id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 13 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090513.8 Rolnummer: 1998/AR/997 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-10-16 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 19:44 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht Vrije woorden: Geen bescherming van de auteurswet aangezien het rechtens niet bewezen is dat er een originele concrete vormgeving werd tot stand gebracht in verband met de bouwstijl van de woning. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 13de Kamer ________ Terechtzitting van 13 mei 2009 ________ na tussenarresten van 10.01.2001 en 24.09.2008 Auteursrechten 1998/AR/997 - In de zaak van: D. K., architect, wonende te ......................................................., appellant tegen de beschikking zoals in kort geding die op 16 april 1998 op tegenspraak werd verleend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk hebbende als raadsman mr. GEVAERT Eddy, advocaat te 8500 KORTRIJK, Burgemeester Nolfstraat 20, (referte: 9158), tegen: M. D., architect, wonende te ................................................, geïntimeerde, hebbende als raadslieden mr. ANKONÉ Maria en mr. LETERME Bernard, beiden advocaten met kantoor te 8500 KORTRIJK, En-gelse Wandeling 2 F01 L, (referte: COMB5765/BL/MA/mv), W. G., architect, wonende te ....................................., vrijwillig tussenkomende partij, hebbende als raadsman mr. VAN MELKEBEKE Emmanuel, ad-vocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 50, (referte: 061.001) velt het hof het volgend arrest: 1.
- Appellant en geïntimeerde zijn beiden architect. Voor de eerste rechter houdt geïntimeerde voor dat appellant een inbreuk pleegt op zijn auteursrechten bij het ontwerpen van een villa te Waregem - Beveren-Leie. Appellant, die op diverse gronden geïntimeerdes vordering betwist, vordert bij te-geneis een schadevergoeding van 100.000 BEF, thans 2.478,94 EUR wegens tergend en roekeloos geding. 1.
- De eerste rechter oordeelt dat de door geïntimeerde voorgelegde foto's aantonen dat hij een typische stijl heeft ontworpen, en dat de voor- en achterzijde van de door appellant ontworpen villa identiek zijn aan twee door de geïntimeerde ont-worpen woningen. De eerste rechter oordeelt tevens dat de stijl van geïntimeerde niet het gevolg is van een toevallige combinatie, maar van het uitwerken van een nieuwe stijl als resultaat van een intellectuele inspanning. Verder stelt de eerste rechter dat niet de artistieke waarde, doch enkel de oor-spronkelijkheid van de persoonlijke inbreng als criterium geldt, en dat geïnti-meerde de eigen stijl heeft geschapen door een continue toepassing van een reeks principes, zodat hij terecht bescherming van de hem eigen stijl kan vragen. Daarnaast oordeelt de eerste rechter dat niet betwist wordt dat appellant zich mag laten inspireren door de stijl van geïntimeerde, maar dat het te dezen gaat om het ‘klakkeloos kopiëren', waarbij toeval uitgesloten is. De stelling van appellant dat een architecturale stijl niet wordt beschermd, wijst de eerste rechter af omdat, naar zijn oordeel, de specifieke combinatie een origi-neel karakter heeft en de stijl van geïntimeerde goed bekend is. Het feit dat de raad van de orde van architecten nog niet is opgetreden, acht de eerste rechter irrelevant. De eerste rechter oordeelt dat er geen redenen zijn om de verbeurdverklaring uit te spreken gezien kwade trouw niet is bewezen. De gevraagde publicatie acht de eerste rechter nutteloos omdat het gebouw is opgetrokken en de gevolgen van de gewraakte handeling daardoor niet ophou-den. 1.
