← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090527.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 27 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090527.9 Rolnummer: 2007/AR/2896 Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-09-28 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 19:50 Fiche Het antwoord op de vraag of elk anderstalig woord in een akte van rechtspleging de nietigheid daarvan tot gevolg heeft, moet negatief maar genuanceerd beantwoord worden. Er wordt aangenomen dat niet anderstalig zijn - of minstens dat het gebruik ervan, niet tot de nietigheid van de procesakte leidt: - uitdrukkingen die in de Nederlandse taal in het gewoon spraakgebruik en dit van het bedrijfsleven zijn ingeburgerd; - woorden die opgenomen zijn in de algemeen gebruikte woordenboeken; - - in het recht algemeen gekende en aanvaarde termen, die gebruikt worden om een rechtsbeginsel kernachtig uit te drukken De Taalwet garandeert niet dat de rechtzoekende de taal, die in procesakten gebruikt wordt, begrijpt en evenmin dat elke burger zich tot het gerecht kan wenden in zijn eigen taal. Deze wet verplicht de rechtzoekende om uitsluitend gebruik te maken van de officiële taal van het taalgebied waar de rechtbank, waarvoor hij een geding voert, haar zetel heeft. Het getuigenverhoor kan maar worden toegestaan indien de aangevoerde feiten voldoende bepaald zijn en ter zake dienend. Een feit is ter zake dienend wanneer het geschikt is om tot bewijs te dienen van het aangevoerde of wanneer, in de veronderstelling dat het waar is, het kan bijdragen tot de motivering van de eindbeslissing. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Getuigenverhoor (gerechtelijk recht) GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - DAAD VAN KOOPHANDEL Vrije woorden: Taalwet - latijnse uitdrukking - courante rechtspraak - geen nietigheid. Overdracht van aandelen door aandeelhouder-natuurlijke persoon - (geen)daad van koophandel. Getuigenverhoor - feiten die voldoende bepaald zijn en ter zake dienend Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 27 mei 2009 - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2896 van: nv DIENSTENCENTRUM WESTINFORM, met zetel te 8000 Brugge, Monnikenwerve 17-19, met ondernemingsnr. 0429.657.441, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de achtste kamer dd. 12-10-2007, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadslieden - mr. MAUS Michel, advocaat te 8310 Brugge, Blekerijstraat 103/0302 ; - mr. BRULOOT Frederick, advocaat te 9000 Gent, Burgstraat 38A ; tegen : S...... G....., garagehouder, geboren te Smeerebbe-Vloerzegem op 14-2-1936, en wonende te ...................................., geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, hebbende als raadsman mr. STABEL Willem, advocaat te 2650 Edegem, Hovestraat 28 velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 30 november 2007, heeft de nv Dienstencentrum Westinform (hierna "Westinform" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 12 oktober 2007 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de achtste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Antecedenten I.

  1. Bij dagvaarding van 23 september 2003 vorderde Westinform de veroordeling van G. S. (hierna "S." genoemd) tot betaling van een commissie van 5% op de overnameprijs "inzake de overlating van de Garage S.", meer de gerechtelijke intresten aan de conventionele rentevoet van 7% tot de dag van algehele betaling. Bovendien vorderde Westinform dat S. veroordeeld werd de nodige bewijsstukken voor te leggen inzake de overdracht van zijn garage. Westinform argumenteerde dat S. haar had ingeschakeld met het oog op de overlating van zijn MERCEDES-garage en dat zij in dit verband over verscheidene jaren gespreid bijzonder uitgebreide prestaties had geleverd, meer bepaald vele telefoongesprekken en tal van bijeenkomsten, onderhandelingen en vergaderingen, die aanleiding gaven tot aanzienlijke verplaatsingen. Zij stelde dat zij een overname door verkoop van aandelen aan de heer D. W. gerealiseerd had en dat S. te kennen had gegeven dat hij haar commissieloon zou vergoeden. Zij hield voor dat dit commissieloon 5% bedroeg en dat dit bleek uit haar brief van 20 maart
  2. Verder beriep zij zich op een brief d.d. 23 november 2000 van de heer V. I., die handelde namens S. en die bevestigd had dat een billijke vergoeding zou betaald worden aan Westinform.
