id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090402.19 Rolnummer: 2004/AR/3150 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-09-18 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-07-02 19:30 Fiche De in artikel 1 van het K.B. van 24/12/1999 neergelegde vermoedens van economische zelfstandigheid van landbouwbedrijven, die aldus aanspraak kunnen maken op steun ingevolge de dioxinecrisis, is een weerlegbaar vermoeden. De omstandigheid dat tussen vennootschappen die behoren tot éénzelfde groep, geen integratiecontract in de zin van de wet van 1 april 1976 bestaat, belet niet dat kan aangetoond worden dat de vennootschap van deze groep die steun vraagt, niet economisch zelfstandig is en dus geen aanspraak kan maken op steun. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - ECONOMISCH OVERHEIDSBELEID Vrije woorden: Wet 03/12/1999 - steunmaatregelen dioxinecrisis - integratiecontract - vermoeden van economische zelfstandigheid (art. 1 K.B. 24/12/1999) - weerlegbaar (art. 1352, 2° lid B.W.) vennootschappen deel uitmakend van dezelfde groep. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 2 april 2009 2004/AR/3150 in de zaak van: DEN BOS B.V.B.A., destijds met zetel te 8980 Zonnebeke (Passendale), Paardebosstraat 2, voor wie het geding thans hervat wordt door haar rechtsopvolgster: DUMOULIN N.V., ingevolge fusieovereenkomst verleden voor notaris Philippe Stockman bij akte d.d. 30 juni 2005, met maatschappelijke zetel te 8500 KORTRIJK, Stacegemsesteenweg 102, ingeschreven met KBO-nummer 0429.549.355, appellante, hebbende als raadslieden mr. VAN DORPE Bruno, advocaat te 8500 KORTRIJK, Loofstraat 39 en mr. DESMET Filiep, advocaat te 8940 WERVIK, Nieuwstraat 38 tegen: de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Middenstand en Landbouw, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Marie-Theresiastraat 1, thans vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, met kantoren te 1070 BRUSSEL, Victor Hortaplein 56, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VASTERSAVENDTS Alfons, advocaat te 1730 ASSE, Steenweg 3 en de vrijwillig tussenkomende partij: het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door zijn Regering, in de persoon van de Vlaamse Minister voor de Hervorming van de Instellingen, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Martelaarplein, Departement Landbouw en Zeevisserij, met kantoren gevestigd te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 35 - bus 40, het geding hervattende voor de Belgische Staat, in wiens rechten en plichten zij is getreden, hebbende als raadsman mr. VASTERSAVENDTS Alfons, voornoemd, wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 27 december 2004 heeft BVBA DEN BOS, rechtsvoorganger van NV DUMOULIN, hoger beroep ingesteld tegen een vonnis op 24 september 2004 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Ieper, vierde kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Voorgaanden
- BVBA DEN BOS (hierna kortweg "DEN BOS" genoemd), dat in 2005 is gefusioneerd met de NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS en de BVBA DUMOVAR tot de NV DUMOULIN, was een varkensfokkerij te Passendale en heeft op grond van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis, een aanvraag gedaan tot het bekomen van een schadevergoeding. Deze aanvraag werd door de Minister van Middenstand en Landbouw geweigerd om reden dat DEN BOS geen economisch zelfstandig bedrijf zou zijn. DEN BOS was daarmee niet akkoord en ging over tot dagvaarding van de Belgische Staat voor de rechtbank van eerste aanleg te Ieper.
- Voor de eerste rechter vorderde de DEN BOS de veroordeling van de Belgische Staat tot betaling van een schadevergoeding van in totaal 30.493,01 euro, meer rente en kosten. De Belgische Staat besloot tot de ontoelaatbaarheid van de vordering. Ondergeschikt vroeg zij de vordering af te wijzen als ongegrond.
- Na een tussenvonnis van 26.03.2004 waarin partijen werden gevraagd standpunt in te nemen over de bevoegdheid en waarin nadere informatie werd opgevraagd, wees de eerste rechter de vordering bij het bestreden eindvonnis van 24.09.2004 af als ongegrond. De eerste rechter overwoog daartoe dat alle tekenen aanwezig zijn dat de kweek van dieren in de stallen van DEN BOS het voorwerp uitmaakt van een (mondeling) integratiecontract met de NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS uit Moorslede, zodat DEN BOS als aanvraagster conform art. 1, 1° van het KB van 24.12.1999 de noodzakelijke economische zelfstandigheid miste om aanspraak te kunnen maken op een schadevergoeding.
