← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090525.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGN

§ 1W.H.P.C.

en aan de voorwaarden van de in artikel 87

  1. a)W.H.P.C. voorziene uitzonderingsregeling niet is voldaan, dient deze overeenkomst te beantwoorden aan de voorschriften van artikel 88 W.H.P.C.. Artikel 88 W.H.P.C. voorziet, op straffe van nietigheid van de overeenkomst, dat deze onder meer een nader in deze bepaling omschreven verzakingsbeding moet bevatten dat in vet gedrukte letters en in een kader, los van de tekst, op de voorzijde van de eerste bladzijde van de overeenkomst moet voorkomen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Algemeen (handelspraktijken) Vrije woorden: Sponsoring modellenwedstrijd - consument - WHPC van toepassing - sponsorovereenkomst afgesloten buiten de onderneming van de verkoper - art. 88 WHPC (verzakingsbeding) van toeapssing Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 25-05 2009 Nr. 2007/AR/2568 ------------------------ in de zaak van : L. V. D. B., bediende, wonende te , appellant, hebbende als raadsman mr. Wouter De Canck, advocaat met kantoor te 9230 Wetteren, Korte Massemsesteenweg 5, tegen C.V.B.A. BELGIAN FASHION MANAGEMENT, met maatschappelijke zetel te 9660 Brakel, H. Decoenestraat 10 en met ondernemingsnummer 0477.935.430, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Jan De Vuyst, advocaat met kantoor te 9400 Voorde, Brakelsesteenweg 639, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep 1. Appellant heeft op 19 oktober 2007 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen het door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 27 juni 2007 op tegenspraak gewezen vonnis in de zaak AR 04/2322/A. Dit bestreden vonnis werd betekend op 20 september 2007. Geïntimeerde heeft bij conclusies van 28 februari 2008 incidenteel hoger beroep ingesteld. Partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, alsook de stukken werden ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg 2. Appellant zet in zijn beroepsakte onder meer uiteen dat hij op 7 december 2003 door geïntimeerde in het hotel Astrid Plaza te Antwerpen werd geselecteerd als model en hij een document "contract B.Models Award 2004" ondertekende. Nog volgens appellant : - verbond hij zich in het kader van zijn deelname aan de B. Models Award 2004 tot het betalen van een bedrag van 600 EUR aan sponsoring en tevens tot het betalen van 950 EUR voor een tafel van tien personen, - voorzag het voormelde contract in een schadevergoeding van 1.500,00 EUR in het geval hij de overeenkomst verbrak of handelde in strijd met deze overeenkomst. Appellant bevestigt in zijn beroepsakte dat hij zijn verplichtingen niet is nagekomen daar hij niet de bedoeling had een financiële verbintenis aan te gaan. Bij aangetekend schrijven van 11 mei 2004 stelde geïntimeerde appellant in gebreke en drong zij aan op betaling van een bedrag van 1.500,00 EUR. Bij gebrek aan minnelijke regeling nam geïntimeerde het initiatief tot de procedure. Met dagvaarding van 7 juni 2004 vorderde zij de veroordeling van appellant tot betaling van : - een bedrag van 1.490,00 EUR meer de moratoire rente vanaf 11.05.2004, en de gerechtelijke rente, - een bedrag van 1.500,00 EUR als conventionele en forfaitaire schadevergoeding, - de gedingkosten. Appellant stelde een tegeneis in tot het veroordelen van geïntimeerde tot betaling van een op 500,00 EUR begrote schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. 3. Het thans bestreden vonnis verklaarde de hoofdvordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Het veroordeelde appellant tot betaling van een bedrag van 1.490,00 EUR meer de verwijl- en gerechtelijke intresten, alsook tot betaling van de tot 500,00 EUR herleide conventionele schadevergoeding meer de gerechtelijke intresten. De tegenvordering werd afgewezen en appellant werd tevens in de gedingkosten verwezen. Grieven/voorwerp van het hoger beroep 4. Appellant argumenteert in hoofdorde dat het "contract B. Models Award 2004" nietig is wegens strijdigheid met de artikelen 86, 88 en 30 W.H.P.C. en zijn aanspraak op een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ten onrechte werd afgewezen. Ondergeschikt is hij van oordeel dat : - het gevorderde bedrag van 1.490,00 EUR niet kan worden toegekend omdat geïntimeerde in gebreke blijft het bewijs te leveren van die verbintenis, - de conventionele schadevergoeding door de eerste rechter ook voor het tot 500,00 EUR herleide bedrag ten onrechte werd toegekend nu hem geen contractuele inbreuk treft. Appellant vordert dan ook de hervorming van het bestreden vonnis en de afwijzing van het incidenteel hoger beroep en de bijkomende tegenvordering van geïntimeerde (cf. infra) 5. Geïntimeerde is echter van oordeel dat de W.H.P.C. niet van toepassing is en tussen partijen wel degelijk een geldige overeenkomst is tot stand gekomen die partijen tot wet strekt. Zij is van oordeel dat, gelet op de contractuele wanprestatie van appellant, haar vordering integraal gegrond voorkomt op basis van de door appellant onderschreven overeenkomst en de niet betwiste aanmaningen. Geïntimeerde stelt incidenteel hoger beroep in en vordert de integrale toekenning van de conventioneel op 1.500,00 EUR vastgestelde schadevergoeding. Bij tegenvordering vordert zij tevens de toekenning van een bijkomende schadevergoeding van 500,00 EUR wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Beoordeling 6. Geïntimeerde kan niet worden bijgetreden in haar argumentatie dat zij niet de hoedanigheid heeft van "verkoper" in de zin van de W.H.P.C. . Artikel 1.6.
  2. a)W.H.P.C. definieert de "verkoper" als : "elke handelaar of ambachtsman en elke natuurlijke of rechtspersoon, die produkten of diensten te koop aanbieden of verkopen in het kader van een beroepsactiviteit of met het oog op de verwezenlijking van hun statutair doel". Geïntimeerde die als handelsvennootschap diensten verstrekt die kaderen in haar maatschappelijk doel (cf. bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2002) - in casu het organiseren van een modellenwedstrijd met onder meer een promotiereis naar Tunesië en een volledige professionele fotoshoot door een modefotograaf - beantwoordt naar het oordeel van het Hof wel degelijk aan het verkopersbegrip zoals omschreven in de W.H.P.C., ongeacht of er een tegenprestatie verschuldigd is aan wie de dienst ten goede komt. (Cass. (1e k.) AR C.01.0220.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020913.6, 13 september 2002, Arr. Cass. 2002, afl. 9, 1844 ; Cass. (1e k.) AR C. 98.0295.F, 12 november 1999, Arr. Cass. 1999, 1422) Eveneens ten onrechte houdt geïntimeerde staande dat appellant niet als een "consument" in de zin van de W.H.P.C. kan worden aanzien. Artikel 1.7. W.H.P.C. definieert de "consument" als "iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die, uitsluitend voor niet beroepsmatige doeleinden, op de markt gebrachte produkten of diensten verwerft of gebruikt". Geïntimeerde beweert maar toont niet aan dat appellant niet aan voormelde definitie zou beantwoorden. Zij houdt zelfs voor dat appellant zich inschreef voor de preselecties van de modellenwedstrijd. Door de deelname aan de modellenwedstrijd heeft appellant als natuurlijke persoon gebruik gemaakt van de door geïntimeerde aangeboden diensten en uit niets blijkt dat daarbij beroepsmatige doeleinden voorlagen. Appellant beantwoordt naar het oordeel van het Hof dan ook wel degelijk aan het consumentenbegrip zoals in de W.H.P.C. gepreciseerd. 7. Het staat buiten elke betwisting dat de ter discussie staande overeenkomst van 7 december werd afgesloten te Antwerpen, meer bepaald in het hotel Astrid Plaza. Niet alleen de door geïntimeerde als stuk 1 voorgelegde overeenkomst bevestigt dat deze werd afgesloten te Antwerpen, maar ook in conclusies bevestigen partijen dit uitdrukkelijk. Waar de maatschappelijke zetel van geïntimeerde gevestigd is te Brakel, lijdt het dan ook niet de minste twijfel dat het gaat om een overeenkomst die werd gesloten buiten de onderneming van de

