← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090402.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090402.7 Rolnummer: 2007/AR/2619 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-06-09 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-07-02 19:30 Fiche Krachtens de op 15 juni 2008 in werking getreden Grondwet van de republiek Kosovo kunnen alle staatsburgers, die op 1 januari 1998 in Kosovo verbleven, aanspraak maken op het staatsburgerschap van Kosovo. Personen, die in die voorwaarden verkeren, kunnen niet worden erkend als staatloze. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Algemeen (grondwet) Vrije woorden: Erkenning als staatloze - verzoeker van Kosovaarse origine - Kosovaarse Grondwet. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 2 april 2009 W.B.N. weigering erkenning als staatloze 2007/AR/2619 in de zaak van: de PROCUREUR DES KONINGS bij de RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, in de persoon van Guy Baesen, eerste substituut-procureur des Konings bij het parket van de procureur des Konings te Gent, het ambt uitoefenend van openbaar ministerie, in graad van beroep waargenomen door de PROCUREUR-GENERAAL bij het HOF VAN BEROEP TE GENT, met kabinet in het gerechtsgebouw te 9000 GENT, Koophandelsplein 23, appellant, verschijnend in de persoon van advocaat-generaal Louis Vandenberghe, tegen:

  1. B. S., geboren te () op , eerste geïntimeerde, en zijn echtgenote:
  2. B. R., geboren te () op , tweede geïntimeerde, de eerste en de tweede beiden optredend in eigen naam en in hun hoedanigheid van voogd, wettelijke vertegenwoordigers van de persoon en de goederen van hun minderjarige kinderen A. B. (geboren op , inmiddels meerderjarig) en L. B. (),
  3. B. A., geboren op , derde geïntimeerde, allen samenwonende te , en hebbende als raadsman mr. VRIJENS Bertrand, advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 641 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 26 oktober 2007 heeft de procureur des Konings te Gent tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 27 september 2007, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, derde kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
  4. S. B. en R. B. (hierna genoemd geïntimeerden), respectievelijk geboren te op en te op , zijn beiden afkomstig uit Kosovo en van Albanese origine. R. B. en S. B. vroegen respectievelijk op 20 april en 20 mei 1999 asiel aan in België en op 8 december 1999 werd door de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing tot weigering van verblijf genomen, waartegen zij beroep indienden bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, dat op 21 maart 2000 een bevestigende beslissing van weigering van verblijf nam. Hun verzoek tot schorsing, respectievelijk tot nietigverklaring, van deze beslissing werd door de Raad van State afgewezen op 8 juni 2001 en 26 april
  5. Op 2 oktober 2006 hebben geïntimeerden ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent een verzoekschrift neergelegd strekkende tot hun erkenning als staatloze, overeenkomstig het Verdrag van New York van 28 september 1954, geratificeerd bij wet van 12 mei
  6. Zij haalden daartoe aan dat Kosovo theoretisch onder de soevereiniteit viel van de republiek Servië-Montenegro, hetgeen in realiteit echter achterhaald is door de onafhankelijkheid van Montenegro, en dat Servië weigert hen te erkennen als staatsburger, sinds Kosovo onder controle en bestuur staat van de Verenigde Naties (UNMIK).
  7. Bij de bestreden beschikking wordt de vordering van geïntimeerden ingewilligd op de overweging dat zij weliswaar de Servische nationaliteit hadden, maar uit de houding van de Servische autoriteiten blijkt dat zij niet meer als Servische staatsburgers worden erkend en de Kosovaarse nationaliteit (nog) niet bestaat. Geïntimeerden en hun minderjarige kinderen worden dienvolgens erkend als staatlozen, waarop alle bepalingen van het Verdrag van New York van toepassing zijn.
  8. Het openbaar ministerie is het hiermee niet eens. In de beroepsakte haalt de procureur des Konings aan dat de provincie Kosovo steeds deel is blijven uitmaken van de Federale Republiek Joegoslavië (sinds 3 juni 2006 Servië), zodat geïntimeerden juridisch gezien nog steeds staatsburger zijn van Servië. Aldus besluit het openbaar ministerie tot de afwijzing van de vordering van geïntimeerden, nu uit niets blijkt dat zij op grond van de bepalingen van de terzake vigerende wetten afstand zouden gedaan hebben van dit staatsburgerschap of het zouden hebben verloren. In conclusies voegt het openbaar ministerie hieraan toe dat in de inmiddels onafhankelijke republiek Kosovo sinds 15 juni 2008 de grondwet in werking is getreden, die in artikel 155 bepaalt dat alle inwoners van de voormalige Joegoslavische republiek, verblijvend in Kosovo op 1 januari 1998, alsmede hun directe descendenten, recht hebben op het staatsburgerschap van de republiek Kosovo, ongeacht hun huidige verblijfplaats en het eventueel hebben van enig ander staatsburgerschap. Aldus zouden geïntimeerden (ook) staatsburgers zijn van Kosovo.
