← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090428.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 28 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090428.8 Rolnummer: 2008/AR/1658 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-06-30 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 19:39 Fiche De krachtens artikel 28, 1° WIB92 belastbare stopzettingsmeerwaarde op een onroerend goed dat voor de beroepswerkzaamheid werd gebruikt, bevat niet de waardevermeerdering die het onroerend goed ondergaan heeft tussen de datum van stopzetting van die beroepswerkzaamheid en de datum van de verkoop ervan en waarvan de belastingplichtige aantoont dat zij het gevolg is van de algemene waardestijging van onroerende goeden op de markt. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer ________ terechtzitting van 28-04-2009 BELASTINGEN Nr.2008/AR/1658 in de zaak van: DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, in de persoon van de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, appellant, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN DER PERRE Joseph, advocaat te 8460 OUDENBURG, Westkerksestraat 9 tegen: V. J., , en zijn echtgenote, O. M., , samenwonende te , geïntimeerden, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. GHEYSEN Kris, advocaat te 8500 KORTRIJK, Beverlaai 4 spreekt het Hof het volgend arrest uit:

  1. Procedure Bij verzoekschrift van 23 juni 2008 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 26 december 2007 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan: Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald. Ontheft de bestreden aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2001 gevestigd onder het kohierartikel 739.100.532 in de mate dat hij gevestigd is op een hoger bedrag aan stopzettingsmeerwaarde, die rekening houdt met een verkoopwaarde van het onroerend goed ten bedrage van euro 154.125,10, met een beroepsmatig gebruik van 1/3 van het gebouw en met een aandeel van de helft ervan in hoofde van eisers. (bedoeld wordt eiseres) Beveelt de ontlasting van de belastingverhoging van 10% opgelegd aan eisers. Beveelt verweerder over te gaan tot de terugbetaling van de sommen die op basis van het vernietigde of ongegrond gedeelte van de betwiste aanslag werden geïnd of ingehouden vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 418 WIB
  2. De eisers werden tot het betalen van de gerechtskosten veroordeeld. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden integraal afwijst als ongegrond. De appellant vraagt bovendien dat de geïntimeerden zouden veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerden gaan akkoord met een gedeeltelijke hervorming van het bestreden vonnis, namelijk waar het de belastbare meerwaarde vaststelt op basis van een derde in plaats van de helft van de cijfermatig verwezenlijkte meerwaarde. Voor het overige vragen zij het hoger beroep ongegrond te verklaren. De geïntimeerden vragen tevens dat het Hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van deze aanleg. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
  3. Feitelijke gegevens De geïntimeerden waren tot 26 september 2000 de eigenaars van een onroerend goed te Kuurne. Op de benedenverdieping van dat onroerend goed heeft de tweede geïntimeerde tot aan haar pensionering op 30 juni 1999 winkel gehouden. Destijds was de woning door de geïntimeerden gekocht voor 1.200.000 frank (29.747,22 euro). In de loop der jaren hadden zij verbeteringswerken uitgevoerd waarop was afgeschreven. Op het moment van de stopzetting van de werkzaamheden door de tweede geïntimeerde was nog een bedrag van 974.667 frank (24.161,36 euro) niet afgeschreven. De woning werd op 26 september 2000 verkocht voor een prijs van 6.500.000 frank (161.130,79 euro). Met een bericht van wijziging van de aangifte van 13 oktober 2003 heeft de taxatiedienst aangekondigd een stopzettingsmeerwaarde van 3.162.748 frank (78.402,47 euro) te zullen belasten in het aanslagjaar
