id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090407.9 Rolnummer: 2007/AR/2762 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-06-30 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 19:32 Fiche Ter verantwoording van de bestreden BTW-schuld kan de belastingadministratie niet rechtsgeldig voor het eerst in het kader van de gerechtelijke procedure, een nieuw motief inroepen, dat verschilt van de motivering in het bestreden dwangbevel en dat die motivering niet ondersteunt. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Algemeen (belasting over de toegevoegde waarde) Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer ________ terechtzitting van 07-04-2009 BELASTINGEN Nr.2007/AR/2762 - in de zaak van: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, in de persoon van: - de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, die woonplaats kiest op het BTW-Ontvangkantoor te BRUGGE, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G.Vincke-Dujardinstraat 4, - de Directeur van de BBI GENT, wiens kantoren gevestigd zijn te 9050 GENT (LEDEBERG), Gaston Crommenlaan 6 bus 801, appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. NOSEDA Frédéric loco mr. VAN DER PERRE Joseph, advocaat te 8460 OUDENBURG, Westkerksestraat 9 tegen: DECOSTER N.V., met maatschappelijke zetel te 8820 TORHOUT, Korenbloemstraat 52; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0425.525.736, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. LEEUWERCK Tony loco mr. DE LANGHE Frank, beiden advocaat te 8790 WAREGEM, Henri Lebbestraat 109 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
- Procedure Bij verzoekschrift van 16 november 2007 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 11 september 2007 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard met veroordeling van de appellant tot het betalen van de gerechtskosten. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het het dwangbevel van 7 oktober 2004 bekrachtigt. De appellant vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerde vordert in hoofdorde de bevestiging van het bestreden vonnis. Subsidiair vordert zij dat het Hof zou vaststellen dat de appellant toegeeft dat voor minstens 28 van de 48 transporten het bewijs van vervoer is geleverd en minstens deze BTW en de corresponderende boetes en interesten zou ontheffen. Nog meer subsidiair vordert de geïntimeerde dat het Hof minstens de boete volledig zou kwijtschelden. De advocaat van de geïntimeerde heeft op de openbare terechtzitting van 10 maart 2009 verduidelijkt dat de vraag, geformuleerd in conclusies om het ‘vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad", overgebleven is uit de eerste aanleg maar dat de geïntimeerde geen voorlopige tenuitvoerlegging (meer) vordert en ook de voorlopige tenuitvoerlegging van het arrest niet vordert. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies
- Feitelijke gegevens De geïntimeerde is een vennootschap die voor de BTW geregistreerd is voor de activiteit van varkenshandel. In 1996, 1997 en 1999 heeft de geïntimeerde onder andere diverse vrachten varkens verkocht en gefactureerd aan de SA Europig, vennootschap naar Luxemburgs recht, in Luxemburg gevestigd en in Luxemburg geregistreerd voor de BTW. De geïntimeerde heeft die verkopen gefactureerd als intracommunautaire levering en dus met vrijstelling van BTW krachtens artikel 39bis WBTW. De betalingen gebeurden met (buitenlandse) cheques. Na een eerste BTW-controle in november 2000 (die werd afgesloten), heeft de controledienst aangekondigd op 29 maart 2001 een nieuwe controle te zullen uitvoeren. Met betrekking tot de leveringen aan Europig hebben de controleambtenaren (waaronder een BBI-ambtenaar) aan de geïntimeerde gevraagd om alle bewijsstukken voor te leggen. De geïntimeerde bezorgde haar bewijsstukken eind april
- Op 20 februari 2002 stuurde de BBI aan de geïntimeerde een aangetekende brief waarin zij vroeg om de reeds meegedeelde stukken aan te vullen. Er werd in het bijzonder gevraagd om ook stukken die waren opgemaakt door andere diensten (bijv. gezondheidscertificaten, documenten met betrekking tot de uitvoer van slachtvarkens, enz.) over te maken. Na uitstel te hebben gevraagd, bezorgde de geïntimeerde op 3 juni 2002 de volgende aanvullende stukken betreffende de leveringen in 1999: - alle facturen en betalingsbewijzen (rekeninguittreksels m.b.t. de inning van cheques); - kopie van de buitenlandse cheques geïnd via Fortis; - een verklaring van KBC dat de cheques die via hen geïnd werden, verloren zijn gegaan; - uitvoerdocumenten van slachtvarkens; - een overzicht van betalingen van uitvoerretributies. Met betrekking tot de uitvoerdocumenten van slachtvarkens werd verduidelijkt dat deze niet voor alle facturen konden worden voorgelegd omdat de uitvoer van de varkens op die facturen aangevraagd was door een derde, meestal de NV Devanop, namelijk omdat het vervoer gezamenlijk werd georganiseerd. Er werd ook meegedeeld dat de nummercertificaten voor de uit te voeren varkens door de geïntimeerde aangevraagd waren bij het Ministerie