id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 30 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090430.4 Rolnummer: 2008/AR/1375 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-07-02 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 19:40 Fiche Wanneer een grond tot wraking van een arbiter slechts zestien maanden nadat de partij er kennis heeft van gekregen wordt opgeworpen, is de vordering tot wraking laattijdig en onontvankelijk. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - ARBITRAGE - Arbiters Vrije woorden: Wraking arbiter - Onontvankelijk indien laattijdig. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 30 april 2009 art. 780 bis Ger.W. - civiele geldboete 125 euro + schadevergoeding van 500 euro wegens tergend en roekeloos geding 2008/AR/1375 in de zaak van:
- M. R., , wonende te , eerste appellant,
- M. G., , wonende te tweede appellant, beiden hebbende als raadsman mr. MESTDAGH Tillo, advocaat te 8500 KORTRIJK, Doorniksewijk 66 tegen:
- V. K., , handelend in haar hoedanigheid van arbiter, daartoe aangesteld bij vonnis d.d. 10.10.2006 van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, wonende te eerste geïntimeerde, in persoon verschijnend,
- M. J., wonende te , tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VERHAMME Bernard, advocaat te 8500 KORTRIJK, Koning Leopold I-straat 9 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 23 mei 2008 hebben R. en G. M. tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 februari 2008, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, derde kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Het schriftelijk advies van advocaat-generaal Louis Vandenberghe werd ter kennis gebracht van partijen, die in de mogelijkheid werden gesteld hierop te repliceren. voorgaanden
- Mr. K. V. (eerste geïntimeerde) werd bij beschikking van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 10 oktober 2006 aangesteld als arbiter, met het oog op de beslechting van een geschil tussen R. en G. M. (appellanten), enerzijds, en J. M. (tweede geïntimeerde), anderzijds, naar aanleiding van de verkoop van aandelen door J. M.. Met dagvaarding betekend op 23 en 26 maart 2007 vorderen appellanten de wraking van eerste geïntimeerde en de aanstelling van een andere arbiter. Zij stoelen deze vordering op de schending door de arbiter van artikel 1693 van het gerechtelijk wetboek (bepaling van de procedureregels) en de vaststelling dat de arbiter bepaalde briefwisseling niet aan hen zelf heeft gericht, maar aan een advocaat die niet (meer) door hen gemandateerd was. Volgens appellanten doen deze feitelijkheden een gerechtvaardigde twijfel ontstaan over de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van eerste geïntimeerde. Deze gronden tot wraking werden door appellanten ter kennis gebracht van de arbiter middels een e-mail van 28 februari
- Zonder op de grieven van appellanten in te gaan, heeft de arbiter bij brief van 16 maart 2007 herinnerd aan de eerder vastgestelde conclusietermijnen en aangekondigd dat ten gepaste tijde een rechtsdag zou worden bepaald en een uitnodiging zou worden verstuurd voor de pleidooien. Aangezien uit deze reactie blijkt dat de arbiter weigerde om zich terug te trekken, zijn appellanten overgegaan tot dagvaarding, overeenkomstig artikel 1691.2 van het gerechtelijk wetboek. Eerste geïntimeerde neemt verder geen standpunt in, terwijl tweede geïntimeerde de vordering tot wraking betwist en bij tegeneis de veroordeling vordert van appellanten tot betaling van een schadeloosstelling van euro 1.250,00 wegens tergend en roekeloos geding (artikel 780bis, alinea 2 van het gerechtelijk wetboek).
- De eerste rechter is van oordeel dat er geen redenen zijn om de arbiter te wraken, omdat de door appellanten ingeroepen redenen de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de arbiter niet in het gedrang brengen. De vordering van appellanten wordt afgewezen en in acht genomen het dilatoir karakter van de wrakingprocedure die enkel tot doel heeft de behandeling van het geschil ten gronde te vertragen, wordt aan tweede geïntimeerde een schadevergoeding toegekend van één euro wegens tergend en roekeloos geding en worden appellanten veroordeeld tot betaling van een civiele boete van euro 125,00, overeenkomstig artikel 780bis, alinea 1 van het gerechtelijk wetboek.
