← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090422.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 22 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090422.12 Rolnummer: 2007/AR/2417 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-04 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 19:37 Fiche De korte verjaringstermijn van artikel 2277 B.W. is van toepassing op een overeengekomen intrest van om het even welke schuldvordering. Zij vindt daarentegen geen toepassing op de verbintenis tot betaling van vergoedende of compensatoire rente boven een hoofdsom toegekend tot vergoeding van schade veroorzaakt door een onrechtmatige daad. Alhoewel wettelijke of conventionele moratoire intresten eveneens dienen ter vergoeding van een - weliswaar contractuele - schade, wordt op basis van de ratio legis van artikel 2277 B.W. aangenomen dat dit bijzonder verjaringsregime daarop van toepassing is. Artikel 1254 B.W. bepaalt dat de schuldenaar van een schuld die rente opbrengt, buiten de toestemming van de schuldeiser, de betaling die hij doet, niet kan toerekenen op het kapitaal eerder dan op de interesten. De schuldeiser kon niet in de loop van de procedure eenzijdig beslissen om de - voor de schuldenaar gunstige - toerekening van de betalingen, waarmee hij had ingestemd, te wijzigen. De bewering van de schuldeiser dat de schuldenaar deze toerekening niet zouden 'geapprecieerd' hebben, kan geen afbreuk doen aan de vaststelling dat zij definitief was. Uit het accessoir karakter van de borgtocht kan niet worden afgeleid dat de juiste omvang van de hoofdschuld reeds moet gekend zijn op het ogenblik van het aangaan ervan, noch zelfs dat de gewaarborgde verbintenis op dat ogenblik reeds moet bestaan (vgl.: Cass., 27 oktober 2000, Arr. Cass., 2000, 1667). De borgstelling voor alle bedragen die de schuldenaar aan de schuldeiser verschuldigd is of zal zijn, is geoorloofd op voorwaarde dat de schulden op het ogenblik van de zekerheidsstelling een bepaald of bepaalbaar karakter hebben. Er wordt aan deze voorwaarde voldaan als de overeenkomst de objectieve gegevens bevat die toelaten de verbintenis van de borg te bepalen wanneer hij door de schuldeiser wordt aangesproken. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERJARING (BURGERLIJK RECHT) - Algemeen (verjaring (burgerlijk recht)) Vrije woorden: - Interesten - Verjaring - Art. 2277 B.W. - Vergoedende rente - Niet-toepasselijkheid - Betaling - Toerekening - Art. 1254 BW - (Geen eenzijdige wijziging) - Borgstelling van alle sommen - Geldigheid Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 22 april 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2417 van: nv KBC BANK, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2, met ondernemingsnr. 0462.920.226, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de achtste kamer dd. 29-6-2007, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. KOSLOWSKI Emmanuel, advocaat te 9100 St.-Niklaas, Breedstraat 1bus 22 tegen :

  1. V. B. J., , en zijn echtgenote
  2. N. C., , beiden wonende te , geïntimeerden,oorspronkelijk verweerders, hebbende als raadsman mr. JOOS Claire, advocaat te 9100 St.-Niklaas, Dr. A. Verdurmenstraat 25 velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 2 oktober 2007, heeft de nv KBC Bank (hierna "KBC" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 29 juni 2007 tussen partijen op tegenspraak werd gewezen door de achtste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Antecedenten I.
  3. In haar dagvaarding, die op 11 februari 2005 werd betekend aan J. V. B. en C. N. (hierna samen "de geïntimeerden" genoemd) zette KBC uiteen dat zij een termijnkrediet had toegekend van 247.893,52 EUR aan de bvba V. B. Management. Tot zekerheid van de terugbetaling van dit krediet beschikte KBC over een hypotheek op een onroerend goed en een pand op de handelszaak van de bvba V. B. voor telkens 99.157,41 EUR. Bovendien hadden de geïntimeerden effecten in pand gegeven. Ten slotte hadden zij zich hoofdelijk borg gesteld tot beloop van 247.893,52 EUR. Zowel de bvba V. B. Management als J.V.B. werden op 19 oktober 1998 in staat van faillissement verklaard. Volgens KBC werd J.V.B. bij de sluiting van het faillissement niet verschoonbaar verklaard. KBC stelde dat het onroerend goed en het handelsfonds door de curator werden gerealiseerd, dat zij uit de verkoop van het gehypothekeerde onroerend goed 144.902,43 EUR ontving, uit de realisatie van haar effectenpand 53.542,82 EUR en bij de sluiting van het faillissement een dividend van 83.936,72 EUR. Na ontvangst van deze bedragen bleef er volgens haar nog 42.117,75 EUR verschuldigd aan intresten, berekend aan 10,75% per jaar, en 127,03 EUR voor "diversen." Zij vorderde dat de geïntimeerden op grond van hun borgstelling van 7 februari 1997 hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van 42.244,78 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding, en tot de gedingkosten.
  4. Bij vonnis van 15 april 2005 verklaarde de eerste rechter de vordering van KBC ontvankelijk en veroordeelde de geïntimeerden reeds tot betaling van de provisionele som van 5.000,00 EUR. De zaak werd voor het overige naar de bijzondere rol verzonden.