van Landbouw en dat dit ministerie meegedeeld had dat het de certificaten rechtstreeks aan de appellant zou meedelen. Er werd ook een bespreking van de bewijsmiddelen op kantoor gevraagd. Op 30 augustus 2004 stuurde de appellant aan de geïntimeerde een kennisgeving tot verlenging van de taxatietermijn met de volgende tekst: Bij toepassing van art. 81 bis, §1, 1ste lid WBTW verjaart de vordering tot voldoening van de BTW, interesten en administratieve geldboetes na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de BTW, interesten en administratieve geldboetes zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding, bedoeld in de artikelen 70 en 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Bij toepassing van artikel 84ter WBTW (ingevoegd bij art. 53 van de wet van 15/3/1999) wordt u hierna kennis gegeven van de vermoedens van belastingontduiking die te Uwen aanzien bestaan voor jaar 1999: Bij de controle van 29 maart 2001 heeft de controleagent vastgesteld dat u m.b.t. bepaalde in het jaar 1999 door u verrichte intracommunautaire leveringen geen bewijs kan voorleggen welke voorzien is in het BTW-wetboek. Op grond van deze gegevens wordt overgegaan tot de uitbreiding van de periode. Op 31 augustus 2004 stelt de controledienst een proces-verbaal op wegens gebrek aan bewijs van de echtheid van de verzending of het vervoer buiten België, maar binnen de Europese Gemeenschap met betrekking tot de varkens die de geïntimeerde factureerde aan Europig in
- Daarin werden de volgende bedragen verschuldigd verklaard: - 52.548,99 euro BTW; - 105.090,00 euro proportionele geldboete (200%) en - de interest volgens artikel 91 §1 WBTW. Bij gebrek aan betaling werd op 7 oktober 2004 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 31 augustus 2004, vermeerderd met de moratoire interest op de verschuldigd verklaarde geldboete en met de vervolgingskosten. Het dwangbevel werd op 12 oktober 2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en aan de geïntimeerde betekend op 19 oktober
- Nadat de geïntimeerde kennelijk vastgesteld had dat geen stukken van het Ministerie van Landbouw (ondertussen het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, hierna FAVV) in het administratief dossier staken, en daarom met die instantie contact moet opgenomen hebben, heeft het FAVV op 19 november 2004 naar de appellant geschreven met bijvoeging van 28 afschriften van nummercertificaten die waren opgemaakt en afgeleverd met het oog op de uitvoer van varkens van de geïntimeerde. In die brief wordt vermeld dat de betreffende uitvoer ook gemeld werd aan de officiële diensten van bestemming (in het buitenland). Nadat een administratief bezwaar van de geïntimeerde door de appellant werd afgewezen, stelde de geïntimeerde met een verzoekschrift van 19 juli 2005 haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. In het vonnis van 11 september 2007 heeft de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge de vordering van de geïntimeerde gegrond verklaard door het dwangbevel van 7 oktober 2004 te vernietigen en de teruggave te bevelen van alle sommen die op grond van dat dwangbevel geïnd of ingehouden werden, meer de interest aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van betaling, maar ten vroegste vanaf 19 juli 2005 (datum van het gerechtelijk verzoekschrift). De appellant werd ook veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten. Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
- Betwistingen 3.
- De grief van het hoger beroep: de vijfjarige verjaring 3.1.
- De appellant voert aan dat de eerste rechter het dwangbevel ten onrechte heeft nietig verklaard op grond van een schending van artikel 84ter WBTW. Volgens de appellant staat het vast dat de geïntimeerde de BTW-reglementering overtrad met frauduleuze inzichten. In het bijzonder zou de bedoeling bestaan hebben om aan Europig een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Europig zou nagelaten hebben intracommunautaire verwervingen te doen in Luxemburg, noch in de andere landen van bestemming van de varkens waardoor de BTW niet aan de Schatkist zou zijn afgedragen. Europig zou vervolgens failliet gegaan zijn. De geïntimeerde zou de zaakvoerder van Europig, de heer P., al jarenlang gekend hebben en zou, in het bijzonder door de varkens te vervoeren naar andere landen dan Luxemburg, namelijk naar Duitsland, Oostenrijk en Italië, de fraude van Europig gemakkelijk gemaakt hebben. Ten tijde van het opstellen van het dwangbevel zou deze fraude afgeleid zijn geweest door het feit dat de geïntimeerde het bewijs van het vervoer naar het buitenland niet kon leveren. Toen naderhand de keuringsattesten door het FAVV werden voorgelegd, is volgens de appellant gebleken dat de fraude erin gelegen was dat de varkens niet naar Luxemburg gingen, terwijl dat volgens de facturatie wel het geval was. De appellant erkent dat de motivatie voor de uitbreiding van de taxatietermijn overeenkomstig artikel 84ter WBTW summier is, maar hij stelt dat er voorafgaande briefwisseling is waaruit het standpunt van de beide partijen blijkt. 3.1.
