id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090416.4 Rolnummer: 2007/AR/1876 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-09-18 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 19:34 Fiche
- Wanneer de verkoper van een tot de failliete boedel behorende onroerend goed zich beroept op een clausule in de verkoopsovereenkomst dat het goed slechts met haar toestemming mag worden doorverkocht en deze toestemming slechts wenst te verlenen mets betaling door de curatoren van een bepaald bedrag, dat de curatoren onder voorbehoud betalen en wanneer de curatoren in hun dagvaarding strekkende tot terugbetaling van dit bedrag, aanvoeren dat het bedrag moet worden terugbetaald omdat het een schuld in en niet van de boedel betreft, behoort de aldus aangebrachte betwisting tot de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van koophandel (art. 574, 2° Ger. Wetb.) nu het gaat om een geschil dat rechtstreeks voortspruit uit het faillissement en waarvan de gegevens voor de oplossing ervan zich bevinden in het bijzonder stelsel dat het faillissement beheert.
- Gelet op het feit dat de curatoren de betaling aan de verkoper hebben gedaan onder voorbehoud van hun recht om nadien hun gehoudenheid te betwisten, dient dit als een voorwaardelijke betaling te worden geanalyseerd, en kunnen de curatoren aantonen dat de (ontbindende) voorwaarde zich heeft gerealiseerd en op die grond terugbetaling vorderen.
- Het beding dat een goed niet mag worden doorverkocht dan met de voorafgaande toestemming van de verkoper, is te beschouwen als een vervreemdingsverbod en is niet tegenwerpelijk aan de samenlopende schuldeisers. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: bevoegdheid rechtbank van koophandel voorwaardelijke betaling Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 16 april 2009 2007/AR/1876 in de zaak van: STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoren gevestigd op het stadhuis te 2018 ANTWERPEN, Grote Markt 1, appellante, hebbende als raadslieden mr. COEN Christophe, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A en mr. SAGAERT Vincent, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 99 tegen:
- D.......... L........, advocaat, met kantoor te ......................................... eerste geïntimeerde,
- D.......... K........, advocaat, met kantoor te..............................................-, tweede geïntimeerde, beiden handelend in hun hoedanigheid van curator over het faillissement van BETER WONEN B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 9120 Beveren-Kieldrecht, Oud Arenberg 46, ingeschreven met KBO-nummer 0424.835.056, hiertoe aangesteld bij vonnis d.d. 29.10.2002 van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, en hebbende als raadsman mr. WAUMAN Pieter, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 20.07.2007 heeft de Stad Antwerpen hoger beroep aangetekend tegen een vonnis op 04.05.2007 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van koophandel te Dendermonde, 6e kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
- De feiten die aan de basis liggen van huidig geschil kunnen als volgt worden samengevat. De Stad Antwerpen verkocht in 1977 drie aaneengesloten loten bouwgrond (loten 252, 253, 254) gelegen aan de Schorenlei/Scheldelei aan de BVBA Beter Wonen tegen een prijs van 57,92 euro per vierkante meter. De verkoopsvoorwaarden bepaalden dat binnen de drie jaar na het verlijden van de akte een gebouw onder dak moest staan. Artikel 15 van dezelfde verkoopsvoorwaarden bepaalde: "het is de koper verboden het goed voort te verkopen indien hij niet aan de verplichting tot bebouwing, integratie en/of renovatie/restauratie heeft voldaan. Ontheffing van deze voorwaarde kan slechts bekomen worden in geval van heirkracht, en mits uitdrukkelijke en voorafgaandelijke toestemming van het college van burgemeester en schepenen van de stad en mits uitdrukkelijke voorwaarde dat de herverkoopprijs niet hoger mag zijn dan de verkoopprijs, bedongen in de akte van verkoop, ongeacht de intussen gederfde rente van het geïnvesteerde kapitaal. In dat geval geldt, ongeacht een verleende toelating tot herverkoop, een recht van voorkoop in hoofde van de stad-verkoopster". Op lot 254 werd een appartementscomplex opgericht. Op lot 253 werd een aanvang genomen met de werken, maar deze dienden omwille van financiële moeilijkheden van de BVBA Cleys Algemene Bouwwerken, ten gunste van wie werd verzaakt aan het recht van natrekking en aan wie toelating tot bouwen werd verleend, te worden stopgezet. Lot 252 bleef onbebouwd. De BVBA Beter Wonen is in faling verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde van 29.10.