  5. In een conclusie neergelegd na dit vonnis vroegen de geïntimeerden dat de rechtbank de vordering van KBC onontvankelijk verklaarde, voor recht zegde dat de toegekende provisie van 5.000,00 EUR niet verschuldigd was, minstens de vordering als ongegrond afwees met veroordeling van KBC tot de gedingkosten. In hoofdorde argumenteerden de geïntimeerden dat de vordering van KBC verjaard was op grond van artikel 2277 van het burgerlijk wetboek. In ondergeschikte orde stelden zij dat zij op grond van de borgstelling niet konden gehouden zijn tot betaling van intresten. Nog meer ondergeschikt wierpen zij op dat KBC naliet mede te delen hoe het gevorderde bedrag was samengesteld. In elk geval kon volgens hen niet meer dan 5.000,00 EUR verschuldigd zijn, aangezien KBC zich naar aanleiding van een door de nv Argenta Bank (hierna "Argenta" genoemd) betekend uitvoerend beslag akkoord had verklaard om haar vordering te beperken tot dit bedrag. Bij tegeneis vorderden de geïntimeerden dat de bij wijze van provisie toegekende som van 5.000,00 EUR als ongegrond werd afgewezen. Bovendien argumenteerden zij dat KBC 32.819,60 EUR meer had ontvangen van de curator en uit de realisatie van het effectenpand dan het bedrag waarvoor haar vordering opgenomen was in het passief van het faillissement. Ten slotte vroegen zij 762,00 EUR terug die KBC had ingehouden van de rekening van C. N.. Zij vorderden aldus de veroordeling van KBC tot betaling van 33.518,60 EUR, meer de vergoedende intresten sedert 1 maart 1999, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.
  6. KBC antwoordde dat artikel 2277 B.W. niet van toepassing was, minstens dat de verjaring gestuit was ingevolge ingebrekestellingen, erkenning van de schuld en de dagvaarding. Verder stelde KBC vast dat de geïntimeerden het blijkbaar niet apprecieerden dat zij de betalingen, die zij ontvangen had, verrekend had op het kapitaal. Zij maakte een nieuwe afrekening op, die in overeenstemming was met artikel 1254 van het burgerlijk wetboek. Zij betoogde dat de borgstelling van de geïntimeerden niet beperkt was tot de terugbetaling van het kapitaal, maar dat zij ook gehouden waren tot de intresten, met dien verstande dat hun borgstelling begrensd was tot een totale som van 247.893,52 EUR. Zij wees erop dat de hoofdschuldenaar de volledige schuld diende te betalen en dat hetgeen zij niet kon recupereren bij de hoofdschuldenaar, verschuldigd was door de hoofdelijke borgen, evenwel beperkt tot het voormelde bedrag. KBC verklaarde de gevorderde rente te steunen op de bepalingen van de op het kredietcontract toepasselijke "Algemene Bepalingen Kredietopening" en betwistte dat zij zich definitief akkoord verklaard had om haar vordering te beperken tot 5.000,00 EUR. Ten slotte wees zij op het gezag van gewijsde van het tussenvonnis van 15 april 2005 en stelde zij vast dat zij in geen geval teveel ontvangen had, zodat de tegeneis ongegrond was. Op basis van haar nieuwe afrekening vorderde KBC de veroordeling van de geïntimeerden tot betaling van 81.216,58 EUR, te vermeerderen met de intresten aan 10,75% per jaar vanaf 31 maart 2006 tot de datum van volledige betaling op 59.603,21 EUR, verminderd met het reeds toegekende bedrag van 5.000,00 EUR. In ondergeschikte orde vorderde zij de hoofdelijke veroordeling van de geïntimeerden tot betaling van 42.244,78 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding en verminderd met het reeds toegekende bedrag van 5.000,00 EUR. Ten slotte vorderde zij de hoofdelijke veroordeling van de geïntimeerden tot de gerechtkosten.
  7. In het bestreden vonnis van 29 juni 2007 overwoog de eerste rechter dat de verjaringstermijn van vijf jaar, zoals voorgeschreven door artikel 2277 B.W., van toepassing was op de oorspronkelijke vordering van KBC met betrekking tot de intresten. Hij stelde vast dat deze verjaringstermijn meermaals was gestuit ingevolge diverse betalingen, die als een erkenning van de schuld te aanzien waren, evenals door de dagvaarding van 11 februari
  8. Hij overwoog dat deze stuiting ook gold ten aanzien van de borg. Hij wees er bovendien op dat de vordering reeds ontvankelijk was verklaard in het vonnis van 15 april
  9. De eerste rechter betoogde dat de geïntimeerden tot beloop van 10.000.000 BEF of 247.893,52 EUR konden aangesproken worden, ook voor betaling van intresten ingevolge aan de hoofdschuldenaar toegekende kredieten. Hij leidde uit een brief d.d. 13 mei 2005 van de raadsman van KBC af dat zij ermee ingestemd had om haar vordering definitief te beperken tot 5.000,00 EUR en dat zij afstand gedaan had van al het meerdere. Wel konden de kosten nog toegekend worden. De eerste rechter zegde voor recht dat de hoofdeis van KBC slechts gegrond was tot beloop van de reeds bij tussenvonnis van 15 april 2005 toegekende som van 5.000,00 EUR, meer de gerechtelijke intresten. De tegeneis verklaarde hij ontvankelijk, doch ongegrond. In zover deze tegeneis betrekking had op de bij tussenvonnis toegekende provisie, verwees de eerste rechter naar wat hij daaromtrent beslist had in verband met de hoofdeis. In verband met het door KBC beweerd teveel ontvangen bedrag, overwoog hij dat de stelling van de geïntimeerden dat KBC niet meer kon ontvangen dan het bedrag waarvoor zij was opgenomen in het passief van het faillissement, onjuist was. Ten slotte veroordeelde de eerste rechter de geïntimeerden hoofdelijk tot de gedingkosten. II.
