij het verlenen van enkele premies aan kwekers en eigenaars van de meest presterende paarden of aan diegene die een paard in het buitenland heeft gekocht. De activiteit van de geïntimeerde, bestaande in het organiseren van paardenwedrennen met het genieten van een deel van de opbrengst van de weddenschappen bij die paardenwedrennen, is te beschouwen als een exploitatie van een onderneming en het zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard (vergelijk met Cass. 27.10.1953, Pas. 1954, I, 140). Anders dan door de geïntimeerde voorgehouden kan niet aangenomen worden dat het gaat om een alleenstaande of uitzonderlijke verrichting (artikel 94 laatste lid, 1° WIB/1964; artikel 182, 1° WIB/1992). Weliswaar worden de paardenwedrennen maar éénmaal per jaar gehouden, op één dag, doch deze ééndaagse paardenwedrennen grijpen jaar in jaar uit plaats zoals blijkt uit de gegevens van de opeenvolgende aanslagjaren. Volgens de geïntimeerde (zie het stuk II/11, cijfer 64/85 van de appellant) wordt de jaarlijkse wedren reeds door de geïntimeerde georganiseerd sedert haar oprichting op 9.11.1922. Daarenboven is het logisch dat het jaarlijks evenement een omvangrijke organisatie vergt en tijdens de rest van het jaar wordt voorbereid. In die zin werd in het antwoord op het bericht van wijziging van aangifte voor het aanslagjaar 1987 (stuk II/29 van de appellant) door de geïntimeerde gesteld dat haar leden hun vrije en (heel dikwijls ook andere) tijd en moeite wijden aan het maken van een succes van het jaarlijks gebeuren. In dezelfde zin gaat ook het feit dat er gedurende het ganse jaar inkomende facturen zijn (zie de vermelding in het stuk II/35 p. B.21 van de appellant). Er moet derhalve aangenomen worden dat het organiseren van de paardenwedrennen een permanente en regelmatige activiteit is. Verder moet worden vastgesteld dat de geïntimeerde werkt volgens handelsmethoden. Aldus worden professionele weddenschaporganisaties ingeschakeld (die hiertoe door de geïntimeerde worden gemandateerd: zie de bijlagen bij elk bericht van wijziging van aangifte), wordt elk jaar een belangrijk bedrag aan publiciteit besteed (zie de elk jaar weerkerende vermeldingen in de "bilan" zich voor elk aanslagjaar bevindend in het stukkenbundel van de appellant), wordt een belangrijke hoeveelheid personeel aangeworven voor de paardenwedrennen (zie de vermelding in stuk II/35 van de geïntimeerde, p. A.3), worden verkoopfacturen gericht aan bedrijven die publiciteit willen maken voor de paardenwedrennen (zie de conclusie van de appellant, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 23.10.2008, p. 29, gegeven dat door de geïntimeerde niet wordt tegengesproken). Zoals hoger duidelijk gemaakt is het organiseren van de paardenwedrennen, met bijkomend het verwerven van inkomsten uit weddenschappen, de hoofdactiviteit van de geïntimeerde, en geen bijkomende activiteit. Op grond van wat voorafgaat moet aangenomen worden dat de geïntimeerde een onderneming exploiteerde en zich bezig hield met verrichtingen van winstgevende aard, dat het geen alleenstaande of uitzonderlijke verrichting betrof, en dat deze activiteit niet bijkomstig was. Terecht heeft de appellant aangenomen dat de geïntimeerde moest belast worden in de vennootschapsbelasting. Dat de paardenwedrennen werden gehouden sedert 1847 (zie de vermelding in het gewijzigd maatschappelijk doel in de statuten van de geïntimeerde) is niet van aard tot een ander besluit te komen. Evenmin het feit dat de paardenwedrennen wel als bij-effect zullen hebben de paardenfokkerij aan te moedigen (het organiseren van paardenwedrennen met mogelijkheid van winst door weddenschappen, zal aanzetten tot fokken van zo goed mogelijk presterende en (weddenschap)winnende paarden). 