- De curatoren bekwamen machtiging tot verkoop uit de hand van de loten 253 en 252 en notaris Dirk Stoop werd aangesteld om over te gaan tot de verkoop van deze loten. Notaris Stoop heeft conform voormeld artikel 15 toestemming gevraagd aan de Stad Antwerpen om tot verkoop over te gaan. Het autonoom gemeentebedrijf AG Vespa heeft daarop, bij brief van 20.02.2006, namens de Stad Antwerpen aan de notaris meegedeeld dat werd ingestemd met de verkoop op voorwaarde dat de helft van de gerealiseerde meerwaarde aan de Stad zou toekomen. Na kennisname van dit standpunt hebben de curatoren betwist dat de Stad Antwerpen haar toestemming afhankelijk kon maken van de betaling van de helft van de meerwaarde. Maar om de verkoop van de percelen niet in het gedrang te brengen, hebben zij aan notaris Stoop instructie gegeven om onder voorbehoud van alle rechten van de boedel, de helft van de meerwaarde, nl. een bedrag van 345.463,61 euro, aan de Stad Antwerpen te betalen. De curatoren hielden zich uitdrukkelijk het recht voor om het geschil ter betwisting aan de rechtbank voor te leggen en in de notariële koopakte werd de volgende verklaring ingelast: "Voornoemde curatoren zijn echter van mening dat voormelde verkoopsvoorwaarden van de Stad Antwerpen niet tegenstelbaar zijn aan de faling en dat zij niet gebonden zijn door deze voorwaarden bij de onderhavige verkoop van voormelde onroerende goederen. De curatoren geven opdracht aan ondergetekende Notaris Dirk Stoop om een som ten belope van ...(345.463,61 euro ) onder alle voorbehoud te storten op rekening van AG VESPA, voornoemd.". Nadien zijn de curatoren overgegaan tot de vordering van terugbetaling van voormeld bedrag. 2.1 Voor de rechtbank van koophandel te Dendermonde, die zij op basis van art. 574, 2° Ger.W. bevoegd achtten, vroegen de curatoren dat voor recht zou worden gezegd dat de door hen gevorderde vergoeding van 345.463,61 euro moet worden aanzien als een schuldvordering in de boedel en niet als een schuldvordering van de boedel. Tevens vroegen zij voorbehoud om de door de Stad Antwerpen aldus in te dienen vordering in de massa te betwisten. Tenslotte vroegen zij de veroordeling van de Stad Antwerpen tot het terugbetalen aan de boedel van voormeld bedrag, meer gerechtelijke interest. 2.2 De Stad Antwerpen besloot in hoofdorde tot de onbevoegdheid van de rechtbank van koophandel (de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen volgens haar bevoegd zijnde). Ondergeschikt vroeg zij de vordering af te wijzen als ongegrond.