  10. Het hoger beroep van KBC strekt ertoe dat het hof de geïntimeerden hoofdelijk, in solidum, de ene bij gebrek aan de andere, veroordeelt tot de sommen die zij uiteindelijk gevorderd had voor de eerste rechter, evenals tot de kosten van het geding in beide aanleggen. Zij benadrukt dat het akkoord om haar vordering te beperken tot 5.000,00 EUR werd gegeven onder de noodzakelijke en opschortende voorwaarde dat de geïntimeerden een herfinanciering bekwamen. Deze essentiële voorwaarde werd evenwel niet vervuld, zodat KBC zich "hersteld" acht in haar rechten. KBC stelt dat de samenstelling van haar vordering die resteert na toerekening van de ontvangen sommen in toepassing van artikel 1254 B.W. blijkt uit de voorliggende stukken. Verder benadrukt zij dat de borgstelling van de geïntimeerden niet beperkt is tot de terugbetaling van het kapitaal, maar dat zij gehouden zijn tot betaling van de volledige schuld, met inbegrip van de intresten, doch beperkt tot 247.893,52 EUR. Ten slotte wijst zij erop dat de gevorderde intresten beantwoorden aan de "Algemene Bepalingen Kredietopening."
  11. De geïntimeerden vragen dat het hof het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond verklaart. Bij incidenteel hoger beroep vorderen zij dat de vordering van KBC onontvankelijk, minstens ongegrond wordt verklaard en dat zij veroordeeld wordt tot de gedingkosten in beide aanleggen. Zij vorderen bovendien de terugbetaling door KBC van 33.518,60 EUR, meer de vergoedende intresten sedert 1 maart 1999 en de gerechtelijke intresten. In ondergeschikte orde vragen zij de bevestiging van het bestreden vonnis "in de mate dat het niet werd aangevochten". De geïntimeerden roepen ook in hoger beroep de verjaring in. Zij wijzen erop dat de vordering volgens de dagvaarding betrekking had op intresten, die verjaren door verloop van vijf jaren. Zij stellen vast dat het faillissement dateert van 1998 en er pas gedagvaard werd in
  12. Zij betwisten dat de uitgevoerde betalingen de lopende verjaring hebben gestuit, aangezien zij betrekking hadden op terugbetaling van kapitaal. Ten gronde stellen zij vast dat KBC haar vordering in de loop van het geding wijzigde door een andere toerekening van de betaalde sommen toe te passen. Zij wijzen erop dat uit hun vraag over de samenstelling van het oorspronkelijk gevorderde bedrag niet kon afgeleid worden dat zij niet akkoord gingen met de toerekening van de betalingen, zoals ze oorspronkelijk was gebeurd. Bovendien argumenteren zij dat de wijze van toerekenen, zoals bepaald in artikel 1254 B.W., niet van toepassing is op betalingen die de curator doet in het kader van de vereffening van het faillissement. Verder betogen de geïntimeerden dat zij zich op grond van de borgstelling slechts hebben verbonden tot 10.000.000 BEF en dat, wanneer de hoofdverbintenis dit maximumbedrag bereikt, zij niet verder gehouden zijn en de intresten en de kosten niet gewaarborgd zijn. Tevens wijzen zij erop dat in de borgstellingsakte niet gespecificeerd is of de conventionele of de wettelijke intresten verschuldigd zijn, zodat de omvang van hun verbintenissen niet voldoende bepaald werd en deze clausule als nietig moet worden beschouwd, minstens van strikte interpretatie is en dat daarop artikel 1162 B.W. moet worden toegepast. Zij stellen overigens vast dat de kredietovereenkomst een conventionele rente van 5,75% per jaar vermeldt, terwijl KBC 10,75% per jaar aanrekent. Zij benadrukken dat hun verplichtingen niet verder kunnen strekken dan deze van de kredietnemers. Verder stellen de geïntimeerden dat zij de Algemene Bepalingen van de Kredietopening niet hebben ondertekend, zodat zij daardoor niet gebonden zijn. Zij verwijten KBC bovendien getalmd te hebben met het invorderen van het beweerde saldo, zodat zij zelf verantwoordelijk is voor de sedert de sluiting van het faillissement verlopen intresten. De geïntimeerden betogen dat de schuldvordering van KBC slechts voor 249.562,36 EUR aanvaard werd in het faillissement van de bvba V. B. Management, terwijl zij niet betwist reeds 284.734,17 EUR ontvangen te hebben, zodat de geïntimeerden het teveel betaalde dienen terug te ontvangen. Voor het geval dat het hof niettemin zou oordelen dat KBC niet teveel ontvangen heeft, moet haar vordering volgens de geïntimeerden in elk geval beperkt worden tot 5.000,00 EUR, aangezien zij naar aanleiding van een door Argenta betekend uitvoerend onroerend beslag onvoorwaardelijk afstand gedaan heeft van het gedeelte van haar vordering dat deze som overtrof. De geïntimeerden ontkennen dat een herfinanciering een voorwaarde was voor de afstand en stellen dat het niet toevallig is dat KBC met het oog op het tussenvonnis haar vordering herleidde tot 5.000,00 EUR. B. Beoordeling I. Het hoger beroep van KBC, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerden. II.