4. De taxatieprocedures voor de bestreden aanslagjaren verliepen als volgt: a. aanslagjaar 1985 Door de geïntimeerde werd een aangifte ingediend op het aangifteformulier voor rechtspersonenbelasting (stuk II/1 van de appellant). Er werd enkel aangifte gedaan van betaalde of toegekende roerende inkomsten. Op 27.11.1987 (stuk II/10 van de appellant) wordt een bericht van wijziging gestuurd. De aanslag wordt gevestigd overeenkomstig dit bericht (stuk II/2 van de appellant). b. aanslagjaar 1986 Door de geïntimeerde werd een aangifte ingediend op het aangifteformulier voor rechtspersonenbelasting (stuk II/13 van de appellant). Er werd enkel aangifte gedaan van betaalde of toegekende roerende inkomsten. Op 17.11.1988 (stuk II/17 van de appellant) wordt een bericht van wijziging gestuurd. De aanslag wordt gevestigd overeenkomstig dit bericht (stuk II/14 van de appellant). c. aanslagjaar 1987 Door de geïntimeerde werd een aangifte ingediend op het aangifteformulier voor rechtspersonenbelasting (stuk II/20 van de appellant). Er werd enkel aangifte gedaan van betaalde of toegekende roerende inkomsten. Op 27.11.1989 (stuk II/28 van de appellant) wordt een bericht van wijziging gestuurd. De aanslag wordt gevestigd overeenkomstig dit bericht (stuk II/21 van de appellant). d. aanslagjaar 1988 Door de geïntimeerde werd een aangifte ingediend op het aangifteformulier voor vennootschapsbelasting (stuk II/31 van de appellant). Er werden geen bedragen ingevuld in geen van de voorziene rubrieken. Op 23.11.1990 (stuk II/36 van de appellant) wordt een bericht van wijziging gestuurd, waarin wordt vermeld welke wijzigingen zullen aangebracht worden aan de aangifte in de rechtspersonenbelasting. De aanslag wordt gevestigd overeenkomstig dit bericht (stuk II/32 van de appellant). e. aanslagjaar 1989 Door de geïntimeerde werd een aangifte ingediend op het aangifteformulier voor vennootschapsbelasting (stuk II/1 van de appellant in het stukkenbundel m.b.t. de aanslagjaren 1989 en 1990). Geen van de rubrieken wordt op dit formulier ingevuld. De erop volgende aanslag werd ontlast bij beslissing van 7.12.2000 van de gewestelijke directeur wegens schending van artikel 251 WIB/1964 (stuk I/9 van de appellant). Een bericht van wijziging van aangifte van 18.12.2000 (stuk II/4 van de appellant in het stukkenbundel m.b.t. de aanslagjaren 1989 en 1990) wordt gestuurd. Hierin wordt meegedeeld dat toepassing wordt gemaakt van de artikelen 260-262 WIB/1964 en dat wijzigingen zullen worden aangebracht aan de aangifte in de rechtspersonenbelasting. De aanslag wordt gevestigd overeenkomstig dit bericht van wijziging van aangifte (stuk II/2 van de appellant in het stukkenbundel m.b.t. de aanslagjaren 1989 en 1990). f. aanslagjaar 1990 Door de geïntimeerde werd een aangifte ingediend op het aangifteformulier voor vennootschapsbelasting (stuk II/8 van de appellant in het stukkenbundel m.b.t. de aanslagjaren 1989 en 1990). Alle rubrieken werden doorstreept en er worden geen belastbare inkomsten vermeld. De erop volgende aanslag werd ontlast bij beslissing van 7.12.2000 van de gewestelijke directeur wegens schending van artikel 251 WIB/1964 (stuk I/9 van de appellant). Een bericht van wijziging van aangifte van 19.12.2000 (stuk II/11 van de appellant in het stukkenbundel m.b.t. de aanslagjaren 1989 en 1990) wordt gestuurd. Hierin wordt meegedeeld dat toepassing wordt gemaakt van de artikelen 260-262 WIB/1964 en dat wijzigingen zullen worden aangebracht aan de aangifte in de rechtspersonenbelasting. De aanslag wordt gevestigd overeenkomstig dit bericht van wijziging van aangifte (stuk II/9 van de appellant in het stukkenbundel m.b.t. de aanslagjaren 1989 en 1990). g. aanslagjaar 1992 Door de geïntimeerde werd een aangifte ingediend op het aangifteformulier voor rechtspersonenbelasting (stuk II/40 van de appellant). Er werd enkel aangifte gedaan van niet bewezen lasten of bedragen, met als eindresultaat nul. Een kennisgeving van aanslag van ambtswege wordt gestuurd (stuk II/43 van de appellant) om reden dat geen aangifte in de vennootschapsbelasting werd gedaan. De aanslag wordt gevestigd overeenkomstig deze kennisgeving van aanslag van ambtswege (stuk II/41 