- Bij het bestreden vonnis heeft de eerste rechter, na zich bevoegd te hebben verklaard, in essentie geoordeeld dat de verbintenis om toestemming te vragen aan de Stad Antwerpen voortvloeiend uit artikel 15 van de algemene verkoopsvoorwaarden niet diende gerespecteerd te worden door de curatele gelet op artikel 46 van de Faillissementswet gezien de boedel duidelijk nadeel ervan ondervond doordat de toestemming werd gekoppeld aan de betaling van een vergoeding. Voorts oordeelde de eerste rechter dat de bepalingen waarop de Stad Antwerpen zich beroept niet voortspruiten uit een door de curator met de Stad Antwerpen gesloten overeenkomst, zodat de schuld niet als een schuld van de boedel kan worden beschouwd. De vordering van curatele werd dan ook in al haar onderdelen ingewilligd. 4.1 Met haar hoger beroep beoogt de Stad Antwerpen het teniet doen van het bestreden vonnis en vraagt zij het hof, opnieuw wijzende: - in hoofdorde te oordelen dat de rechtbank van koophandel te Dendermonde niet bevoegd was en de zaak overeenkomstig art. 643 Ger.W. te verwijzen naar het hof van beroep te Antwerpen; - ondergeschikt, de initiële vordering ongegrond te verklaren bij gebrek aan onverschuldigde betaling; - meer ondergeschikt, te erkennen dat de vordering van de Stad Antwerpen tegen de curatele een boedelschuld is; - meest ondergeschikt: de nietigheid uit te spreken van de verkoop en de curatele te veroordelen tot een schadevergoeding provisioneel geraamd op 1,00 euro. 4.2 De curatele vraagt het hoger beroep af te wijzen en het bestreden vonnis te bevestigen. beoordeling
- De Stad Antwerpen blijft de bevoegdheid van de eerste rechter betwisten. Zij stelt dat de huidige betwisting geen geschil is dat rechtstreeks is ontstaan uit het faillissement en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toepassing is op het stelsel van het faillissement in de zin van artikel 574, 2° Ger.W.. Derhalve zou de rechtbank van koophandel te Dendermonde, die het faillissement van de BVBA Beter Wonen uitsprak, niet bevoegd zijn geweest, maar wel de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Bijgevolg zou dit hof de zaak, bij toepassing van artikel 643 Ger.W. moeten verwijzen naar het hof van beroep te Antwerpen. Het hof kan dit standpunt niet bijtreden. De volstrekte bevoegdheid wordt bepaald naar het onderwerp van de vordering en bij de beoordeling van die bevoegdheid moet niet van het werkelijk, door de rechter op te sporen voorwerp van het geschil worden uitgegaan, maar van de vordering in de bewoordingen waarin ze door de eiser is gesteld. In hun dagvaarding hebben de curatoren gesteld dat de Stad Antwerpen ten onrechte haar toestemming tot wederverkoop afhankelijk meende te kunnen maken van de betaling van de helft van de meerwaarde. De curatoren stelden dat de Stad Antwerpen dat niet kon omdat de door de gefailleerde in de aankoopakte aangegane verbintenis om het goed, zolang het niet bebouwd was, niet te verkopen zonder de voorafgaande toestemming van de Stad Antwerpen, geen zakenrechtelijk karakter had maar hoogstens een persoonlijke verbintenis van de gefailleerde inhield, waarvan de curatoren stelden dat zij die bij toepassing van artikel 46 van de Faillissementswet niet hadden verdergezet. De curatoren leidden daaruit af dat de door de Stad Antwerpen gevorderde vergoeding wegens wederverkoop, voor zover gegrond, overeenkomstig het bepaalde van art. 46, 2e lid van de Faillissementswet, moest worden aangezien als een schuldvordering in de boedel en niet als een schuldvordering van de boedel. Daaruit volgde, steeds volgens de curatoren in hun dagvaarding, dat de betaling van 345.463,61 euro die onder alle voorbehoud werd gedaan, onverschuldigd was gebeurd