id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 27 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090427.11 Rolnummer: 2002/AR/0781 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-07-02 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-07-02 19:39 Fiche Geen schending van de auteursrechten, want geen intellectuele inspanning die het werk het nodige individuele karakter geeft. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Architect - Algemeen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht - Algemeen Vrije woorden: Auteursrecht - Plannen architect. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 27-04 2009 Nr. 2002/AR/781 ---------------------- AUTEURSRECHT na tussenarrest in de zaak van : P. C., , wonende te , appellant van het vonnis van de vijftiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 13 februari 2002, hebbende als raadsman mr. Hilde Lievens, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 72, tegen
- C. M., , wonende te , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Jacques Danneels, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Coupure Rechts 156,
- L. D. V., , wonende te
- D. G., , wonende te geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. Frank Burssens, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Burgstraat 38a, velt het Hof volgend arrest : I. Uitwerking van het tussenarrest
- Dit arrest werkt het tussenarrest uit van de eerste kamer van dit Hof van 13 maart 2003, waarin een aantal feiten vastgesteld werden en een deskundigenonderzoek bevolen werd. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak.
- De betwisting handelt over de vraag of de heren D. V. en G. bij de uitvoering van een restauratie aan een historisch pand, gelegen te Gent aan de Lievekaai, de auteursrechten van de heer C. schonden. Alle partijen zijn architecten, behalve eerste geïntimeerde, de heer M., die eigenaar is van het gebouw. De heer M. is de derde eigenaar in een serie van drie die probeerden het pand te laten restaureren. De heren D. V. en G. volgden de heer C. op. Deze laatste had op het ogenblik van zijn opvolging de opmeting uitgevoerd, een bouwkundige analyse gemaakt en het restauratiedossier (eerste fase) van de historische gevels van het gebouw opgemaakt.
- De eerste rechter wees de vordering van de heer C. als ongegrond af, nu geen stukken voorhanden waren die een ‘bouwkundige analyse' door de heer C.uitleggen en aantonen. De intellectuele prestatie van de heer C.is niet aangetoond.
- De algemene conclusie van de deskundige luidt als volgt: "Zoals ik op p. 16 bij ‘opdracht 3' [bij de voorlopige conclusie] reeds neerschreef, is een opmeting een louter technisch gegeven. Bij verdere studie en uitwerking van dergelijke projecten moeten veel ontbrekende elementen ingevuld worden. dit veronderstelt dat de persoon die een dergelijk dossier aangaat ook over een specifieke kennis beschikt. De analyse van aanwezige herkenbare elementen maakt het mogelijk het ontbrekende te hertekenen. Kennis van het verleden, stijlen en technieken zijn daarbij onontbeerlijk. Dit vraagt van alle partijen uiteraard een intellectuele inspanning, doch hier ontbreekt de originele en louter eigen stempel. Het is een herinvulling van een historisch gegeven dat ons enigszins gedicteerd wordt en waarop de diensten voor Monumenten en Landschappen een streng toezicht houden. Het architecturaal resultaat van het werk van geïntimeerde [bedoeld wordt de heren D. V. en G.] is geen kopie van de studie van appellant [de heer C.]