van de appellant). h. aanslagjaar 1993 Door de geïntimeerde werd een aangifte ingediend op het aangifteformulier voor vennootschapsbelasting (stuk II/45 van de appellant). Alle rubrieken werden doorstreept, met vermelding "V.Z.W." en er worden geen belastbare inkomsten vermeld. Een kennisgeving van aanslag van ambtswege wordt gestuurd (stuk II/48 van de appellant) om reden dat geen aangifte in de vennootschapsbelasting werd gedaan. De aanslag wordt gevestigd overeenkomstig deze kennisgeving van aanslag van ambtswege (stuk II/46 van de appellant). i. aanslagjaar 1994 Er steekt geen aangifteformulier in het stukkenbundel van de appellant. Er werd een kennisgeving van aanslag van ambtswege verstuurd op 29.7.1996 om reden dat geen aangifte in de vennootschapsbelasting werd gedaan (stuk II/53 van de appellant). De aanslag wordt gevestigd overeenkomstig deze kennisgeving van aanslag van ambtswege (stuk II/50 van de appellant). j. aanslagjaar 1995 Door de geïntimeerde werd een aangifte ingediend op het aangifteformulier voor rechtspersonenbelasting (stuk zich bevindend in stuk II/55 van de appellant). Er werd enkel aangifte gedaan van niet verantwoorde kosten, met als eindresultaat nul. Een kennisgeving van aanslag van ambtswege wordt gestuurd (stuk II/58 van de appellant) om reden dat geen aangifte in de vennootschapsbelasting werd gedaan. De aanslag wordt gevestigd overeenkomstig deze kennisgeving van aanslag van ambtswege (stuk II/56 van de appellant). Voor alle vermelde aanslagjaren is de administratie er van uitgegaan dat een aangifte in de rechtspersonenbelasting werd ingediend, ook in de gevallen waarin hiervoor het aangifteformulier voor vennootschapsbelasting werd gebruikt. De administratie vermocht in toepassing van artikel 251 WIB/1964 toepassing te maken van de procedure van wijziging van aangifte, en in het bericht van wijziging de niet in de aangiften voorkomende inkomsten en andere gegevens op te geven die zij wou belasten in de vennootschapsbelasting. De geïntimeerde heeft duidelijk haar aangiften ingediend op grond van haar overtuiging (waarin zij trouwens door de eerste rechter is gevolgd) dat zij niet aan vennootschapsbelasting was onderworpen maar aan rechtspersonenbelasting. Dergelijke aangiften, waarin weliswaar bepaalde inkomsten belastbaar in de vennootschapsbelasting niet werden aangegeven, kunnen daarom niet zonder meer gelijkgesteld worden met het geval waarin de belastingplichtige heeft nagelaten een aangifte te doen binnen de wettelijke termijnen, zoals voorzien bij artikel 351 WIB/1992 (vergelijk in zekere mate met de overwegingen in Cass. 13.7.1948, Pas. 1948, I, p. 457). In de gegeven omstandigheden vermocht de administratie geen toepassing te maken van de procedure van aanslag van ambtswege voor de aanslagjaren 1992 t/m 1995. Deze aanslagen dienen te worden vernietigd. 5. Voor het aanslagjaar 1987 werd een aanslag van ambtswege gevestigd en heeft de gewestelijke directeur in zijn beslissing van 7.12.2000 aangenomen dat de grief van de geïntimeerde met betrekking tot de geboekte concessievergoeding van 1.000.000 BEF (24.789,35 EUR) gegrond was en heeft hij dienovereenkomstig ontheffing verleend voor het overeenstemmend deel vennootschapsbelasting en belastingverhoging. Volgens de onderhandse overeenkomst tussen de geïntimeerde en de BVBA De Gaverbeek (stuk II/26 van de appellant) werd aan deze laatste in concessie gegeven de uitbating van de bestaande buffetten van de Gaverbeek-hippodroom, waarin begrepen het recht voor de BVBA Gaverbeek om op het hippodroom bijkomende losse verkooppunten in te richten en uit te baten. Hiervoor moet de BVBA Gaverbeek uiterlijk op 15 augustus een jaarlijkse vergoeding betalen van 1.000.000 BEF (24.789,35 EUR), bedrag aan te passen aan het indexcijfer der kleinhandelsprijzen. De overeenkomst draagt geen datum, maar volgens met de hand geschreven vermelding op het laatste blad van de overeenkomst werd de overeenkomst wellicht opgemaakt in 