  4. Tevens werd aangekondigd dat een belastingverhoging van 10% zou worden opgelegd. Op 30 oktober 2003 hebben de geïntimeerden laten weten dat ze niet akkoord konden gaan met de belasting op een meerwaarde omdat het gebouw tussen de stopzetting en de verkoop op een duurzame wijze voor andere dan beroepsdoeleinden was gebruikt. Subsidiair lieten ze ten eerste gelden dat moest rekening gehouden worden met de oorspronkelijke aankoopprijs van 1.200.000 frank (29.747,22 euro). Ten tweede stelden ze dat er ook nog voor 974.667 frank (24.161,36 euro) niet-afgeschreven verbeteringswerken moesten afgetrokken worden. De geïntimeerden stelden ook dat er volgens hen geen reden was om een belastingverhoging op te leggen. In de kennisgeving van de beslissing tot taxatie kwam de taxatiedienst gedeeltelijk tegemoet aan de opmerkingen van de geïntimeerden. Met name werd verduidelijkt dat het principe van de belastbaarheid van de stopzettingsmeerwaarde behouden bleef, maar dat akkoord kon worden gegaan met de opmerkingen over cijfermatige berekening. Dat hield in dat een meerwaarde van 1.675.333 frank (41.530,42 euro) zou worden onderworpen aan een afzonderlijke aanslag van 16,5%, met toepassing van een belastingverhoging van 10%. In die zin werd vervolgens op naam van de geïntimeerden voor het aanslagjaar 2001 op 1 december 2003 (datum van uitvoerbaarverklaring) een supplementaire aanslag in de personenbelasting en de aanvullende belastingen gevestigd onder kohierartikel 739.100.532 en dit voor een te betalen bedrag van 7.803,98 euro. De geïntimeerden hebben tegen die aanslag op 3 februari 2004 een bezwaarschrift ingediend. In zijn directeursbeslissing van 9 november 2005 wees de appellant het bezwaar af als ongegrond. Met een verzoekschrift van 23 januari 2006 stelden de geïntimeerden hun vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 26 december 2007 de vordering van de geïntimeerden gegrond verklaard, zoals hiervoor vermeld. Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
  5. Grieven en argumenten van de partijen 3.
  6. Standpunt van de appellant De appellant stelt vooreerst dat in het bestreden vonnis een tegenstrijdigheid geslopen is tussen de motivering en de uitspraak. In het bijzonder wijst de appellant erop dat de eerste rechter weliswaar aanneemt dat bij de vaststelling van de stopzettingsmeerwaarde de helft van het onroerend goed in aanmerking moet worden genomen als voor de beroepswerkzaamheid van de tweede geïntimeerde gebruikt, terwijl in het dispositief gesteld wordt dat moet rekening gehouden worden met een beroepsmatig gebruik van slechts één derde van het gebouw en met een aandeel van de helft ervan in hoofde van de eiseres. De appellant stelt dat de motivering correct is en de uitspraak niet. De appellant betwist verder het standpunt van de geïntimeerden, daarin gevolgd door de eerste rechter, dat bij de vaststelling van de belastbare meerwaarde de waardevermeerdering van het onroerend goed tussen de datum van stopzetting van de beroepswerkzaamheid en de verkoop in mindering moet worden gebracht. Volgens de appellant laat de tekst van artikel 43 WIB92 slechts toe te besluiten de volledige ontvangen verkoopprijs of de verkoopwaarde bij de vervreemding in aanmerking te nemen. De stopzettingsmeerwaarden zouden enkel niet belastbaar zijn voor zover de activa tussen de datum van stopzetting en de datum van vervreemding deel zijn gaan uitmaken van het privévermogen van de eigenaars, wat hier niet het geval zou zijn. De eerste rechter zou ook de ontheffing van de belastingverhoging van 10% ten onrechte hebben verleend op grond van de vaststelling dat er geen kwade trouw of fraude aanwezig was bij de geïntimeerden. De appellant zegt de geïntimeerden nooit kwade trouw of fraude te hebben verweten; mocht hij dat wel gedaan hebben, dan zou hij - zo voert hij aan - niet 10% maar 50% belastingverhoging hebben opgelegd met toepassing van artikel 226, C KBWIB
  7. 3.
