id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090506.5 Rolnummer: 2007/AR/1854 Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2009-09-28 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 19:42 Fiche
- Het akkoord dat volgens artikel 23.1 EEX-Verordening (voorheen artikel 17 EEX-Verdrag) tussen partijen moet bestaan tot aanwijzing van een bevoegde rechter, kan niet worden afgeleid uit het uitblijven van elke reactie op het ontvangen, na het sluiten van het contract zelf, van een factuur of van algemene voorwaarden, waarin een forumbeding is opgenomen, noch uit de uitvoering van de overeenkomst.
- De gebeurlijke kennis in hoofde van appellante van deze algemene voorwaarden, vanuit één vroegere levering, is evenmin van aard het bewijs van zulke overeenkomst te leveren. Eén voorgaande contractuele relatie tussen partijen volstaat niet om gewag te kunnen maken van voorgaande en lopende handelsbetrekkingen die zouden kunnen wijzen op een aanvaarding door appellante van de voorwaarden.
- Als de koper, ter gelegenheid van vijf afzonderlijke bestellingen tijdens een periode van vijf maanden, kennis heeft kunnen nemen van de verkoopsvoorwaarden en van de daarin opgenomen clausule van forumkeuze, evenals van het uitdrukkelijk beding op de facturen, dat verwees naar deze verkoopsvoorwaarden. Zonder de toepasselijkheid daarvan te protesteren of daarover voorbehoud te maken. Daarmee wordt de koper geacht het tot stand komen van een overeenkomst over de forumkeuze, door hun opname in de verkoopsvoorwaarden op de facturen als een tussen partijen gebruikelijk geworden handelwijze te hebben aanvaard.
- Het Weens Koopverdrag kent slechts één uniform conformiteitsbegrip en maakt geen onderscheid tussen de vrijwaring voor verborgen gebreken en de leveringsplicht (vgl.: DE GROOT, S., Non-conformiteit volgens het Weens Koopverdrag, T.P.R., 1999, p. 635 e.v.). Krachtens artikel 38.1) Weens Koopverdrag moet de koper de zaak binnen een, gelet op de omstandigheden zo kort mogelijke, termijn keuren of doen keuren. Artikel 38.2) voegt eraan toe dat, indien de overeenkomst tevens het vervoer van de zaken omvat, de keuring kan uitgesteld worden tot na de aankomst van de zaken op hun bestemming. Ten slotte bepaalt artikel 38.3) onder andere dat, indien de koper de zaken doorzendt zonder dat hij redelijkerwijze gelegenheid heeft deze te keuren en de verkoper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst de mogelijkheid van deze wijziging of doorzending kende of behoorde te kennen, de keuring kan worden uitgesteld tot het tijdstip waarop de zaken op de nieuwe bestemming zijn aangekomen. Krachtens artikel 39.1) verliest de koper het recht om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken, de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard van de tekortkoming (vgl.: HERBOTS, J.H., Verplichtingen van de verkoper, in: VAN HOUTTE, e.a., Het Weens Koopverdrag, nr. 4.58, p. 142).
- Kennisgeving dat planten door schimmel zijn aangetast bij levering, die pas gedaan wordt vier weken na levering, is laattijdig. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE Vrije woorden: EEX-Verordening - art. 23.1 EEX - Forumbeding - voorwaarden - louter gebrek aan protest tegen facturen (onvoldoende) - eenmalige levering (onvoldoende) - forumbeding vermeld op 5 opeenvolgende facturen - aanvaarding - Weens koopverdrag - non-conformiteit. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 06 mei 2009 - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/1854 van: sa ALSACE-FORET, vennootschap naar Frans recht met zetel te 67130 Lutzelhouse (Frankrijk), Rue du Bitz 21, - Siret 378 356 216 00036 - APE 020 - D appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 28-2-2007, oorspronkelijk verweerster, hebbende als raadsman mr. REMMERIE Ivan, advocaat te 8520 Kuurne, Hoevedreef 1 B1 tegen : bvba VAN HULLE B & C, met zetel te 9990 Maldegem, Urselweg 86, met ondernemingsnr. 0446.939.772, geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. VAN GINDERACHTER Nathalie, advocaat te 9000 Gent, Hofstraat 99 ; velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 19 juli 2007, heeft de vennootschap naar Frans recht Alsace-Forêt s.a., (hierna "Alsace-Forêt" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 28 februari 2007 tussen partijen op tegenspraak werd gewezen door de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te Gent. Dit hoger beroep, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk. Antecedenten I.
