← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090330.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090330.11 Rolnummer: 2007/AR/45 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-05-26 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-07-02 19:29 Fiche - In principe geldt de sluiting van het faillissement als ogenblik waarop de rechten van partijen onherroepelijk zijn vastgesteld. Wanneer er echter met betrekking tot een met de sluiting van het faillissement samenhangende beoordeling nl. de verschoonbaarheid, nog een beroepsprocedure hangende is, kan niet gesteld worden dat de rechten en plichten van partijen reeds onherroepelijk werden vastgesteld door het vonnis van sluiting. - Alhoewel het faillissement reeds eerder was gesloten (in casu bij vonnis van 8 december 2006) waren op 28 augustus 2008 (datum waarop de nieuwe wet in werking trad) de rechten en verplichtingen van partijen op het vlak van de verschoonbaarheid nog niet onherroepelijk vastgesteld, zodat de wet van 18 juli 2008 in casu van toepassing is. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: Artikel 80, 2° faillissementswet - verschoonbaarheid - gevolgen voor de echtgenoot van de gefailleerde - wet van 18 juli 2008 - toepassing in de tijd. Tekst van de beslissing Hof van beroepte Gent 7de bis Kamer________________ Terechtzittingvan30 maart 2009________________ Verschoonbaarheid________________ 2007/AR/45 - In de zaak van:

  1. EUROPABANK N.V., met maatschappelijke zetel te 9000 GENT, Burgstraat 170, ingeschreven met KBO-nummer 0400.028.394, eerste appellante,hebbende als raadsman mr. VAN DEN DAELEN Michel, advocaat te 9000 GENT, Wiedauwkaai 23 H,
  2. EB-LEASE N.V., met maatschappelijke zetel te 9000 GENT, Burgstraat 170, ingeschreven met KBO-nummer 0424416570, tweede appellante,hebbende als raadsman mr. VAN DEN DAELEN Michel, advocaat te 9000 GENT, Wiedauwkaai 23 H, tegen:
  3. L. C., wonende te ....................., eerste geïntimeerde,hebbende als raadsman mr. SEGERS Kathleen, advocaat te 8790 WAREGEM, Felix Verhaeghestraat 5,
  4. V. H., wonende te ........................., tweede geïntimeerde,hebbende als raadsman mr. VANCRAEYVELDT Steven, advocaat te 8560 WEVELGEM, Lode de Boningestraat 26,
  5. P. A., advocaat, optredende in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van L. C., destijds wonende te ........................, tot deze functie aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk op 27.12.2002, met kantoor te..........................., derde geïntimeerde qq.,voor wie optreedt mr. MARTENS Geert, advocaat te 8000 BRUGGE, Maria van Bourgondiëlaan 29 bus 8, velt het hof het volgend arrest: Partijen werden gehoord in raadkamer in hun middelen en conclusies, alsook werden hun stukken ingezien. De Procureur-generaal legde op 11 februari 2009 schriftelijk advies neer, waarop partijen de mogelijkheid hadden tot repliek. 1.Bij verzoekschrift, neergelegd op 5 januari 2007, hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 8 december 2006, op tegenspraak gewezen door de 3de kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk (AR. 02/5214). Feiten en procedure in eerste aanleg
