id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090525.7 Rolnummer: 2008/AR/2598 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-10-01 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 19:48 Fiche In deze zaak is niet aangetoond dat de weigering tot verkopen in strijd is met de bepalingen van het Europees en/of Belgisch mededingingsrecht, noch dat er rechtsmisbruik zou zijn. Bijgevolg is deze weigering niet onrechtmatig en niet strijdig met de bepalingen van de W.H.P.C. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Verkoopsweigering Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 25-05 2009 Nr. 2008/AR/2598 ------------------------ in de zaak van : B.V.B.A. NEVEN FASHION, met maatschappelijke zetel te 3870 Heers, Nieuwe Steenweg 36 en met ondernemingsnummer 0875.129.644, appellante, hebbende als raadsman mr. Gerald Kindermans, advocaat met kantoor te 3870 Heers, Steenweg 161, tegen N.V. AMERICAN CLOTHING DISTRIBUTION, met maatschappelijke zetel te 9940 Evergem, Noorwegenstraat 17 en met ondernemingsnummer 0476.693.731, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Tim Laureys, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Gustaaf Callierlaan 7, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
- Bestreden beslissing: het vonnis van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent (08/2439/A) van 15 september 2008, die zitting nam zoals in kort geding.
- Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 16 oktober
- Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
- De overblijvende betwisting betreft de vraag of de nv American Clothing Distribution (hierna "ACD") een inbreuk maakte op artikel 96 wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en de bescherming van de consument (hierna WHPC), zoals achteraf gewijzigd, door na twee seizoenen niet langer verder handel te drijven met de bvba Neven Fashion.
- De eerste rechter vatte de feiten beknopt en correct samen onder punt 2 van het bestreden vonnis. Het Hof verwijst naar deze uiteenzetting.
- De eerste rechter verklaarde de vordering ongegrond. Hij oordeelde dat de betrokken kledij substitueerbaar is en dat er geen rechtsmisbruik is in hoofde van ACD. Een precontractuele fout is evenmin begaan. Tussen partijen bestaat geen (raam)overeenkomst en Neven Fashion heeft geen rechtsgrond om te eisen dat ACD met haar een dergelijke overeenkomst zou aangaan. Een vordering tot uitvoering van de overeenkomst valt niet onder de stakingsvordering en moet worden afgewezen. III. Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
- Neven Fashion werpt de volgende grieven op: 1) het merk River Woods is niet substitueerbaar; 2) er bestaat tussen partijen een duurzame relatie, die voor onbepaalde tijd is aangegaan en op grond waarvan Neven Fashion de verkoop van de kledij kan bekomen. Een bruuske stopzetting van een handelsrelatie vormt een oneerlijke handelspraktijk.
- ACD vraagt het bestreden vonnis te bevestigen. Zij vordert het hoger beroep niet toelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren. IV. Beoordeling Op de volgende gronden bevestigt het Hof de bestreden beslissing. Het hoger beroep is toelaatbaar
- ACD werpt op dat de oorspronkelijke vordering niet toelaatbaar is omdat de stakingsrechter ratione materiae niet bevoegd is om over contractuele aanspraken te oordelen. Deze exceptie maakt op zich het hoger beroep niet ontoelaatbaar. Ambtshalve zijn er geen rechtsgronden om het hoger beroep ontoelaatbaar te verklaren. De exceptie wordt verworpen. De oorspronkelijke vordering is toelaatbaar