en dat zij diende te worden terugbetaald. In het beschikkend gedeelte van de dagvaarding vroegen zij: - voor recht te zeggen dat de door de Stad Antwerpen gevorderde vergoeding een schuld in de boedel en niet van de boedel was; - hen voorbehoud te verlenen om de aldus door de Stad Antwerpen in de massa te dienen vordering te betwisten; - de Stad Antwerpen te horen veroordelen tot terugbetaling van de som van 345.463,61 euro, meer rente. De aldus voorgedragen vordering is wel degelijk een tot de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbank van koophandel behorend faillissementsgeschil in de zin van artikel 574, 2° Ger.W.. Aan de beide voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling is immers voldaan. Ten eerste gaat het hier om een geschil dat rechtstreeks is ontstaan uit het faillissement. Het geschil zoals aangebracht door de curatoren vindt zijn juridische oorzaak in het faillissement. De kern van de betwisting zoals de curatoren die hebben voorgedragen, is immers of de vergoeding die de Stad Antwerpen meende te kunnen eisen (de helft van de meerwaarde), afgezien van de vraag of deze gegrond is, een schuld in de boedel of een schuld van de boedel is, gegeven het feit dat de curatoren stelden dat zij de louter persoonlijke verbintenis van de gefailleerde om niet te verkopen zonder de toestemming van de Stad Antwerpen, bij toepassing van artikel 46 van de Faillissementswet niet wensten verder te zetten. Dat laatste toont meteen aan dat ook aan de tweede voorwaarde voor toepassing van artikel 574, 2° Ger.W. is voldaan, met name dat de gegevens voor de oplossing van het geschil zoals aangebracht door de curatoren zich bevinden in het bijzonder recht dat het stelsel van het faillissement beheerst. De vraag of een schuld een schuld van de boedel of een schuld in de boedel is en de vraag of artikel 46 van de Faillissementswet al dan niet van toepassing is en wat de gevolgen zijn van de toepassing ervan, zijn geschillen waarvoor de oplossing ligt in het bijzonder recht dat het faillissement beheerst. De argumentatie van de Stad Antwerpen dat het werkelijk voorwerp van het geschil een loutere discussie over onverschuldigde betaling zou zijn, is niet dienend nu niet het werkelijk voorwerp, maar het voorwerp zoals door de curatoren in de dagvaarding voorgedragen bepalend is voor de beoordeling van de bevoegdheid. Overigens belet het feit dat de vordering van de curatoren zou zijn gebaseerd op onverschuldigde betaling niet dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 574, 2° Ger.W. is voldaan, met name dat het geschil rechtstreeks voortspruit uit het faillissement en dat de gegevens voor de oplossing gelegen zijn in het recht dat het stelsel van het faillissement beheerst. De rechtbank van koophandel te Dendermonde heeft zich dus terecht bevoegd verklaard om kennis te nemen van huidig geschil en er is geen reden om de zaak te verwijzen naar het hof van beroep te Antwerpen.
- De Stad Antwerpen voert aan dat de vordering van de curatoren van meet af aan moet worden afgewezen omdat deze vordering slechts kan zijn gebaseerd op onverschuldigde betaling en niet is voldaan aan de voorwaarden voor het welslagen van een vordering op deze grond omdat - zoals de curatoren volgens de Stad Antwerpen zelf zouden toegeven - er wel degelijk een bestaande schuld werd betaald, weze het een schuld van of een schuld in de boedel. Ook dit standpunt kan niet worden bijgetreden. Ten eerste hebben de curatoren niet erkend dat de Stad Antwerpen hoe dan ook over een schuldvordering beschikt, zij het dat het een schuldvordering tegen de gefailleerde zou zijn, in te dienen in het faillissement. Vóór de dagvaarding hebben de curatoren het