← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090423.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090423.9 Rolnummer: 2006/AR/2908 Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2009-07-02 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-07-02 19:36 Fiche Het wetboek IPR bepaalt de bevoegdheid van de Belgische rechters voor internationale gevallen, onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen. De Verordening Brussel IIbis (Verordening EG nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid) voorziet als bevoegdheidsgrond onder meer in deze van de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten indien één van hen daar nog verblijft. De echtscheiding wordt beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied beide echtgenoten bij de instelling van de vordering hun gewone verblijfplaats hebben (artikel 55, § 1 WIPR). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Algemeen (huwelijk) Vrije woorden: Internationaal huwelijk - echtscheiding - bevoegdheid van de Belgische rechtbanken - toepasselijk recht. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 23 april 2009 ________ Tussenarrest Getuigenverhoor door eerste rechter 2006/AR/2908 - In de zaak van: E. G., wonende te appellante, hebbende als raadsman mr. TUNCER Aytekin, advocaat te 9000 GENT, Clarissenstraat 35 tegen : E. Y., wonende te geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. KACAR Meryem, advocaat te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 velt het hof het volgend arrest: Appellante heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22 november 2006 beperkt hoger beroep ingesteld tegen het op 26 september 2006 uitgesproken vonnis van de 5de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, waarbij: - rechtdoende op de hoofdvordering van geïntimeerde, de echtscheiding op grond van art. 232 (oud) B.W. werd uitgesproken en de aanvang van de feitelijke scheiding werd bepaald op 12 december 2002; - rechtdoende over de nevenvorderingen van geïntimeerde, * voor zover geen onderhandse boedelbeschrijving en minnelijke verdeling niet mogelijk is notaris Luc Jansen, met standplaats te Gent werd aangesteld met opdracht over te gaan tot de boedelbeschrijving, de veiling van de niet gevoeglijk verdeelbare roerende en onroerende goederen, alsmede de vereffening en verdeling van het ontbonden huwelijksvermogensstelsel; * notaris Michel Willems met standplaats te Gent werd aangesteld met opdracht vermeld in art. 1209 al. 3 Ger. W.; - rechtdoende op de vordering van geïntimeerde tot de omkering van het schuldvermoeden overeenkomstig art. 306 (oud) B.W. de zaak voor verdere behandeling werd gesteld op een latere zitting; - recht doende op de tegeneis van appellante tot het horen veroordelen van geïntimeerde tot het betalen aan haar van een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding, deze ontvankelijk werd verklaard en werd verwezen naar de bijzondere rol van de 5de kamer; - werd gezegd voor recht dat het voorbarig is over het meergevorderde te beslissen; - de uitspraak over de kosten werd aangehouden. In haar beroepsconclusies vorderde appellante dat het hof: - het principaal hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren en dienvolgens; * de echtscheiding zou uitspreken lastens geïntimeerde op basis van de duurzame ontwrichting van het huwelijk en het door hem gepleegde overspel; * akte zou nemen van het akkoord van geïntimeerde tot bepaling van de datum van de feitelijke scheiding met ingang van 18 juli 2003; * zou zeggen voor recht dat appellante gerechtigd is tot een persoonlijke onderhoudsuitkering ten belope van 350,00 euro, met ingang van de eerste van de maand volgend op het effectief worden van de uit te spreken echtscheiding; * zou zeggen voor recht dat gezegde onderhoudsuitkering moet betaald worden de eerste van iedere maand ten huize van appellante en van rechtswege gekoppeld is aan de wettelijke index, alsmede appellante zou machtigen dit bedrag in te vorderen bij wijze van delegatie bij iedere derde schuldenaar die aan geïntimeerde om welke reden ook enige vergoeding verschuldigd is; * geïntimeerde zou veroordelen tot alle kosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, nader begroot aan haar zijde; - rechtdoende op het incidenteel hoger beroep (zie hierna), dit zou afwijzen als onontvankelijk en ongegrond (sic). De geïntimeerde vroeg in de laatste conclusies waarop het hof vermag acht te slaan (zie hierna) en neergelegd ter griffie op 23 augustus 2007 dat het hof met betrekking tot het principaal hoger beroep: - zou akteren dat hij geen bezwaar heeft tegen het vaststellen van de feitelijke scheiding op 18 juli 2003; - zou zeggen voor recht dat de vordering van appellante waarbij de echtscheiding in het nadeel van geïntimeerde dient te worden uitgesproken