  6. Op 28 maart 2000 stonden de NV EUROPABANK en de NV EB-LEASE (hierna: "appellanten") resp. kredieten toe aan C. L. en zijn echtgenote H. V. als hoofdelijke medeschuldenaars. Op 16 mei 2001 stond de NV EB-LEASE aan C. L. een leasingovereenkomst toe, waarvoor H. V. (hierna: "tweede geïntimeerde") zich persoonlijk borg stelde. Bij vonnis van 27 november 2002 verklaarde de rechtbank van koophandel te Kortrijk C. L. op bekentenis failliet, waarbij mr. A. P. als curator werd aangesteld. Appellanten verzetten zich bij conclusie, neergelegd op 12 september 2006, tegen de verschoonbaarheid van de gefailleerde. Bij vonnis a quo van 8 december 2006 werd:

(1)de staat van kosten en ereloon van de curator getaxeerd,
(2)het faillissement gesloten wegens ontoereikend actief (art. 73 Faill.W.),
(3)de gefailleerde verschoonbaar verklaard;
(4)H. V., borgsteller en ex-echtgenote van de gefailleerde, bevrijd. Procedure in hoger beroep
  1. Voor de middelen en argumenten van partijen, kan verwezen worden naar de beroepsakte en hun conclusies. De Procureur-generaal adviseert gunstig inzake de verschoonbaarheid van de gefailleerde, alsook inzake de bevrijding van de tweede geïntimeerde als ex-echtgenote. Beoordeling
  2. Art. 80, 2° Faill.W. stelt dat de rechtbank, behalve in geval van gewichtige omstandigheden, met bijzondere redenen omkleed, de verschoonbaarheid uitspreekt van de gefailleerde die te goeder trouw handelt. De wetgever heeft het recht op de gunst van de verschoonbaarheid voor de gefailleerde als principe gesteld, waaraan slechts op ernstige overwegingen kan worden voorbijgegaan (cf. Gent, 15 maart 2001, T.B.H. 2002, 49). Sinds de Reparatiewet Faillissement van 4 september 2002 is de verschoon-baarheid het principe voor de ongelukkige gefailleerde die te goeder trouw heeft gehandeld. Overeenkomstig de in de parlementaire voorbereiding uitgedrukte intenties en de latere tijdens de hoorzittingen van de Commissie voor de Justitie door de minister afgelegde verklaringen, poneert de nieuwe wettekst derhalve een recht op verschoonbaarheid (zie A. DE WILDE, "Reparatiewet Faillissement", R.W. 2002-2003, 571). Niet tevreden over de vrees of de terughoudendheid van sommige rechtbanken om de verschoonbaarheid toe te staan, heeft de wetgever een beleidslijn uitgetekend waarbij de verschoonbaarheid de regel wordt (A. CUYPERS, "De verschoonbaarheid van de gefailleerde en de positie van de echtgenoot en borgen in de gerepareerde Faillissementswet", T.B.H. 2003, 267 e.v. ; Gent, 12 december 2005, NjW 2006, 900). De begrippen "gewichtige omstandigheden" en "te goeder trouw handelen" geven aan de rechtbanken van koophandel een ruime beoordelings-bevoegdheid, waarbij de belangen van de gefailleerde, zijn schuldeisers en het algemeen belang moeten worden afgewogen (A. DE WILDE, o.c., 569). Het Hof neemt ook het gunstig verslag van de rechter-commissaris en het gunstig advies van het O.M. in aanmerking. De gefailleerde heeft zelf tijdig de boeken neergelegd. Er bestaan geen strafrechtelijke veroordelingen in zijn hoofde. Er zijn geen gewichtige omstandigheden voorhanden om de verschoonbaarheid te weigeren. Het Hof is dan ook - samen met de eerste rechter - van oordeel dat er onvoldoende gewichtige en bezwarende omstandigheden aanwezig zijn om te besluiten dat de gefailleerde te kwader trouw zou hebben gehandeld. Zijn verschoonbaarheid moet worden bevestigd.