  13. Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten, die van uitkeringen uit levensonderhoud, huren van huizen en pachten van landeigendommen, intresten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, verjaren door verloop van vijf jaren (artikel 2277 B.W.). Deze wetsbepaling strekt ertoe de termijnschuldenaar te beschermen tegen een voortdurende aangroei van zijn schuld doordat geldsommen op basis van een zelfde rechtsgrond, op opeenvolgende vervaldagen die bij het jaar of bij kortere termijnen zijn bepaald, betaalbaar worden. (CASS. 13 maart 2008, www.cass.be). Deze korte verjaringstermijn is van toepassing op een overeengekomen intrest van om het even welke schuldvordering (vgl. CASS. 24 mei 1996, Arr. Cass. 1996, 496). Zij vindt daarentegen geen toepassing op de verbintenis tot betaling van vergoedende of compensatoire rente boven een hoofdsom toegekend tot vergoeding van schade veroorzaakt door een onrechtmatige daad (vgl.: CASS. 4 oktober 1990, Arr. Cass. 1990-91, 124; CASS. 1 december 1994, Arr. Cass. 1994, 1034). Alhoewel wettelijke of conventionele moratoire intresten eveneens dienen ter vergoeding van een - weliswaar contractuele - schade, wordt op basis van de ratio legis van artikel 2277 B.W. aangenomen dat dit bijzonder verjaringsregime daarop van toepassing is (vgl. MARCHANDISE, M., La prescription libératoire en matière civile, Les dossiers du journal des tribunaux, De Boeck & Larcier, Brussel, 2007, nr. 93, p. 94-95).
  14. Volgens de inleidende dagvaarding d.d. 11 februari 2005 voor de eerste rechter, had de vordering van KBC voor een bedrag van 42.244,78 EUR, tot beloop van 42.117,75 EUR betrekking op intresten, afgerekend aan 10,75% per jaar tot en met 31 januari
  15. KBC rekende intrest aan vanaf 19 oktober 1998 tot 7 augustus 2003, datum waarop de hoofdsom van haar vordering volledig was aangezuiverd (brief d.d. 30 januari 2004 van KBC - stuk 12 van KBC). De verjaring wordt gestuit door een dagvaarding, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen (artikel 2444 B.W.). Ook de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring (artikel 2248 B.W.; vgl. CASS. 13 november 1995, Arr.Cass. 1995, 1010). De stuitende werking van de dagvaarding van 11 februari 2005 heeft tot gevolg dat de vordering alvast niet verjaard is, wat de intresten betreft die verschuldigd zijn geworden vanaf 11 februari
  16. Voor de intresten die op deze datum reeds verschuldigd waren en nog niet betaald zouden zijn geweest, toont KBC niet aan dat de verjaring gestuit werd. Er ligt geen bevel tot betaling, noch een beslag voor, terwijl zij, noch aan de hand van de voorliggende briefwisseling, noch anderszins, aantoont dat de geïntimeerden erkend zouden hebben intresten verschuldigd te zijn.
  17. KBC legt een gedetailleerd overzicht voor van alle "kredietverrichtingen" op de rekening op naam van de bvba V. B. Management vanaf 19 oktober 1998 tot 10 oktober 2005 (stuk 20 van KBC). Dit overzicht vermeldt over deze periode de evolutie van het vervallen kapitaal enerzijds en van de intresten anderzijds, evenals de toerekening van de gedane betalingen. Daaruit blijkt dat deze betalingen eerst geboekt werden op het kapitaal, dat op 7 augustus 2003 volledig terugbetaald was, na aanrekening van een deel van het slotdividend dat KBC ontvangen had uit het faillissement. Het saldo van dit dividend, namelijk 31.832, 20 EUR, werd aangewend in mindering van de intresten, die op dat ogenblik 74.598,94 EUR bedroegen. Na aftrek van deze betaling bleef er op dat ogenblik 42.766,74 EUR aan intresten verschuldigd. De voormelde betaling van 31.832,20 EUR dient aangerekend te worden op de oudste intresten (artikel 1256, tweede lid B.W.). Volgens het overzicht van KBC waren er op 1 februari 2000 intresten verschuldigd voor 30.964,43 EUR. In februari 2000 kwam daar 1.582,40 EUR bij, zodat op 1 maart 2000 het bedrag der intresten 32.546,83 EUR was. Pro rata berekend tot 11 februari 2000 was er (30.964,43 + (1.582 x 11/29 =) 600,22 = ) 31.564,65 EUR rente verschuldigd. Dit bedrag was volledig terugbetaald met de toerekening op 7 augustus 2003 van de, na terugbetaling van de hoofdsom, beschikbare som van 31.832,20 EUR. De door KBC thans nog gevorderde rente betreft bijgevolg volledig de periode na 11 februari