- Met betrekking tot de toelaatbaarheid van de vordering oordeelde de eerste rechter terecht als volgt: "ACD stelt dat de vordering is omschreven als een louter contractuele vordering, zodat deze niet kan ressorteren onder de stakingsvordering wet handelspraktijken. Uit de overwegingen van het verzoekschrift blijkt dat de vordering gesteund is op een verkoopsweigering en dat Neven Fashion de stelling voorhoudt dat dergelijke verkoopsweigering strijdig is met de eerlijke handelsgebruiken. In het beschikkend gedeelte vordert zij de stopzetting en derhalve staking van deze verkoopsweigering, zodat de vordering omschreven is als een stakingsvordering overeenkomstig de WHP. Dat daarbij vorderingen zouden gesteld worden buiten het kader van deze wet doet niet af aan onze bevoegdheid of rechtsmacht om kennis te nemen van de zaak.". Deze beoordeling is correct en behoeft geen aanvulling, ook niet na wat ACD in haar syntheseconclusie opwerpt. De oorspronkelijke vordering is ongegrond
- Op de volgende gronden, die het Hof juist bevindt en bijtreedt, verwierp de eerste rechter de vordering van Neven Fashion. "Omwille van de contractsvrijheid en de vrijheid van handel is een verkoopsweigering in principe rechtmatig, tenzij wanneer zij strijdig zou zijn met het Europees of het Belgisch mededingingsrecht of wanneer zij een misbruik van recht zou uitmaken. Ter zake gaat het om vrijetijdskledij weliswaar van een gekend merk doch door evenwaardige merkproducten perfect substitueerbaar en zulks in een markt die sterk concurrentieel is, zodat [ACD] niet over een machtspositie beschikt. Bij afwezigheid van machtspositie kan er vanzelfsprekend geen misbruik van gemaakt worden. Evenmin kan rechtsmisbruik verweten worden nu de producten volkomen substitueerbaar zijn door andere producten met dezelfde kwaliteiten zodat de afgewezen wederverkoper zijn aanbod aan zijn klanten niet dient te beperken en er derhalve geen onevenredigheid bestaat tussen het belang van de afgewezen wederverkoper (tot bevoorrading met het oog op het voeren van zijn handel) en het belang van [ACD] tot het hebben van stabiele relaties met afnemers met wie een langere relatie bestaat en een belangrijke omzet kan worden verwezenlijkt. [Neven Fashion] kan zich wenden tot andere bevoorradingskanalen voor de betrokken producten (bv. parallecircuits of grossiers) of tot leveranciers wier producten concurreren met deze van de weigerende leverancier. Het feit dat [Neven Fashion] gedurende twee seizoenen werd bevoorraad door [ACD] houdt geenszins in dat zij er kan op rekenen met [ACD] reeds een stabiele relatie te hebben opgebouwd, nu reeds eerder signalen werden gegeven, weze het dat deze op dat ogenblik weer werden ingetrokken, dat [ACD] moeilijkheden bij naburige afnemers ondervond.
- Tussen partijen bestaat geen contractuele relatie in de zin van een distrubutieovereenkomst of raamovereenkomst. [Neven Fashion] kan zich er niet over beklagen dat [ACD] weigert dergelijke overeenkomst aan te gaan. In zoverre [Neven Fashion] meent zich te kunnen steunen op een rechtmatig vertrouwen uit de voorafgaandelijke leveringen zou sprake kunnen zijn van een precontractuele fout: evenwel heeft [ACD] [Neven Fashion] bijtijds ervan verwittigd dat zij niet zou contracteren voor het komende seizoen, zodat [Neven Fashion] zich nog kon bevoorraden bij andere leveranciers. In zoverre [Neven Fashion] meent dat er sprake is van een contractuele inbreuk, is de vordering ongegrond, nu in dat geval de uitvoering van de overeenkomst diende gevorderd te worden: dergelijke vordering valt niet onder de stakingsvordering en dient derhalve afgewezen te worden.". Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe.
- De weigering met een bepaalde afnemer zakenrelaties aan te knopen maakt het voorwerp uit van een stakingsvordering, indien deze beantwoordt aan rechtsmisbruik. Verkoopsweigering levert misbruik van recht op wanneer de leverancier geen belang heeft bij de weigering of wanneer de weigering een kennelijk onevenwicht in de belangen van partijen creëert (Cass. 7 januari 2000, T.B.H., 2000, 369, met noot VANDERMEERSCH, D. (372-377)).