standpunt ingenomen dat het voormeld artikel 15 van de verkoopsvoorwaarden aan de faling niet tegenstelbaar is. Dit werd met zoveel woorden in de notariële akte geacteerd: "Voornoemde curatoren zijn echter van mening dat voormelde verkoopsvoorwaarden van de Stad Antwerpen niet tegenstelbaar zijn aan de faling en dat zij niet gebonden zijn door deze voorwaarden bij de onderhavige verkoop ‘(..)". Welnu, indien de curatoren de mening waren toegedaan dat het vervreemdingsverbod hen niet tegenstelbaar was en zij het eigenlijk mochten negeren, dan houdt dit in dat zij van oordeel waren dat de Stad Antwerpen geen enkele grond had om haar toestemming - die de curatoren, in hun visie, niet nodig hadden - afhankelijk te maken van de betaling van de helft van de meerwaarde en dat zij dus niet over een vordering ten belope van de helft van de meerwaarde beschikte. Ook in de dagvaarding, waar de curatoren het blijkbaar enigszins over een andere boeg hebben gegooid en met name hebben geargumenteerd dat de (eventuele) vordering van de Stad Antwerpen hoe dan ook slechts een schuld in de massa en niet van de massa is, hebben zij het nodige voorbehoud gemaakt ten aanzien van het bestaan van de vordering. Zij hebben geschreven dat de vordering, indien gegrond, slechts een schuld in de boedel was en zij hebben zich tevens het recht voorbehouden om de eventueel in het faillissement in te dienen vordering te betwisten. Ook in conclusies hebben zij steeds dit standpunt aangehouden. Ten tweede is het hof van oordeel dat, zelfs indien zou moeten worden vastgesteld dat de curatoren een bestaande vordering betaalden, dit de terugvordering niet belet indien de curatoren aantonen dat de schuld een schuld in de massa en niet van de massa is en zij om die reden niet gehouden waren tot betaling. De curatoren hebben de helft van de meerwaarde door de notaris laten uitbetalen aan de Stad Antwerpen onder het uitdrukkelijk voorbehoud van hun recht om nadien voor de rechtbank te betwisten dat zij deze helft van de meerwaarde aan de Stad Antwerpen dienden te betalen. Dit voorbehoud was algemeen, zodat de curatoren zich het recht voorbehielden om op welke grond ook nadien te argumenteren dat zij dat bedrag niet aan de Stad Antwerpen moesten betalen. De curatoren hebben zich met andere woorden het recht voorbehouden om nadien voor de rechtbank te argumenteren dat zij dat bedrag niet aan de Stad Antwerpen moesten betalen
(1)hetzij omdat de Stad Antwerpen helemaal niet het recht had om dat bedrag te eisen en er dus geen vordering was,
(2)hetzij omdat de vordering van de Stad Antwerpen maar een schuld in de massa was en niet een schuld van de massa. De door de Stad Antwerpen aangehaalde rechtspraak waar werd beslist dat in situaties waar een bedrag wordt betaald aan een schuldeiser met miskenning van de voorrechten van andere schuldeisers of met miskenning van een gelegd beslag, deze betaling niet onverschuldigd is omdat dan een bestaande schuld wordt betaald en er dus geen sprake is van een onverschuldigde betaling, kan niet zomaar worden getransponeerd naar voorliggend geval. In deze gevallen ging het immers telkens om situaties waar per vergissing werd betaald en waar terecht - bij toepassing van het principe dat een vergissing niet vereist is voor een vordering op grond van onverschuldigde betaling, maar het ook niet volstaat dat een betaling per vergissing gebeurt om deze te kunnen terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling - terugvordering werd afgewezen omdat, ondanks de vergissing, een bestaande schuld werd betaald. De situatie die zich hier voordeed is totaal verschillend. Hier werd, om pragmatische redenen en met name om de verkoop niet in het gedrang te