  18. Haar vordering is dan ook ontvankelijk en niet verjaard. III.
  19. Artikel 1254 B.W. bepaalt dat de schuldenaar van een schuld die rente opbrengt, buiten de toestemming van de schuldeiser, de betaling die hij doet, niet kan toerekenen op het kapitaal eerder dan op de interesten. Uit het hoger aangehaald overzicht van de verrichtingen op de rekening van de bvba V. B. Management blijkt dat KBC ermee heeft ingestemd dat de betalingen eerst werden toegerekend op het kapitaal. Zij heeft in haar brief van 8 augustus 2003 aan de raadsman van de geïntimeerden betaling gevraagd van het saldo, dat rente betrof. Zij heeft dit voortdurend herhaald in haar verdere briefwisseling en op 11 februari 2005 uiteindelijk ook in rechte betaling daarvan gevorderd. Zij kon niet in de loop van de procedure eenzijdig beslissen om de - voor de geïntimeerden gunstige - toerekening van de betalingen, waarmee zij had ingestemd, te wijzigen. Haar bewering dat de geïntimeerden deze toerekening niet zouden "geapprecieerd" hebben, kan geen afbreuk doen aan de vaststelling dat zij definitief was. Het blijkt overigens niet dat de geïntimeerden bezwaar geformuleerd hebben tegen deze toerekening. Zij hebben enkel vragen gesteld bij de berekening van de intresten. De gewijzigde of uitgebreide vordering, die KBC thans in hoofdorde stelt en die steunt op een afrekening waarbij de aanvankelijke toerekening van de betalingen werd gewijzigd, is bijgevolg niet gegrond.
  20. Bij akte van borgstelling van 7 februari 1997 stelden de geïntimeerden zich hoofdelijk en ondeelbaar borg voor alle bedragen die de bvba V. B. Management "alleen of samen met derden heden of in de toekomst verschuldigd zijn of zullen zijn aan" de coöperatieve vennootschap CERA, de rechtsvoorganger van KBC, "uit hoofde van alle mogelijke bankverrichtingen en bankdiensten van welke aard ook, bijvoorbeeld als gevolg van bestaande of toekomstige kredietopeningen of leningen (ongeacht het professionele of privé-oogmerk) toegestaan aan de kredietnemers of aan één van hen [waarbij de bvba V. B. Management als "de kredietnemers" werd omschreven], debetstanden in rekening, het gebruik van betaalmiddelen, beurstransacties, transacties met handelspapier, aansprakelijkheden, door CERA Bank verleende borgtochten of garanties ten voordele van de bij haar aangesloten CERA-vennootschappen of andere derden, door de kredietnemers aan CERA bank verleende borgtochten voor verbintenissen van derden of andere bedragen die door de kredietnemers rechtstreeks of onrechtstreeks verschuldigd zijn. Deze opsomming is geenszins beperkend en geldt enkel als voorbeeld." De verbintenis van de borg is naar haar aard een accessoire verbintenis (artikel 2011 B.W.; CASS., 16 december 1994, Arr. Cass. 1994, 1121). Uit het accessoir karakter van de borgtocht kan evenwel niet worden afgeleid dat de juiste omvang van de hoofdschuld reeds moet gekend zijn op het ogenblik van het aangaan ervan, noch zelfs dat de gewaarborgde verbintenis op dat ogenblik reeds moet bestaan (vgl.: CASS., 27 oktober 2000, Arr. Cass., 2000, 1667). De borgstelling voor alle bedragen die de schuldenaar aan de schuldeiser verschuldigd is of zal zijn, is geoorloofd op voorwaarde dat de schulden op het ogenblik van de zekerheidsstelling een bepaald of bepaalbaar karakter hebben. Er wordt aan deze voorwaarde voldaan als de overeenkomst de objectieve gegevens bevat die toelaten de verbintenis van de borg te bepalen wanneer hij door de schuldeiser wordt aangesproken. De aangehaalde omschrijving laat toe de verbintenissen van de borg te bepalen op het ogenblik dat zij door de schuldeiser worden aangesproken en voldoet aldus aan het bepaalbaarheidsvereiste (vgl., DIRIX, E., Overzicht van Rechtspraak, Zekerheden, T.P.R., 2004, nr. 199, p. 1291). Aangezien bovendien niet blijkt dat de borgtocht strijdig is met enige (andere) wettelijke bepaling, hebben de geïntimeerden zich rechtsgeldig als borgen verbonden. Deze borgstelling strekte tot waarborg van alle verbintenissen van de bvba V. B. Management ten aanzien van (de rechtsvoorganger van) KBC.
