← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090525.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090525.12 Rolnummer: 2006/AR/373 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-07-02 19:49 Fiche Om tot de conclusie te komen dat er een overtreding is van de WHPC, art. 22 WHPC, thans art. 93, 3° WHPC (misleidende reclame), art. 23,8° (verwarringstichtende reclame; thans art. 94/2, 8°), moet er sprake zijn van een mededeling die tot doel heeft meer dan één persoon te bereiken. Het plaatsen van een kenplaatje op één tank die - uit de aard van de zaak - slechts op één plaats kan geïnstalleerd worden, is op zich onvoldoende om van 'reclame' in de zin van de WHPC te spreken. Er moet sprake zijn van meerdere van dat soort praktijken. De appellante ontkent enig systematisch misbruik dat door haar zou zijn gepleegd. Wat uit de expertise naar voren komt is hoogstens het bewijs van een eenmalige fout desbetreffend, wat bezwaarlijk kan worden weerhouden als het bewijs van een systeem dat zou zijn aangehouden door de appellante. In zoverre de geïntimeerde zich stoelt op art. 93 WHPC (oude versie WHPC), met name daden strijdig met de eerlijke handelsgebruiken; thans art. 94/3 WHPC), spreken de bewoordingen van de WHPC voor zich: er moet sprake zijn van daden die een systeem op zich uitmaken of die de eenmaligheid van een gelaakte activiteit overstijgen. Slechts één fout kan in hoofde van de appellante worden weerhouden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Eerlijke gebruiken en oneerlijke handelspraktijken Vrije woorden: WHPC: verwarringstichtende reklame - misleidende reklame - daden strijdig met eerlijke handelspraktijken - keuringscertificaten en keuringsplaatjes voor tanks (prototypekeuring) - geen toeapssing WHPC in concreto - slechts éénmaal overtreding vastgesteld Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 25-05 2009 Nr. 2006/AR/373 ---------------------- in de zaak van : B.V.B.A. AQUASOLAR, met maatschappelijke zetel te 3980 Tessenderlo, Hulsterweg 7A en met ondernemingsnummer 0477.317.204, voorheen genaamd B.V.B.A. AQUAPROF BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 3980 Tessenderlo, Hofstraat 18 en met ondernemingsnummer 0477.317.204, appellante van de vonnissen van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Dendermonde van 23.02.2005 en 04.01.2006, hebbende als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat met kantoor te 3580 Beringen, Scheigoorstraat 5, tegen B.V.B.A. CORCON, met maatschappelijke zetel te 9300 Aalst, Molendreef 43 en met ondernemingsnummer 0471.957.458, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Vincent De Donder, advocaat met kantoor te 9200 Dendermonde, Sint-Gillislaan 36, velt het Hof volgend arrest : Gezien het tussenarrest van deze kamer d.d. 2 maart 2009 waarbij het hof, vooraleer recht te doen, de debatten ambtshalve heeft heropend tot mededeling van de zaak aan het Openbaar Ministerie. Het hof wenst bij het tussenarrest een rechtzetting te formuleren. De laatste zin van de voorlaatste alinea van de motivering van het tussenarrest moet aldus worden gelezen: " Dit zou aansluiten bij stuk nr. 19 zoals voorgelegd door de appellante". * Ter openbare terechtzitting van 6 mei 2009 hebben de partijen de debatten integraal hernomen in aanwezigheid van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie is alsdan gehoord in zijn mondeling advies uitgebracht door dhr. Jan De Clercq, Substituut-Procureur-Generaal. Het Openbaar Ministerie is van mening dat er inderdaad sprake is van strafrechtelijk beteugelde vergrijpen in hoofde van de BVBA Aquasolor en dat bij een en ander moet vastgesteld worden dat de BVBA Corcon ook laakbare praktijken begaat. Aan de partijen is meteen de gelegenheid gegeven om hierop te repliceren. ANTECEDENTEN I. Voor de voorafgaande procedure die gevoerd is voor de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, de vorderingen alsook de vorderingen in hoger beroep, zij er volledig verwezen naar het tussenarrest van deze kamer d.d. 2 maart