  3. Het faillissement werd gesloten bij vonnis op 8 december 2006, waarbij de gefailleerde (terecht - zie boven) verschoonbaar werd verklaard. Op 8 december 2006 luidde toen art. 82, 2° Faill.W. (zoals gewijzigd bij wet van 2 februari 2005 - B.S. 21 februari 2005, tevens datum inwerkingtreding): "De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting". Tweede geïntimeerde was tot 19 april 2006 (overschrijving vonnis echt-scheiding van 23 februari 2006) de wettige echtgenote van de gefailleerde. Zij was dus gehuwd met de gefailleerde op het ogenblik van het openvallen van het faillissement bij vonnis van 27 december
  4. Volgens de rechtspraak van dit Hof volstond het om (als echtgenoot/ echtgenote) bevrijd te worden dat de echtgenoten gehuwd waren op het ogenblik dat het faillissement werd uitgesproken. Dat geïntimeerden inmiddels uit de echt waren gescheiden op het ogenblik van de beoordeling door de eerste rechter nopens de verschoonbaarheid, is niet relevant. Tweede geïntimeerde komt derhalve als echtgenote (bij faillissement) in aanmerking om bevrijd te worden, zoals de eerste rechter terecht oordeelde. Er is geen enkele aanleiding tussen het stellen van prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof.
  5. Bij wet van 18 juli 2008 werd art. 82, 2° Faill.W. vervangen als volgt: "De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van zijn echtgenoot, of de voormalige echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld die door zijn voormalige echtgenoot tijdens de duur van het huwelijk was aangegaan, wordt ingevolge de verschoonbaarheid van die verplichting bevrijd. "Deze wet is in werking getreden op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad, zijnde 28 augustus
  6. De wetgever is er vanuit gegaan dat art. 82 Faill.W. een procedurewet is die automatisch van toepassing is op nog niet definitief beslechte geschillen (Parl.St. Kamer 2007-08, nr. 52K1032/005,2). Dat betekent dat elke ex-echtgenoot die nog niet definitief veroordeeld is tot betaling van de schulden van zijn verschoonbaar verklaarde ex-echtgenoot, de nieuwe bevrijdings-regeling kan genieten. Het was de expliciete wil van de wetgever om niet alleen voor de toekomst een oplossing te bieden, maar ook voor reeds bestaande situaties, waarbij werd afgestapt van de beperking van de werking van de nieuwe wet tot de nog uit te spreken verschoonbaar verklaringen (Parl.St. Kamer 2007-08, nr. 52K1032/002 en Parl.St. Kamer 2007-08, nr. 52K1032/003,3). In casu werd het faillissement gesloten op 8 december
  7. Appellanten stellen ten onrechte dat de wet van 18 juli 2008 in casu géén toepassing zou vinden. Het is juist dat als algemene regel de sluiting van het faillissement moet worden aangenomen als ogenblik waarop de rechten van partijen onherroepelijk zijn vastgesteld. Wanneer er echter m.b.t. een met de sluiting van het faillissement samenhangende beoordeling nl. de verschoonbaarheid, nog een beroepsprocedure hangende is, kan niet gesteld worden dat de rechten en plichten van partijen reeds onherroepelijk werden vastgesteld door het vonnis van sluiting. Op 28 augustus 2008 (datum waarop de wet in werking trad) waren de rechten en verplichtingen van partijen op het vlak van de verschoonbaarheid nog niet onherroepelijk vastgesteld, zodat de wet van 18 juli 2008 in casu van toepassing is. Tweede geïntimeerde is als (ex-)echtgenote door de verschoonbaarheid van de gefailleerde bij toepassing van art. 82, 2° Faill.W. bevrijd van haar verbintenissen jegens appellanten, volgens de vigerende wetgeving zowel op het ogenblik dat de eerste rechter uitspraak deed (december 2006) als op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest. De hogere beroepen zijn ongegrond. In acht genomen deze beoordeling, moeten de middelen van partijen inzake de bevrijding van de ex-echtgenote en haar laattijdige aangifte als "kosteloze" borgsteller (met een incidenteel hoger beroep van tweede geïntimeerde) niet onderzocht worden. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Gelet op het schriftelijk advies van de Procureur-generaal. Verklaart de hoger beroepen ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis.Verwijst elke partij in haar eigen gedingkosten. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer zeven bis, op 30 maart tweeduizend en negen.Aanwezig:dhr. Frank Deschoolmeester, raadsheer, wnd. kamervoorzitter;dhr. Yves Henderickx, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.