  21. De borgstellingsakte bepaalde verder: "De borgen verbinden zich evenwel slechts tot een bedrag van 10.000.000 (tien miljoen) BEF. Ten belope van dit bedrag wordt aldus de betaling van de door de kredietnemers verschuldigde bedragen van welke aard ook (zoals kapitaal, intresten, nalatigheidsintresten, provisies, wederbeleggings- en schadevergoedingen en alle andere gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten) gewaarborgd. Deze tekst is duidelijk. Daarin staat niet, zoals de geïntimeerden voorhouden, dat zij niet gehouden zijn tot dat gedeelte - in hoofdsom of intresten - van de hoofdverbintenis dat 10.000.000 BEF overschrijdt. De borgstelling strekt integendeel tot zekerheid van alle verbintenissen van de bvba V. B. Management van welke aard ook ten aanzien van KBC, dus ook voor de verbintenissen die de som van 10.000.000 BEF te boven gaan. Het is het bedrag waartoe de geïntimeerden kunnen aangesproken worden dat beperkt is tot 10.000.000 BEF of 247.893,52 EUR.
  22. Ten onrechte houden de geïntimeerden voor dat in de borgstellingsakte niet gespecificeerd is of de conventionele of de wettelijke intresten verschuldigd zijn. Daarin wordt onder nr. 4 gesteld: "Vanaf de dag van ingebrekestelling van de borgen, zullen deze laatsten - bij verzuim van onmiddellijke betaling van het door hen op basis van bovenvermelde bepalingen verschuldigde bedrag - bovendien van rechtswege en zonder ingebrekestelling die nalatigheidintresten en kosten verschuldigd zijn welke de kredietnemers in geval van nalatigheid of desgevallend bij opzegging van de kredieten aan CERA Bank verschuldigd zijn." De geïntimeerden hebben zich aldus verbonden tot betaling van nalatigheidsrente vanaf de datum dat zij bij afzonderlijke aangetekende brieven in gebreke gesteld werden om hun verbintenissen als borg uit te voeren, namelijk op 30 oktober 1998, aan de rentevoet die bedongen was ten aanzien van de hoofdschuldenaar.
  23. Het kredietcontract dat de bvba V. B. Management ondertekende bepaalt dat daarop, naast de specifieke voorwaarden en modaliteiten die daarin waren opgenomen, ook de "Algemene Bepalingen Kredietopening" van toepassing waren. Artikel 8.2 van deze "Algemene Bepalingen Kredietopening" luidt als volgt: "Het op de dag van de beëindiging, overeenkomstig de in onderhavige voorwaarden vermelde principes, vastgesteld eisbaar saldo zal onmiddellijk, van rechtswege en zonder ingebrekestelling verschuldigd zijn en bij CERA Hoofdkantoor of de bij de haar aangesloten CERA-kantoren moeten betaald worden. Tot de gehele terugbetaling zal op het niet-betaalde debetsaldo van rechtswege een intrest verschuldigd zijn, berekend tegen het tarief dat CERA Bank op dat ogenblik aanrekent voor kaskredieten, verhoogd met een marge van 4%". Op het ogenblik van de beëindiging van het krediet bedroeg de basisrente voor kaskredieten 7,25% per jaar, zodat KBC contractueel gerechtigd was een nalatigheidsrente van 11,25% per jaar aan te rekenen. Deze rentevoet ligt hoger dan de door haar gevorderde. De omstandigheid dat de geïntimeerden de "Algemene Bepalingen Kredietopening" niet ondertekend hebben, doet geen afbreuk aan het feit dat zij, op grond van de hoger vermelde voorwaarde (nr.4) uit de borgstelling, rente verschuldigd zijn, die berekend is in toepassing van deze "Algemene Bepalingen."
  24. Vanaf het vonnis van faillietverklaring houdt de rente van schuldvorderingen, die niet gewaarborgd zijn door een bijzonder voorrecht, pand of hypotheek, op te lopen. Dit geldt evenwel enkel ten aanzien van de boedel (artikel 23 van de faillissementswet van 8 augustus 1997). Borgen kunnen zich niet op deze bepaling beroepen.
  25. Uit de voorliggende stukken blijkt dat de geïntimeerden KBC ten onrechte verwijten getalmd te hebben met de invordering van het door hen verschuldigd bedrag en aldus nodeloos de intresten hebben laten oplopen: - reeds op 30 oktober 1998 stelde KBC de geïntimeerden in gebreke om hun verbintenissen op grond van hun hoofdelijke borgstelling na te leven; indien zij - of een van hen - aan deze aanmaning gevolg hadden gegeven, hadden zij de loop van de intresten kunnen vermijden; zij hadden dan wel het volledige bedrag, waarvoor zij zich borg gesteld hadden, dienen te betalen; - KBC heeft de realisatie van het actief van de bvba V. B. Management door de curator en de realisatie van haar overige zekerheden (hypotheek, pand op het handelsfonds en effectenpand) afgewacht, vooraleer de geïntimeerden verder aan te spreken op grond van hun borgstelling; - onmiddellijk nadat zij het slotdividend van de curator ontvangen had, heeft KBC op 8 augustus 2003 gevraagd naar de intenties van de geïntimeerden over de terugbetaling van het nog resterend saldo van haar vordering, dat ingevolge het voorafgaandelijk realiseren van de andere waarborgen, beperkt bleef tot 42.836,08 EUR; - zij drong vervolgens herhaaldelijk aan op betaling van dit bedrag en liet ondertussen nog weten dat zij de tegoeden op het depositoboekje en op de zichtrekening van C. N. in mindering bracht van de schuld; - KBC wachtte vervolgens weliswaar tot februari 2005 om te dagvaarden, doch het bedrag van haar vordering, dat intresten en (een klein bedrag aan) kosten betrof, groeide niet meer aan sedert het betalingsverzoek van 8 augustus 2003, zodat de geïntimeerden daardoor geen nadeel leden.