- Bij dagvaarding van 10 december 2004 vorderde de bvba Van Hulle B&C (hierna "Van Hulle" genoemd) de veroordeling van Alsace-Forêt tot betaling van 21.183,00 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op 18.150,00 EUR en de gedingkosten. Van Hulle zette uiteen dat Alsace-Forêt diverse bosplanten aankocht die geleverd werden in de maanden februari, maart en april
- De laatste levering werd voor 33.132,00 EUR gefactureerd op 24 april
- Zij stelde dat de diverse facturen onregelmatig en met vertraging vereffend werden, alhoewel zij zonder opmerking of protest waren aanvaard. Na een ingebrekestelling van 12 juli 2004 werd de factuur van 5 april 2004 vereffend en van de factuur van 24 april 2004 werd einde juli 2004 een bedrag van 14.982,00 EUR betaald. Alsace-Forêt hield 18.150,00 EUR in. Zij liet op 29 juli 2004 weten dat 30.000 geleverde lariksen of lorken aangetast waren door botrytis of schimmel. Volgens Van Hulle was dit protest laattijdig. Zij verwees naar haar factuurvoorwaarden, waarin bepaald werd dat de goederen geacht werden aanvaard te zijn op haar bedrijf bij de verzending. Bovendien achtte zij dit protest ook ongegrond. Volgens het Proefcentrum voor Sierteelt zou de schimmel veroorzaakt zijn door de weersomstandigheden nadat de planten waren uitgeplant in het veld. Van Hulle besloot dat Alsace-Forêt gehouden was tot betaling van het saldo van de factuur, vermeerderd met 704,00 EUR verwijlrente, berekend aan 8,5% per jaar op het gedeelte van de factuur dat einde juli 2004 was betaald, 514,25 EUR verwijlrente op het onbetaalde bedrag en een schadevergoeding van 1.815,00 EUR of 10% van de resterende hoofdsom.
- Alsace-Forêt wierp op dat de rechtbank van koophandel te Gent geen rechtsmacht had. Zij stelde dat, op grond van artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna "de EEX-Verordening" genoemd), de Franse rechtbanken rechtsmacht hadden. Bovendien argumenteerde Alsace-Forêt dat artikel 5.1 van de EEX-Verordening evenmin tot de rechtsmacht van de Belgische rechter leidde, aangezien de goederen bij haar in Frankrijk geleverd werden. Verder stelde zij dat de koop gesloten werd op haar zetel in Frankrijk, waar de zaakvoerder van Van Hulle zijn producten was komen aanbieden. Ten slotte betoogde Alsace-Forêt dat Van Hulle zich niet kon beroepen op het forumbeding op de keerzijde van haar facturen, die bij de contractsluiting niet ter sprake waren gekomen. Zij voegde eraan toe dat zij nog maar sedert december 2003 in handelsrelatie stond met Van Hulle en de betwiste levering gebeurde op 21 april 2004, zodat de partijen nog geen langdurige of regelmatige handelsbetrekkingen hadden. Ten gronde stelde Alsace-Forêt dat zij haar keurings- en kennisgevingsplicht in de zin van de artikelen 38 en 39 van het Weens Koopverdrag binnen een redelijke termijn was nagekomen. Zij wees erop dat de lariksen geleverd waren met wortel in potjes geplant en op paletten en dat deze zomergroene naaldbomen op het ogenblik van de levering nog geen naalden hadden. Zij stelde dat zij reeds op 17 mei 2004 een eerste voorbehoud had geformuleerd en dat zij, toen bleek dat de lariksen geen naalden vormden, op 4 juni 2004 geprotesteerd heeft. Zij wees erop dat zij de lariksen onmiddellijk heeft laten onderzoeken door een onafhankelijk laboratorium dat de gebreken heeft vastgesteld en dat zij herhaaldelijk aan Van Hulle gevraagd heeft om ter plaatse de gebreken na te zien. Verder meende Alsace-Forêt dat Van Hulle zich niet kon beroepen op het exoneratiebeding uit haar factuurvoorwaarden, die haar niet tegenwerpbaar waren. Bovendien stelde zij dat Van Hulle zich als beroepsverkoper niet kon exonereren voor haar aansprakelijkheid wegens verborgen gebreken. Alsace-Forêt besloot aldus dat zij niet gehouden was de gebrekkige goederen te betalen, minstens achtte zij zich gerechtigd om de betaling ervan op te schorten. Bij tegeneis vorderde zij een schadevergoeding van 39.143,50 EUR, vermeerderd met de rente aan 7% per jaar vanaf 13 mei 2004 tot de datum der betaling. In ondergeschikte orde vorderde Alsace-Forêt de aanstelling van een deskundige.