- Met haar hoger beroep beoogt DEN BOS, thans NV DUMOULIN, het teniet doen van het bestreden vonnis en de inwilliging van haar oorspronkelijke eis. In essentie stelt zij dat zij niet door een integratiecontract verbonden was met NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS, maar dat zij een zelfstandige vennootschap en bedrijf is en zij als dusdanig aanspraak kan maken op de vergoeding. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 30.11.2006 komt het Vlaams Gewest, tot wiens bevoegdheid de betwisting inmiddels was gaan behoren, vrijwillig tussen in het geding teneinde dit te hernemen en voort te zetten. Het Vlaams Gewest vraagt het hoger beroep af te wijzen en het bestreden vonnis te bevestigen. beoordeling
- Aan het Vlaams Gewest, dat vrijwillig tussenkwam in huidig geding, kan akte worden verleend van haar hervatting van het geding voor de Belgische Staat, in wiens rechten en plichten zij is getreden. Aan NV DUMOULIN kan eveneens akte worden verleend van haar hervatting van het geding voor de BVBA DEN BOS.
- DEN BOS maakte aanspraak op steun in toepassing van de Wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (hierna de "Dioxinewet" genoemd). Luidens artikel 5, 4° van deze wet komt een landbouwbedrijf enkel in aanmerking voor steun voor zover het "de voorwaarden van economische zelfstandigheid ten aanzien van afnemers van vee en leveranciers vervult zoals bepaald bij een in Ministerraad overlegd Koninklijk Besluit". In uitvoering daarvan werd in artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 24 december 1999 betreffende de voorwaarden van economische zelfstandigheid waaraan de landbouwbedrijven dienen te voldoen om in aanmerking te komen voor steun in toepassing van de wet van 3 december 1999, het volgende bepaald: "Een landbouwbedrijf wordt geacht economisch zelfstandig te zijn indien het aan elk van de volgende voorwaarden voldoet: 1° De teelt van zijn vee is niet het voorwerp van een contract van veepacht als bedoeld in Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk IV, van het Burgerlijk Wetboek, van een overeenkomst als bedoeld in artikel 2,4° van de pachtwet of van een integratiecontract in de zin van de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie, uitgezonderd een contract met vooraf gegarandeerde afnameprijzen; 2° Het bedrijf heeft het kweekmateriaal en de nodige grondstoffen voor de teelt zelf aangekocht en deze niet aangekocht bij de afnemer van het slachtrijpe vee of, indien deze laatste een vennootschap is, bij een met deze verbonden onderneming in de zin van Hoofdstuk III, Afdeling I, rubriek IV.A, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen; 3° De gronden waarop of gebouwen waarin het vee wordt geteeld, zijn niet ter beschikking van het bedrijf gesteld door de afnemer van het vee of een met deze verbonden onderneming anders dan bij wege van verkoop of pacht; 4° De inkomsten die het bedrijf heeft verworven uit de teelt van het vee, zijn niet aangegeven of belast in het forfaitair stelsel van de inkomstenbelastingen onder rubrieken die betrekking hebben op loonkweek, het vetmesten van dieren tegen betaling of het houden van dieren in pension; 5° De inkomsten die het bedrijf heeft verworven uit de teelt van het vee, zijn niet aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen in het kader van een bijzondere regeling overeenkomstig artikel 2, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde, of aan het tarief van 6 procent voor diensten. 6° Zo het bedrijf een rechtspersoon is, staat het niet onder de controle van de afnemer van het vee of een met deze verbonden onderneming, in de zin van de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 6 maart 1990 op de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen.".