brengen, door de curatoren bewust een bedrag betaald waarvan uitdrukkelijk werd gesteld dat de Stad Antwerpen daar eigenlijk geen recht op had. Dergelijke situatie kan worden geanalyseerd als een voorwaardelijke betaling, nl. een betaling onder de (ontbindende) voorwaarde dat nadien in rechte wordt vastgesteld dat het bedrag niet moest worden betaald. Daarbij dient opgemerkt dat de betaling een (eenzijdige) rechtshandeling is waarvan de uitvoering perfect aan een voorwaarde kan worden gekoppeld. Indien de voorwaarde vervuld wordt - in casu wanneer in rechte wordt vastgesteld dat de curatoren niet dienden te betalen - wordt de betaling geacht nooit te zijn geschied en dient het bedrag te worden terugbetaald. In die zin kunnen de curatoren worden bijgetreden waar zij stellen dat hun vordering niet steunt op de figuur van de onverschuldigde betaling, maar op "het voorbehoud", wat er eigenlijk op neerkomt dat zij stellen dat een voorwaardelijke betaling werd verricht en dat de voorwaarde vervuld is. 3.1 De hamvraag die in de eerste plaats moet worden beantwoord is of de curatoren gebonden waren door artikel 15 van de verkoopsvoorwaarden dan wel of zij deze bepaling gewoon konden negeren. Partijen plaatsen deze discussie in de sleutel van artikel 46 §1 van de Faillissementswet. Voorafgaand aan de vraag of hier toepassing kon worden gemaakt van deze bepaling, dient echter de vraag te worden gesteld of artikel 15 van de verkoopsvoorwaarden tegenwerpelijk is aan de massa. Artikel 46 van de Faillissementswet regelt slechts het lot van aan de massa tegenwerpelijke overeenkomsten/verbintenissen. Indien een overeenkomst of een eruit voortspruitende verbintenis niet tegenwerpelijk is aan de massa, komt men niet toe aan de toepassing van artikel
- 3.2 Artikel 15 van de verkoopsvoorwaarden houdt in dat zolang het goed onbebouwd is, het niet mag worden verkocht dan met de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de Stad Antwerpen en met dien verstande dat de herverkoopprijs niet hoger mag zijn dan de oorspronkelijke verkoopprijs. Het beding dat het goed niet mag worden wederverkocht dan met de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de Stad Antwerpen is te beschouwen als of minstens gelijk te stellen met een vervreemdingsverbod. De koper is immers volledig afhankelijk van de toestemming van de verkoper, die naar goeddunken beslist of er kan worden verkocht of niet. Dergelijk vervreemdingsverbod heeft geen externe werking en is met name niet tegenwerpelijk aan de samenlopende schuldeisers, zoals in geval van faillissement. Een vervreemdingsverbod is immers niet verenigbaar met het principe dat het gehele vermogen van de schuldenaar tot onderpand van de schuldeiser strekt (art. 7 Hyp.W.). De curatoren hoefden dan ook met dit aspect van artikel 15 geen rekening te houden. Dit geldt echter niet voor de bepaling dat de wederverkoopprijs niet hoger mag zijn dan de oorspronkelijke aankoopprijs, voorwaarde die ertoe strekt speculatie te voorkomen en die ook in verband moet worden gebracht met het voorkooprecht dat de Stad Antwerpen zich voorbehield in artikel
- Artikel 7 Hyp.W. verzet er zich niet tegen dat aan dergelijke bepaling, die immers het goed niet aan het verhaal van de schuldeisers onttrekt, externe werking wordt toegekend. Het verhaal van de schuldeisers wordt door deze bepaling weliswaar beperkt nu de waarde van het goed erdoor beperkt is tot de aankoopprijs, maar dit belet de tegenwerpelijkheid van het beding niet nu de schuldeisers het vermogen van de schuldenaar moeten nemen zoals zij het aantreffen, mét de beperkingen die eraan vastkleven. Dat het beding geen zakenrechtelijk karakter heeft, doet aan deze principes geen afbreuk. 3.