  3. S. besloot tot de ongegrondheid van de vordering van Westinform. Hij zette uiteen dat Westinform "enkel in meerdere of mindere mate betrokken geweest is bij premature onderhandelingen die nooit tot een effectieve overdracht van de aandelen geleid hebben." Hij stelde dat Westinform ervan op de hoogte was dat de overdracht nooit kon gebeuren zonder de goedkeuring van de NV Daimler Chrysler Belgium Luxembourg (hierna "Daimler Chrysler" genoemd). Hij benadrukte dat de onderhandelingen die ooit zijn gevoerd nooit in een dergelijk ver en geconcretiseerd stadium zijn geraakt dat deze goedkeuring met kans op succes kon gevraagd worden. Bovendien wees hij erop dat de aandelen uiteindelijk verkocht werden aan Daimler Chrysler zelf en dat Westinform nooit bij de onderhandelingen daarvoor betrokken is geweest. Volgens S. was geen overeenkomst tot stand gekomen tussen partijen, was geen commissie beloofd aan Westinform en was hoe dan ook niet voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning daarvan. Wanneer zijn accountant aan Westinform toezegde dat een billijke vergoeding zou betaald worden, dan was dit volgens S. omdat Westinform hem chanteerde. Bovendien argumenteerde hij dat Westinform geen bewijzen voorlegde over haar beweerde prestaties. Bij tegeneis vorderde S. de veroordeling van Westinform tot betaling van 10.000,00 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten. Deze som bestond enerzijds uit een vergoeding van 5.000,00 EUR voor de kosten en inspanningen die veroorzaakt werden doordat Westinform de onderhandelingen met de verantwoordelijken van Mercedes bemoeilijkte en hypothekeerde en anderzijds uit een vergoeding van 5.000,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding.
  4. Uiteindelijk vorderde Westinform de veroordeling van S. tot betaling aan haar van 278.880,22 EUR, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf 8 mei 2003 tot 22 september 2003 op 90.750,00 EUR en vanaf 23 september 2003 tot de betaling op 278.880,00 EUR. In ondergeschikte orde vorderde zij 278.880,82 EUR, meer de gerechtelijke intresten op 278.880,22 EUR vanaf de datum van de dagvaarding tot de algehele betaling. Nog meer ondergeschikt vorderde Westinform 90.750,00 EUR, meer de gerechtelijke intresten sedert de dagvaarding tot de betaling. De tegenvordering achtte zij ongegrond. Westinform stelde dat de overdracht die uiteindelijk gerealiseerd werd, te danken was aan haar jarenlange voorbereiding. Meer bepaald argumenteerde zij dat S. van Daimler Chrysler een prijs kon bekomen die zeker niet lager was dan 225.000.000 BEF en dat dit te danken was aan het feit dat zij erin geslaagd was een bod voor deze prijs te bekomen van D. W. Zij maakte aanspraak op 5% van deze som. Zij vroeg dat de rechtbank desgevallend aan S. zou bevelen om alle stukken over te leggen die betrekking hadden op of van aard waren om inlichtingen te verschaffen over de daadwerkelijke overname van de "handelszaken" van S. te Ninove en te Zottegem. Subsidiair stelde Westinform dat S. de makelaarsovereenkomst verbroken had door zonder haar tussenkomst te onderhandelen met Daimler Chrysler. Door deze contractbreuk was hij volgens haar gehouden tot vergoeding van de gederfde winst en het geleden verlies, waarvan het bedrag gelijk was aan de commissie. Aangezien het feit, dat uit haar bemiddelingswerkzaamheden geen effectieve overdracht is gevolgd, volgens haar louter te wijten was aan de omstandigheid dat Daimler Chrysler zich daartegen verzette om zelf te kunnen overnemen, meende Westinform in ieder geval aanspraak te kunnen maken op een billijke vergoeding voor haar prestaties, die zij begrootte op 90.750,00 EUR. Zij ontkende dat zij de brief, waarbij de accountant van S. zich verbond tot betaling van deze billijke vergoeding, door chantage had bekomen.