- Terzake spitst de discussie zich toe op de vraag of DEN BOS al dan niet met de NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS verbonden was door een integratiecontract in de zin van de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke productie. De Belgische Staat stelt dat dit het geval is en dat het om die reden is dat DEN BOS niet voldoet aan de in artikel 1 van het KB van 24 december 1999 opgesomde voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op steun. In tegenstelling tot de eerste rechter is het hof van oordeel dat het niet aannemelijk is dat tussen DEN BOS en NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS een integratiecontract bestond in de zin van de wet van 1 april
- Luidens artikel 1 van deze wet is deze van toepassing op overeenkomsten waarbij, in de sector van de dierlijke productie, de geïntegreerde zich tegenover één of meer integrators verbindt om dierlijke producten voort te brengen of dieren te fokken of te mesten en waarbij regelingen aanvaard worden in verband met de aankoop, verkoop, leveringen of afname van dieren, dierlijke producten, grondstoffen en andere goederen en diensten die bij het productieproces gebruikt of verbruikt worden. Er dient dus enerzijds sprake te zijn van een verbintenis in hoofde van de geïntegreerde tot het fokken of mesten van dieren. Met het vereiste dat er regelingen moeten zijn aanvaard in verband met de aankoop, verkoop, leveringen of afname van dieren, dierlijke producten, grondstoffen en andere goederen en diensten die gebruikt of verbruikt worden in het productieproces, is bedoeld dat vereist is dat bepaalde verplichtingen aan de geïntegreerde zijn opgelegd met betrekking tot de productiemiddelen (vgl. Cass. 7 mei 2001, A.C. 2001, 814). Welnu, tussen DEN BOS en NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS waren dergelijke door de wet van 1 april 1976 beoogde en geregelde verbintenissen en verplichtingen zonder twijfel onbestaande, om de eenvoudige reden dat beide vennootschappen tot dezelfde groep behoorden en dezelfde persoon, nl. Georges Dumoulin, er zeggenschap over had. Het afsluiten van een integratiecontract was in die constellatie ongetwijfeld overbodig. En indien tussen beide vennootschappen al een dergelijk contract zou hebben bestaan, dan kan het zeker geen contract zijn geweest dat viel onder het toepassingsgebied van de wet van 1 april
- Deze wet beoogt immers een contractuele bescherming van de zelfstandige agrarische producent die zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts voor het grootste gedeelte van zijn activiteiten verbonden is met één en dezelfde, economisch sterkere contractpartner en die vaak met voor hem nadelige toetredingscontracten werd geconfronteerd (zie dienaangaande: Vanaevermate, Ph., "De Wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke producten", R.W. 1975-76, 2643-2645). Het is duidelijk dat de rechtsverhouding tussen DEN BOS en NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS, beiden behorend tot dezelfde groep, niet van deze aard was.
- Uit het voorgaande volgt evenwel niet automatisch dat DEN BOS aanspraak kon maken op steun zoals voorzien in de Dioxinewet. Artikel 1 van het hiervoor aangehaald K.B. van 24 december 1999 bepaalt dat een landbouwbedrijf dat aan de daar opgesomde voorwaarden voldoet, wordt geacht economisch zelfstandig te zijn. Zoals DEN BOS in conclusies terecht opmerkt, creëert het K.B. aldus een wettelijk vermoeden van economische zelfstandigheid ten aanzien van de afnemers van vee en leveranciers in de zin van art. 5, 4° van de Dioxinewet. DEN BOS kan echter niet worden gevolgd waar het stelt dat dit wettelijk vermoeden onweerlegbaar zou zijn. Artikel 1352, 2e lid van het burgerlijk wetboek bepaalt dat geen bewijs tegen het wettelijk vermoeden wordt toegelaten wanneer de wet, op grond van dit vermoeden, bepaalde handelingen nietig verklaart of de rechtsvordering ontzegt, tenzij de wet het tegenbewijs heeft vrijgelaten. Dit betekent dat het wettelijk vermoeden enkel onweerlegbaar is (tenzij de wet het tegenbewijs toelaat) in de twee in art. 1352, 2e lid B.W. opgesomde gevallen, met name wanneer de wet bepaalde handelingen nietig verklaart of wanneer in bepaalde gevallen een rechtsvordering wordt ontzegd. In alle andere gevallen geldt het omgekeerde, namelijk dat het wettelijk vermoeden in de regel weerlegbaar is, tenzij de wet uitdrukkelijk het tegenovergestelde zegt (zie en vgl. De Page, Traité, III, p. 965, nr. 935). Vermits het in voorliggend geval niet gaat om een