id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 15 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090515.11 Rolnummer: 2008/AR/1625 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-08 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 19:46 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband - Verbreking causaal verband Vrije woorden: Verbreking architectuurovereenkomst Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9ter Kamer ________ Terechtzitting van 15 mei 2009 ________ 2008/AR/1625 - In de zaak van: P. L., wonende te ........................., appellant, hebbende als raadsman mr. MESKENS Elsy, advocaat te 9280 LEBBEKE, Lange Weversstraat 2 tegen : SOCIALE BOUW- EN KREDIETMAATSCHAPPIJ ARRONDISSEMENT DENDERMONDE, burgerlijke vennootschap die de vorm van een coöperatieve vennootschap heeft aangenomen met een sociaal oogmerk, met maatschappelijke zetel te 9200 DENDERMONDE, Begijnhoflaan 24, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN LANTSCHOOT Jan, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Hof ter Bremptstraat 32 velt het hof het volgend arrest:
- Het hof heeft kennis genomen van het vonnis d.d. 22 februari 2008, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, zevende kamer. Tegen dit vonnis werd tijdig en geldig hoger beroep en incidenteel beroep ingesteld. De partijen werden, bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.
- Blijvende betwisting betreft in de eerste plaats de herhaalde bewering vanwege L. P. dat de architectuurovereenkomst d.d. 14 januari 2000 tussen c.v.b.a. SOCIALE BOUW- EN KREDIETMAATSCHAPPIJ ARRONDISSEMENT DENDERMONDE en hemzelf (betreffende een te realiseren project te ............. bestaande uit de bouw van 14 woningen) niet in zijn nadeel diende te worden verbroken, nu er volgens hem sprake zou zijn van beëindiging wegens overmacht in de zin van art. 4.4 van de overeenkomst. De ingeroepen overmacht zou volgens L.P. bestaan uit het feit dat, lopende het project, het noodzakelijk zou zijn gebleken betreffende in 1985-1986 wederrechtelijke aangelegde wegenis over te gaan tot een regularisatieprocedure, zonder dewelke het aanbestedingsdossier en de bouwaanvraag niet zouden kunnen worden afgewerkt, doch die volgens hem dermate lang zou hebben geduurd dat het totaalproject (buiten zijn wil) ernstige vertraging heeft opgelopen en waardoor uiteindelijk de verbreking van de architectuurovereenkomst diende te worden vastgesteld. L. P. kan geenszins in dit standpunt worden gevolgd. Essentieel in deze is dat er tussen partijen op 2 mei 2002 reeds een (op zich niet betwiste) overeenkomst werd gesloten specifiek ter regeling van het tussen hen gerezen geschil aangaande de opgelopen vertraging en de beëindiging van de kwestieuze architectuurovereenkomst (waarbij met "partij enerzijds" wordt bedoeld c.v.b.a. SOCIALE BOUW- EN KREDIETMAATSCHAPPIJ ARRONDISSEMENT DENDERMONDE en met "partij anderzijds" L. P. - dossier/SOCIALE BOUW, stuk 52):
- Partij anderzijds verbindt zich ertoe het dossier m.b.t. de bouw van 14 woningen te ............. (overeenkomst tussen partijen d.d. 20 november 1999) aanbestedingsklaar af te leveren op de kantoren van partij enerzijds op donderdag 16 mei 2002 te 11.00 u. Het dossier dient conform te zijn aan de opmerkingen van de bouwheer, de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, deze laatste haar meest recente normen en regelgeving en de wetgeving op de veiligheidscoördinatoren.
- Mits naleving van het voornoemde zal partij anderzijds het aanbestedingsverslag opstellen binnen de 3 weken na de aanbesteding. Partij enerzijds houdt zich het recht voor een tweede architect aan te stellen voor deze fase.
- Partij anderzijds gaat ermee akkoord de tussen hen bestaande voornoemde overeenkomst te verbreken in het nadeel van partij anderzijds na uitvoering van punt 1 en/of punt
- Mocht punt 1 door partij anderzijds niet worden nageleefd, wordt de overeenkomst van rechtswege ontbonden op datum van de vastgelegde samenkomst.
- Partij anderzijds verklaart kennis genomen te hebben van de schade-eis van partij enerzijds. Partijen gaan akkoord dit onderdeel op latere datum te beslechten alsook de verrekening van eventueel verschuldigde erelonen door partij enerzijds.