§ 1W.H.P.C..

Een overeenkomst die is ondertekend in een situatie waarin een verkoper een consument - hier via reclame op radio Donna - heeft uitgenodigd om persoonlijk naar een bepaalde, op zekere afstand van de woonplaats van de consument gelegen plaats te komen - waar zich niet de ruimte bevindt waar die verkoper gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht en die niet duidelijk als verkoopslocaliteit aan het publiek kenbaar is gemaakt - teneinde hem de aangeboden diensten te presenteren, moet worden beschouwd als te zijn gesloten tijdens een door de handelaar buiten zijn verkoopruimten georganiseerde excursie in de zin van artikel 86 § 1, 2° W.H.P.C.. (zie H.v.J. nr. C-423/97, 22 april 1999, D.C.C.R. 1999, 250) 8. Het Hof stelt verder vast dat geïntimeerde niet aantoont dat de ter discussie staande overeenkomst is tot stand gekomen onder omstandigheden die vallen onder de uitzonderingsregeling van artikel 87 W.H.P.C.. Waar geïntimeerde verwijst naar het bestreden vonnis waarin werd geoordeeld dat appellant zich voor de preselectie had ingeschreven en moet geacht worden voorafgaandelijk en uitdrukkelijk gevraagd te hebben om te onderhandelen over de aankoop van een dienst, komt dit niet terzake dienend voor. Het bestreden vonnis verwijst kennelijk naar de uitzonderingsregeling van artikel 87