- De geïntimeerde wijst erop dat artikel 84 ter WBTW voorschrijft dat in de brief waarin de uitbreiding van de 3-jarige taxatietermijn wordt aangekondigd, kennis moet worden gegeven van nauwkeurige indicaties van de vermoedens van belastingontduiking. Volgens haar bevat het bericht slechts vage aanduidingen. Bovendien zou de verlenging van de taxatietermijn volgens de kennisgeving slechts gebaseerd zijn op het feit dat de geïntimeerde bepaalde bewijzen niet kon voorleggen en dus niet wegens een werkelijk vermoeden van belastingontduiking. De geïntimeerde zet verder uitvoerig uiteen waarom zij geen bedrieglijk inzicht, noch het oogmerk om te schaden zou hebben gehad. 3.1.
- Beoordeling De appellant heeft zich voor het opstellen van het bestreden dwangbevel, zoals blijkt uit zijn brief van 30 augustus 2004, gebaseerd op artikel 81bis §1, 2de lid WBTW om de verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen. Artikel 84ter WBTW luidt als volgt: Indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, §1, tweede lid, toe te passen, moet de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode. Deze wettelijke bepaling houdt in dat de voorafgaande brief van 30 augustus 2004 nauwkeurig had moeten aanduiden wat de vermoedens zijn die de appellant deden besluiten dat de geïntimeerde zich in 1999 aan belastingontduiking schuldig had gemaakt. Zoals hoger al in het feitenrelaas werd weergegeven, heeft de appellant zich evenwel beperkt tot de volgende motivering voor de uitbreiding van de verjaringstermijn wegens belastingontduiking: Bij de controle van 29 maart 2001 heeft de controleagent vastgesteld dat u m.b.t. bepaalde in het jaar 1999 door u verrichte intracommunautaire leveringen geen bewijs kan voorleggen welke voorzien is in het BTW-wetboek. De eerste rechter heeft met reden geoordeeld dat deze vermelding niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 84ter WBTW. De motivering duidt slechts aan dat de geïntimeerde niet de krachtens de wet vereiste bewijzen voor (vrijgestelde) intracommunautaire leveringen kon voorleggen maar laat na op enige manier te verduidelijken welke elementen (vaststaande feiten die de grondslag voor een vermoeden vormen) zouden wijzen op bedrieglijk opzet of op het oogmerk om te schaden of eventuele andere aspecten waaruit het frauduleus handelen van de geïntimeerde - dat door de appellant vermoed werd - zou hebben bestaan. Nu de rechtzetting, opgenomen in het bestreden dwangbevel, niet gedaan werd na een voorafgaande schriftelijke kennisgeving die voldoet aan de voorwaarden van artikel 84ter WBTW, is die rechtzetting nietig. Deze grief is dus ongegrond. 3.
- Zevenjarige verjaringstermijn 3.2.
- De appellant beroept zich - nu voor het eerst, in graad van hoger beroep - subsidiair op de zevenjarige termijn voorzien in artikel 81bis, §1, 3de lid, 3° WBTW. Overstappen van de vijfjarige naar de zevenjarige verjaringstermijn, zou wel degelijk mogelijk zijn. In het bijzonder zou zij over een termijn van 7 jaar beschikt hebben ingevolge het verkrijgen van bewijskrachtige gegevens vanwege het Ministerie van Landbouw, dienst FAVV. Uit die gegevens zou gebleken zijn dat de geïntimeerde de regels van het intracommunautair driehoeksverkeer volledig negeerde en dat de geïntimeerde bepaalde handelingen niet heeft aangegeven vermits er dieren zouden zijn gekeurd die niet werden gefactureerd. 3.2.