- Van Hulle argumenteerde dat het forumbeding, vermeld in haar factuurvoorwaarden, van toepassing was op de overeenkomst tussen de partijen. Zij stelde dat de litigieuze levering de laatste was van een hele reeks, voor een totaal factuurbedrag van ongeveer 110.000,00 EUR, hetgeen aantoonde dat er een regelmatige handelsrelatie was tussen partijen. Zij wees erop dat dit forumbeding gebruikelijk was tussen handelaars, zodat het, op grond van artikel 9 van het Weens Koopverdrag, Alsace-Forêt bond. Bovendien stelde Van Hulle dat de Belgische rechtbanken ook over rechtsmacht beschikten op grond van artikel 5.1 van de EEX-Verordening, omdat de betaling van de facturen bij toepassing van artikel 57 van het Weens Koopverdrag diende te gebeuren op haar vestiging te Maldegem. Zij stelde dat Alsace-Forêt pas drie weken na de levering schriftelijk liet weten dat bepaalde lariksen schimmel vertoonden en dat het eenzijdig labo-onderzoek pas uitgevoerd werd drie maanden na de levering, waarbij niet aangetoond is dat het betrekking heeft op de door Van Hulle geleverde lariksen, noch dat botrytis aanwezig was op het ogenblik van de levering van de planten. Van Hulle wierp op dat uit het feit dat pas drie weken na de levering voor het eerst schimmel was vastgesteld, kon worden afgeleid dat dit gebrek niet bestond op het ogenblik van de levering. Van Hulle volhardde dan ook in haar vordering en besloot tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de tegeneis. In ondergeschikte orde achtte zij deze tegeneis zeer overdreven.
- De eerste rechter verklaarde de vordering van Van Hulle ontvankelijk en gegrond. Hij veroordeelde Alsace-Forêt tot betaling aan Van Hulle van 21.183,00 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op 18.150,00 EUR. De tegenvordering verklaarde hij ongegrond en hij veroordeelde Alsace-Forêt tot de gedingkosten. De eerste rechter stelde vast dat Van Hulle tussen 8 december 2003 en 5 april 2004 reeds vijf facturen had gericht aan Alsace-Forêt, die ze zonder enig protest of opmerking had aanvaard en betaald. Op deze facturen stond op de voorzijde zowel in het Nederlands als in het Frans een verwijzing naar de verkoopsvoorwaarden op de keerzijde, die eveneens in het Frans waren vermeld. Hij besloot dat moest aangenomen worden dat Alsace-Forêt, conform de gebruikelijke praktijken tussen handelaars, ingestemd had met deze verkoopsvoorwaarden en dat de verwijzing naar deze voorwaarden in deze omstandigheden de toetsing van artikel 23 van de EEX-Verordening doorstond, zodat de rechtbank van koophandel te Gent rechtsmacht had. Ten gronde overwoog de eerste rechter dat Alsace-Forêt langer gewacht heeft dan noodzakelijk was om de planten te receptioneren en opmerkingen te formuleren. Hij stelde dat uit het analyserapport niet bleek dat het vervoer in isothermische vrachtwagens de schimmel heeft veroorzaakt, noch dat de kiem zich gedurende het transport of in ieder geval tot aan het lossen van de vrachtwagen heeft kunnen ontwikkelen, zoals Alsace-Forêt voorhield. Verder stelde de eerste rechter dat uit de technische nota van het door Van Hulle aangestelde expertisebureau bleek dat botrytis zich zeer snel manifesteert en zichtbaar is na een korte periode. Hij leidde daaruit af dat, indien botrytis zou gekiemd hebben tijdens het transport, de schimmel reeds bij de aflevering van de lariksen zichtbaar zou zijn geweest of minstens binnen een korte termijn. Hij besloot daaruit dat de op 17 mei 2004 gemaakte opmerkingen laattijdig waren, aangezien het zichtbare gebreken betrof. De in ondergeschikte orde gevraagde aanstelling van een deskundige wees de eerste rechter af, omdat inmiddels drie jaar was verstreken en de partijen het analyserapport met betrekking tot botrytis niet betwistten. II.