1986 volgens mededeling door zekere Heer Vandenbroecke G. De concessievergoeding van 1.000.000 BEF (24.789,35 EUR) blijkt niet te zijn geboekt voor het inkomstenjaar 1986 (zie vermelding in stuk II/27, cijfer A73, van de appellant). In het bericht van wijziging van aangifte (stuk II/28) werd het bedrag van 1.000.000 BEF (24.789,35 EUR), volgens het contract verschuldigd, opgenomen onder de verworpen uitgaven en vermeld als te onderwerpen aan de bijzondere aanslag van artikel 132 WIB/1964. In het laattijdig antwoord van de geïntimeerde op het bericht van wijziging van aangifte (stuk II/29) wordt geen enkele opmerking hieromtrent geformuleerd, en evenmin in het antwoord op de kennisgeving van aanslag van ambtswege (bijlage bij stuk II/30 van de appellant). Artikel 256 WIB/1964 laat de administratie toe de aanslag ambtshalve te vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt. Op grond van de voorliggende overeenkomst en de inlichting dat deze werd gesloten in 1986 vermocht de administratie te vermoeden dat de geïntimeerde een concessievergoeding van 1.000.000 BEF (24.789,35 EUR) ontving en dit te belasten. Dat de administratie hierbij willekeurig zou hebben gehandeld is dan ook niet aangetoond. Het enkel feit dat in de directoriale beslissing gedeeltelijke ontlasting wordt verleend impliceert op zich niet dat er willekeur is (vergelijk met Cass. 12.12.1996, Pas. 1996, I, nr. 505 p. 1281). Zo de gewestelijke directeur maar de ambtshalve aanslag gedeeltelijk had kunnen ontheffen in zoverre de geïntimeerde het bewijs zou geleverd hebben van het juiste bedrag van de bruto-inkomsten en van de aftrekbare bedrijfslasten (artikel 257 WIB/1964), kan het Hof de onterechte ontheffing in het voordeel van de geïntimeerde niet ongedaan maken. Ten onrechte voert de geïntimeerde aan dat de bestreden aanslag zou moeten vernietigd worden wegens willekeur omdat de directeur gedeeltelijke ontheffing verleende. 6. Voor het aanslagjaar 1987 heeft de administratie een bijzondere aanslag in toepassing van artikel 132 WIB/1964 (geheime commissielonen) gevestigd op (zie het bericht van wijziging van aangifte, stuk II/28 van de appellant): - een volgens haar niet-verantwoord verschil van 38.465 BEF (953,52 EUR) aan reis- en receptiekosten, nl. het totaal aan reis- en receptiekosten 1.002.036 BEF (24.839,82 EUR)(opm.: in de handgeschreven nota's, stuk II/27 van de appellant, en in stuk II/35 p. B.17 van de appellant is sprake van reis- en representatiekosten) min 498.571 BEF (12.359,25 EUR) geboekte verantwoordingsstukken in het inkomend factuurboek en min 465.000 BEF (11.527,05 EUR) aan de eigenaars toegekende forfaitaire vergoedingen; - op het vermelde bedrag van 465.000 BEF (11.527,05 EUR) omdat niet voldaan is aan de verplichting hiervoor individuele fiches en samenvattende opgaven over te maken. Krachtens artikel 132 WIB/1964 wordt een bijzondere aanvullende aanslag gevestigd over de niet-bewezen lasten of bedragen die ingevolge de artikelen 47 §1 en 101 WIB/1964 in de belastbare grondslag zijn opgenomen. Op grond van die bepaling is onder meer vereist dat de administratie het bewijs levert van het bestaan van een verborgen meerwinst, van het feit dat de meerwinst de vennootschap heeft verlaten en van het feit dat de meerwinst gediend heeft om een van de in artikel 47 §1 WIB/1964 bedoelde uitgaven te dekken. Dit bewijs kan geleverd worden door vermoedens, die de belastingplichtige kan weerleggen door aan te tonen dat de meerwinst in het patrimonium is gebleven (vergelijk met Cass. 28.9.2001, Pas. 2001, nr. 504 p.1517). Er worden door de partijen weinig gegevens verschaft nopens de aard van de aan de bijzondere aanslag onderworpen kosten. Volgens de met potlood handgeschreven nota's op het bericht van wijziging van aangifte (stuk II/28 van de appellant) gaat het om bedragen uitbetaald aan Fransen (zie in dezelfde zin de handgeschreven nota's in stuk II/27 van de appellant, onderaan het blad met cijfer A 73; zie