  26. Evenmin kunnen de geïntimeerden bijgetreden worden waar zij stellen dat er teveel betaald zou zijn, omdat de schuldvordering van KBC slechts voor 249.562,36 EUR aanvaard werd in het faillissement van de bvba V. B. Management, terwijl zij reeds 284.734,17 EUR ontving. Het bedrag waarvoor opname werd verleend in het faillissement geeft de omvang van de vordering weer op de datum van het faillissement. Dit bedrag dient verhoogd te worden met de sedertdien vervallen nalatigheidsintresten. KBC legt een gedetailleerd overzicht voor van de evolutie van de schulden waarvoor de geïntimeerden zich borg stelden en dit vanaf 19 oktober
  27. De geïntimeerden geven geen enkel concreet punt van kritiek op deze afrekening, waarvan het aanvangsbedrag 239.320,47 EUR is en waarin alle betalingen en aanrekeningen van intresten en kosten vermeld zijn. De geïntimeerden tonen niet aan dat KBC meer zou ontvangen hebben dan uit dit overzicht blijkt, noch dat de in deze afrekening vermelde intresten niet zouden overeenstemmen met de berekeningswijze zoals hoger vermeld of dat de daarin geboekte kosten niet aan de werkelijkheid zouden beantwoorden. De geïntimeerden bewijzen aldus niet dat KBC teveel ontvangen heeft. Hun tegenvordering en hun incidenteel hoger beroep is ongegrond.
  28. De geïntimeerden houden voor dat KBC slechts aanspraak kan maken op 5.000,00 EUR, omdat zij definitief afstand gedaan heeft van het meer gevorderde. 9.
  29. Op 17 mei 2004 legde Argenta uitvoerend onroerend beslag op het woonhuis van de geïntimeerden aan de te . Bij beschikking van 24 februari 2005 stelde de beslagrechter te Dendermonde notaris Leclair te Sint-Niklaas aan om dit onroerend goed openbaar te verkopen. Op ditzelfde onroerend goed was door KBC bewarend onroerend beslag gelegd. 9.
  30. In een brief d.d. 4 mei 2005 van hun raadsman, gericht aan de raadsman van KBC, zetten de geïntimeerden uiteen dat hun financiële toestand niet rooskleurig was, doch dat zij hun woning wensten te behouden en de nodige stappen ondernomen hadden om een eventuele herfinanciering te bekomen, die zou inhouden dat ze aan Argenta de "achterstal" zouden betalen en aan KBC 5.000,00 EUR, zijnde het provisioneel bedrag dat was toegekend ingevolge het vonnis van 15 april
  31. Om deze herfinanciering te kunnen bekomen, diende KBC handlichting te verlenen van het bewarend beslag. De geïntimeerden wezen erop dat, in het andere geval, de woning zou verkocht worden en KBC niets zou ontvangen. Zij vroegen aan KBC akkoord te willen gaan met deze handlichting, mits betaling van 5.000,00 EUR voor slot van alle rekeningen. Zij voegden er nog aan toe dat een financiering van een hoger bedrag - waardoor meer zou kunnen betaald worden aan KBC - totaal onmogelijk was, gelet op hun beperkt inkomen. 9.
  32. De beoogde herfinanciering zou geschieden door middel van een hypothecair krediet bij nv De Limburgse, die op 4 mei 2005 bevestigde dat de kredietaanvraag principieel werd goedgekeurd, mits voldaan was aan een aantal voorwaarden. 9.
  33. Bij brief d.d. 13 mei 2005 van haar raadsman liet KBC aan de notaris, gelast met de openbare verkoping van het woonhuis, weten: "In aansluiting met ons telefonisch onderhoud bevestig ik u het akkoord van mijn cliënte met het voorstel van V. B.-N. dat mits betaling van het bedrag van euro 5.000 handlichting wordt verleend en dit voor slot van alle rekeningen." 9.
  34. KBC wijst erop dat de herfinanciering niet gerealiseerd werd en dat het onroerend goed vooralsnog verkocht werd. De geïntimeerden spreken dit niet tegen. Evenmin tonen zij aan dat de som van 5.000,00 EUR betaald werd. 9.