- Partij enerzijds sluit deze overeenkomst onder voorbehoud van goedkeuring door haar raad van bestuur die zal gehouden worden op 8 mei
- De beëindiging/verbreking van de kwestieuze architectuurovereenkomst in het nadeel van L. P. is aldus reeds een feit: Immers, op 16 mei 2002 heeft L. P. medegedeeld de vooropgestelde datum niet te halen met vraag om uitstel op één week en vervolgens op 23 mei 2002 heeft L. P.laten weten dat hij de overeenkomst niet kon nakomen, dat hij begreep dat de architectuurovereenkomst werd verbroken en dat de werken werden stopgezet (dossier/SOCIALE BOUW, stukken 53 en 54). L. P. is gebonden door deze regelingsovereenkomst en kan thans geenszins op deze overeengekomen beëindiging terugkomen onder het beweerde voorwendsel van overmacht bestaande uit de beweerde regularisatieprocedure inzake de wegenis. Overigens weze opgemerkt dat uit het geheel van de voorgebrachte stukken en correspondentie onmiskenbaar blijkt dat, wanneer L. P. geconfronteerd werd met de herhaalde verzoeken om tot afwerking en indiening van het "dossier aanbesteding" over te gaan, hij op geen enkel ogenblik in de voormelde zin voorbehoud heeft gemaakt of geprotesteerd en/of het thans beweerde als mogelijke rechtvaardiging heeft opgeworpen; integendeel blijkt veeleer dat L. P. de voortdurend en bij herhaling aangeklaagde vertraging steeds en uitsluitend aan zichzelf heeft toegeschreven en zich hiervoor ook herhaald en uitvoerig heeft verontschuldigd. Dit alles klemt des te meer nu de beweerde problematiek van de wegenis niet werd vermeld of aangehaald als mogelijke verantwoording of verschoning in hoofde van L. P. in de voormelde regelingsovereenkomst d.d. 2 mei 2002, doch evenmin voordien, toen c.v.b.a. SOCIALE BOUW- EN KREDIETMAATSCHAPPIJ ARRONDISSEMENT DENDERMONDE in haar brief d.d. 30 oktober 2000 een dwangsom heeft opgelegd van 74,37 EUR (= 3.000 BEF) per dag dat het afgewerkt dossier niet in haar bezit was met ingang van 3 november 2000 (overeenkomstig art. 20 § 4 A.A.V. - de algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken, bijlage bij K.B. van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken - in werking getreden op 1 mei 1997) (dossier/SOCIALE BOUW, stuk 23). L. P. heeft trouwens ook deze opgelegde dwangsom, ingaande op 3 november 2000, nooit geprotesteerd, noch wat het bedrag betreft, noch wat betreft het opleggen zelf ervan. Tenslotte weze vastgesteld dat luidens art. 4.4 van de kwestieuze architectuurovereenkomst de beweerde regularisatie van de wegenis geenszins wordt aanzien als overmacht: Immers, als overmacht wordt er enkel aanzien ziekte of ongeval waardoor de architect onmogelijk het contract verder kan uitvoeren. Deze grief faalt dan ook volkomen.
- Blijvende betwisting is er vervolgens wat betreft de door c.v.b.a. SOCIALE BOUW- EN KREDIETMAATSCHAPPIJ ARRONDISSEMENT DENDERMONDE gevorderde (schade)posten: 3.
- M.b.t. de gevorderde vertragingschade t.b.v. 31.388,49 EUR: Deze som wordt door c.v.b.a. SOCIALE BOUW- EN KREDIETMAATSCHAPPIJ ARRONDISSEMENT DENDERMONDE berekend met toepassing van onderscheiden percentages (3 % op de verkoopprijs, 0,25 % op de toegestane leningen, onbepaalde winstmarge, op het totaal 5 % over 2 jaar) en voorgestane bedragen van verkoopprijzen en leningen, zonder afdoende bewijs van één en ander. Het gehanteerde cijfermateriaal (zoals de als stuk 61 voorgebrachte becijfering) blijft louter eenzijdig en niet geobjectiveerd en beperkt zich aldus tot een hypothetische berekening die het hof niet kan overtuigen als schadeberekening. De vertraging van ongeveer 2 jaar in de realisatie van het project heeft onmiskenbaar in hoofde van c.v.b.a. SOCIALE BOUW- EN KREDIETMAATSCHAPPIJ ARRONDISSEMENT DENDERMONDE als sociale bouwmaatschappij van koopwoningen schade veroorzaakt, al was het maar dat bij een normaal verloop de fondsen en gelden 2 jaar vroeger mochten verwacht worden (doch zij anderzijds evenmin in die periode kosten dienaangaande heeft moeten uitstaan). De bewering van L. S. dat c.v.b.a. SOCIALE BOUW- EN KREDIETMAATSCHAPPIJ ARRONDISSEMENT DENDERMONDE "ernstig voordeel" (sic) zou hebben genoten omdat haar een voor 95 % (sic) afgewerkt dossier zou zijn bezorgd zonder ereloon of kosten en gelet op het feit dat intussen de marktprijzen in de sociale woningbouw zouden zijn geëvolueerd, wordt door niets gestaafd noch aannemelijk gemaakt. Alles in acht genomen, kan de geleden schade ex aequo et bono bepaald worden op 15.000,00 EUR. Het oordeel van de eerste rechter in die zin komt passend en evenwichtig voor en kan worden bevestigd. 3.