  1. a)die hier evenwel niet van toepassing is. Artikel 87
  2. a)W.H.P.C. bepaalt namelijk : "Vallen niet onder de toepassing van deze afdeling :
  3. a)de verkopen bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, met betrekking tot een produkt of een dienst waarvoor de consument het bezoek van de verkoper voorafgaandelijk en uitdrukkelijk gevraagd heeft, met de bedoeling te onderhandelen over de aankoop van dat produkt of die dienst." (eigen onderlijning door het Hof) Uit voormelde bepaling blijkt aldus dat de uitzonderingsregeling van artikel 87
  4. a)W.H.P.C. enkel geldt voor de verkopen bedoeld in artikel 86, §1, 1° W.H.P.C.; hetzij de verkopen ten huize van de consument of van een andere consument, alsook op de arbeidsplaats van de consument. Waar de overeenkomst in casu in het hotel Astrid Plaza te Antwerpen werd afgesloten, betreft het geen verkoop als bedoeld in artikel 86 §1,1° W.H.P.C. en kan de uitzonderingsregeling van artikel 87
  5. a)W.H.P.C. dan ook geen toepassing vinden. 9. Nu uit wat voorafgaat blijkt dat de ter discussie staande overeenkomst werd gesloten buiten de onderneming van de

§ 1W.H.P.C.

en aan de voorwaarden van de in artikel 87

  1. a)W.H.P.C. voorziene uitzonderingsregeling niet is voldaan, dient deze overeenkomst te beantwoorden aan de voorschriften van artikel 88 W.H.P.C.. Artikel 88 W.H.P.C. voorziet, op straffe van nietigheid van de overeenkomst, dat deze onder meer een nader in deze bepaling omschreven verzakingsbeding moet bevatten dat in vet gedrukte letters en in een kader, los van de tekst, op de voorzijde van de eerste bladzijde van de overeenkomst moet voorkomen. Met appellant dient het Hof vast te stellen dat de ter discussie staande overeenkomst van 7 december 2003 een dergelijk verzakingsbeding niet bevat zodat deze overeenkomst nietig voorkomt. Het hoofdberoep komt wat dit onderdeel betreft dan ook gegrond voor zodat de hervorming van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering zich opdringen. 10. Appellant vordert in hoger beroep ook nog de toekenning van haar voor de eerste rechter bij tegeneis gevorderde en op een bedrag van 500,00 EUR begrote schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. Het instellen van een vordering is een recht, dat slechts wordt misbruikt en ontaardt in een ongeoorloofde handeling die tot schadevergoeding aanleiding geeft, indien het roekeloos, met kwade wil of te kwader trouw wordt uitgeoefend. De roekeloosheid kan worden afgeleid uit de lichtzinnigheid waarmee de vordering werd ingesteld en waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden. Een vordering is tergend wanneer ze voortvloeit uit kwaad opzet of hatelijkheid ten aanzien van de tegenpartij. De loutere vaststelling dat een vordering onontvankelijk of ongegrond is en dat de geïntimeerde zich vergist heeft, verleent aan haar vordering geen tergend of roekeloos karakter. Een roekeloosheid en / of tergende ingesteldheid kan het Hof in hoofde van de geïntimeerde bij het instellen van haar oorspronkelijke vordering niet weerhouden. Dit onderdeel van het hoofdberoep is dan ook ongegrond. 11. De hiervoor weerhouden nietigheid van de overeenkomst van 7 december 2003 en gedeeltelijke gegrondheid van het hoofdberoep leidt meteen tot de ongegrondheid van zowel het incidenteel hoger beroep als de tegenvordering tot het bekomen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. 12. Bij toepassing van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. wordt geïntimeerde in de gedingkosten van de beide aanleggen verwezen. Wat de gerechtskosten verbonden aan de beroepsprocedure betreft, overweegt het Hof nog wat volgt. Het Koninklijk Besluit van 26.10.2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat" heeft het Koninklijk Besluit van 30.11.1970 "tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" buiten werking gesteld, zodat geen rechtsplegings-vergoeding meer op die wettelijke basis kan worden toegekend. Alsnog konden partijen geen omstandige opgave van hun onderscheiden rechtsplegingsvergoedingen indienen conform de nieuwe bepalingen vervat in de wet van 21.04.2007 "betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat" en voornoemd Koninklijk Besluit van 26.10.2007, zoals deze vanaf 01.01.2008 op de hangende zaken moeten toegepast worden, zodat een rechtsplegings-vergoeding op die wettelijke basis alsnog niet kan worden toegekend. Aldus kan niet worden gestatueerd over de omvang van deze rechts-plegingsvergoedingen, zodat de begroting daarvan moet geacht worden te zijn aangehouden. In dit geval geschiedt de vereffening op de vordering van de meest gerede partij, conform artikel 1021, tweede lid Ger.W.. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Verklaart het incidenteel hoger beroep alsook de tegenvordering tot het bekomen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk, maar wijst beiden af als ongegrond, Doet het bestreden vonnis teniet, behalve waar het de oorspronkelijke tegeneis van appellant ontvankelijk maar niet gegrond verklaarde, En, opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk, maar wijst deze af als ongegrond, Veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de aan de zijde van appellant gevallen kosten van de beide aanleggen, begroot op 182,20 EUR als rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 186,00 EUR als rolrecht hoger beroep, en voorlopig niet vastgesteld voor wat de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep betreft. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op vijfentwintig mei tweeduizend en negen. Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020913.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.