  35. De geïntimeerden merken op dat de brief die KBC op 13 mei 2005 richtte aan de notaris, niet verwees naar de brief d.d. 4 mei 2005 van hun raadsman en dat het bekomen van een herfinanciering door de geïntimeerden daarin niet als voorwaarde werd gesteld. Daaruit kan evenwel niet besloten worden dat KBC definitief en onvoorwaardelijk afstand deed van het deel van haar vordering dat 5.000,00 EUR overtrof. De omstandigheden waarin KBC haar instemming gaf met de beperking van haar vordering tot 5.000,00 EUR tonen aan dat zij dit akkoord afhankelijk stelde van een spoedige betaling van deze som. De geïntimeerden brengen geen enkel gegeven voor waaruit blijkt dat het akkoord door KBC werd gegeven om een andere reden dan deze vermeld in de brief d.d. 4 mei 2005 van hun raadsman. Daarin werd aan KBC duidelijk gemaakt dat er op dat ogenblik niets te recupereren viel bij de geïntimeerden, aangezien zij slechts een beperkt inkomen hadden en de opbrengst van hun woonhuis in geval van openbare verkoop volledig zou toekomen aan Argenta. KBC zou daarentegen in het kader van de voorgestelde herfinanciering, wel 5.000,00 EUR ontvangen. Deze herfinanciering was reeds aangevraagd, zodat deze som op korte termijn beschikbaar zou zijn. Er kan geen redelijke verklaring gegeven worden - en de geïntimeerden doen dan ook niet - voor een afstand door KBC van het grootste deel van haar vordering, indien het saldo, waarvoor zij geen afstand deed, haar niet op korte termijn werd uitbetaald. In het andere geval kon zij immers wachten tot de geïntimeerden in betere doen waren om haar volledige vordering te recupereren. Dat haar akkoord niet onvoorwaardelijk was, maar kaderde in deze herfinanciering, blijkt niet enkel uit de inhoud van de brief d.d. 4 mei 2005 van de raadsman van de geïntimeerden, maar ook uit de vaststelling dat zij dit akkoord niet aan de geïntimeerden zelf of aan hun raadsman meedeelde, maar aan de notaris, die de handlichting moest verlenen die noodzakelijk was om de herfinanciering en bijgevolg ook de betaling van 5.000,00 EUR mogelijk te maken. KBC vermeldde geen termijn voor de betaling van de som van 5.000,00 EUR. Dit betekende evenwel niet dat het akkoord om haar vordering te beperken tot dit bedrag onbeperkt geldig bleef. Op grond van de inhoud van de hoger aangehaalde brief van 4 mei 2005 mocht KBC veronderstellen dat de herfinanciering op zeer korte termijn zou geregeld zijn. Daarin stelde de raadsman van de geïntimeerden dat hij nog dezelfde namiddag over alle stukken zou kunnen beschikken, zodat KBC mocht aannemen dat de betaling van de som van 5.000,00 EUR een kwestie van dagen of hoogstens weken was. Wanneer zij zich ermee akkoord verklaarde om afstand te doen van het meer gevorderde, mits betaling door de geïntimeerden van 5.000,00 EUR, zonder een termijn te vermelden waarin deze som diende betaald te zijn, dan hield dit in dat zij, wanneer de geïntimeerden nalieten deze som te betalen binnen een redelijke termijn, te kennen kon geven dat zij haar rechten op volledige betaling hernam. Door op 9 januari 2006 een verzoek neer te leggen voor de eerste rechter, waarin zij vroeg een rechtsdag te bepalen in toepassing van het toen geldende artikel 751 Ger.W. en aldus het geding, waarin zij haar vordering stelde, te heractiveren, en door in conclusies van 4 mei 2006 opnieuw betaling te vorderen van het volledige volgens haar verschuldigde bedrag, heeft KBC te kennen gegeven dat zij haar voorstel tot regeling niet langer handhaafde. Zij is gerechtigd op het volledige bedrag, zoals gevorderd in haar oorspronkelijke dagvaarding. IV. De eerste rechter heeft op passende wijze uitspraak gedaan over de gerechtskosten in eerste aanleg. Gelet op de gedeeltelijke gegrondheid van het hoger beroep van KBC en op de ongegrondheid van het incidenteel hoger beroep van de geïntimeerden, zijn de gedingkosten in hoger beroep ten laste van de geïntimeerden. Beide partijen hebben de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep begroot op het basisbedrag van 3.000,00 EUR OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv KBC Bank en het incidenteel hoger beroep van J.V.B. en C. N. ontvankelijk, het incidenteel hoger beroep ongegrond en het principaal hoger beroep in de navolgende mate gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in zover het de tegenvordering van J.V.B. en C. N. ontvankelijk, doch ongegrond heeft verklaard en uitspraak gedaan heeft over de kosten; Doet het voor het overige teniet en, opnieuw recht doende over de vordering van de nv KBC Bank, Veroordeelt J.V.B. en C. N. tot betaling, boven de som van 5.000,00 EUR, toegekend in het vonnis d.d. 15 april 2005 voor de eerste rechter, van de som van ZEVENENDERTIGDUIZEND TWEEHONDERDVIERENVEERTIG EURO EN ACHTENZEVENTIG CENT (37.244,78 EUR) te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet op 42.244,78 EUR vanaf 11 februari 2005 tot de datum van betaling; Wijst het door de nv KBC Bank meer gevorderde af als ongegrond; Veroordeelt J.V.B. en C. N. hoofdelijk tot de gedingkosten in hoger beroep, aan hun zijde niet te begroten, aangezien zij te hunnen laste zijn, en aan de zijde van de nv KBC Bank begroot op 186,00 EUR rolrecht hoger beroep en 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding; Onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 22-4-
  36. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. B. De Wilde G. Danneels E. Dursin A. Van de Putte Rep.nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.