ook, eveneens met betrekking tot het hierna uiteengezette, het stuk II/35 van de appellant, p. B.18). De vermelding dat een fiche moet gemaakt worden met de vermeldingen CTK Buitenland en de erbij staande verwijzing naar COM.IB. 44/82.3° + opmerking bevestigen dit, nu op die vindplaats inderdaad wordt gesteld dat o.m. voor niet-verblijfhouders die hun woonplaats of maatschappelijke zetel in Frankrijk hebben de individuele fiches 281.50 moeten worden opgemaakt en bij het C.T.K. te Brussel "Buitenland" moeten worden ingediend. De administratie zou te dezen, gezien het Fransen betreft, er het bewijs van dienen te leveren dat de aan de Fransen in kwestie toegekende bedragen beroepsinkomsten vormen die aan de Belgische belasting onderworpen zijn (vergelijk met Cass. 12.9.2003, Pas. 2003, nr. 431 p. 1398). Het blijkt niet dat de appellant dit had nagegaan en over dergelijk bewijs beschikte op het ogenblik van het vestigen van de bestreden aanslag van ambtswege. Integendeel wijzen de aangehaalde nota's (en het stuk II/35 p. B.18 van de appellant) er op, en dit is ook logisch op dat ogenblik (datum 29.12.1989, zie stuk II/21 van de appellant), dat zonder meer afgegaan werd op het COM.IB. om te besluiten dat niet voldaan was aan het bepaalde van artikel 47 § 1 WIB/1964 (COM. IB dat nog naar het cassatiearrest van 12.9.2003 niet kon verwijzen). In het bericht van wijziging wordt voor de andere aan de bijzondere aanslag onderworpen kosten enkel als rechtvaardiging voor die bijzondere aanslag gegeven, het verschil tussen hetgeen werd geboekt en wat uit de verantwoordingsstukken blijkt. Het enkel feit van een te hoge boeking volstaat niet om, ook op grond van vermoedens, aan te nemen dat er voor dit bedrag een verborgen meerwinst was, deze meerwinst de vennootschap had verlaten, en deze meerwinst gediend had om één van de in artikel 47 § 1 WIB/1964 bedoelde uitgaven te dekken. Volgens het verslag in stuk II/35 van de appellant, p. B.17, gaat het bovendien ook om zeer uiteenlopende soorten uitgaven, waarvan sommige niet kunnen verondersteld worden onder het toepassingsveld van artikel 47 § 1 WIB/1964 te vallen. Welk aandeel van de kosten wel en welke niet verborgen meerwinst zouden kunnen uitmaken werd blijkbaar niet nader onderzocht, en enkel het verschil tussen boeking en verantwoording werd weerhouden. Het blijkt dan ook niet dat er voldoende gegevens waren op grond waarvan de administratie kon vermoeden dat het om een hoger omschreven soort meerwinst ging. Aldus is de administratie zonder voldoende grond overgegaan tot het belasten van deze kosten bij toepassing van artikel 132 WIB/1964. In de aangehaalde omstandigheden moet aanvaard worden dat de bijzondere aanslag bij toepassing van artikel 132 WIB/1964 willekeurig gebeurde, zodat de bestreden ambtshalve aanslag dient te worden vernietigd. 7. Ook voor het aanslagjaar 1988 werd een bijzondere aanslag bij toepassing van artikel 132 WIB/1964 gevestigd, dit op (zie het bericht van wijziging van aangifte, stuk II/36 van de appellant): - 50.988 BEF (1.263,96 EUR), zijnde het verschil tussen de geboekte loonkosten (246.063 BEF (6.099,74 EUR) en deze verantwoord conform artikel 47 § 1 WIB/1964 (195.075 BEF (4.835,78 EUR); Zoals hoger aangehaald voor het aanslagjaar 1987 volstaat het niet om een verschil vast te stellen tussen de geboekte loonkosten en de verantwoorde kosten om ervan uit te gaan dat dit verschil een meerwinst is zoals hoger voor het aanslagjaar 1987 uiteengezet. Ten onrechte werd dit bedrag aan de bijzondere aanslag onderworpen. - 360.000 BEF (8.924,17 EUR) vergoedingen aan vreemde eigenaars, niet verantwoord op de wijze beoogd in artikel 47 § 1 WIB/1964; Om de redenen hoger aangehaald voor het aanslagjaar 1987 voor de toekenningen aan vreemde (Franse) eigenaars (zie ook stuk B.40 onderdeel van stuk II/34 van de appellant), kon ook dit bedrag niet worden onderworpen aan de bijzondere aanslag. Volgens het vermelde stuk II/34 cijfer B40 zou hierin ook