- Het hoger beroep van Alsace-Forêt strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis tenietdoet en, opnieuw wijzende, in hoofdorde verklaart dat de Belgische rechtbanken niet over de vereiste rechtsmacht beschikken om over het geschil te oordelen. In ondergeschikte orde vraagt Alsace-Forêt dat het hof de vordering van Van Hulle als ongegrond afwijst en Van Hulle veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van 39.143,50 EUR, vermeerderd met de rente aan 7% per jaar vanaf 13 mei 2004 tot de dag der werkelijke betaling. Ondergeschikt vraagt zij dat minstens een deskundige wordt aangesteld. Ten slotte vordert Alsace-Forêt dat Van Hulle veroordeeld wordt tot de gedingkosten in beide aanleggen. Zowel in verband met de rechtsmacht als met betrekking tot de gegrondheid van de hoofd- en de tegeneis, herneemt Alsace-Forêt de argumentatie die zij ontwikkeld heeft voor de eerste rechter. Zij betwist dat het bestaan van 5 facturen als een langdurige handelsrelatie kan bestempeld worden en besluit dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben op grond van artikel 23 EEX-Verordening. Zij wijst erop dat de leveringsplicht van Van Hulle tevens het vervoer en de levering van de goederen op haar zetel omvatte, zodat de levering plaats vond in Frankrijk en de Belgische rechtbanken ook op grond van artikel 5.1 EEX-Verordening geen rechtsmacht hebben. Verder stelt Alsace-Forêt dat botrytis geen zichtbaar, maar een verborgen gebrek is, dat zij pas weken na de levering kon vaststellen en waarvan zij aan Van Hulle kennis heeft gegeven binnen de termijnen voorgeschreven door het Weens Koopverdrag. Het feit dat zowel de lariksen die uitgeplant werden, als de exemplaren die niet werden uitgeplant, het gebrek vertoonden, weerlegt volgens haar dat de schimmel te velde zou zijn ontstaan. Aangezien het gebrek anterieur was aan de risico-overdracht, acht Alsace-Forêt Van Hulle als beroepsverkoper gehouden tot vergoeding van alle geleden schade, waarvan zij een gedetailleerde opgave doet met verwijzing naar stavingstukken. Minstens dient volgens Alsace-Forêt een deskundige te worden aangesteld: er zijn nog voldoende lariksen in voorraad en het gebrek is nog steeds traceerbaar, aangezien de lariksen in aarde geplant werden met een vliesdoek er rond. Dit geldt des te meer omdat Van Hulle de aantasting door botrytis als zodanig niet meer betwist.
- Van Hulle vraagt dat het hof het hoger beroep ongegrond verklaart, het bestreden vonnis bevestigt en Alsace-Forêt veroordeelt tot de gedingkosten. Ook Van Hulle herneemt, zowel wat de rechtsmacht betreft, als in verband met de hoofdeis en de tegeneis, de middelen die zij voor de eerste rechter heeft ontwikkeld en maakt de overwegingen van de eerste rechter tot de hare. B. Beoordeling I.
- De vraag welke rechter kan oordelen over het voorliggende geschil dient beslecht te worden overeenkomstig de Verordening (EG) 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L, 16 januari 2001, afl. L.12,1) "de EEX-Verordening" genoemd. Volgens de algemene bepaling van artikel 2 van de EEX-Verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Zij kunnen slechts voor de rechtbanken van een andere lidstaat worden opgeroepen op één van de gronden, aangehaald in de artikelen 5 tot en met 24 van de EEX-Verordening (art. 3.1 EEX-Verordening).
- Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van de geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van deze lidstaat bevoegd (artikel 23.1 EEX-Verordening). Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten: - hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, - hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden, - hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.