  8. Standpunt van de geïntimeerden De geïntimeerden zijn het erover eens dat er een verschil is tussen de motivering en de uitspraak van de eerste rechter. Zij stellen dat zij de principiële belastbaarheid van de stopzettingsmeerwaarde niet langer betwisten en dat zij ook het bedrijfsmatig gebruik van 50% niet langer in vraag stellen en ook aanvaarden dat de omstandigheid dat de tweede geïntimeerde slechts voor de helft eigenares was van het onroerend goed, geen invloed heeft op de bepaling van de belastbare stopzettingsmeerwaarde. Zij gaan daarom akkoord met de rechtzetting van het bestreden vonnis op dat punt. Voor het overige vragen de geïntimeerden de bevestiging van het bestreden vonnis. Ten eerste stellen de geïntimeerden dat de waardevermeerdering van het onroerend goed tussen de datum van stopzetting van de beroepswerkzaamheid en de verkoop in mindering moet worden gebracht omdat die waardevermeerdering niet gerealiseerd werd door of tijdens een beroepsmatig gebruik van het onroerend goed. Dat zou in de administratieve commentaar worden bevestigd. De geïntimeerden berekenen die waardevermeerdering op basis van de ABEX-index en komen aldus tot de slotsom dat slechts een stopzettingsmeerwaarde van 38.031,88 euro mag belast worden. Ten tweede stellen zij dat de eerste rechter de ontheffing van de belastingverhoging met 10% terecht heeft verleend op grond van de overweging dat er in hoofde van de geïntimeerden geen sprake is van kwade trouw of fraude vermits dat heel uitdrukkelijk als zodanig voorzien is in artikel 444, 2de lid WIB
  9. Beoordeling 4.
  10. Belastbaar deel van de meerwaarde De partijen zijn het erover eens dat er een tegenstrijdigheid in het bestreden vonnis is geslopen en dat de motivering van de eerste rechter moet worden bevestigd. Dat houdt in dat de stopzettingsmeerwaarde berekend moet worden er van uitgaande dat het betreffende onroerend goed voor de helft beroepsmatig werd gebruikt en zonder dat er enige invloed is door het feit dat het onroerend goed slechts voor de helft aan de geïntimeerde - voor wie de meerwaarde een belastbaar inkomen is - toebehoorde. 4.
  11. Aftrek voor waardevermeerdering tussen stopzetting en verkoop Voor het aanslagjaar 2001 luiden de toepasselijk wetsartikelen als volgt: Art. 23 §
  12. Beroepsinkomsten zijn inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks voortkomen uit werkzaamheden van alle aard, met name: (. . .) 3° winsten en baten van een vorige beroepswerkzaamheid; (. . .). Art. 28 Winst en baten van een vorige beroepswerkzaamheid die de verkrijger of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is voorheen heeft uitgeoefend zijn: 1° inkomsten die worden verkregen of vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de onderneming of van de uitoefening van een vrij beroep, ambt, post of winstgevende bezigheid en voortkomen uit meerwaarden op activa die voor de beroepswerkzaamheid zijn gebruikt; (. . .). Art. 43 De verwezenlijkte meerwaarde is gelijk aan het positieve verschil tussen eensdeels de ontvangen vergoeding of de verkoopwaarde bij de vervreemding van het goed en anderdeels de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan verminderd met de voorheen aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen. De appellant beroept zich op dat laatste artikel om te argumenteren dat geen rekening kan worden gehouden met een waardevermeerdering die zich heeft voorgedaan tussen de datum van stopzetting van de beroepsactiviteit door de tweede geïntimeerde en de datum van verkoop van het onroerend goed. Van hun kant laten de geïntimeerden terecht gelden dat dit standpunt van de appellant ingaat tegen de administratieve commentaar. Meer bepaald in Com.IB 28/25 staat het volgende: Wanneer voor een bepaald actief de verkoopwaarde of de ontvangen vergoeding tussen de datum van de stopzetting en die van de vaststelling van de verkoopwaarde of van de vergoeding, zijn beïnvloed door een tussen die twee data voorgekomen prijsstijging, moet het gedeelte van de waarde of van de vergoeding dat uit die omstandigheid voortvloeit, evenwel buiten beschouwing worden gelaten. Dat is van oudsher het standpunt van de administratie (vgl. Fiscaal Compendium, Wolters Samsom, deel I,, randnr. 