een tussenkomst zijn ten voordele van de voorzitter van de geïntimeerde voor twee paarden, doch hoeveel dit juist bedraagt blijkt niet. - 3.000.000 BEF (74.368,06 EUR), bedrag afgenomen van de lopende rekening en 14 dagen belegd, waarna de lopende rekening echter niet meer werd gecrediteerd met het vrijgekomen bedrag; hieruit en uit de vaststellingen dat de som bezwaarlijk kan gediend hebben om effecten te kopen leidt de administratie af dat de besteding van dit bedrag niet op afdoende wijze wordt aangetoond en wordt het opgenomen onder de niet-bewezen bedragen en lasten te onderwerpen aan de bijzondere aanslag van artikel 132 WIB/1964. Volgens de handgeschreven nota's in het stuk II/34 - B 32 van de appellant en volgens het bericht van wijziging van aangifte (stuk II/36) is op 4.9.1987 een bedrag van 3.000.000 BEF (74.368,06 EUR) van de lopende rekening bij de bank naar een termijnrekening bij de bank gegaan voor 14 dagen. Over wat na verloop van die 14 dagen gebeurd is met deze belegde som op de termijnrekening wordt niet meegedeeld. Uit het niet terug verschijnen van de belegde som op de lopende rekening kan niet zonder meer afgeleid worden dat dit bedrag het patrimonium van de geïntimeerde heeft verlaten. Ook dit bedrag werd ten onrechte aan de bijzondere aanslag onderworpen. - 178.529 BEF (4.425,62 EUR), verschil tussen de geldbeweging van Kas naar Bank (5.513.810 BEF (136.683,78 EUR) en de theoretische berekening van de ontvangsten van de koersdag (5.335.281 BEF (132.258,16 EUR) door de administratie; Ook hieruit kan niet afgeleid worden dat een meerwinst voor dit bedrag het patrimonium van de geïntimeerde heeft verlaten. Dit bedrag werd ten onrechte onderworpen aan de bijzondere aanslag van artikel 132 WIB/1964. - 560.227 BEF (13.887,66 EUR), verschil tussen de met stukken verantwoorde lasten en het door de administratie geraamd redelijk bedrag van die lasten in toepassing van artikel 44, 2e lid WIB/1964. Uit het bericht van wijziging van aangifte (stuk II/36, cijfer B 59 van de appellant) blijkt dat de appellant van oordeel was dat de stukken die haar werden voorgelegd tot staving van een aantal lasten onvoldoende precies zijn om te controleren of de voorwaarden van artikel 44 WIB/1964 vervuld zijn, de bewijsstukken facturen zijn die niet beantwoorden aan de vereisten van de BTW-wetgeving, bezwaarlijk kan aangenomen worden dat het gaat om diensten verstrekt aan de VZW in acht genomen het bedrag en de aard van de geleverde diensten/goederen of anders moeten geacht worden de redelijke beroepsbehoeften op onredelijke wijze te overtreffen. Daarom heeft de appellant de uitgaven/lasten op een redelijk bedrag geraamd, en dan het verschil tussen dit redelijk bedrag en het met verantwoordingsstukken (volgens de appellant onvoldoende) gestaafd bedrag onderworpen aan de bijzondere aanslag van artikel 132 WIB/1964. Niet alleen kunnen de premissen op grond waarvan wordt besloten tot de hoger aangehaalde berekeningswijze niet door het Hof worden nagezien, maar bovendien kunnen ook bepaalde elementen van de berekening niet worden gecontroleerd (bvb. de raming van de lasten op een redelijk bedrag). Ook hier toont de appellant niet aan dat er een meerwinst is met de kenmerken zoals hoger aangehaald. Ook dit bedrag werd ten onrechte onderworpen aan de bijzondere aanslag van artikel 132 WIB/1964. De herberekening van de bestreden aanslag voor het aanslagjaar 1988 dient te worden bevolen. 