- Er ligt geen schriftelijke overeenkomst voor, noch een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, waarin de rechter van een lidstaat wordt aangewezen. Volgens Van Hulle is er een overeenkomst tot aanwijzing van de Belgische rechtbanken, meer bepaald deze van Gent, tot stand gekomen ingevolge de aanvaarding door Alsace-Forêt van de verkoopsvoorwaarden van Van Hulle, waarin een forumbeding voorkomt. Deze verkoopsvoorwaarden, vermeld op de keerzijde van haar facturen en waarnaar op de voorzijde van de facturen in vier talen, waaronder het Frans, verwezen wordt, bepalen onder meer, zowel in het Nederlands als in het Frans: "Ingeval van betwisting zullen alleen de Rechtbanken van het Arrondissement Gent bevoegd zijn." Het is aldus de stelling van Van Hulle dat tussen partijen een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter tot stand is gekomen in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden.
- Het akkoord dat volgens artikel 23.1 EEX-Verordening (voorheen artikel 17 EEX-Verdrag) tussen partijen moet bestaan tot aanwijzing van een bevoegde rechter, kan niet worden afgeleid uit het uitblijven van elke reactie op het ontvangen, na het sluiten van het contract zelf, van een factuur of van algemene voorwaarden, waarin een forumbeding is opgenomen, noch uit de uitvoering van de overeenkomst (vgl.: COUWENBERG, I., Gerechtelijk Recht, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Art. 17 EEX - p. 15). De gebeurlijke kennis in hoofde van appellante van deze algemene voorwaarden, vanuit één vroegere levering, is evenmin van aard het bewijs van zulke overeenkomst te leveren. Eén voorgaande contractuele relatie tussen partijen volstaat niet om gewag te kunnen maken van voorgaande en lopende handelsbetrekkingen die zouden kunnen wijzen op een aanvaarding door appellante van de voorwaarden. Van Hulle zet evenwel uiteen dat er vanaf november 2003 een intense handelsrelatie ontstond tussen partijen. Zij maakt melding van vijf afzonderlijke bestellingen, voorafgaand aan de litigieuze. Deze bestellingen hebben het voorwerp uitgemaakt van 5 facturen van 8 december 2003, 11 februari 2004, 16 maart 2004, 26 maart 2004 en 5 april
- Het wordt door Alsace-Forêt niet betwist dat zij telkens, met de ontvangst van de factuur, kennis heeft kunnen nemen van de verkoopsvoorwaarden van Van Hulle en van de daarin opgenomen clausule van forumkeuze, evenals van het uitdrukkelijk beding op de facturen, dat verwees naar deze verkoopsvoorwaarden. Het blijkt niet dat zij tegen de systematische verwijzing naar deze voorwaarden of tegen de toepasselijkheid daarvan op haar overeenkomsten met Van Hulle geprotesteerd heeft of daarover voorbehoud heeft gemaakt. Daarmee wordt zij geacht het tot stand komen van een overeenkomst over de forumkeuze, door hun opname in de verkoopsvoorwaarden op de facturen als een tussen partijen gebruikelijk geworden handelwijze te hebben aanvaard (vgl. HOF 'S GRAVENHAGE, 22 mei 2008, NIPR, 2008, 363). Het hof treedt dan ook de eerste rechter bij waar hij oordeelde dat de Belgische rechtbanken en in het bijzonder de rechtbanken te Gent over rechtsmacht beschikten en bevoegd waren om kennis te nemen van het geschil. II.
- Het geschil vloeit voort uit de levering door Van Hulle aan Alsace-Forêt van 30.000 stuks "larix decidua." Deze lariksen of lorken werden op 19 april 2004 bij Alsace-Forêt geleverd en, samen met andere goederen, gefactureerd op 24 april
- De vordering van Van Hulle strekt ertoe betaling te bekomen van het saldo van deze factuur, dat 18.150,00 EUR in hoofdsom bedraagt. Alsace-Forêt betwist niet dat de gefactureerde goederen door haar besteld en door Van Hulle geleverd werden, noch dat de aangerekende prijs overeenstemt met hetgeen tussen partijen overeengekomen was. Zij meent evenwel niet tot betaling van het openstaand factuursaldo gehouden te zijn omdat deze lariksen gebreken vertoonden en meer bepaald waren aangetast door botrytis cinerea of grijze schimmel en daardoor geen naaldvorming hadden.