. Veel vast te stellen technische elementen zijn identiek omdat het immers over hetzelfde onderwerp gaat. Veel elementen verschillen omdat de opdracht van geïntimeerde ook uitgebreider was en het gebouw enkele jaren later nog meer sporen van verval vertoonde. Het werk van appellant [de heer C.] straalt ongetwijfeld vakbekwaamheid uit, maar het geeft mijns inziens geen uitdrukking aan "een aller individueelste intellectuele benadering, gepaard gaande met een zeer specifieke eigen opgedane kennis en afgewerkt met een aller individueelste emotie". De analyse waarop appellant hamert en als zijn eigen "uitvinding" beschouwt, kan ik niet als een eigen unieke bevinding beschouwen. Mening toegewijd confrater zou naar mijn gevoel tot eenzelfde analyse komen. De aanwezigheid van ‘foute' gelijkenissen sterkt mij in de overtuiging dat geïntimeerden [de heren D. V. en G.] daadwerkelijk over de besproken documenten beschikten, en dat zij deze van bij de start van hun opdracht als basis en als werkdocument hebben gebruikt.". II. Beoordeling Op de volgende gronden verwerpt het Hof het hoger beroep. Enkele principes van het auteursrecht
- Om auteursrechtelijke bescherming te verkrijgen is het een noodzakelijke maar voldoende voorwaarde dat een voortbrengsel de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de maker. Die intellectuele inspanning is de onontbeerlijke voorwaarde om aan het werk het nodige individuele karakter te geven waardoor een vorm ontstaat (Cass., 27 april 1989, Pas., 1989, I, 908; Cass., 2 maart 1993, Pas., I, 234; Cass., 24 februari 1995, R.W., 1995-'96, 433 en I.R. D.I., 1996, 28; Cass., 10 december 1998, R.W. 1999-2000, 325; Cass., 11 maart 2005, www.cass.be). Een origineel werk is een werk, een voortbrengsel met een eigen persoonlijk karakter, dat de stempel draagt van de persoonlijkheid van de maker, op het gebied van de toegepaste kunst (Benelux Gerechtshof, inzake Screenoprints, 22 mei 1987, R.W., 1987-'88, 14), zonder dat uit het zicht van het werk moet kunnen afgeleid worden wie de auteur is. Drukt het werk de activiteit uit van zijn auteur? Heeft het werk een individueel karakter? Een zekere mentale activiteit is vereist, zoniet komt de persoonlijkheid van de auteur niet tot uiting in het werk. Elementen die op zich niet origineel zijn kunnen door de wijze waarop ze samen gebracht zijn een origineel geheel opleveren. De artistieke noch de esthetische waarde zijn relevant om te bepalen of een werk al dan niet auteursrechtelijk beschermd is (Cass., 27 april 1989, Pas., 1989, I, 908; STROWEL, A., "L' originalité en droit d'auteur: un critère à géométrie variable", J.T., 1991, 513 (inz. 514-515)). Handigheid, technische vaardigheid of omvangrijk werk (zonder de persoonlijke inbreng van de maker) zijn onvoldoende opdat een werk auteursrechtelijk beschermd zou zijn. Nieuwheid is in beginsel geen criterium om een werk auteursrechtelijk te beschermen (DE VISSCHER, F. en MICHAUX, B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins, 2000, Brussel, Bruylant, nrs. 23 en 31, met verwijzing; STROWEL, A., "L' originalité en droit d'auteur: un critère à géométrie variable", J.T., 1991, 513-514), net zo min als omvangrijk opzoekingswerk of een grote inspanning om het werk te maken (ibidem). Wat nieuw is, is niet automatisch origineel. Wat origineel is, kan nieuw zijn en zal vaak een aspect van nieuwheid impliceren. De twee begrippen vallen evenwel niet samen. De maker van een later werk mag nog steeds bewijzen dat zijn werk onafhankelijk van het eerste werk tot stand gekomen is. Een origineel werk is niet vanzelfsprekend. Het is ook niet banaal.
- De bewijslast van de heer C.beperkt zich tot het aanduiden waarin de originaliteit van de creatie ligt. Hij dient aan te tonen dat de opmeting, plans en de bouwanalyse het resultaat zijn van zijn eigen keuzes en niet geheel bepaald zijn door de aard van het werk (DE VISSCHER, F. en MICHAUX, B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins, 2000, Brussel, Bruylant, nrs. 24, met referenties).
- Gelet op wat hierna volgt, gaat het Hof niet verder in op de principes van overdracht van auteursrecht. Toepassing op de voorliggende zaak
- Contractueel heeft de heer C.zich de auteursrechten voorbehouden (stukken 1, 2 en 3 van zijn dossier). Geen van de drie geïntimeerden was evenwel contractspartij. In de mate in de overdracht van het dossier, zoals het bestond bij de verbreking van de overeenkomst, een clausule van de overeenkomst overtreden werd, dient de heer C.zich tot de medecontractant te wenden en niet tot geïntimeerden.