ontvankelijk is, doch als ongegrond dient afgewezen te worden; - zou zeggen voor recht dat de vordering van appellante tot het bekomen van een persoonlijke onderhoudsuitkering na echtscheiding ontvankelijk, doch ongegrond is. Tevens vorderde geïntimeerde op incidenteel beroep dat het hof: - in hoofdorde zou zeggen voor recht dat het schuldvermoeden overeenkomstig art. 306 (oud) B.W. werd weerlegd en dat de echtscheiding in het voordeel van geïntimeerde en lastens appellante wordt uitgesproken; - in ondergeschikte orde, voor het geval de bundel de nodige bewijsstukken niet mocht bevatten ter weerlegging van het schuldvermoeden overeenkomstig art. 306 (oud) B.W., hem zou machtigen om de vermelde feiten te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen; - uiterst ondergeschikt, minstens zou zeggen voor recht dat de echtscheiding in het nadeel van beide partijen wordt uitgesproken; - appellante zou veroordelen tot de kosten van het geding, nader begroot in zijnen hoofde. Op de openbare terechtzitting van 8 januari 2009 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarbij het hof partijen uitnodigde standpunt in te nemen nopens: - de ter zake toepasselijke regelen van internationaal privaatrecht; - het toepasselijk recht in onderhavige zaak; - de rechtsmacht en bevoegdheid van het hof. Appellante verklaarde ter terechtzitting afstand te doen van haar hoger beroep, behoudens wat betreft de datum waarop de feitelijke scheiding een aanvang heeft genomen. Geïntimeerde heeft deze afstand aanvaard. Beide partijen verklaarden akkoord te zijn dat de feitelijke scheiding een aanvang heeft genomen op 18 juli 2003 i.p.v. op 12 december 2002 zoals bepaald door de eerste rechter. Appellante vorderde de wering van de laatste conclusies neergelegd voor geïntimeerde op 7 januari 2009 en ter terechtzitting van 8 januari

  1. Geïntimeerde verklaarde akkoord te gaan om de laatste conclusies in te trekken. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen. BEOORDELING
  2. De ontvankelijkheid van het principaal en incidenteel hoger beroep Het hoger beroep van appellante - voor zover daarvan geen afstand is gedaan - is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren. Appellante werpt de ontoelaatbaarheid en de niet-ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde op, maar brengt geen enkel middel aan, geput uit het materieel dan wel het formeel recht dat van aard zou kunnen zijn om die exceptie te schragen. Vermoedelijk betreft één en ander een loutere stijlformule en inhoudsloze exceptie. Het incidenteel hoger beroep is derhalve bij gebrek aan ambtshalve op te werpen exceptie, wel degelijk toelaatbaar en ontvankelijk.
  3. Feitelijke en procedurele voorgaanden Partijen zijn met elkaar in het huwelijk getreden voor de dienst van de burgerlijke stand te Gömü (Turkije) op 31 juli
  4. Uit dit huwelijk werd op te één kind geboren, te weten S. E.. Op 21 augustus 2006 liet geïntimeerde aan appellante een dagvaarding betekenen strekkende tot het bekomen van de echtscheiding en van voorlopige maatregelen voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
  5. De toepassing van het internationaal privaatrecht
  6. Geïntimeerde, van Belgische nationaliteit, liet appellante, van Turkse nationaliteit, op 21 augustus 2006 dagvaarden in echtscheiding voor de rechter van de laatste echtelijke verblijfplaats ().
  7. Het Wetboek IPR (wet van 16 juli 2004 houdende het wetboek van internationaal privaatrecht, B.S. 27 juli 2004) dat in werking is getreden op 1 oktober 2004, is op de voorliggende casus van toepassing. Art. 2 W.IPR voorziet dat het wetboek de bevoegdheid van de Belgische rechters bepaalt voor internationale gevallen, onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen. Wat betreft de materie van het echtscheidingsrecht gaat het in concreto over de Verordening Brussel IIbis [Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, P.B. L. 2003, afl. 338]. Brussel IIbis voorziet in verschillende alternatieve en evenwaardige bevoegdheidsgronden, waaronder in art. 3.
  8. a) deze van de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten indien één van hen daar nog verblijft (met name geïntimeerde). De vordering werd derhalve wel degelijk voor de territoriaal bevoegde rechter in België ingeleid.
  9. Art. 55, § 1 W.IPR biedt de algemene verwijzingsregel aan voor de echtscheiding bij gebrek aan rechtskeuze. Krachtens art. 55, § 1, 1° W.IPR wordt de echtscheiding beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied beide echtgenoten bij de instelling van de vordering hun gewone verblijfplaats hebben, te dezen door het Belgisch recht. Art. 56, 1e W.IPR omschrijft daarenboven het toepassingsgebied van het recht toepasselijk op de echtscheiding, waaronder de gronden van en de voorwaarden voor de echtscheiding.