- Het dispositief van de bestreden beschikking van 16 april 1998 luidt als volgt: " (...) Verklaren de hoofdvordering ontvankelijk en grotendeels gegrond en de tegen-vordering ongegrond. Zeggen voor recht dat verweerder een inbreuk pleegt op de auteursrechten van eiser door het bouwen van de woning te ...................................................., voor rekening van de bouwheer F. L.-V. uit D.. Leggen dienvolgens verbod op aan verweerder om nog verder inbreuk te plegen op de auteursrechten van eiser o.m. door op één of andere wijze de persoonlijke bouwstijl van eiser te kopiëren en/of op één of andere wijze gebruik te maken van plannen, schetsen, ontwerpen enz. die een reflexie zijn van deze bouwstijl onder verbeurte van een dwangsom van 1.000.000 frank per inbreuk op deze beschikking, te rekenen vanaf de betekening van deze beschikking. Bevelen verweerder zijn naamplaat, bevestigd op de nagemaakte woning, te verwijderen binnen 24 uur na betekening van onderhavige beschikking, onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 frank per dag vertraging. Veroordelen verweerder tot de kosten van het geding (...) " 2.
- Appellant tekende op 27 april 1998 tegen die beschikking hoger beroep aan. De grieven van appellant en de verweermiddelen van geïntimeerde worden in het tussenarrest van 10 januari 2001 uitvoerig weergegeven. De appelrechter overweegt dat, vooraleer te onderzoeken of appellant zich heeft schuldig gemaakt aan niet toegelaten namaak, noodzakelijkerwijze moet onder-zocht worden of geïntimeerde zich op de bescherming van de Auteurswet kan beroepen. Het tussenarrest stelt voorts dat niet betwist wordt dat de architectuur van een gebouw ‘kan' genieten van de bescherming van de Auteurswet, op voorwaarde dat het werk ‘oorspronkelijk' is, d.i. dat de creatie de stempel draagt van haar schepper en zich van andere realisaties onderscheidt. Dit kan o.m. het gevolg zijn van het samenbrengen van diverse bouwtechnieken op een dergelijke wijze dat het samenspel van deze technieken getuigt van een oorspronkelijke visie, of door het toevoegen van originele elementen waardoor het bouwwerk een bijzondere, eigen, stempel krijgt. Het tussenarrest stelt vast dat geïntimeerde staande houdt dat zulks het geval is, terwijl appellant zijn stelling handhaaft dat de zogenoemde ‘stijl M.....' in werke-lijkheid gemeengoed is in de architectuur, en die stijl afgeleid is van de klassieke rietendak villa's. Het tussenarrest oordeelt dat appellant ten onrechte beweert dat het verslag van een deskundige, in een ander geschil waarin hij geen partij was, hem niet kan worden tegengeworpen. Het tussenarrest stelt dat het hof niet de vereiste deskundigheid bezit om - zon-der voorafgaand en gemotiveerd advies van een ter zake deskundig persoon - te beslissen over de originaliteit van de ‘stijl M........'. Het hof wijst daarom een college van gerechtsdeskundigen aan en vraagt advies over de vraag wat de geïntimeerde omschrijft als een eigen, typische, stijl, te we-ten de ‘stijl M.......', al dan niet (door het concept zelf, door de combinatie van di-verse bouwtechnieken of door het toevoegen van originele elementen, of om enige andere reden) kan aanzien worden als een originele, eigen herkenbare, stijl die zich onderscheidt van deze van andere architecten, of integendeel, of het gaat om een stijl welke ook door andere architecten wordt toegepast, en die, in de architectuur, als gemeengoed moet worden aangezien. Voorts vraagt het hof het college om de stijlgelijkenissen en -verschillen te be-schrijven tussen de woning van de echtgenoten L. (waarvoor de plannen werden getekend door architect D.) enerzijds, en de woningen waarvoor de plannen wer-den getekend door architect M. anderzijds. 2.