- Het geschil heeft betrekking op een koopverkoop van roerende zaken tussen een verkoper met zetel in België en een koper met zetel in Frankrijk. Het verdrag van 11 april 1980 houdende het recht voor de internationale koopverkoop van roerende lichamelijke zaken (het Weens Koopverdrag) is zowel in Frankrijk als in België van toepassing op overeenkomsten inzake internationale koopverkoop van roerende zaken. Het blijkt niet dat de partijen de toepassing van het Weens Koopverdrag uitgesloten hebben, terwijl er evenmin contractuele bedingen van toepassing zijn die voorrang hebben en/of afwijken van dit Verdrag. Het Weens Koopverdrag kent slechts één uniform conformiteitsbegrip en maakt geen onderscheid tussen de vrijwaring voor verborgen gebreken en de leveringsplicht (vgl.: DE GROOT, S., Non-conformiteit volgens het Weens Koopverdrag, T.P.R., 1999, p. 635 e.v.). Krachtens artikel 38.1) Weens Koopverdrag moet de koper de zaak binnen een, gelet op de omstandigheden zo kort mogelijke, termijn keuren of doen keuren. Artikel 38.2) voegt eraan toe dat, indien de overeenkomst tevens het vervoer van de zaken omvat, de keuring kan uitgesteld worden tot na de aankomst van de zaken op hun bestemming. Ten slotte bepaalt artikel 38.3) onder andere dat, indien de koper de zaken doorzendt zonder dat hij redelijkerwijze gelegenheid heeft deze te keuren en de verkoper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst de mogelijkheid van deze wijziging of doorzending kende of behoorde te kennen, de keuring kan worden uitgesteld tot het tijdstip waarop de zaken op de nieuwe bestemming zijn aangekomen. Krachtens artikel 39.1) verliest de koper het recht om zich erop te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken, de verkoper hiervan in kennis stelt, onder opgave van de aard van de tekortkoming (vgl.: HERBOTS, J.H., Verplichtingen van de verkoper, in: VAN HOUTTE, e.a., Het Weens Koopverdrag, nr. 4.58, p. 142).
- Er is geen betwisting over het feit dat de litigieuze lariksen op 19 april 2004 bij Alsace-Forêt werden geleverd. Het eerste protest dateerde van 17 mei 2004, precies vier weken na de levering. Daarin erkende Alsace-Forêt dat zij "veel langer dan nodig was" gewacht had met de keuring van de planten ("Nous avions, par la force des choses attendu beaucoup plus longtemps qu'il ne l'aurait fallu avant de réceptionner ces plants"). Alsace-Forêt stelde in haar brief van 17 mei 2004 dat tijdens de bewaring van dit lot en vóór het uitplanten ervan, schimmel was ontstaan. Uit deze brief blijkt verder evenwel dat op dat ogenblik het grootste deel van de lariksen, namelijk 25.000 stuks, reeds - in bossen - geplant waren. Alsace-Forêt stelde dat deze plantjes zorgwekkende tekenen vertoonden dat zij niet aangroeiden. Met betrekking tot de 4.500 stuks die zij blijkbaar nog in haar bezit had, stelde Alsace-Forêt dat ze dood leken te zijn.
- Van Hulle liet op 26 mei 2004 weten dat zij de klacht van Alsace-Forêt verwierp. In daaropvolgende briefwisseling bleef zij bij haar standpunt en vroeg zij betaling van het saldo van de factuur van 24 april
- Op 4 juni 2004 maakte Alsace Forêt foto's over en een brief d.d. 19 mei 2004 van een expert, die vastgesteld had dat lariksen, die aangeplant waren in bossen, genaamd "des Harcholins" en "de la Bergerie", na een kleine groei, geen naalden aanmaakten. Op 9 juni 2004 gaf Alsace-Forêt opdracht aan een labo in Nancy voor het onderzoeken van een staal. Volgens het analyserapport d.d. 7 juli 2004 stelde dit labo botrytis vast. Over de oorzaken daarvan gaf dit analyserapport geen enkele toelichting. Alsace-Forêt maakte dit rapport op 29 juli 2004 over aan Van Hulle.
