← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090402.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090402.6 Rolnummer: 2007/AR/1679 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-06-09 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-07-02 19:31 Fiche Met het oog op de beoordeling van de appellabiliteit van een vonnis, mag voor het bepalen van de aanleg geen rekening gehouden worden met na de dagvaarding vervallen intresten (ook al wordt de vordering in de loop van het geding gewijzigd), noch met de gerechtskosten. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) Vrije woorden: Hoger beroep - Appellabiliteit van het bestreden vonnis (art. 617 GW). Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 2 april 2009 hoger beroep niet toelaatbaar 2007/AR/1679 in de zaak van:

  1. D. W. C., , eerste appellant,
  2. T. M., , tweede appellante, beiden wonende te , en hebbende als raadsman mr. DE SMET Serge, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Hofstraat 33 tegen: LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met burelen gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 bus 40, geïntimeerde, hebbende als raadslieden mr. VAN LEMBERGEN Patrick en mr. HEYVAERT Jacques, beiden advocaat te 9200 DENDERMONDE, Gentsesteenweg 2, wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 29 juni 2007 hebben C. D. W. en M. T. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 9 maart 2007, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, zesde kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
  3. De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (geïntimeerde) is de ziekteverzekeraar van K. D. R., in wiens rechten zij gesubrogeerd is. Zij zet uiteen dat D. R. op 29 januari 2000 in de sporthal De Klavers te Belsele een vuistslag kreeg van (de toen nog minderjarige) C. D. W. (eerste appellant), waardoor hij verwondingen opliep in het gezicht en aan de linker schouder, alsmede een hersenschudding, hetgeen vier dagen hospitalisatie met zich bracht. Met dagvaarding van 17 oktober 2001 vordert geïntimeerde van de moeder van C. D. W., M. T. (tweede appellante), op grond van de artikelen 1384, lid 3 (bedoeld wordt lid 2) en 1382 van het burgerlijk wetboek, betaling van 70.154 BEF (= euro 1.739,07), meer de vergoedende intresten vanaf 29 januari 2000, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Naderhand wordt deze vordering in conclusies met euro 425,68 verminderd tot euro 1.313,39, omdat de door D. R. opgelopen schouderluxatie niet in causaal verband staat met de feiten van 29 januari
  4. Bij niet bestreden vonnis van 31 december 2004 beveelt de eerste rechter het getuigenverhoor van J. C. omtrent de omstandigheden en de feiten die zich hebben voorgedaan tussen D. W. en D. R.. Deze getuige wordt gehoord op 25 maart 2005, waarna geïntimeerde volhardt in haar vordering, die zij eveneens richt tegen de inmiddels meerderjarig geworden C. D. W., die het geding heeft hervat.
  5. Onder meer verwijzend naar de verklaring van de getuige besluit de eerste rechter in het bestreden vonnis dat D. W. een vuistslag heeft toegebracht aan D. R. en dat beide appellanten moeten instaan voor de vergoeding van de hierdoor veroorzaakte schade, nu een fout in hoofde van het slachtoffer niet wordt aangetoond. De vordering van geïntimeerde wordt gegrond verklaard en appellanten worden in solidum veroordeeld tot betaling van euro 1.313,39, meer de vergoedende intresten vanaf 31 maart 2000 (gemiddelde datum) tot aan de datum van het vonnis (9 maart 2007) en de gerechtelijke intresten van dan af.
  6. Het door appellanten tegen deze beslissing ingesteld hoger beroep, waarmee zij het tenietdoen van het bestreden vonnis en de (minstens gedeeltelijke) afwijzing van de vordering van geïntimeerde beogen, is gesteund op de overweging dat het gedrag van D. W. het gevolg is van de provocerende houding van D. R., welke moet worden beschouwd als een vorm van uitlokking. Ondergeschikt roept tweede appellante ook in dat zij niet kan worden aansprakelijk gesteld op grond van artikel 1384, lid 2 van het burgerlijk wetboek omdat haar niets kan worden verweten in verband met de opvoeding van haar kinderen.
  7. Geïntimeerde besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en de volledige bevestiging van het bestreden vonnis. beoordeling
  8. Ter terechtzitting van 5 februari 2009 werden partijen uitgenodigd om een standpunt in te nemen nopens de appellabiliteit van het bestreden vonnis. In aanvullende conclusies menen appellanten dat het bestreden vonnis wel degelijk in eerste aanleg werd gewezen, zodat het hoger beroep toelaatbaar is.