- In tweede orde stelt zich dan de vraag of de curatoren bij toepassing van artikel 46 van de Faillissementswet konden beslissen om artikel 15 van de verkoopsvoorwaarden, meer bepaald het aspect dat er niet mocht worden wederverkocht aan een hogere prijs dan de aankoopprijs, naast zich neer konden leggen. 3.3.1 Artikel 46 van de Faillissementswet luidt als volgt: "Na hun ambtsaanvaarding beslissen de curators onverwijld of zij de overeenkomsten die gesloten zijn voor de datum van faillietverklaring en waaraan door dat vonnis geen einde wordt gemaakt, al dan niet verder uitvoeren. De partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, kan de curators aanmanen om die beslissing binnen de vijftien dagen te nemen. Indien geen verlenging van termijn is overeengekomen of indien de curators geen beslissing nemen, wordt de overeenkomst geacht door toedoen van de curators te zijn verbroken vanaf het verstrijken van deze termijn; de schuldvordering van de schade die eventueel verschuldigd zou zijn aan de mede-contractant wegens de niet-uitvoering, wordt opgenomen in de boedel. Indien de curators beslissen de overeenkomst uit te voeren, heeft de medecontractant recht, ten laste van de boedel, op de uitvoering van de verbintenis in zoverre zij betrekking heeft op prestaties geleverd na het faillissement". 3.3.2 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de verkoopovereenkomst waarbij de Stad Antwerpen de percelen verkocht aan de gefailleerde, een lopende overeenkomst is in de zin van artikel
- Hieronder dienen immers te worden verstaan contracten die dateren van vóór de faillietverklaring, waaraan door het faillissement geen einde wordt gesteld en waarvan de uitvoering op het ogenblik van de faillietverklaring door de debiteur-gefailleerde nog niet was voltooid. Vermits het verbod voor de BVBA Beter Wonen om de loten 252 en 253 zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van de Stad Antwerpen te vervreemden nog steeds gold op het ogenblik van de faillietverklaring, is hier sprake van een lopende overeenkomst. 3.3.3 Inzake lopende overeenkomsten geldt als uitgangspunt dat het faillissement geen einde stelt aan een bestaande overeenkomst, tenzij deze overeenkomst een uitdrukkelijk ontbindend beding inhoudt of intuitu personae met de gefailleerde gesloten is. Geen van deze gevallen doet zich terzake voor. Uit dit principe volgt dat een overeenkomst die aan de boedel kan worden tegengeworpen in beginsel door de curator moet worden uitgevoerd (vgl. Cass. 24 juni 2004, T.B.H. 2005, 241). Artikel 46 van de Faillissementswet, dat alle tegenwerpelijke overeenkomsten gesloten door de gefailleerde aangaat, voorziet op dit beginsel een uitzondering. De bevoegdheid die de curator aan deze bepaling ontleent, blijft echter beperkt tot hetgeen vereist wordt door het goed beheer van de boedel en de vrijwaring van het beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers. Dit houdt in dat de curator een einde kan stellen aan een overeenkomst die de gefailleerde bindt indien de beëindiging van die overeenkomst noodzakelijk is voor het beheer van de boedel als een goed huisvader, onverminderd de rechten die dan voortvloeien voor de mede-contractant van de failliet verklaarde wegens niet-uitvoering van de overeenkomst (Cass. 24 juni 2004). Deze noodzakelijkheid voor het beheer van de boedel bestaat wanneer de voortzetting van de overeenkomst de vereffening van de boedel belet of de vereffening ervan abnormaal bezwaart. De loutere omstandigheid dat de goederen een mindere verkoopwaarde hebben, verhindert op zich beschouwd de normale afwikkeling van het faillissement niet (Cass. 10 april 2008, NjW 2008, 494). 3.3.4 Terzake belette de in artikel 15 vervatte voorwaarde dat de wederverkoopprijs niet hoger mag zijn dan de aankoopprijs, de vereffening van het faillissement niet. Dit beding verhinderde de verkoop van het goed geenszins. Evenmin bezwaarde deze voorwaarde de boedel op abnormale wijze. Ook buiten faillissement had het goed maar kunnen worden doorverkocht aan hoogstens de aankoopprijs. Het vermogen van de gefailleerde, onderpand van de schuldeisers die, zoals gezegd, dat vermogen moeten nemen met de beperkingen die eraan vastkleven, bestond met andere woorden maar uit een waarde gelijk aan de aankoopprijs van de percelen. De omstandigheid dat door het bestaan van het beding een mindere opbrengst kon worden gerealiseerd voor de massa, volstaat niet om het bij toepassing van artikel 46 Faillissementswet te kunnen negeren. Door op basis van artikel 15 betaling te eisen van de helft van de meerwaarde werd tenslotte ook geen afbreuk gedaan aan het beginsel van de gelijkheid onder de schuldeisers. Door slechts de helft van de meerwaarde op te eisen toonde de Stad Antwerpen zich inschikkelijk en bekwamen de schuldeisers meer dan wat de gefailleerde in normale omstandigheden, buiten faillissement, had kunnen bekomen van de verkoop. In die omstandigheden is de gelijkheid onder de schuldeisers niet verbroken.