8. Voor wat het aanslagjaar 1989 betreft voert de geïntimeerde aan dat de administratie haar motiveringsplicht voorzien bij artikel 346 laatste lid WIB/1992 (zoals ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 30.6.2000) niet heeft nageleefd in haar antwoord van 22.1.2001 (stuk II/6 van de appellant in het stukkenbundel mbt de aanslagjaren 1989-1990) op de opmerkingen van de geïntimeerde op het bericht van wijziging. In dit antwoord (stuk II/5 van de appellant in het stukkenbundel mbt de aanslagjaren 1989-1990) wordt door de geïntimeerde uitsluitend geargumenteerd over de vraag of zij onderworpen is aan de vennootschapsbelasting dan wel aan de rechtspersonenbelasting. Gezien de appellant reeds uitvoerig haar standpunt in deze kwestie had gemotiveerd in het bericht van wijziging van aangifte en de bijlagen 4 tot en met 12 van dit bericht (stuk II/4 van de appellant in het stukkenbundel mbt de aanslagjaren 1989-1990) en de daarin opgenomen motieven reeds een antwoord vormden op het andersluidend standpunt en de ondersteunende motieven van de geïntimeerde, vermocht de administratie te verwijzen naar de berichten van wijziging (zowel voor 1989 als voor andere aanslagjaren), zoals zij deed in haar brief van 22.1.2001. Hiermee heeft zij geantwoord op de opmerkingen van de geïntimeerde, en heeft zij onder meer de geïntimeerde in staat gesteld te beoordelen of hij een bezwaarschrift moet indienen en om zijn verweermiddelen te organiseren (vergelijk met Parl. Besch. Kamer, zitting 1999-2000, 50 0438/002, p. 3). Aan de gezegde motiveringsplicht is dan ook voldaan. Het middel is ongegrond. 9. Voor het aanslagjaar 1990 voert de geïntimeerde eveneens aan dat de administratie haar motiveringsplicht voorzien bij artikel 346 laatste lid WIB/1992 (zoals ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 30.6.2000) niet heeft nageleefd in haar antwoord van 22.1.2001 (stuk II/14 van de appellant in het stukkenbundel mbt de aanslagjaren 1989-1990) op de opmerkingen van de geïntimeerde op het bericht van wijziging. Om dezelfde redenen als voor het aanslagjaar 1989 dient dit middel evenwel ongegrond te worden verklaard. 1 0. Voor het aanslagjaar 1990 heeft de administratie een bijzondere aanslag in toepassing van artikel 132 WIB/1964 (geheime commissielonen) gevestigd op het verschil tussen de loonkosten volgens de boekhoudkundige rekeningen en de loonopgave 325.10, hetzij op 35.737 BEF (885,90 EUR) (zie het bericht van wijziging van aangifte, stuk II/11 van de appellant in het stukkenbundel mbt de aanslagjaren 1989-1990). Om de redenen aangehaald onder punten 6 en 7 hoger moet ertoe besloten worden dat de appellant dit bedrag niet kon onderwerpen aan de bijzondere aanslag van artikel 132 WIB/1964 en de herberekening van de bestreden aanslag dient te worden bevolen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Ontvangt het hoger beroep en verklaart het deels gegrond; Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart; Opnieuw wijzende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde deels gegrond; Vernietigt de aanslagen voor de aanslagjaren 1987 (kohierartikel 968231), 1992 (kohierartikel 437074), 1993 (kohierartikel 537052), 1994 (kohierartikel 863630574), 1995 (kohierartikel 863632350); Beveelt de herberekening van de aanslagen voor de aanslagjaren 1988 (kohierartikel 037022) en 1990 (kohierartikel 137011) rekening houdend met wat voorafgaat; Beveelt de terugbetaling van de eventueel teveel geïnde sommen, meer de moratoriumintresten; Verklaart de vordering ongegrond wat het aanslagjaar 1989 (kohierartikel 137.001) betreft; Veroordeelt de appellant tot 1/2 en de geïntimeerde tot de andere 1/2 van de kosten van beide aanleggen, in hun geheel begroot als volgt: • aan de zijde van de appellant: op 356,97 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 15.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal 15.356,97; • aan de zijde van de geïntimeerde: op 356,97 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 15.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal 15.356,97. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op VIERENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en B. Wylleman, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. M.Vanderbeeken B.Wylleman G.Tillekaerts A.De Meue Nr.Rept.2009/ Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080117.12 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080424.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.