- In hoger beroep hernemen appellanten hun vordering tot wraking, omwille van de twijfel omtrent de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de arbiter. Naast de grieven die reeds voor de eerste rechter werden naar voor gebracht, merken zij thans ook op dat eerste geïntimeerde, in haar hoedanigheid van advocaat, als raadsman betrokken is bij een procedure tegen hun accountant. Aangezien het geschil met tweede geïntimeerde betrekking heeft op een afrekening van een overdracht van aandelen speelt deze accountant daarin een prominente rol. Het feit dat voormelde procedure de emoties hoog doet oplaaien sterkt appellanten in hun twijfel omtrent de onpartijdigheid van de eerste geïntimeerde.
- Eerste geïntimeerde neemt geen standpunt in. Tweede geïntimeerde besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis. Hij stelt incidenteel beroep in, waarmee hij de toekenning van de oorspronkelijk gevorderde vergoeding van euro 1.250,00 beoogt. beoordeling
- Teneinde een degelijk inzicht te krijgen in de problematiek is het aangewezen de aandacht te vestigen op een aantal feitelijke gegevens en procedurele antecedenten. - Op 25 augustus 1995 wordt een overeenkomst gesloten waarbij tweede geïntimeerde aan tweede appellant (of een door hem aan te duiden vennootschap) een aantal aandelen van diverse vennootschappen verkoopt. In deze overeenkomst is een arbitragebeding opgenomen, waarin M. G. wordt aangeduid als arbiter. - In een navolgende overeenkomst van 28 december 1995 wordt verder bedongen dat het saldo van de overnameprijs van de aandelen van N.V. Meersschaert GRL aan N.V. Giropan, hetzij 5.000.000 frank (= euro 123.946,76), zal betaald worden tegen uiterlijk 28 december
- In geval van niet-betaling verbinden beide appellanten zich tot betaling aan tweede geïntimeerde. - In 2001 komt het niet tot een vergelijk over de afrekening, waarop tweede geïntimeerde overgaat tot dagvaarding van appellanten voor de rechtbank van koophandel te Kortrijk in betaling van euro 25.559,35, meer de intresten. - Bij vonnis van 11 maart 2003 verklaart de rechtbank van koophandel zich zonder rechtsmacht, gelet op het arbitragebeding opgenomen in de overeenkomst van 25 augustus 1995, waarvan de overeenkomst van 28 december 1995 een uitvloeisel is. - Op verzoek van tweede geïntimeerde wordt bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 8 september 2004 I. D. L., , aangesteld als arbiter om te oordelen over het geschil. - Met dagvaarding van 7 september 2005 vorderen appellanten, met als raadsman meester Pieter-Paul Tack, advocaat te Roeselare, voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk dat de wraking van D. L. als arbiter zou worden toegestaan en dat een andere arbiter zou worden benoemd. - Bij vonnis van 10 oktober 2006 wordt deze vordering gegrond verklaard. D. L. wordt gewraakt en K. V., advocaat (thans eerste geïntimeerde), wordt aangesteld als arbiter. - De nieuw aangestelde arbiter wordt in kennis gesteld van haar opdracht bij brief van mr. Bernard Verhamme, raadsman van tweede geïntimeerde, van 17 oktober 2006 (met kopie aan mr. T.). - In antwoord hierop vraagt de arbiter bij brief van 23 oktober 2006 een kopie van het vonnis houdende de aanstelling van D. L. als arbiter. Dit document wordt haar daags nadien toegestuurd door mr. Verhamme. - Op 10 november 2006 schrijft mr. Tack (in zijn hoedanigheid van raadsman van de heren R. en G. M.) aan de arbiter dat hij kopie heeft ontvangen van het schrijven dat mr. Verhamme haar op 24 oktober 2006 heeft gestuurd, maar dat hij geen kennis had van de brief van de arbiter van 23 oktober
- - Op 21 november 2006 meldt de arbiter aan beide raadslieden (mr. Verhamme en mr. Tack) dat bij gebrek aan regels van arbitrale procedure vastgesteld in de overeenkomst van 25 augustus 1995, de arbiter de regels en de plaats van het geding vaststelt. De enige reactie hierop is een brief van de raadsman van tweede geïntimeerde, die op 22 november 2006 een aanvullend dossier meedeelt aan de arbiter. - Op 22 december 2006 stelt de arbiter de conclusietermijnen vast. - De raadsman van tweede geïntimeerde stuurt op 24 januari 2007 een conclusie op aan de arbiter en mr. Tack. - M. G., optredend voor appellanten, richt op 26 januari 2007 een schrijven aan de arbiter, waarin hij zich erover beklaagt dat appellanten door de arbiter niet