  1. II. Nopens de feitelijke achtergrond en het standpunt van de BVBA Corcon zij er integraal verwezen naar het tussenvonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Dendermonde onder " B. Feiten en Voorwerp van de Betwisting ", randnummers 3 tot en met
  2. BEOORDELING I. Het hoger beroep van de appellante is ontvankelijk. Ten onrechte werpt de geïntimeerde de onontvankelijkheid ervan op, hierbij wijzend op het gebrek aan belang in hoofde van de appellante desbetreffend. De appellante is veroordeeld door de Voorzitter. Meteen verschaft dit op zich reeds in hoofde van de appellante een voldoende belang om hoger beroep aan te tekenen. De exceptie van onontvankelijkheid is overigens moeilijk te verzoenen met de uitbreiding die de geïntimeerde formuleert m.b.t. haar oorspronkelijke hoofdvordering. II. A. De geïntimeerde houdt in de inleidende dagvaarding voor dat de appellante misbruik heeft gemaakt van de prototypekeuringen van de geïntimeerde, zodat er inbreuken waren van de Vlarem II - reglementering, waarbij het publiek werd misleid. De geïntimeerde baseert zich op de toenmalige artikelen 23,1 ° WHPC (misleidende reclame; thans art. 94/2, 1° WHPC), 23,8° WHPC (verwarringstichtende reclame; thans art. 94/2, 8° WHPC) en minstens art. 93 WHPC (daden strijdig met de eerlijke handelsgebruiken; thans art. 94/3 WHPC). Waar de geïntimeerde een bepaalde praktijk aan de kaak stelt die erin bestaat dat de appellante een misleidend en / of verwarringstichtend gebruik maakt van keurcertificaten die zij (lees: de geïntimeerde) heeft opgemaakt, beschikt de geïntimeerde hoe dan ook over een voldoende belang naar recht om zich hiertegen te verzetten. Dit belang is in concreto ook als rechtmatig te aanzien; het betreft immers mogelijk laakbare praktijken gepleegd door de appellante aan de hand van keuringen die zijn verricht door de geïntimeerde. Dat de geïntimeerde zelf in de kwestieuze sector van keuringen van tanks, "niet zuiver op de graat" is, doet niets af van de beweerde onregelmatigheden die in hoofde van de appellante moeten worden onderzocht. In de onderhavige procedure is er desbetreffend geen vordering ten laste van de geïntimeerde tot beoordeling voorgelegd. Het hof kan slechts oordelen over wat wordt voorgelegd, met name een vordering ten laste van de appellante. B. De Voorzitter heeft uit het deskundigenverslag weerhouden dat de appellante inbreuken heeft gepleegd op de Vlarem II - wetgeving. Op blz. 22 besluit de deskundige in zijn verslag als volgt: " 13.
  3. Partij Aquaprof heeft tijdelijk misbruik gemaakt van de prototypekeuring afgeleverd door partij Corcon door deze keuring te gebruiken voor tanks waarvan de constructie niet overeenstemt met deze van het prototype. Ik zou dit misbruik eerder omschrijven als een nalatigheid om tijdig een herkeuring uit te voeren; het komt evenwel de Rechtbank toe om de foutgraad hiervoor te bepalen. 13.
  4. Partij Aquaprof levert tanks op de Vlaamse markt die niet vergezeld zijn van het door Vlarem II vereiste conformiteitsattest afgeleverd door de constructeur, en niet voorzien zijn van de door Vlarem II vereiste kenplaat aan te brengen door de constructeur. Deze praktijk is zo goed als algemeen bij de invoer van tanks van buitenlandse constructeurs, en de meeste erkende tankkeurders, inclusief partij Corcon, houden geen rekening met deze inbreuken om een tank goed of af te keuren; dit doet echter niets af aan de vastgestelde inbreuk. " C. De deskundige heeft naar het oordeel van het hof een conclusie getrokken die niet geschraagd wordt door zijn vaststellingen en overwegingen. a. De deskundige heeft zijn onderzoeken ter plaatse beperkt tot drie tanks, met name bij "R." Nederokkerzeel, "CIAC" te Aalst en "J. Keukens" te Ninove. Hoewel de beide partijen er voor pleitten nog andere tanks te onderzoeken, heeft de expert dit niet gedaan. Hij heeft zich beperkt tot de drie plaatsen, hierbij een zeer restrictieve interpretatie van de tussenbeschikking van de Voorzitter d.d. 23 februari 2005 hanterende (zie expertise blz. 12). Geen der partijen heeft zich tot de Voorzitter gewend om een ruimer onderzoek te vragen, hoewel dit door de expert is gesuggereerd (zie expertise blz. 12).