- Van Hulle legt een schrijven d.d. 29 september 2004 van de directeur van het Proefcentrum voor Sierteelt voor, die stelt dat botrytis "te velde grote schade kan veroorzaken tijdens periodes van betrokken luchten, mist, hevige dauw of druilregen." Ook in de op verzoek van Van Hulle opgestelde technische nota van Experflora wordt gesteld dat de kans op besmetting het grootst is bij "koel stagnerend nat weer". Specifiek in verband met de lork vermeldt deze nota: "De grauwe schimmel treedt dan op bij hoge luchtvochtigheid, verse uitgroei is bijzonder gevoelig bij koelvochtige weersomstandigheden, derhalve dienen beschaduwde, vochtige liggingen vermeden". De door Alsace-Forêt geraadpleegde expert Rousselin daarentegen is van oordeel dat de schimmel niet veroorzaakt werd door het slechte weer. Hij stelt dat het fenomeen reeds enkele dagen na het aanplanten werd vastgesteld en dat, ondanks de weersomstandigheden, andere planten zich in de lente van 2004 wel normaal ontwikkeld hebben. Experflora sluit aantasting tijdens het transport van Van Hulle naar Alsace-Forêt uit, omdat dit onmiddellijk bij het lossen dan wel binnen de week zichtbaar zou zijn geweest. Alsace-Forêt weerlegt dit niet.
- Rekening houdend met de aard van de goederen, diende Alsace-Forêt onmiddellijk nadat de lariksen bij haar geleverd waren, tot de keuring ervan over te gaan. Door dit niet te doen en door Van Hulle pas vier weken na de levering op de hoogte te stellen van vastgestelde schimmelvorming, heeft zij het onmogelijk gemaakt aan te tonen dat de ingeroepen gebreken - minstens reeds in de kiem - bestonden op het ogenblik van de levering. Ingenieur Volckaert van het Proefcentrum voor Sierteelt maakt melding van een zeer korte incubatietijd voor botrytis, namelijk 6 uur. Alsace-Forêt verwijst weliswaar naar een artikel uit Wikipedia, waarin staat dat de aantasting soms pas veel later zichtbaar wordt, doch daarbij wordt als voorbeeld de aardbei gegeven. Ingenieur Braeckman van Experflora heeft in een brief van 18 december 2007 toegelicht dat het verstrijken van een langere termijn tussen besmetting en aantasting onrijpe aardbeien betreft. Hij heeft daarvoor een technische verklaring gegeven, die plausibel voorkomt en door Alsace-Forêt niet weerlegd noch tegengesproken wordt. Er ligt geen enkele objectieve of tegensprekelijke vaststelling voor, noch enig bewijskrachtig stuk, op grond waarvan blijkt dat de planten, op het ogenblik dat zij door Van Hulle bij Alsace-Forêt geleverd werden, besmet waren met botrytis of met enig ander gebrek behept waren. Zoals gesteld heeft Van Hulle van meet af aan elke verantwoordelijkheid afgewezen. Wanneer Alsace-Forêt, voor het eerst vier weken na de levering van de lariksen, voorhield dat zij van meet af aan door een gebrek waren aangetast, dan diende zij haar bewering te bewijzen. Zij doet dit niet. Noch de voorliggende foto's, noch het analyseverslag van juli 2004, noch de verklaringen van de heer Rousselin, tonen aan dat de besmetting met botrytis zich voorgedaan heeft vooraleer de goederen aan Alsace-Forêt geleverd werden. De voorliggende rapporten wijzen erop dat de symptomen van een eventuele besmetting reeds na zeer korte tijd konden vastgesteld worden. Indien de geleverde lariksen besmet waren dan kon Alsace-Forêt dit vaststellen onmiddellijk of korte tijd na de levering. Wanneer zij dit pas na vier weken vaststelde dan is dit ofwel omdat de lariksen nog niet besmet waren op het ogenblik van de levering, ofwel omdat zij nagelaten heeft ze tijdig te keuren, zoals voorgeschreven door artikel 38 van het Weens Koopverdrag. In het laatste geval had zij onmiddellijk de nodige maatregelen moeten nemen om - zo mogelijk tegensprekelijk - de gebreken te laten vaststellen en te laten onderzoeken of ze reeds in de kiem aanwezig waren op het ogenblik van de levering. Zij deed dit niet. Dat de planten besmet waren bij de levering is niet alleen niet bewezen, maar trouwens ook zeer onwaarschijnlijk. Uit de brief van 17 mei 2004 blijkt dat het overgrote deel van de geleverde lariksen reeds uitgeplant was in twee bossen. Als Alsace-Forêt nagelaten had de geleverde goederen te keuren bij het in ontvangst nemen ervan, zoals zij voorhoudt, dan zal een keuring ongetwijfeld wel plaats gevonden hebben op het ogenblik dat zij de lariksen hetzij zelf plantte voor rekening van een derde, hetzij aan een derde verkocht. Dat er op het ogenblik van het planten nog geen symptomen van schimmel vast te stellen waren, lijkt bevestigd te worden door de heer Rousselin, waar hij stelt dat deze schimmel zich pas manifesteerde enkele dagen na het aanplanten. Men kan trouwens redelijk aannemen dat de bomen niet zouden aangeplant zijn, indien men vaststelde dat ze schimmels vertoonden. De omstandigheid dat, op het ogenblik dat de aangeplante bomen botrytis vertoonden, hetzelfde fenomeen zich voordeed bij de niet-aangeplante, spreekt het vermoeden dat de lariksen niet gebrekkig waren op het ogenblik van de levering door Van Hulle, niet tegen, gelet op het tijdsverloop sedert de levering enerzijds en op de korte tijdspanne die verloopt tussen besmetting en aantasting anderzijds.