  9. Geïntimeerden blijven volharden in hun verzoek om te worden erkend als staatlozen en besluiten tot de afwijzing van het hoger beroep en de volledige bevestiging van het bestreden vonnis. beoordeling
  10. Uit de gegevens verstrekt door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen en het proces-verbaal van verhoor van S. B. en R. B. van 23 november 2006 blijkt dat zij, samen met hun twee kinderen A. en L., op 20 april 1999 in België zijn aangekomen en dat zij voordien steeds in Kosovo (ex-Joegoslavië) hebben gewoond. Geïntimeerden hebben dit trouwens nogmaals bevestigd in de conclusies die zij op 20 februari 2007 voor de eerste rechter hebben neergelegd, waarin zij uitdrukkelijk stellen: "Concluanten zijn beiden van Albanese origine, geboren te en afkomstig van Kosovo, waar zij tot hun vlucht naar België woonden" (onderlijning door het hof). Bovendien blijkt uit de in aan S. B. uitgereikte identiteitskaart en uit de huwelijksakte van dat S. B. en R. B. toen de Joegoslavische nationaliteit hadden.
  11. Het verdrag van New York definieert een staatloze als een persoon die door geen enkele staat krachtens diens wetgeving als onderdaan wordt beschouwd. Het behoort degene die zijn staatloosheid wenst erkend te zien, hiervan het bewijs te leveren. Deze regel dient op redelijke wijze te worden toegepast, in die zin dat het volstaat dat de verzoeker aantoont dat hij door de landen met dewelke hij een band heeft, omwille van geboorte, afstamming, huwelijk of verblijf, niet als onderdaan wordt beschouwd. Wie een nationaliteit bezat, dient aan te tonen dat hij deze nationaliteit niet meer bezit.
  12. Los van de overwegingen van het openbaar ministerie, waaruit moet blijken dat geïntimeerden, als ingezetenen van Kosovo, na het uiteenvallen van de Federale Republiek Joegoslavië, op grond van de Servische wetgeving staatsburgers van Servië zijn gebleven en zij niet aantonen dat zij de Servische nationaliteit hebben verloren, moet worden vastgesteld dat geïntimeerden staatsburger zijn, of minstens aanspraak kunnen maken op het staatsburgerschap, van de onafhankelijke republiek Kosovo. Krachtens artikel 155 van de op 15 juni 2008 in werking getreden grondwet van de republiek Kosovo wordt het recht erkend van alle staatsburgers die op 1 januari 1998 in Kosovo verbleven, en hun directe descendenten, op het staatsburgerschap van de republiek Kosovo, ongeacht hun huidige verblijfplaats en het mogelijks bezitten van enig ander staatsburgerschap. Waar, zoals hiervoor vastgesteld, uit het onderzoek naar de antecedenten van geïntimeerden en uit hun eigen in tempore non suspecto afgelegde verklaringen blijkt dat zij steeds in Kosovo hebben gewoond vooraleer zij op 20 april 1999 naar België zijn gekomen, moet worden besloten dat S. B. en R. B., evenals hun kinderen A. en L., het staatsburgerschap van de republiek Kosovo bezitten, minstens dat zij daar aanspraak kunnen op maken. Dienvolgens voldoen geïntimeerden niet aan de voorwaarden om te worden erkend als staatlozen, zodat hun vordering als ongegrond dient te worden afgewezen. Aan dit besluit wordt geen afbreuk gedaan door het relaas dat geïntimeerden in hun laatste conclusie naar voor brengen. Daarin beweren zij dat zij Kosovo reeds zijn ontvlucht in oktober 1997 en dat zij tot april 1999 in Macedonië hebben verbleven. Zij zouden dit destijds hebben verzwegen om hun asielaanvraag in België niet in het gedrang te brengen en verwijzen in dit verband naar een verklaring van de genaamde S. I. uit , die bevestigt dat geïntimeerden van 7 oktober 1997 tot 26 februari 1999 als vluchteling in zijn huis hebben verbleven. Deze nieuwe versie van de feiten, die volkomen strijdig is met hetgeen geïntimeerden eerder hebben verklaard, is niet geloofwaardig, evenals de voorgelegde verklaring, waarvan de waarachtigheid totaal oncontroleerbaar is. Tenslotte is de verklaring van de ambassade van Kosovo, waaruit blijkt dat vooralsnog geen paspoorten of andere documenten worden uitgereikt, niet relevant bij de beoordeling van de huidige vordering van geïntimeerden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende: Wijst het verzoek van geïntimeerden af als ongegrond. Verwijst geïntimeerden in de kosten van de beide instanties, die aan hun zijde niet dienen te worden begroot daar zij hen ten laste blijven, en aan de zijde van appellant vereffend worden op nihil. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, K. VANDENBERGHE, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op TWEE APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. D. Van den Driessche K. Vandenberghe G. Jocqué D. Floren rep.nr. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.