  10. De impact van de wet van 27 april 2007 tot hervorming van het echtscheidingsrecht (B.S. 7 juni 2007) In alle procedures tot echtscheiding op grond van fout en tot echtscheiding op grond van feitelijke scheiding ingeleid vóór 1 september 2007 blijven de oude echtscheidingsgronden overspel [art. 229 (oud) B.W.], gewelddaden, mishandelingen en grove beledigingen [art. 231 (oud) B.W.] en feitelijke scheiding van minstens twee jaar [art. 232 (oud) B.W.] van toepassing. Deze echtscheidingsprocedures worden dus nog volledig afgehandeld volgens de oude echtscheidingswetgeving (zie art. 42, § 2, 1ste lid W. 27 april 2007). Desbetreffende overgangsbepaling geldt naar het oordeel van het hof niet enkel voor de procedures in eerste aanleg, doch ook voor de procedures in hoger beroep en dit ongeacht het ogenblik waarop het hoger beroep wordt aangetekend hetzij vóór of nà 1 september 2007, terwijl eveneens de oude procedureregelen van het gerechtelijk wetboek op deze vorderingen toepasselijk blijven. Wat dit laatste betreft wijst het hof er op dat krachtens artikel 21 van de wet van 27 april 2007 het opschrift van afdeling I, boek IV, hoofdstuk XI, van het vierde deel van het gerechtelijk wetboek werd vervangen als volgt: "De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting". De bepalingen van voormelde afdeling kunnen dan ook geen toepassing vinden op de echtscheidingsprocedure die overeenkomstig de overgangsregeling voorzien in artikel 45, §2, 1ste lid van de wet van 27 april 2007 onder de oude echtscheidingswetgeving dient afgehandeld te worden. Eén en ander heeft in onderhavige procedure tot gevolg dat de vordering tot echtscheiding van geïntimeerde ex art. 232, 1ste lid, (oud) B.W., ingesteld bij dagvaarding van 21 augustus 2006, in casu wordt berecht op de oude echtscheidingsgronden.
  11. De afstand De regel van de onbeschikbaarheid van vorderingen van staat geldt niet ten volle m.b.t. vorderingen tot echtscheiding, waar het beginsel van de wilsautonomie van de echtgenoten erkend moet worden voor zover er geen sprake is van collusie. Binnen deze grens is een (beperkte) afstand van hoger beroep die een berusting inhoudt, toegelaten. Van enige collusie tussen de partijen ligt geen enkel bewijs voor. De afstand van het hoger beroep door appellante en voor zoveel als nodig aanvaard door geïntimeerde, kan derhalve gedecreteerd worden.
  12. Het akkoord inzake de aanvang van de feitelijke scheiding Appellante argumenteerde in haar beroepsakte en navolgende conclusies dat de datum voor de aanvang van de feitelijke scheiding dient te worden bepaald op 18 juli 2003 i.p.v. op 12 december 2002 zoals bepaald door de eerste rechter. In zijn conclusies, bevestigd ter terechtzitting, verklaarde geïntimeerde hiermee akkoord te gaan. Er bestaat geen bezwaar om die wijziging waarover geen betwisting (meer) bestaat door te voeren. Het bestreden vonnis dient derhalve op dit onderdeel te worden hervormd.