4/3.3.2, versie 16.06.1986, p. 177). Met betrekking tot artikel 31 WIB64 dat overeenstemt met het toepasselijke artikel 28 WIB92 stelde prof. J. Van Houtte het volgende: Uit de redactie van art. 31 blijkt dat er een onderscheid dient gemaakt tussen meerwaarden behaald of vastgesteld uit hoofde of ter gelegenheid van de stopzetting (dus: gelijktijdig) en deze die het maar zouden worden na de stopzetting. Van de eerste hangt de belastbaarheid af van de belegging of aanwending van de goederen (zij slaat dus ook op toevallige meerwaarden) (...). De tweede zijn enkel belastbaar indien zij wel het gevolg zijn van de vroeger uitgeoefende bedrijfs- of beroepsactiviteit. In het tweede geval hoeft de Administratie het oorzakelijk verband te bewijzen tussen meerwaarde en activiteit: louter toevallige meerwaarden (b.v. geleidelijke waardestijging van immobiliën, deels vóór, deels na de stopzetting van het bedrijf of beroep) komen dus niet in aanmerking. (Van Houtte, J., Beginselen van Belgisch Belastingrecht, J. Story-Scientia, 1979, p. 235, nr. 259). Waar de opvattingen geëvolueerd waren naar het standpunt dat waardevermeerderingen tot aan de stopzetting steeds geacht werden voort te vloeien uit de uitoefening van de beroepswerkzaamheid, heeft de Administratie zich kennelijk nooit verzet tegen het niet belasten van de waardevermeerdering die zich voordoet na de stopzetting. De niet-belastbaarheid vloeit immers voort uit het feit dat die waardevermeerdering in werkelijkheid geen ‘inkomsten' zijn ‘die worden verkregen of vastgesteld uit hoofde of naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting' zoals artikel 28, 1° WIB92 voorschrijft. Die bepaling houdt noodzakelijk in dat er oorzakelijk verband is tussen de meerwaarde en de activiteit. Dat is niet het geval wanneer de belastingplichtige aantoont dat de verkoopwaarde of de ontvangen vergoeding op het moment van de verkoop hoger is dan wat de verkoopwaarde was op het moment van de stopzetting als gevolg van de algemene waardestijging van de onroerende goederen op de markt. De oorzaak van die waardevermeerdering is in dat geval niet de uitoefening van het beroep maar de algemene waardestijging van de onroerende goederen. Daaraan wordt niets afgedaan door de vaststelling dat artikel 43 WIB92 een wiskundige afbakening geeft van een ‘verwezenlijkte meerwaarde'. Dat belet niet dat van de totale verwezenlijkte meerwaarde op basis van de principes afgeleid uit de artikelen 23 en 28 WIB92 niet het gedeelte moet afgezonderd worden dat belastbaar is. Het is overigens op basis van diezelfde principes dat slechts de helft van de wiskundige berekende meerwaarde in aanmerking komt. Bovendien blijkt dat met de invoering door artikel 258 van de Wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen (B.S. 28 december 1989) van artikel 35quinquies, 3de lid WIB64 - dat overeenstemt met het toepasselijke artikel 43 WIB92 - geen bijzondere bedoelingen bestonden in hoofde van de wetgever. In elk geval valt uit de voorbereidende werken niet af te leiden dat de invoering van die bepaling tot doel zou gehad hebben een waardevermeerdering tussen stopzetting en verkoop tegen te gaan. De ingevoerde definitie paste in een algemene hervorming die tot doel had het misbruik van herhaalde afschrijving van meerwaarden tegen te gaan door het invoeren van een gespreide taxatie. De Minister van Financiën heeft daarover niet meer toelichting gegeven behalve dat het een duidelijkere begripsbepaling is ter aanvulling van het bestaande principe volgens hetwelk meerwaarden belastbare inkomsten zijn (Gedr.St. Senaat, 806-3 (1989-1990), Verslag namens de Commissie voor de Financiën, p. 65). Noch in de besprekingen in de Senaat (Gedr.St. Senaat, 806-1 tot 806-11), noch bij de behandeling in de Kamer (Gedr. St. Kamer, 1026-1 tot 1026-05 (1989-1990) werd over die bepaling nog enige opmerking of bedenking gemaakt. Op basis van de ABEX-index tonen de geïntimeerden afdoende aan dat tussen de datum van stopzetting in juni 1999 en de verkoop van het onroerend goed in september 2000 zich een algemene waardestijging op de immobiliënmarkt heeft voorgedaan van index 484 tot index
  13. In die omstandigheden kan worden ingestemd met een verkoopwaarde op datum van stopzetting van 6.217.739 frank of 154.125,10 euro waardoor, zoals de geïntimeerden correct berekenden, de belastbare meerwaarde beperkt moet worden tot een bedrag van (6.217.739 / 2 = 3.108.869,50 - 1.574.667 = 1.534.202,50 frank of) 38.031,88 euro. Deze grief is dus ongegrond. 4.