- Het hof besluit dat de keuring door Alsace-Forêt laattijdig gebeurde, minstens dat zij, gelet op de omstandigheden, Van Hulle daarvan niet binnen redelijke termijn in kennis heeft gesteld. Alsace-Forêt kan haar nalatige houding niet redelijk verantwoorden. Zij geeft in haar brief van 17 mei 2004 integendeel toe dat dit te maken heeft met het feit dat zij er veel langer dan nodig over gedaan heeft om de goederen na te zien. Evenmin toont zij aan, of houdt zij zelfs maar voor, dat het beweerd niet-beantwoorden van de geleverde goederen aan de overeenkomst betrekking heeft op feiten, die Van Hulle kende of waarvan zij niet onkundig kon zijn, doch die zij niet aan Alsace-Forêt heeft bekendgemaakt, zodat Van Hulle te kwader trouw zou gehandeld hebben of zich minstens schuldig zou gemaakt hebben aan grove nalatigheid.
- Op de vraag van Alsace-Forêt om een deskundigenonderzoek te bevelen, kan het hof niet ingaan, aangezien deze maatregel thans niet meer dienstig kan zijn voor de oplossing van het geschil. Voor zover de litigieuze lariksen - of een deel daarvan - nog zouden kunnen geïdentificeerd worden, kan de gebeurlijke vaststelling door een deskundige dat de betreffende planten door botrytis waren aangetast, vijf jaar na datum geen uitsluitsel meer geven over de vraag of dit gebrek - minstens in de kiem - reeds aanwezig was op het ogenblik van de levering, dan wel pas nadat het risico overgegaan was op Alsace-Forêt.
- Uit de voorafgaande overwegingen blijkt dat Alsace-Forêt zich ten onrechte beroepen heeft op de beweerde niet-conformiteit van de geleverde lariksen om haar betalingsverplichting op te schorten. De vordering van Van Hulle, waaromtrent Alsace-Forêt voor het overige geen concreet verweer heeft gevoerd, is dan ook gegrond.
- Aangezien Alsace-Forêt geen tekortkoming door Van Hulle aan haar verbintenissen bewijst, kan zij Van Hulle niet aansprakelijk stellen voor de schade die zij beweert geleden te hebben en is haar tegenvordering ongegrond. III. Rekening houdend met de gegrondheid van de hoofdvordering van Van Hulle en de ongegrondheid van de tegenvordering van Alsace-Forêt, heeft de eerste rechter op passende wijze uitspraak gedaan over de gerechtskosten in eerste aanleg. Gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep zijn de gerechtskosten in hoger beroep ten laste van Alsace-Forêt. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de vennootschap naar Frans recht Alsace-Forêt s.a. ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in zijn beschikkingen; Veroordeelt de vennootschap naar Frans recht Alsace-Forêt s.a. tot de gedingkosten in hoger beroep, aan haar zijde niet te begroten aangezien zij te haren laste zijn, en aan de zijde van de bvba Van Hulle B&C begroot op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 12e kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 6-5-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.