id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 14 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090514.20 Rolnummer: 2007/AR/3086 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-10-26 Raadplegingen: 134 - laatst gezien 2026-07-02 19:46 Fiche Het Hof beoordeelt, in het licht van de schadevergoeding van een zwakke weggebruiker, een ongeval waarbij een passagier een trein onoordeelkundig verlaat en op het perron ten val komt, getoest aan de op dat ogenblik vigerende wetgeving. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen Vrije woorden: Aansprakelijkheid - zwakke weggebruiker - art. 29bis WAM - spoorvoertuig - passagier - wetswijziging - toepassing in de tijd Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 1be kamer ________ terechtzitting van 14-05-2009 2007/AR/3086 in de zaak van: DE NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN NMBS Holding N.V., N.V. van publiek recht met maatschappelijke zetel te 1060 BRUSSEL, Frankrijkstraat 85, ingeschreven met KBO-nummer 0203.430.576, appellante, hebbende als raadsman mr. DEMEYER Rik, advocaat te 8000 BRUGGE, Cordoeaniersstraat 17 - 19 tegen: DE LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN afgekort L.C.M., met maatschappelijke zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 PB 40, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VERSTEELE Karel, advocaat te 8630 VEURNE, Noordstraat 28 velt het Hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 27 december 2007 stelt De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen tijdig en in regelmatige vorm hoger beroep in tegen het vonnis van 7 september 2007 van de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne dat de tegen haar gestelde vordering afwijst in zoverre ze gesteund is op art. 1384, 1ste en 3de lid B.W., de vordering gegrond verklaart in zoverre zij gesteund is op art. 29bis (oud) van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, haar veroordeelt om aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten euro 1.732,53 te betalen in hoofdsom, meer de vergoedende interesten (aan wettelijke rentevoet) op euro 1.723,31 vanaf 27 april 1999 tot 27 oktober 2004, de vergoedende interesten (aan wettelijke rentevoet) op euro 1.732,53 vanaf 27 oktober 2004 tot de datum van het vonnis en, vanaf dat de gerechtelijke interesten (aan de wettelijke rentevoet) op euro 1.732,53 tot de dag der volledige betaling en dat haar tevens veroordeelt tot de kosten van het geding. Het hoger beroep is beperkt en beoogt de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als ongegrond te doen afwijzen in zoverre deze gesteund was op art. 29 bis W.A.M.- wet, minstens de bedragen te beperken en de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. Waar de geïntimeerde in de op 30 juni 2008 neergelegde conclusie laat gelden dat haar vordering ook dient te worden ingewilligd op grond van art. 1384, lid 1 en lid 3 van het B.W. stelt zij daarmee op rechtsgeldige wijze incidenteel beroep in.
- Het bestreden vonnis zet het verloop van de rechtspleging, het voorwerp van de vordering en de feitelijke gegevens die eraan ten grondslag liggen juist uiteen. Het betreft een ongeval dat zich voordeed op 14 augustus 1996 in het station te Veurne waarbij A. V., verzekerde van de geïntimeerde, bij het afstappen van een trein waarvan de schuifdeuren toegingen, ten val kwam op het perron.
- De eerste rechter heeft geoordeeld dat art. 29 bis W.A.M.-wet toepassing vindt op het schadegeval.
- Ten tijde van het ongeval gold art. 29bis van de wet van 21 november 1989, zoals ingevoegd bij art. 45 van de wet van 30 maart 1994 en vervangen door art. 1 van de wet van 13 april
- Eerst met de wet van 19 januari 2001 werd in art. 29bis § 1 van de wet van 21 november 1989 een tweede lid ingelast waardoor bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden op de eigenaar van het motorrijtuig de verplichting wordt gelegd tot schadevergoeding bepaald in het eerste lid van dat artikel. Aan deze wet van 19 januari 2001, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 21 februari 2001, komt als zodanig geen retroactieve werking toe.
- Anders dan geoordeeld werd door de eerste rechter kan op grond van het arrest nr. 92/98 van 15 juli 1998 van het Grondwettelijk Hof, waarbij is vastgesteld dat art. 29bis voormeld in de versie die gold op 14 augustus 1996 een schending inhield van de art. 10 en 11 van de Grondwet, niet worden geoordeeld dat de geïntimeerde, als gesubrogeerde in de rechten van haar verzekerde, op grond van art. 29 bis van de W.A.M.-wet aanspraak kan maken op een vergoeding. Het ongeval dateert van voor de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 juli
- Het komt weliswaar aan de rechterlijke macht toe bij de uitlegging van de wet de gevolgen van de schending van de Grondwet waartoe het Grondwettelijk Hof in een antwoord op een prejudiciële vraag besluit in de tijd te bepalen, doch de rechter dient daarbij rekening te houden met het rechtmatig vertrouwen van de maatschappij in de wettelijke bepalingen en met de dwingende eisen van de rechtszekerheid. Die eisen van het rechtmatig vertrouwen en rechtszekerheid verzetten er zich tegen dat de verplichting tot schadevergoeding die bepaald is in art. 29bis, eerste lid, W.A.M.-wet van toepassing is op verkeersongevallen die zich hebben voorgedaan voor de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 juli
- In zoverre de vordering steunt op de art. 1384, lid 1 en lid 3 B.W. kan het hof enkel vaststellen dat de eerste rechter terecht en op goede gronden, die in deze instantie niet worden ontzenuwd, heeft geoordeeld dat de toepassingsvoorwaarden van deze wetsbepalingen niet zijn vervuld. Ingaande op de argumentatie die in deze instantie nog wordt aangevoerd omtrent de toepassing van art. 1384, lid 3 B.W. stelt het hof nog aanvullend vast dat helemaal niet wordt aangetoond dat mevrouw A. V., alvorens in te stappen, de treinwachter duidelijk had medegedeeld dat ook haar gezelschap zou instappen en dat inderdaad niet wordt bewezen dat hij het signaal tot het sluiten van de deuren gaf op een ogenblik dat hij dit niet had mogen doen. Uit de verklaring van mevrouw A. V. aan de politie te Veurne op 11 september 1996 blijkt duidelijk dat zij uit de trein stapte nadat zij vaststelde dat de schuifdeuren dichtgingen, wat niet aan een aangestelde van de appellante als een fout kan worden aangerekend. OM DEZE REDENEN, het hof, gelet op art.24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk. Verklaart het eerste gegrond en het tweede ongegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw wijzende. Verklaart de vordering van de geïntimeerde ongegrond. Veroordeelt de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten tot de kosten van de beide instanties. Begroot ze aan de zijde van de appellante, volgens opgave , op euro 182,18 (rechtsplegingvergoeding eerste aanleg) euro 60,71 aanvullende rechtsplegingvergoeding en euro 400,- (rechtsplegingvergoeding hoger beroep). Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, eerste bis kamer, recht doende in burgerlijke zaken van veertien mei tweeduizend en negen. Aanwezig: de heer M. Vercruysse, Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend en mevrouw M. Vercruysse, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div