  13. Het incidenteel hoger beroep Bij wijze van incidenteel hoger beroep vordert geïntimeerde dat het hof zijn vordering tot omkering/relativering van het schuldvermoeden overeenkomstig art. 306 (oud) B.W. gegrond zou verklaren. Hij voert aan dat appellante schuld heeft aan het ontstaan van de feitelijke scheiding nu zij de echtelijke woonst heeft verlaten. Ook het voortduren van de feitelijke scheiding zou veroorzaakt zijn door het foutief gedrag van appellante. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, vermag geïntimeerde, in weerwil van hetgeen appellante voorhoudt, de vordering tot omkering van het schuldvermoeden overeenkomstig art. 306 (oud) B.W. bij wijze van incidenteel hoger beroep wel degelijk onmiddellijk ter beoordeling van het hof voor te leggen en heeft hij terecht in deze instantie opgave gedaan van de door hem gequoteerde grieven. Uit het door geïntimeerde in conclusies opgegeven feitenrelaas distilleert het hof de volgende vier feiten (fouten en tekortkomingen in hoofde van appellante die (mede) aan de oorzaak zouden liggen van het ontstaan, dan wel het voortduren van de feitelijke scheiding) nl.:
  14. appellante wou een luxeleven zonder alledaagse beslommeringen en heeft er de brui aan gegeven toen zij merkte dat het huwelijksleven ook bepaalde verplichtingen van haar zijde vergde;
  15. als dusdanig wou appellante niet instaan voor het huishouden of bijdragen in de plichten van het huwelijk;
  16. appellante heeft geïntimeerde en hun zoontje S. verlaten en is zonder verwittiging teruggekeerd naar haar familie in Turkije;
  17. appellante is kennelijk op 8 juni 2003 teruggekeerd naar België, doch het heeft nog een half jaar geduurd alvorens zij contact heeft opgenomen met geïntimeerde en hun zoontje. Net zoals de eerste rechter oordeelt het hof dat geïntimeerde niet aan de hand van stavingstukken afdoende bewijst dat het ontstaan van de feitelijke scheiding en het voortduren ervan te wijten is aan de fouten en tekortkomingen van de wederpartij. Uit de conclusies en stavingstukken overgelegd door appellante blijkt dat zij de feiten omstandig betwist. Waar de eerste rechter in het bestreden vonnis de vordering van geïntimeerde tot weerlegging van het schuldvermoeden voor verder behandeling uitstelde naar de zitting van 24 april 2007, heeft het bestreden vonnis ook geen melding gemaakt van gequoteerde feiten die voor getuigenbewijs in aanmerking komen. De thans door geïntimeerde aangebrachte feiten zijn voldoende nauwkeurig omschreven in tijd en ruimte om in aanmerking te komen voor verhoor en (eventueel) tegenverhoor, zodat het verzoek van geïntimeerde om deze feiten te bewijzen door alle middelen van recht, getuigenbewijs inbegrepen, dient te worden ingewilligd.
  18. De kosten Gelet op het toestaan van het getuigenbewijs, dient de beslissing over de kosten in beide instanties te worden aangehouden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Zegt voor recht dat de voornaam van appellante "G." luidt en niet "G." zoals vermeld in het bestreden vonnis. Geeft aan appellante akte van de afstand van haar principaal hoger beroep, behoudens voor wat betreft de datum van de aanvang van de feitelijke scheiding door de eerste rechter bepaald; Verklaart het principaal hoger beroep voor zover daarvan geen afstand werd gedaan en het incidenteel hoger beroep beiden ontvankelijk en reeds als volgt gegrond; Doet het bestreden vonnis teniet voor zover het heeft bepaald dat de feitelijke scheiding minstens sedert 12 december 2002 bestaat, en voor zover het de zaak voor verdere behandeling voor wat betreft de betwisting over de schuldvraag heeft uitgesteld naar een latere terechtzitting; Beslist dienaangaande opnieuw en: Zegt voor recht dat de aanvangsdatum van de feitelijke scheiding wordt bepaald op 18 juli 2003; Vooraleer te beslissen over het eventueel omkeren of relativeren van het schuldvermoeden bedoeld in art. 306 (oud) B.W., machtigt geïntimeerde door alle middelen van recht, getuigenbewijs inbegrepen te bewijzen dat:
  19. appellante geïntimeerde en hun zoontje S. heeft verlaten en zonder verwittiging teruggekeerd is naar haar familie in Turkije;
  20. appellante een luxeleven zonder alledaagse beslommeringen wou leiden en er de brui aan heeft gegeven toen zij merkte dat het huwelijksleven ook bepaalde verplichtingen van haar zijde vergde;
  21. appellante als dusdanig niet wou instaan voor het huishouden of bijdragen in de plichten van het huwelijk;
  22. appellante kennelijk op 8 juni 2003 is teruggekeerd naar België, doch het heeft nog een half jaar geduurd alvorens zij contact heeft opgenomen met geïntimeerde en hun zoontje. Verstaat dat het tegenverhoor geïntimeerde rechtens vrijstaat. Zegt dat het getuigenverhoor en eventueel tegenverhoor overeenkomstig art. 918 Ger.W. zullen worden gehouden door een ondervoorzitter, rechter of plaatsvervangende rechter aangeduid door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent; Verstaat dat de laatstgenoemde eveneens de plaats, de dag en het uur zal bepalen van de zitting in raadkamer waarop het getuigenverhoor en eventueel tegenverhoor zal worden gehouden; Verstaat dat de partij die een getuigenverhoor laat houden dient te handelen overeenkomstig art. 922 Ger.W.; Houdt de beslissing over de kosten in beide instanties aan. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 23 april 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Kurt Goossens K. Vandenberghe N. De Turck A. Deene Rep. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.