- Het lijdt geen twijfel dat de uiteindelijke realisatie verschilt van de stukken, die de heer C.bijbrengt. Dit is alleen al te wijten aan het feit dat de opdracht van de heer M. aan zijn architecten niet geheel dezelfde was als deze van de eerste bouwheer aan de heer C.. Het budget werd ingeperkt van 50 miljoen BEF naar 20 miljoen BEF. Het gebouw was nog verder vervallen dan bij de oorspronkelijke opdracht in
- Het lijdt evenmin twijfel dat een aantal technische elementen dezelfde zijn in de uiteindelijke realisatie en in het dossier van de heer C.. Hierover schrijft de deskundige dat deze technische elementen identiek zijn omdat het over hetzelfde onderwerp gaat. Tenslotte bestaat er geen twijfel over het feit dat de heren D.V. en G. over de meetstaat en de plans van de heer C.beschikten. Dit blijkt uit het feit dat een aantal onjuistheden zowel bij de heer C.als op de tekeningen van de heren D.V. en G. voorkomen. Dit blijkt nog uit het feit dat enkele werken die uitgevoerd werden onder leiding van de heer C.niet voorkomen op de stukken van de heren D.V. en G.. De heer C.toont evenwel niet voldoende aan dat de drie geïntimeerden ook gebruik maakten van deze stukken. Het louter bezit van een kopie van een dossier is in deze zaak niet voldoende om tot een inbreuk op het eventuele auteursrecht van de heer C.te kunnen besluiten. De heer C.schrijft zelf dat hij de meetstaat en de opmeting aan de volgende eigenaar gegeven heeft, in de hoop de overeenkomst verder te kunnen zetten. Zelfs indien op de plans van de heren D.V. en G. enkele fouten zouden staan, die ook op de plans van de heer C.voorkomen, dan nog is niet voldoende aangetoond dat zij deze plans, met inbegrip van de fouten, ook gebruikt hebben. Zij maken ook aannemelijk zelf nog het gebouw opgemeten te hebben (bundel III, stukken 1 tot 3 en bundel II, stukken 2a-d van hun dossier) Alleen al hierom is een inbreuk op het beweerde auteursrecht op de meetstaat en de opmeting niet aangetoond. Helemaal zeker is het evenwel niet dat de heren D.V. en G. ook over de bouwkundige analyse beschikten. Het is ook niet uitgesloten. De overeenkomst tot restauratie was overgedragen op de nieuwe eigenaars van het pand. De heer C.schrijft dat hij aanvankelijk het dossier, zoals hij het voorbracht in de eerste fase, gegeven heeft aan de nieuwe eigenaars, in de hoop op die manier de overeenkomst te kunnen verder zetten. Het is pas nadat deze nieuwe eigenaars de overeenkomst met hem verbraken en nadat de rechtbank zijn vordering tot betaling van erelonen had afgewezen en enkel een schadevergoeding voor het eenzijdig verbreken van de overeenkomst toekende, dat de heer C.zich beroepen heeft op een fout, in graad van beroep omgezet in een schending van zijn auteursrecht. De bewijslast voor het in bezit hebben van de bouwkundige analyse berust bij de heer C.. Hij brengt geen sluitend bewijs bij van het feit dat de nieuwe bouwheer en zijn architecten ook over dit stuk beschikten. Het volstaat niet aan te nemen dat het wel mee met de rest zal zijn overgedragen. Verder moet de heer C.bewijzen dat van dit stuk ook is gebruik gemaakt. Ook dit bewijs wordt niet geleverd. De vraag rijst of de heer C.over een auteursrecht beschikte en of dit geschonden werd door de heren D.V. en G. en de heer M. bij de restauratie van het gebouw.