wettelijk vermoeden op grond waarvan een handeling nietig wordt verklaard of een rechtsvordering wordt ontzegd en vermits artikel 1 van het K.B. dit niet uitdrukkelijk uitsluit, kan terzake het wettelijk vermoeden worden weerlegd en kan met andere woorden worden aangetoond dat ondanks het feit dat het landbouwbedrijf aan alle voorwaarden opgesomd in art. 1 van het K.B. voldoet, dit toch niet economisch zelfstandig is in de zin van art. 5, 4° van de Dioxinewet. In dat verband dient er overigens op gewezen dat de Raad van State, in zijn advies bij het wetsontwerp dat aan de basis lag van de Dioxinewet en meer bepaald in verband met artikel 5, 4° van de wet, heeft opgemerkt dat de daarin voorziene delegatie van bevoegdheid aan de Koning om de voorwaarden van economische zelfstandigheid te bepalen, naar zijn oordeel in te algemene bewoordingen is gesteld om bestaanbaar te zijn met de grondwettelijke regels die de verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht beheersen (Parl. Doc.Kamer, 1999-2000, 50 0212/001, p. 31). De regering heeft daarop in de Memorie van Toelichting geantwoord dat de in de artikelen 5 en 7 van de wet bepaalde voorwaarden om steun te kunnen genieten, de grondvoorwaarden vormen waarvan de bijkomende voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning niet kunnen afwijken (ibidem., p. 9). Ook dit bevestigt nog dat het tegenbewijs van het in artikel 1 van het K.B. neergelegd wettelijk vermoeden mogelijk is en dat dus moet kunnen worden bewezen dat ondanks het feit dat een landbouwbedrijf voldoet aan de voorwaarden opgesomd in het K.B., het niet economisch zelfstandig is in de zin van artikel 5, 4° van de wet.
- Terzake is het zonder meer duidelijk dat DEN BOS niet economisch zelfstandig was in de zin van artikel 5, 4° van de Dioxinewet. Het maakte immers, ook reeds in de periode 1999-2000, deel uit van een geïntegreerde groep, nl. de groep Dumoulin, die zowel veevoeders produceert als dieren kweekt. Dit blijkt uit het feit: - dat NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS in de betrokken periode 71 % van de aandelen van DEN BOS bezat; - dat Georges Dumoulin, bestuurder van NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS, ook zaakvoerder is van DEN BOS; - dat DEN BOS al haar veevoeders, logischerwijze, betrekt bij de NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS; - dat een werknemer van NV DUMOULIN SANDERS, de heer Van Groenweghe, sanitair verantwoordelijke is van DEN BOS. Het feit dat NV DUMOULIN VOEDERS SANDERS, BVBA DUMOVAR en DEN BOS in 2005 zijn gefuseerd tot de NV DUMOULIN vormt daarvan de bevestiging. Bij dit alles kan nog worden opgemerkt dat uit de parlementaire voorbereiding van de Dioxinewet duidelijk blijkt dat het niet de bedoeling was dat geïntegreerde groepen aanspraak zouden kunnen maken op steun. In de Memorie van Toelichting werd dienaangaande opgemerkt: "Bovendien is het in de landbouwsector aangewezen om de beperkte middelen bij voorrang aan te wenden voor steun aan zelfstandige ondernemingen. Inderdaad is voor geïntegreerde bedrijven de nood aan steun, beoordeeld op groepsbasis, over het algemeen minder dwingend." (Parl. Doc. Kamer 1999-2000, 50 0212/001, p. 10).
- Uit wat voorafgaat dient te worden besloten dat BVBA DEN BOS geen economische zelfstandigheid bezit ten aanzien van afnemers van vee en leveranciers in de zin van artikel 5, 4° van de wet van 3 december 1999 en dat het dus geen aanspraak kan maken op steun op basis van deze wet. Het bestreden vonnis, dat de vordering van DEN BOS afwees, dient derhalve te worden bevestigd, weze het op andere gronden. Het hoger beroep is ongegrond.
- Wat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep betreft, vraagt het Vlaams Gewest de toekenning van de basisvergoeding. Gelet op het bedrag van de vordering bedraagt deze 2.000,00 euro. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verleent akte aan het Vlaams Gewest van zijn hervatting van het geding voor de Belgische Staat. Verleent akte aan NV DUMOULIN van haar hervatting van het geding voor de BVBA DEN BOS. Verklaart het hoger beroep toelaatbaar maar wijst het af als ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, zij het op andere gronden. Verwijst NV DUMOULIN in de kosten van de beroepsinstantie, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij ten hare laste blijven, en die aan de zijde van het Vlaams Gewest vereffend worden op 2.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op TWEE APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div