  9. Krachtens artikel 617 van het gerechtelijk wetboek worden de vonnissen van de rechtbank ven eerste aanleg waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag euro 1.860,00 niet overschrijdt, in laatste aanleg gewezen. Artikel 618 bepaalt dat voor het bepalen van de aanleg de regels gelden gesteld bij de artikelen 557 tot 562 van het gerechtelijk wetboek en dat indien de vordering in de loop van het geding gewijzigd is, de aanleg wordt bepaald door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.
  10. In hun aanvullende appelconclusie stellen appellanten: "Uit de afrekening overgemaakt door de raadsman van L.C.M. van 16 maart 2007 blijkt dat het bedrag waartoe konkluanten werden veroordeeld het bedrag van 1.860 euro overschrijdt zoals bedoeld in art. 617 e.v. Ger.W.". Bij de berekening van dit bedrag wordt rekening gehouden met de hoofdsom ten bedrage van euro 1.313,39, vermeerderd met de vergoedende intresten, berekend vanaf 31 maart 2000 tot 31 maart 2007 (datum van uitspraak), hetgeen het totaal op euro 1.954,22 brengt. Dit standpunt kan niet worden bijgetreden. Het is immers niet het bedrag waartoe appellanten werden veroordeeld dat bepalend is, maar het in laatste conclusie door geïntimeerde (oorspronkelijke eisende partij) gevorderd bedrag (artikel 618, lid 2 van het gerechtelijk wetboek). Krachtens artikel 557 van het gerechtelijk wetboek wordt het bedrag van de vordering bepaald door de som die (in de inleidende akte) wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke interest (die loopt vanaf de dagvaarding) en van alle gerechtskosten. Uit de samenlezing van deze beide wetsbepalingen moet worden afgeleid dat voor het bepalen van de aanleg (met het oog op de beoordeling van de appellabiliteit van een vonnis) geen rekening mag worden gehouden met na de dagvaarding vervallen intresten, ook al wordt de vordering in de loop van het geding gewijzigd (Cass. 2 oktober 1995, R.W. 1995-1996, 1222). Ten deze moet worden vastgesteld dat geïntimeerde in haar laatste conclusie voor de eerste rechter (neergelegd op 26 juni 2006) haar vordering als volgt heeft omschreven: "mevrouw M. T. en dhr. C. D. W., solidair, minstens in solidum, te veroordelen tot betaling aan concluante van de som van 1.313,39 euro, meer de vergoedende intresten vanaf 29.01.2000, meer de gerechtelijke kosten ... . Verweerders te verwijzen in de kosten van het geding, begroot aan de zijde van concluante op ... ". Het woord ‘kosten' is in deze zonder de minste twijfel een verschrijving aangezien, zowel in de dagvaarding als in de eerdere conclusies van geïntimeerde, steeds sprake is van vergoedende intresten en gerechtelijke intresten. Overigens is de vordering om appellanten te verwijzen in de kosten van het geding de bevestiging van het feit dat "gerechtelijke kosten" moet worden gelezen als "gerechtelijke intresten". Dienvolgens beliep het in laatste conclusie door geïntimeerde gevorderd bedrag euro 1.313,39, meer de vergoedende intresten vanaf 29 januari 2000 tot 17 oktober 2001, datum van dagvaarding, en de gerechtelijke intresten van dan af. Met uitsluiting van de gerechtelijke intresten, bedroeg de vordering derhalve euro 1.313,39, meer euro 157,68 aan vergoedende intresten, hetzij in het totaal euro 1.471,
  11. De som van euro 1.860,00 werd derhalve niet overschreden, zodat het bestreden vonnis in laatste aanleg werd gewezen en het hoger beroep niet toelaatbaar is.
  12. Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding, verschuldigd ingevolge de wet van 21 april 2007 en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007, vraagt geïntimeerde deze te begroten op euro 1.000,00, zijnde het maximumbedrag. Deze vraag wordt echter niet in het minst verantwoord, zodat de rechtsplegingsvergoeding dient te worden bepaald op het basisbedrag, dat, rekening houdend met het bedrag van de vordering, euro 400,00 bedraagt. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger niet beroep toelaatbaar. Verwijst appellanten in de kosten van de beroepsinstantie, die aan hun zijde niet dienen te worden begroot daar zij hen ten laste blijven, en aan de zijde van geïntimeerde vereffend worden op euro 400,00 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op TWEE APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. D. Van den Driessche B. Wylleman G. Jocqué D. Floren rep.nr. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.