- De geïntimeerde stelt dat het beroep van de appellant op de zevenjarige verjaringstermijn een volstrekt nieuw argument is. Zij betwist dat de overstap van de vijfjarige naar de zevenjarige termijn mogelijk is. Verder betwist de geïntimeerde dat zou zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 81bis, §1, 3de lid, 3° WBTW. Meer bepaald zouden alleen bewijskrachtige gegevens die afkomstig zijn van een andere federale belastingadministratie in aanmerking komen. Gegevens van het FAVV zouden daar niet onder vallen. Hoewel er geen wetsartikel bestaat dat een voorafgaande kennisgeving over de toepassing van de zevenjarige taxatietermijn oplegt, zou de toepassing van die termijn een bestuurshandeling zijn die overeenkomstig de Wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen zou moeten gemotiveerd worden; een dergelijke motivering zou nooit zijn gegeven, althans niet op het moment waarop de uitgebreide taxatietermijn werd toegepast vermits alleen een andere motivering, namelijk deze voor de vijfjarige termijn, werd meegedeeld. Er zouden bovendien voor de toepassing van artikel 81bis, §1, 3de lid, 3° WBTW niet alleen aanwijzigen maar bewijskrachtige gegevens moeten verstrekt worden; de geïntimeerde stelt de beweringen omtrent fraude in haren hoofde volledig te weerleggen zodat er geen bewijskrachtige gegevens zouden zijn. De geïntimeerde stelt ook dat de appellant ten onrechte ingeroepen heeft dat de zevenjarige termijn gestuit werd door de betekening van het dwangbevel, maar dat dit onmogelijk is omdat de feiten waarop de zevenjarige termijn wordt gebaseerd, namelijk het verkrijgen van de gegevens vanwege het FAVV, dateert van na die betekening. 3.2.
- Beoordeling Het artikel 81bis §1, derde lid, 3° WBTW waarop de appellant zich subsidiair beroept, luidt als volgt: In afwijking van het eerste en tweede lid is de bedoelde verjaring er bovendien na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer: (. . .) 3° bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn. De appellant steunt zich in dat verband op de stukken die door het FAVV op 19 november 2004 aan de BBI zijn overgemaakt. Dat zouden bewijskrachtige stukken zijn in de zin van het geciteerde wetsartikel. Ten onrechte voert de geïntimeerde aan dat alleen bewijskrachtige gegevens in aanmerking zouden komen die afkomstig zijn van andere belastingadministraties. Deze interpretatie van de wet zou inhouden dat aan de duidelijke wettekst een voorwaarde wordt toegevoegd. De geïntimeerde laat evenwel met reden gelden dat het bestreden dwangbevel gevestigd werd op basis van een totaal andere motivering dan deze die de zevenjarige verjaringstermijn kon onderschragen. Zoals uit het feitenrelaas blijkt, heeft de appellant de BTW, boeten en interesten en vervolgingskosten door middel van het dwangbevel van 7 oktober 2004 verschuldigd verklaard op grond van de stelling dat de geïntimeerde niet bewees dat de varkens die in 1999 aan Europig gefactureerd werden, naar het buitenland, maar binnen de Europese Gemeenschap waren verzonden of vervoerd. Om zich op de zevenjarige verjaringstermijn te kunnen beroepen, stelt de appellant nu dat de geïntimeerde de regels van het intracommunautair driehoeksverkeer volledig negeerde en dat de geïntimeerde bepaalde handelingen niet heeft aangegeven vermits er dieren zouden zijn gekeurd die niet werden gefactureerd. De stelling omtrent de schending van de regels van het intracommunautair driehoeksverkeer gaat - volgens de uitvoerige uitleg die de appellant geeft - in elk geval uit van het (niet langer betwiste) feit dat alle varkens wel degelijk vervoerd werden naar een EG-lidstaat (dus naar het buitenland, binnen de Europese Gemeenschap). Om zich te beroepen op de zevenjarige verjaringstermijn, voegt de appellant niet alleen feitelijke elementen toe aan het proces-verbaal en het bestreden dwangbevel, maar wijzigt hij zowel de feitelijke als de juridische grondslag ervan. Ook de toegepaste verjaringstermijn zelf maakt trouwens deel uit van de juridische grondslag van een dwangbevel. In die omstandigheden bevat het bestreden dwangbevel geen afdoende motivering voor de door de appellant (in subsidiaire orde) nagestreefde taxatie en invordering. Krachtens artikel 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen van 29 juli 1991 moet het bestuur immers de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd. Het betreft een nieuw motief. Ter verantwoording van de bestreden BTW-schuld kan de appellant niet rechtsgeldig voor het eerst in het kader van de huidige procedure, een nieuw motief inroepen, dat verschilt van de motivering in het dwangbevel van 7 oktober 2004 en dat die motivering niet ondersteunt (vgl. Cass. 1 december 2005, rolnr. C03054N, www.cass.be, met concl. Adv.Gen. D. Thijs). Ook dat middel is dus ongegrond. In die omstandigheden zijn de overige middelen van de appellant niet langer dienstig zodat ze door het Hof niet moeten beoordeeld worden.
- De gerechtskosten De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van deze aanleg dragen. Voor de vaststelling - wat het hoger beroep betreft - van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, hebben de beide partijen verklaard akkoord te gaan met de toepassing van het maximumbedrag, gelet op de complexiteit van de zaak. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro bevindt, is het maximumbedrag van 10.000,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis. veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van deze aanleg, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellant: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 10.000,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 10.000,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ZEVEN APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. M.Vanderbeeken D.Vandeputte G.Tillekaerts A.De Meue Nr.Rept.2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div