  14. De belastingverhoging van 10% De geïntimeerden beroepen zich op artikel 444, 2de lid WIB92 waarvan de tekst als volgt luidt: Bij ontstentenis van kwade trouw kan worden afgezien van het minimum van 10 pct. belastingverhoging. De eerste rechter heeft van die bepaling (impliciet) gebruik gemaakt nu ze argumenteert dat de appellant niet aantoont dat er in hoofde van de geïntimeerden kwade trouw aanwezig was en dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de geïntimeerden gehandeld hebben met de bedoeling om fraude te plegen. Waar de appellant als grief tegen het bestreden vonnis aanvoert dat hij nooit gesteld heeft dat de geïntimeerden met de bedoeling om de belasting te ontduiken zouden gehandeld hebben omdat hij anders een verhoging van 50% zou toegepast hebben (met toepassing van artikel 226, C. KBWIB92) zodat de eerste rechter volkomen ten onrechte de belastingverhoging teniet zou hebben gedaan om reden dat de geïntimeerden niet de bedoeling hadden om fraude te plegen, is die grief niet pertinent en dus niet gegrond. De eerste rechter kon immers toepassing maken van artikel 444, 2de lid WIB92 en afzien van de belastingverhoging van 10% die krachtens artikel 444, 1ste lid WIB92 werd opgelegd. Ook deze grief is dus ongegrond.
  15. De gerechtskosten Het oordeel over de gerechtskosten in eerste aanleg blijft behouden. In graad van hoger beroep is de appellant de enige partij die in het ongelijk gesteld wordt; hij moet daarom de gerechtskosten van deze aanleg dragen. Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan reden tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen in graad van hoger beroep, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 750,01 tot 2.500,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 400,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht; verklaart de vordering van de geïntimeerden gedeeltelijk gegrond; verleent gedeeltelijke ontheffing van de aanslag die op naam van de geïntimeerden voor het aanslagjaar 2001 onder kohierartikel 739.100.352 gevestigd werd in de personenbelasting en de aanvullende belastingen en dat in de mate enerzijds dat een hoger bedrag van 38.031,88 euro als stopzettingsmeerwaarde in hoofde van de tweede geïntimeerde werd belast en anderzijds dat een belastingverhoging werd opgelegd; beveelt de herberekening van de aanslag rekening houdend met wat voorafgaat en beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriumintresten voorzien in artikel 418 WIB
  16. veroordeelt de geïntimeerden tot het betalen van de gerechtskosten van de eerste aanleg; veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep; stelt de gerechtskosten vast als volgt: - aan de kant van de appellant: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 0,00 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 400,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerden: • rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 364,40 EUR • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 400,00 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ACHTENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. M.Vanderbeeken D.Vandeputte G.Tillekaerts A.De Meue Nr.Rept.2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.