- Bij de beoordeling van het auteursrecht mag niet uit het oog verloren worden dat de heer C.enkel in de beginfase van de restauratie bij het project betrokken werd en dat vrij snel de overeenkomst met hem eenzijdig verbroken werd door de bouwheren die aan de heer M. vooraf gingen. Gedeeltelijk op basis van het deskundigenverslag en vooral op basis van de dossiers en van de standpunten en argumenten van partijen oordeelt het Hof dat de Heer C.een intellectuele inspanning leverde, maar dat er onvoldoende individualisatie was in het werk dat hij afleverde. De keuzes die hij gemaakt heeft bij de meetstaat en de plans zijn te gering om van een inbreng die teruggaat tot zijn persoon te kunnen spreken. De invloed van zijn persoonlijkheid is niet aantoonbaar. Het opmaken van een meetstaat en plans van de bestaande toestand is ingegeven door de techniciteit, door het gebouw zelf. Het vergt de nodige deskundigheid en professionaliteit, maar vereist niet noodzakelijk een intellectuele inspanning die het werk het nodige individuele karakter geeft waardoor de vorm ontstaat. De morele en patrimoniële auteursrechten waren nog niet ontstaan met betrekking tot de bouwanalyse, voor zover deze al in het bezit was van geïntimeerden en zij deze al gebruikten. De keuzes die de heer C.maakte, zijn eigen aan de stijl waarin het gebouw opgetrokken werd. Dit is conform de opdracht die hij kreeg om te reconstrueren, daar waar de originele elementen niet meer aanwezig waren en dit te doen door invullingen die beantwoorden aan de bouwstijl. Hij schrijft zelf dat hij opteerde voor 17de eeuwse invullingen. Deze stijlelementen zijn gekend. Er is niet voldoende aangetoond dat de keuze voor precies deze 17de eeuwse invullingen de restauratie individualiseert en de persoonlijkheid van de heer C.tot uiting brengt in het project. Stijl is niet auteursrechtelijk beschermd. Zelfs indien verschillende stijlen en stijlelementen werden vermengd (wat niet gebeurde door de heer C., maar wel in de uiteindelijke realisatie), dan nog is niet aangetoond dat dit samen brengen het gevolg is van eigen individuele keuzes. De heer C.heeft zijn invullingen van de elementen die ontbraken gebaseerd op ‘sporen' van wat nog aanwezig was in het gebouw (p. 17 van zijn syntheseconclusie). Dit versterkt het oordeel dat het om een stijloefening gegaan is, zonder dat zijn persoonlijkheid in de vorm tot uiting komt. Zelfs de voorontwerpen voor de restauratie, waaruit de bouwheer dan nog moest kiezen, waren nog niet gemaakt. Er is onvoldoende aangetoond dat de beweerde interpretatie van de aanwezige sporen eigen keuzes van de heer C.impliceerde, die het tonen van de aanwezige stijl of de stijl die eens aanwezig geweest is, overstijgen. Het dossier was nog niet ver genoeg gevorderd om al van een heropbouw te kunnen spreken, die eventueel wel de persoonlijkheid van de architect-restaurateur tot uiting zou kunnen brengen. De moeite, tijd en inzet die de heer C.zou besteed hebben aan het begin van de restauratie vormen geen elementen die tot het bestaan van auteursrecht kunnen doen besluiten. Uit de stukken en met name de 29 stukken samengebracht in stuk 31 blijkt dat hij inderdaad begonnen was met het samenstellen van het dossier, maar dat het dossier nog niet ver genoeg gevorderd was om reeds van de eigen intellectuele inbreng van de restaurateur te kunnen spreken. De vakkennis op zich is nog niet voldoende om zonder meer een auteursrecht te creëren. Daarenboven werd de individuele inbreng van de heer C., reeds in dit beginstadium, sterk ingeperkt door de vereisten van de dienst Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap. Bij gebrek aan auteursrecht op wat in deze fase van het restauratiedossier werd voorgelegd, konden de meetstaat, de plans en de analyse zonder meer overgedragen worden.
- Gelet op het voorgaande wordt de vordering tot het betalen van een schadevergoeding afgewezen. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. De tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding - incidenteel hoger beroep
- Geen enkel element van de dossiers laat toe te besluiten dat de heer C.op een foutieve manier de voorliggende procedure opgestart en gevoerd heeft. De tegenvordering is dan ook ongegrond. Overige vorderingen
- Gelet op het vorige wordt op deze subsidiaire vorderingen niet verder ingegaan en worden zij zonder voorwerp verklaard. Kosten
- Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. wordt appellant tot betaling van de kosten veroordeeld. De basisvergoeding voor de hoofdvordering bedraagt euro 5.
- Er is geen grond om de maximumvergoeding toe te kennen. De basisvergoeding voor de vordering in vrijwaring van eerste geïntimeerde bedraagt euro 5.000, voor tweede en derde geïntimeerden samen. Nu de tegeneis in deze zaak kadert in het verweer van geïntimeerden wordt geen aparte rechtsplegingvergoeding toegekend. Zij vorderen die trouwens niet. III. Beslissing Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, maar beide ongegrond; Het Hof: - bevestigt het bestreden vonnis; - verwerpt alle vorderingen en verklaart de tussenvorderingen zonder voorwerp; - veroordeelt appellant tot betaling van de kosten, bepaald als volgt: eerste geïntimeerde rechtsplegingsvergoeding euro 5.000 tweede en derde geïntimeerden in solidum: hoger beroep: rechtsplegingvergoeding tussenvordering: euro 5.000 Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op zevenentwintig april tweeduizend en negen. Repertorium nr. 2009/ A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele P. Vanherpe Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div