- Architect G. W. komt bij verzoekschrift van 27 april 2001 vrijwillig tussen. De vrijwillig tussenkomende partij wijst er op dat hij in een analoge procedure met geïntimeerde is verwikkeld, dat hij bij vonnis van 16 december 1999 door de rechtbank van eerste aanleg te Veurne werd veroordeeld tot een schadevergoe-ding van 500.000 BEF, en dat hem verbod werd opgelegd nog verder de typische bouwstijl van geïntimeerde te imiteren. Hij deelt mee dat hij tegen dat vonnis hoger beroep heeft aangetekend, en dat de zaak hangende is voor de 20ste kamer van dit hof, en er gekend is onder A.R. 2000/
- Hij houdt voor dat hij er belang bij heeft om in de huidige procedure tussen te komen. De vrijwillig tussenkomende partij heeft aan de expertisewerkzaamheden deel-genomen en naderhand ook conclusies neergelegd. 2.
- Het college van gerechtsdeskundigen heeft op 12 oktober 2005 zijn verslag ter griffie van dit hof neergelegd. Alle procespartijen hebben nadien nog conclusies neergelegd.
- Het hof heeft met zijn arrest van 24 september 2008 ambtshalve de debatten heropend teneinde geïntimeerde toe te laten een stuk (niet-gepubliceerde recht-spraak) waarop hij in appelconclusie naar verwijst bij het dossier te voegen en aan de andere partijen mee te delen. Geïntimeerde heeft aan het verzoek van het hof het passend gevolg gegeven.
- Het hof heeft opnieuw de partijen in openbare terechtzitting gehoord in hun mid-delen en conclusies en heeft de stukken ingezien. 5.
- Appellant houdt staande dat het bestreden vonnis moet worden teniet gedaan en dat, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde als onont-vankelijk, minstens ongegrond moet worden afgewezen en geïntimeerde tot de gedingkosten in beide aanleggen moet worden veroordeeld. Appellant concludeert tot de ongegrondheid van het incidenteel beroep. 5.
- Geïntimeerde blijft vorderen dat het principaal beroep als ongegrond zou worden afgewezen, dat het bestreden vonnis zou worden bevestigd met uitzondering van de beschikkingen waartegen hij incidenteel beroep instelt, en dat appellant tot de gedingkosten zou worden veroordeeld. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde dat de verbeurdverklaring zou wor-den uitgesproken van alle plannen, ontwerpen, schetsen, etc. die verband hou-den met de nagemaakte woning en van alle voorwerpen die rechtstreeks hebben gediend om de kwestieuze namaak te plegen. Daarnaast vordert geïntimeerde op kosten van appellant de publicatie van de aanhef en van het beschikkend gedeelte van het tussen te komen arrest in twee vaktijdschriften evenals twee dagbladen. 5.
- De vrijwillig tussenkomende partij vordert dat zijn tussenkomst ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard. Hij vordert dat voor recht zou worden gezegd dat de ‘15 basisprincipes' van geïn-timeerde niet auteursrechtelijk beschermd zijn omdat deze niet voldoen aan de auteursrechtelijke voorwaarden tot bescherming, dat geïntimeerde integraal van zijn vordering zou worden afgewezen en tot de gedingkosten zou worden veroor-deeld, die hij zijnerzijds begroot op 2.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. EINDBEOORDELING
- De vordering van geïntimeerde is uitsluitend gestoeld op de Auteurswet. Terecht wordt er in het tussenarrest van 10 januari 2001 op gewezen dat, voor-aleer te onderzoeken of appellant zich heeft schuldig gemaakt aan niet toegela-ten namaak, noodzakelijkerwijze moet worden onderzocht of geïntimeerde zich kan beroepen op de bescherming die de Auteurswet biedt. 2.
- A. De eindconclusie van het college van gerechtsexperten luidt als volgt: " (...) Betreffende het concept De gebouwen ontworpen door architect M. D. hebben geen specifiek of origineel concept. Het betreft een samenvoegen van normale bouwelementen en bouw-materialen. Er is geen specifieke stijl M., niet qua ruimte indeling noch qua ver-werking van de bouwelementen. Betreffende de combinatie van diverse bouwtechnieken De door architect M. opgesomde elementen welke zijn eigen stijl zouden moeten uitmaken zijn of een bouwmateriaal, of een functioneel element, of een decoratief element. Ze behoren zowel elk afzonderlijk als samengevoegd tot het gemeen-goed. De samenvoeging van al deze elementen, gewild of toevallig, kunnen geen eigen herkenbare stijl met zich meebrengen. Betreffende toevoegen van originele elementen of andere redenen Wij kunnen geen nieuwe toegevoegde elementen in de woningen, ontworpen door architect M., ontdekken. Ook zijn er geen andere redenen waardoor de wo-ningen de typische stijl M. zouden kunnen genoemd worden. (...) " (punt 5.