- M.b.t. de gevorderde kost maaien distels t.b.v. 400,84 EUR: De causaliteit wordt steeds niet aangetoond. Buiten de als stuk 59 voorgebrachte factuur van 21 september 2001 wordt trouwens geen enkele verdere onderhoudsfactuur voorgebracht. De afwijzing vanwege de eerste rechter is dan ook te bevestigen. 3.
- M.b.t de gevorderde kosten administratie t.b.v. 2.772,37 EUR: Het is aannemelijk dat bepaalde schade werd geleden door de opgelopen vertragingen: voorbereide en niet nagekomen afspraken, samenkomsten zonder resultaat, briefwisseling, telefoons, en zo meer. Er wordt niet aangetoond dat de beweerde bedragen daadwerkelijk veroorzaakt zijn door en/of te wijten zijn aan de kwestieuze vertraging. Bij ontstentenis van concrete bewijzen komt ook hier de door de eerste rechter gedane ex aequo et bono bepaling t.b.v. 1.500,00 EUR passend en evenwichtig voor, wat aldus kan worden bevestigd. 3.
- M.b.t. de gevorderde morele schade (imago) t.b.v. 18.750,00 EUR: Er wordt steeds geen enkel bewijs geleverd van de beweerde schade (wegens het beweerde missen van gunstige publiciteit en de beweerd negatieve beeldvorming bij de potentiële klanten), laat staan dat deze in causaal verband zou staan met de kwestieuze vertraging. Waar wordt voorgehouden dat de druk van de kandidaat kopers of huurders op de sociale bouwmaatschappijen groot is en de vraag groter is dan het aanbod, is ook economisch gezien de beweerde schade onaannemelijk. De afwijzing vanwege de eerste rechter is dan ook te bevestigen. 3.
- M.b.t. de gevorderde vervallen dwangsommen t.b.v. 40.604,96 EUR: L. P. werd formeel in gebreke gesteld op 30 oktober 2000 met de verbeurte van een dwangsom 74,37 EUR (= 3.000 BEF) per dag dat het afgewerkt dossier niet in haar bezit was en met ingang van 3 november 2000, dit overeenkomstig art. 20 § 4 A.A.V., zijnde de algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken, bijlage bij K.B. van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken (inwerking getreden op 1 mei 1997) (dossier/SOCIALE BOUW, stuk 23). L. P. heeft tegen deze opgelegde dwangsom, ingaande op 3 november 2000, op geen enkele wijze geprotesteerd, noch wat het bedrag betreft, noch wat betreft het opleggen zelf ervan. Evenmin blijkt dat L.P. iets heeft ondernomen om de looptijd ervan te stuiten of te stoppen. De in aanmerking genomen dwangsom voldoet trouwens ten volle aan de voormelde AAV-bepalingen, gelet op de voormelde formele ingebrekestelling en de aannemelijkerwijze voor de 14 woningen in aanmerking te nemen aannemingssom van 371.840,29 EUR (= 15.000.000 BEF) (waarvan 0,02 %, zijnde 74,37 EUR) (zie prijzen dossier/SOCIALE BOUW). In de gegeven omstandigheden is het oordeel van de eerste rechter in die zin en wat dit onderdeel betreft evenzeer te bevestigen. Alle anders luidende conclusies worden verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk; Wijst het hoger beroep en het incidenteel beroep af als ongegrond; Bevestigt aldus het vonnis van 22 februari 2008; Verwijst elke partij, gelet op het wederzijdse gelijk en ongelijk, in de eigen kosten van het hoger beroep, hier aldus niet nuttig te bepalen; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, NEGENDE ter KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 15 mei
- Aanwezig: L. Thabert, Raadsheer wn. Voorzitter An Van Wijnsberge, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div