werden in kennis gesteld van haar werkzaamheden en waarin wordt aangedrongen op een mondeling debat. - Advocaat Tack laat op 15 februari 2007 weten dat hij niet langer tussenkomt als raadsman van appellanten, zodat alle verdere briefwisseling aan hen persoonlijk dient te worden gericht. - Op 23/26 maart 2007 volgt de dagvaarding in onderhavige zaak, strekkende tot de wraking van K. V. als arbiter en de aanstelling van een andere arbiter. - Nadat deze vordering van appellanten was afgewezen bij het bestreden vonnis van 12 februari 2008 komt de huidige raadsman van appellanten tussen (mr. Tillo Mestdagh). In zijn brieven van 16 april 2008 aan de arbiter en de raadsman van tweede geïntimeerde wijst hij er uitdrukkelijk op dat hij enkel tussenkomt voor wat betreft de aanstellingsprocedure van de arbiter en niet in de zaak ten gronde. Verder wijst hij op een belangenconflict in hoofde van de arbiter, wiens kantoor een procedure behandelt tegen de technische raadsman van appellanten (G.). - Zonder op deze opmerking in te gaan, stelt de arbiter met schrijven van 25 april 2008 nieuwe conclusietermijnen voor. - Appellanten geven hieraan geen gevolg en, nadat het vonnis van 12 februari 2008 hen op 23 april 2008 was betekend, wordt op 23 mei 2008 hoger beroep ingesteld. In de beroepsakte wordt als bijkomend middel aangevoerd dat het advocatenkantoor waartoe de arbiter behoort een procedure voert tegen de accountants van appellanten (M. G. en E.B.V.B.A. G.), die hen bijstaan in het geschil met tweede geïntimeerde waarover de arbiter dient te oordelen.
- Uit bovenstaand feitenrelaas blijkt dat de arbiter niets kan worden verweten met betrekking tot de gevolgde procedure. Zelfs al zou worden aangenomen dat zij er niet zonder meer mocht van uitgaan dat mr. Tack, die voor appellanten was opgetreden in het kader van de wrakingprocedure tegen D. L., appellanten ook verder zou vertegenwoordigen in het geschil ten gronde, dan bestond geen enkele twijfel meer over het mandaat van mr. Tack na diens schrijven van 10 november 2006, waarin hij zich ("in mijn hoedanigheid van raadsman van de heren R. en G. M.") beklaagt over de niet-ontvangst van een schrijven van de arbiter. Bovendien blijkt uit het dossier van appellanten dat alle andere brieven van de arbiter mr. Tack hebben bereikt, aangezien deze stukken op diens kantoor werden afgestempeld voor ontvangst (zie de brieven van 21 november 2006, 22 december 2006 en 5 februari 2007 in het dossier van appellanten). De arbiter heeft bijgevolg niet eenzijdig met één van de partijen gecommuniceerd en heeft geen fout begaan in de communicatie met advocaat Tack, die zij terecht aanzag als de raadsman van appellanten en die volledig op de hoogte werd gehouden van de initiatieven van de arbiter, waarvan hij protestloos en zonder enig voorbehoud kennis heeft genomen. Het is voor het eerst op 15 februari 2007 dat mr. Tack heeft medegedeeld dat hij niet langer tussenkwam voor appellanten. Hun bewering dat hij dit reeds eerder had gemeld, is strijdig met de stukken van het dossier. Het ‘ontwerp van brief' dat thans door appellanten wordt voorgelegd onder stuk 1 van hun aanvullend dossier (bundel B), mist elke bewijskracht, nu niet wordt aangetoond dat deze brief of fax ooit werd verstuurd, laat staan dat de arbiter deze mededeling zou hebben ontvangen. Op het ogenblik dat de arbiter de regels heeft vastgelegd, bij gebrek aan arbitrageprocedure vastgelegd door partijen, was mr. Tack de raadsman van appellanten. Hij heeft tegen de handelwijze van de arbiter niet geprotesteerd, zodat een schending van de artikelen 1693 van het gerechtelijk wetboek en de daarin voorziene arbitrale autonomie van de partijen niet kan worden weerhouden. Uit hetgeen hiervoor werd uiteengezet blijkt ook dat de arbiter steeds de regels van de tegensprekelijkheid heeft gerespecteerd. Dat voor de mondelinge uiteenzetting aan partijen de mogelijkheid werd gegeven om schriftelijke conclusies te nemen, doet geen afbreuk aan de voorschriften van artikel 1694 van het gerechtelijk wetboek en schendt de rechten van verdediging van de partijen niet. Er is bijgevolg geen enkele reden om te besluiten tot het bestaan van een gerechtvaardigde twijfel over de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van eerste geïntimeerde, welke aanleiding zou kunnen geven tot haar wraking als arbiter.