- van het verslag) "(...) Een ‘stijl M.' wordt als dusdanig niet erkend of beschreven binnen de vaklitera-tuur, en zal dat ook nooit worden. De gebouwen ontworpen door architect M. kaderen binnen een bepaalde traditie van burgerlijke landhuizen in Vlaanderen, maar zijn er een verderzetting van en zijn er dus ook schatplichtig aan. De specifieke stijlkenmerken - én het specifiek gebruik ervan - die door architect M. worden naar voor geschoven als geheel ei-gen stijlkenmerken, zijn een verderzetting van een traditie én te weinig vernieu-wend (nauwelijks) om een eigen stijl te kunnen definiëren. Deze ontwerpen vallen in de smaak van bepaalde opdrachtgevers, maar worden binnen het vakgebied totaal niet erkend als toonaangevend voor de architectuur-geschiedenis." (punt 5.
- van het verslag) B. In antwoord op vragen van geïntimeerdes advocaat: "(...) Deze woningen zijn niet ‘banaal' vergeleken met heel wat nieuwbouwwoningen, doch evenmin zijn ze ‘speciaal'. Natuurlijk zijn ze voor de bewoners en de ont-werpers speciaal en zelfs karaktervol, maar - los van hun meestal grotere om-vang - vallen ze niet op in het landschap van woningen dat vandaag gereali-seerd wordt. De zogenaamde ‘eigen stijlkenmerken' zijn niet van die aard dat ze door de meerderheid van de bevolking als dusdanig worden herkend. (...) Als men deze woningen na elkaar bekijkt zonder enige achtergrondkennis, dan kan men vermoeden, zonder hier zekerheid over te hebben, dat ze door dezelfde architect ontworpen zijn omdat deze woningen op elkaar gelijken. Net zo goed kan men de test doen met een selectie van vijf woningen, binnen eenzelfde stijl, van verschillende architecten. Men kan onmogelijk met zekerheid uitmaken dat ze effectief door dezelfde per-soon ontworpen zijn. (...) Men mag hopen dat bij elk ontwerp, door gelijk welke architect, getracht wordt om alle gekende elementen tot een origineel geheel te verwerken. Dit ontwerp op zich is dan origineel, maar hiermee is nog geen ‘stijl' gecreëerd. (...) Dat verschillende architecten, los van elkaar en zonder kennis van elkaars werk, tot gelijkaardige ontwerpen komen, is de dagdagelijkse realiteit die iedereen om zich kan waarnemen. Dit is logisch omdat men werkt binnen eenzelfde tijd (tijdsgeest), binnen eenzelf-de ruimte (land) en dezelfde invloeden - onderwijs, vakliteratuur, techniciteit - ondergaat (ondergaan heeft). (...) De reden waarom in de minnelijke schikking een schadevergoeding is voorge-steld is duidelijk en blijkt ook uit het antwoord op punt
- Hier is geen sprake van het werken binnen eenzelfde stijl, maar van een zuivere kopie van het gevelontwerp, waarbij duidelijk is dat D. het ontwerp van M. kende." C. In antwoord op vragen van geïntimeerde zelf : (...) Terug dienen wij mede te delen dat het niet is omdat een bepaald gebouw, of een element eruit gerepeteerd wordt door één of verschillende ontwerpers, dat er een stijl ontstaat. (...) De deskundigen zijn alle drie van een verschillende opleidingsschool, namelijk Sint-Lucas Instituut Gent, Academie-Hogeschool voor Architectuur en Steden-bouw en Universiteit Gent Architect-ingenieur. (...) We benadrukken als college nogmaals dat er geen stijl M. bestaat en dat het kan dat andere architecten bouwelementen gebruiken die ook bij architect M. waar-neembaar zijn, zonder dat dit tot plagiaat leidt. Als college interpreteren wij wel het begrip plagiaat binnen onze beroepsdeonto-logie wanneer het om een kopie gaat van een volledige gevel die identiek is qua afmetingen en opdelingen en materiaalgebruik zoals in ons verslag naar voor ge-bracht." 2.