- In deze zaak toont Neven Fashion niet aan dat er een kennelijk onevenwicht gecreëerd is in de respectieve belangen van ACD en Neven Fashion. - ACD heeft in deze zaak een rechtmatig belang bij het behouden van goede handelsrelaties met vier andere afnemers. Deze zijn allen voldoende nabij gelegen om de invloed van de verkoop van River Woods door Neven Fashion te kunnen ondergaan, zodat klachten van deze vier afnemers een reëel en correct beoordelingselement vormen. Het feit dat deze vier winkels hun klachten pas op papier gezet hebben na de eerste weigering van ACD heeft geen invloed op de beoordeling. Het is te verwachten en normaal dat deze klachten eerst via de vertegenwoordiger gaan en pas later, bij het aanhouden van het probleem, neergeschreven worden. - Het belang van Neven Fashion weegt niet dermate door dat het opweegt tegen het belang van ACD. Het is onjuist te argumenteren dat kledingmerken niet substitueerbaar zijn. In het gamma van River Woods zijn nog andere merken van een vergelijkbare uitstraling en kwaliteit op de markt. Terecht overwoog de eerste rechter dat deze markt zeer concurrentieel is. Neven Fashion argumenteert verder dat zij gedurende twee seizoenen geadverteerd heeft met betrekking tot de aanwezigheid van River Woods in haar winkel. Dit schept geen recht en is niet voldoende om de weigering van ACD onrechtmatig te maken. Op deze basis kan Neven Fashion zelfs niet spreken van "legitieme verwachtingen" (p. 13 van haar syntheseconclusie). Dat Neven Fashion haar winkel heeft "ingesteld" op de verkoop van River Woods (p. 9 van haar syntheseconclusie) is niet bewezen. Het is zelfs niet duidelijk wat dit precies betekent. Dat daarmee investeringen zouden gepaard gaan en welke omvang deze hebben, is evenmin aangetoond. Wat het "gecreëerde totaalbeeld" (ibidem) in de winkel is, is niet bewezen. Het is ook niet duidelijk op welke wijze de invloed van een verkoopsweigering op het zogeheten totaalbeeld van de winkel deze weigering een onrechtmatig karakter zou kunnen geven.
- Neven Fashion werpt nog op dat de eerste rechter ten onrechte naar een parallelcircuit of grossiers verwijst. Zij licht evenwel niet toe waarom dit ten onrechte is. Het feit dat een jaar op voorhand besteld moet worden, kan Neven Fashion niet echt inroepen, nu zij in mei 2008 op de hoogte was van het feit dat ACD niet aan haar zou verkopen. Het feit dat ACD reeds eerder geweigerd had en daarna was terug gekomen op dit standpunt verandert hier niets aan. Dit is des te meer het geval nu Neven Fashion op de hoogte was van het feit dat de weigering ingegeven was door de klachten van vier andere kledingzaken en deze klachten enkel toenamen met de tijd. Reeds bij de eerste levering zijn problemen ter sprake gebracht. Aan de tweede levering is nogal wat overleg voorafgegaan, dat niets te maken heeft met het normaal plaatsen van een bestelling. Neven Fashion was perfect op de hoogte van de protesten van haar concurrenten tegen de verkoop door ACD aan Neven Fashion. In die omstandigheden kan geen sprake zijn van een bruuske en / of niet gemotiveerde stopzetting. In deze zaak is niet aangetoond dat een bestaande handelsrelatie op een bruuske wijze werd afgebroken.
- Het feit dat ACD op 8 mei 2008 een e-mail stuurt aan Neven Fashion met de mededeling dat zij kan bestellen en de dag erna een aangetekende brief verstuurt dat Neven Fashion niet beantwoordt aan de criteria en er bijgevolg niet aan haar verkocht zal worden getuigt van weinig fatsoen en een weinig coherent commercieel beleid, zeker na wat vooraf gegaan is tussen partijen. Het is evenwel niet voldoende om in deze zaak tot rechtsmisbruik te besluiten. Daarvoor is de verstreken tijd tussen de twee berichten te kort. Ook de verwijzing in de weigeringsbrief naar selectiecriteria, zonder uit te leggen wat deze criteria zijn, is in deze zaak niet voldoende opdat de weigering een misbruik van recht zou uitmaken. Neven Fashion was op de hoogte van de reden voor de weigering, namelijk de klachten van vier concurrenten uit de omgeving, die reeds langer kledij met het merk River Woods aankochten bij ACD. De bewering in graad van beroep dat Neven Fashion een slechte betaler zou zijn geweest, is niet ter zake gelet op het voorgaande.
- Met betrekking tot de beoordeling van het al dan niet bestaan van een contract tussen partijen en de eventuele gevolgen daarvan, brengt Neven Fashion geen nieuwe middelen of argumenten bij. Kosten
- Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. wordt appellante tot betaling van de kosten veroordeeld. De basisvergoeding voor de hoofdvordering bedraagt euro 1.200 (niet in geld waardeerbare vergoeding). V. Beslissing Het hoger principaal beroep is toelaatbaar, maar ongegrond. Het Hof: - bevestigt het bestreden vonnis; - veroordeelt appellante tot betaling van de kosten, bepaald als volgt: geïntimeerde: hoger beroep: rechtsplegingvergoeding hoofdvordering: euro 1.200 Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op vijfentwintig mei tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div