- Uit wat voorafgaat volgt dat artikel 15 van de verkoopsvoorwaarden, in zoverre het bepaalde dat de wederverkoopprijs niet hoger mocht zijn dan de aankoopprijs, aan de curatoren tegenwerpelijk was en door hen moest worden gerespecteerd. De Stad Antwerpen kon dan ook als voorwaarde stellen dat de helft van de meerwaarde aan haar diende toe te komen en zij beschikte dus wel degelijk over een vordering tegen de curatele ten belope van dit bedrag. Deze vordering is wel degelijk een schuld van de boedel, vermits het hier gaat om een - weliswaar voorwaardelijke - verbintenis aangegaan door de curatoren in het kader van het beheer en de afwikkeling van het faillissement. Dat artikel 15 van de verkoopsvoorwaarden (uiteraard) reeds bestond vóór het faillissement doet daaraan geen afbreuk. Besloten moet dan ook worden dat de ontbindende voorwaarde waaronder de betaling door de curatoren (nl. dat in rechte wordt vastgesteld dat zij niet dienden te betalen) zich niet heeft gerealiseerd. De vordering van de curatoren tot terugbetaling dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.
- Uit wat voorafgaat volgt tevens dat de curatoren de betaalde som niet kunnen terugvorderen op grond van vermogensverschuiving zonder oorzaak. De vermogensverschuiving heeft wel degelijk een oorzaak, nl. het recht dat de Stad Antwerpen uit artikel 15 putte om betaling van de helft de meerwaarde te eisen. Bovendien heeft de boedel heeft zich daardoor geenszins verarmd nu de Stad Antwerpen in principe kon eisen dat slechts aan aankoopprijs werd wederverkocht.
- Het hoger beroep is derhalve gegrond. De bestreden beslissing dient te worden teniet gedaan en de vordering van de curatoren dient te worden afgewezen.
- De curatoren dienen als in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld tot de gedingkosten. Wat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep betreft, vordert de Stad Antwerpen de basisvergoeding die, bij gebrek aan een verzoek tot afwijking, toewijsbaar is. Gelet op het bedrag van de vordering dient de basisvergoeding te worden begroot op 7.000,00 euro. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en als volgt gegrond: Bevestigt het bestreden vonnis waar het zich bevoegd heeft verklaard, maar doet het teniet waar het de vordering van de curatoren gegrond heeft verklaard en de Stad Antwerpen heeft veroordeeld tot terugbetaling. Opnieuw wijzend: Wijst de vordering van de curatoren af als ongegrond. Verwijst de curatoren in de kosten van beide aanleggen, die aan hun zijde niet dienen te worden begroot daar zij ten hunne laste blijven, en die aan de zijde van de Stad Antwerpen vereffend worden als volgt: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 364,41 euro - rolrecht hoger beroep: 186,00 euro - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.000,00 euro. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op ZESTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div