- Na de partijen twee keer uitgebreid te hebben gehoord, alle dossiers te hebben bestudeerd en ter plaatse te zijn geweest om de litigieuze gebouwen te bekijken en te vergelijken, zijn de drie gerechtsdeskundigen unaniem tot het besluit geko-men dat geïntimeerde geen eigen stijl heeft ontwikkeld in de betekenis dat de bouwwerken waarvan hij als architect is opgetreden zich door een bepaald ge-heel van kenmerken van andere zouden onderscheiden. Van een specifiek of origineel concept is volgens de experten geen sprake, ge-zien het gaat om het louter samenvoegen van bestaande normale bouw-elementen en bouwmaterialen. De door geïntimeerde opgesomde elementen welke zijn eigen stijl zouden moe-ten uitmaken, zijn ofwel een bouwmateriaal, ofwel een functioneel element, ofwel een decoratief element, die zowel elk afzonderlijk als samengevoegd tot het bouwkundig gemeengoed behoren. Volgens de gerechtsexperten brengt de samenvoeging van al deze elementen, gewild of toevallig, geen eigen herkenbare stijl met zich. Nieuwe toegevoegde originele elementen zijn er volgens de experten niet. 2.
- In zijn laatste appelconclusie stelt geïntimeerde dat de gerechtsdeskundigen het woord ‘stijl' uitsluitend in de historische context hanteren. Een dergelijke benadering is volgens geïntimeerde volledig vreemd aan het be-grip ‘originaliteit' in het kader van de auteursrechtelijke bescherming. Geïntimeerde, die zelf van meet af aan gewag maakte van de ‘stijl M.', stelt thans dat hij nooit heeft willen beweren dat hij een bepaalde historische bouwstijl zou hebben ontworpen, doch dat hij enkel unieke ontwerpen heeft gerealiseerd die naar zijn persoonlijkheid verwijzen. Van Dale omschrijft het woord bouwstijl als het geheel van de kenmerken waar-door de gebouwen van een bepaald tijdvak, volk of architect zich van andere on-derscheiden. Ook wanneer de gerechtsdeskundigen zich gebaseerd hebben op de taal-kundige betekenis die Van Dale geeft aan het woord stijl, dan nog staat vast dat zij niet zozeer een historische bouwstijl, d.i. van een bepaald tijdvak of een be-paald volk, op het oog hadden, maar eerder het geheel van kenmerken waardoor de gebouwen van een bepaalde architect zich onderscheiden van deze van an-dere architecten. Het hof verwijst daarbij naar wat de gerechtsexperten in het verslag onder 5.
- schrijven: "(...) Het begrip stijl is echter in de eerste plaats een theoretisch concept dat afgeleid wordt uit de artefacten (hier de bouwwerken) die in een bepaalde tijd en/of regio geproduceerd (hier gebouwd) zijn. Pas in de tweede plaats gaat men specifieke gebouwen toetsen aan de stijlkenmerken die bepalend zijn voor deze of gene stijl. Essentieel hierbij is dat een ‘nieuwe stijl' pas erkend wordt van zodra er fun-damentele wijzigingen merkbaar zijn, die de normale continue aanpassing en wij-ziging van stijlkenmerken - door diverse architecten die er mee werken - over-schrijdt. Het is dan ook zo dat architecten werken binnen een bepaalde stijl, zonder dat deze hun eigendom is of dat zij deze stijl als enige beoefenen (...)" Kennelijk maakt geïntimeerde niet of minstens onvoldoende een onderscheid tussen het ontwerpen in een bepaalde stijl en de door de Auteurswet bescherm-de originele en persoonlijke schepping. 3.