  5. Ter plaatse te Nederokkerzeel bij "R." heeft de deskundige geen onregelmatigheden genoteerd.
  6. Bij "Keukens J." te Ninove stelt de expert wél een onregelmatigheid vast: " Partij Aquaprof had deze tank niet mogen leveren met het prototypenummer van Corcon omdat de constructie er niet mee overeenstemt. " (zie expertise blz. 13, onder ‘Vaststelling 1').
  7. Bij "CIAC" te Aalst merkt de expert op dat er door de appellante een ondergrondse tank is geleverd aan de tussenpersoon / verdeler, de firma "MIP" - de firma "MIP" had een ondergrondse tank gevraagd - terwijl die door dezelfde firma "MIP" is geïnstalleerd als bovengrondse tank. De expert concludeert dat het niet de appellante is die misbruik heeft gemaakt van de prototypekeuring. (zie expertise blz. 13) b. Verder schrijft de deskundige: " In basis is het duidelijk dat wanneer een tankconstructie niet meer gelijk is aan de constructie van het prototype, het prototypecertificaat niet meer mag gebruikt worden; er is een nieuwe prototypekeuring noodzakelijk. Partij Aquaprof had de tanks met gewijzigde constructie niet meer mogen leveren met het oorspronkelijke keuringscertificaat van partij Corcon. Uit prototypekeuringen van deze tanks met gewijzigde constructie door een andere erkende keuringsinstantie is wel gebleken dat deze tanks technisch ook voldoen. Het misbruik van partij Aquaprof is dan ook eerder te omschrijven als een nalatigheid; deze herkeuring had onmiddellijk moeten gebeuren bij de wijziging van de constructie. " Tenslotte: " Partij Aquaprof erkent de ten laste gelegde praktijk; het is hiervoor dus niet zinvol om nog andere tanks te bezoeken. Ingevolge de hiervoor beschreven herkeuring zou aan de ten laste gelegde praktijk een einde moeten zijn gekomen. " (zie expertise blz. 13 en 14) c. Om tot de conclusie te komen dat er een overtreding is van de WHPC, art. 22 WHPC, thans art. 93, 3° WHPC (misleidende reclame), art. 23,8° (verwarringstichtende reclame; thans art. 94/2, 8°), moet er sprake zijn van een mededeling die tot doel heeft meer dan één persoon te bereiken. Het plaatsen van een kenplaatje op één tank die - uit de aard van de zaak - slechts op één plaats kan geïnstalleerd worden, is op zich onvoldoende om van "reclame" in de zin van de WHPC te spreken. Er moet sprake zijn van meerdere van dat soort praktijken. De appellante ontkent enig systematisch misbruik dat door haar zou zijn gepleegd. Wat uit de expertise naar voren komt is hoogstens het bewijs van een eenmalige fout desbetreffend, wat bezwaarlijk kan worden weerhouden als het bewijs van een systeem dat zou zijn aangehouden door de appellante. In zoverre de geïntimeerde zich stoelt op art. 93 WHPC (oude versie WHPC), met name daden strijdig met de eerlijke handelsgebruiken; thans art. 94/3 WHPC), spreken de bewoordingen van de WHPC voor zich: er moet sprake zijn van daden die een systeem op zich uitmaken of die de eenmaligheid van een gelaakte activiteit overstijgen. Slechts één fout kan in hoofde van de appellante worden weerhouden. d. De deskundige schrijft in zijn verslag op blz. 14 bovenaan: "Partij Aquaprof erkent de ten laste gelegde praktijk". Deze uitspraak, zelfs indien ze woordelijk zou zijn opgetekend door de deskundige, komt geenszins op een ondubbelzinnige wijze neer op een erkenning van fout of schuld, laat staan dat duidelijk zou zijn over welke "praktijk" het zou gaan. D. De vorderingen van de geïntimeerde ontberen een voldoend overtuigende feitelijke grondslag. Zij zijn ongegrond. Uit wat voorafgaat volgt dat niet verder moet ingegaan worden op de andere overvloedige betwistingen tussen de partijen die te maken hebben met de beweerde overtredingen van de WHPC. III. A. De appellante vordert ten onrechte een schadevergoeding ten laste van de geïntimeerde uit hoofde van tergend en roekeloos geding. Het instellen van een vordering, is een recht, dat slechts wordt misbruikt en ontaardt in een ongeoorloofde handeling die tot schadevergoeding aanleiding geeft, indien het roekeloos, met kwade wil of te kwader trouw wordt uitgeoefend. De roekeloosheid kan worden afgeleid uit de lichtzinnigheid waarmee de vordering werd ingesteld en waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden. Een vordering is tergend wanneer ze voortvloeit uit kwaad opzet of hatelijkheid ten aanzien van de tegenpartij. De loutere vaststelling dat een vordering ongegrond is en dat de geïntimeerde zich vergist heeft, verleent aan deze vordering geen tergend of roekeloos karakter. B. De appellante vordert ook een schadevergoeding ad 9.398,54 EUR provisioneel, gestoeld op de schade die zij voorhoudt geleden te hebben door de uitvoering bij voorraad van de alhier bestreden eindbeschikking van de Voorzitter. De appellante beweert desbetreffend veel doch bewijst weinig, behalve wat betreft de gerechtsdeurwaarderskost ad 230,54 EUR (stuk nr. 29, dossier appellante). Deze is bewezen. Dat de appellante daarnaast nog andere schade heeft geleden, staat vast. Waar deze echter cijfermatig niet met voldoende zekerheid naar recht kan worden vastgesteld, dringt zich een raming naar redelijkheid en billijkheid op. Het hof stelt desbetreffend een bedrag van 1.250,00 EUR voorop als aanvaardbaar. Een hogere schade is niet bewezen. IV. A. Waar de geïntimeerde haar oorspronkelijke vordering wenst uit te breiden tot het staken van iedere verdere activiteit van aankoop, verkoop en vervaardiging van alle soorten opslagtanks, zowel bovengronds als ondergronds, alsmede van hun toebehoren, kan hierop niet worden ingegaan. Deze uitbreiding van vordering is gestoeld op feiten die in de inleidende akte zijn opgenomen en zij is bijgevolg ontvankelijk (toepassing art. 807 Ger.W.). Zij is opgenomen in conclusies waarop de appellante nog heeft geantwoord en kon antwoorden. Het hof weerhoudt geen deloyale proceshouding in hoofde van de geïntimeerde en weert de kwestieuze syntheseconclusies waarin de uitbreiding van vordering is geformuleerd, niet uit de debatten. De uitbreiding van de tegenvordering is ontvankelijk. Zij is evenwel ongegrond. Waar de door de geïntimeerde gelaakte feiten m.b.t. de oorspronkelijke hoofdvordering niet zijn bewezen, zijn ze a fortiori evenmin bewezen m.b.t. de uitbreiding ervan. B. Aangezien het hoofdberoep gegrond is, is de tegenvordering van de geïntimeerde tot veroordeling van de appellante wegens tergend en roekeloos hoger beroep ongegrond. V. Uit wat voorafgaat volgt dat er wel degelijk voldoende naar recht aanleiding was tot eventuele toepassing van de WHPC. De Voorzitter vermocht dan ook bij tussenvonnis een deskundige aan te stellen. Tot vernietiging van het tussenvonnis wordt dan ook niet overgegaan. VI. De gerechtskosten De geïntimeerde is te aanzien als de in het ongelijk gestelde partij en wordt dan ook veroordeeld tot de gerechtskosten verbonden aan de beide aanleggen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en grotendeels gegrond; Bevestigt de tussenbeschikking van 23 februari 2005; Vernietigt de eindbeschikking van 4 januari 2006; Desbetreffend opnieuw recht doende: Verklaart de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond; Verklaart de vordering van de appellante tot veroordeling van de geïntimeerde tot een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding, ontvankelijk doch ongegrond; Verklaart de vordering van de appellante tot veroordeling van de geïntimeerde tot een schadevergoeding wegens de uitvoering van de bestreden eindbeschikking, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond: Veroordeelt de geïntimeerde tot betaling van 1.480,54 EUR (duizend vierhonderdtachtig euro en vierenvijftig eurocent). Verklaart de uitbreiding van vordering door de geïntimeerde en de tegenvordering van de geïntimeerde, beide ontvankelijk doch ook beide ongegrond. Veroordeelt de geïntimeerde tot alle gerechtskosten verbonden aan de procedures in beide aanleggen, de expertisekosten inbegrepen, niet verder cijfermatig te begroten in haren hoofde aangezien zij te haren laste blijven, en begroot in hoofde van de appellante op 242,94 EUR rechtsplegingsvergoeding procedure voor de Voorzitter, 186,00 EUR rolrecht beroepsakte en 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroepsprocedure. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op vijfentwintig mei tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.