- Naast de schending van de artikelen 1693 en 1694 van het gerechtelijk wetboek werpen appellanten in hoger beroep ook op dat er een gerechtvaardigde twijfel over de onpartijdigheid van de arbiter is ontstaan vanwege haar betrokkenheid (althans van haar kantoor) bij een procedure tegen de accountants van appellanten (M. G. en E.B.V.B.A. M. G.), die een cruciale rol spelen in het geschil dat appellanten stelt tegenover tweede geïntimeerde. In hun appelconclusie schrijven appellanten in dit verband onder meer: "De procedure waar de arbiter (als raadsman) en de heer G. in verwikkeld zijn, heeft in de loop der jaren enorme proporties aangenomen en raakte al professionele en emotionele gevoeligheden. Tussen deze partijen worden op alle fronten procedures gevoerd, zoals deze voor de diverse kamers van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk". Tot staving van hun standpunt leggen appellanten in hun aanvullend dossier slechts twee stukken voor, met name de eerste pagina van een vonnis van 6 maart 2001 en een uittreksel uit een expertiseverslag waarin verwezen wordt naar briefwisseling uit het jaar
- Uit deze stukken blijkt dat mr. Vrijghem destijds als raadsman optrad voor de N.V. Groep Huyzentruyt in een geschil met de B.V.B.A. M. G.. Niettegenstaande deze stukken betrekking hebben op tussenkomsten die zich situeren in de jaren 2000 en 2001, waaruit moet worden afgeleid dat de procedures waarnaar wordt verwezen reeds enkele jaren aan de gang zijn, wordt deze wrakinggrond niet vermeld in de inleidende dagvaarding en komt deze in de procedure in eerste aanleg nergens ter sprake. Het is voor het eerst in het schrijven van mr. Mestdagh van 16 april 2008 dat wordt verwezen naar de procedures tegen de technische raadsman van appellanten, hetgeen volgens de advocaat van appellanten een belangenconflict is dat de sereniteit van het debat in het gedrang brengt. Waar deze beweerde grond tot wraking van in den beginne aan appellanten bekend was, doch slechts zestien maanden na aanvang van de werkzaamheden van de arbiter en na de uitspraak in eerste aanleg over de wraking werd opgeworpen, is deze termijn buitensporig, zodat de op deze grond gesteunde vordering tot wraking laattijdig en onontvankelijk is.
- Het hof treedt de eerste rechter bij waar deze heeft besloten tot het dilatoir karakter van de vordering. Appellanten zijn manifest onwillig en weigeren op een loyale wijze aan de arbitrale procedure mee te werken. De door de eerste rechter opgelegde civiele geldboete dient behouden te blijven. Aan tweede geïntimeerde kan ten titel van schadevergoeding een bedrag van euro 500,00 worden toegekend (in plaats van één euro, zoals toegekend in het bestreden vonnis). Besluit: het hoger beroep van appellant is ongegrond en het incidenteel beroep van tweede geïntimeerde is ten dele gegrond. Als in het ongelijk gestelde partij, dienen appellanten in te staan voor de kosten van de beroepsinstantie. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen toelaatbaar, het hoofdberoep ongegrond en het incidenteel beroep ten dele gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis, mits deze wijziging dat appellanten worden veroordeeld om uit hoofde van tergend en roekeloos geding aan tweede geïntimeerde een schadevergoeding te betalen van euro 500,00, meer de gerechtelijke intresten vanaf heden, in plaats van één euro, zoals toegekend door de eerste rechter. Verwijst appellanten in de kosten van de beroepsinstantie, die aan hun zijde niet dienen te worden begroot daar zij hen ten laste blijven, en aan de zijde van eerste geïntimeerde vereffend worden op nihil en aan de zijde van tweede geïntimeerde op euro 1.200,00 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op DERTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. D. Van den Driessche B. Wylleman G. Jocqué D. Floren rep.nr. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.