- Wat door de Auteurswet wordt beschermd is de originele en persoonlijke schep-ping. Ook de architect wordt in beginsel beschermd in zijn hoedanigheid van schepper van lijnen, vormen en volumes, en heeft recht op bescherming van de Auteurs-wet zodra hij elementen en/of materialen verwerkt in een originele vorm, die aan het werk een persoonlijk karakter verlenen. De bescherming door de Auteurswet zal dus afhangen van de oorspronkelijkheid van het bouwwerk. Hoe origineler het werk is, hoe gemakkelijker het bestaan van een inbreuk op de Auteurswet zal kunnen vastgesteld worden. Voorts zijn de intellectuele prestaties, ongeacht hun intensiviteit, geen criterium bij de beoordeling van de originaliteit. 3.
- Het hof stelt vast dat geïntimeerde de vaststellingen en de conclusies van de ge-rechtsdeskundigen niet ontzenuwt. Luidens die vaststellingen en gemotiveerde conclusies van de experten, die het hof tot de zijne maakt, heeft geïntimeerde geen andere vormen, elementen en materialen aangewend, hetzij afzonderlijk hetzij samengevoegd, dan deze die sinds geruime tijd tot het architectonisch gemeengoed behoren. Geïntimeerde levert dienvolgens niet het rechtens vereiste bewijs dat hij een ori-ginele concrete vormgeving heeft tot stand gebracht die zijn persoonlijke stempel draagt. Gezien de originaliteit van het werk van geïntimeerde niet is bewezen, kan geïn-timeerde zich niet beroepen op de bescherming van de Auteurswet. Overige rechtsgronden liggen niet op de weg van het hof.
- Het hof maakt voor de in deze aanleg gevallen kosten toepassing van de wet van 21 april 2007 en van het K.B. van 26 oktober 2007 die vanaf 1 januari 2008 gel-den. Ter terechtzitting hebben appellant en geïntimeerde verklaard akkoord te gaan dat de basisbedragen worden toegepast. De basisrechtsplegingsvergoeding in hoger beroep bedraagt 1.200,00 EUR. Als in het ongelijk gestelde partij dient geïntimeerde tot dit bedrag te worden ver-oordeeld.
- De vrijwillig tussenkomende partij heeft het nodige belang en de vereiste hoeda-nigheid, en zijn verzoekschrift van 27 april 2001 is toelaatbaar en ontvankelijk. Het hof verleent akte aan de vrijwillig tussenkomende partij dat hij zich aansluit bij de middelen die door appellant werden aangevoerd. Luidens artikel 812 Ger. Wb. kan de vrijwillig tussenkomende partij niet voor het eerst in hoger beroep vorderingen stellen tegen geïntimeerde. De vrijwillig tussenkomende partij moet de kosten van zijn tussenkomst zelf dragen. OP DIE GRONDEN, het hof, Recht doende op tegenspraak en met inachtneming van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart het principaal beroep gegrond en wijst het incidenteel beroep af als on-gegrond. Doet de bestreden beschikking teniet, en opnieuw rechtsprekend, Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk en wijst ze af als ongegrond. Veroordeelt geïntimeerde tot de in beide aanleggen gevallen kosten. Aan de zijde van appellant worden die kosten tot dusver bepaald op 106,59 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, 186,00 EUR rolrecht in hoger beroep en 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Verklaart de vrijwillige tussenkomst toelaatbaar en ontvankelijk. Verleent aan de vrijwillig tussenkomende partij akte dat hij de rechtsmiddelen die door appellant werden aangevoerd tot de zijne maakt. Zegt dat de vrijwillig tussenkomende partij de kosten van zijn tussenkomst zal dragen. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, dertiende kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op dertien mei tweeduizend en negen. Aanwezig: de heer Dominique Vandorpe, kamervoorzitter, de heer Kristoffel Goossens, griffier, Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div