  5. De eerste rechter verklaarde zowel de hoofdvordering als de tegenvordering, ontvankelijk, doch ongegrond en veroordeelde Westinform tot de gedingkosten. Hij overwoog dat Westinform, ten aanzien van S., die handelaar was, door alle middelen van recht het bewijs kon leveren van diens betalingsverbintenis. Hij stelde vast dat omtrent deze betalings-verbintenis en de inhoud ervan geen schriftelijke overeenkomst bestond. Uit de brieven d.d. 20 maart 1998 van Westinform aan S. en van 2 november 2000 aan diens accountant en uit het antwoord d.d. 23 november 2000 van de laatstgenoemde, kon volgens de eerste rechter niets anders afgeleid worden dan dat: - de volgens Westinform vooropgestelde commissie slechts een voorstel betrof van Westinform, doch dat geen bewijs voorlag dat S. daarmee zijn akkoord heeft betuigd; - er tussen partijen wel bepaalde financiële afspraken werden gemaakt, doch dat Westinform geen bewijs aanbracht omtrent de inhoud ervan en nog veel minder omtrent het feit dat S. zou gehouden zijn tot verloning ongeacht het al dan niet bereiken van een koop door Westinform; - S. wel bereid bleek Westinform naar billijkheid te vergoeden voor de door haar geleverde prestaties. De eerste rechter achtte de vordering van Westinform dan ook ongegrond in zover zij gestoeld was op de beweerde verbintenis tot betaling van een overeengekomen commissieloon. In zover de vordering steunde op een beweerde eenzijdige verbreking van de tussen partijen gesloten overeenkomst, overwoog de eerste rechter dat de stelling van Westinform, die niet aantoonde dat zij zich kon beroepen op exclusiviteit, in strijd was met de inhoud van haar eigen briefwisseling en conclusies. Daarin stelde zij immers dat haar uitsluiting uit de onderhandelingen met de uiteindelijke overnemer de uitdrukkelijke wil was van Daimler Chrysler en niet te wijten was aan S. Bovendien bleek daaruit volgens hem dat Westinform akkoord ging met het tijdelijk stilleggen van de contacten. De eerste rechter wees dan ook elke aanspraak van Westinform op grond van vergoeding wegens verbreking van de overeenkomst af. Hij stelde dat S. zich leek verbonden te hebben om een billijke vergoeding te betalen, doch dat het, aangezien de partijen hierover niets concreets hebben afgesproken, aan Westinform was haar prestaties en de daaraan gekoppelde vergoeding te bewijzen. Hij overwoog dat Westinform niet verduidelijkte op welke wijze de gevorderde vergoeding was begroot, terwijl niet werd bewezen hoeveel uren door haar werden aangerekend en welke kosten in het kader van haar werkzaamheden voor S. werden gemaakt. Aangezien zij geen grond aanreikte waarop de som van 90.750,00 EUR was gestoeld, verklaarde de eerste rechter ook deze in ondergeschikte orde gestelde vordering ongegrond. Wat de tegeneis betrof, achtte de eerste rechter het niet bewezen dat Westinform S. en haar raadgevers zou hebben gechanteerd, noch dat hij door de houding van Westinform extra kosten en inspanningen heeft moeten maken. Ook de voorwaarden voor de toekenning van een vergoeding wegens tergend en roekeloos geding waren volgens hem niet vervuld. II.
  6. In hoger beroep vordert Westinform dat het hof, alvorens recht te doen ten gronde, de persoonlijke verschijning van de partijen beveelt, evenals het getuigenverhoor van H. V. I., C. D. W., G. H., G. D.C., W. V. C. en A. G., teneinde duidelijkheid te verschaffen rond de uitvoering van de opdracht, de inspanningen van Westinform en de realisaties in dit verband, alsmede iedere toelichting m.b.t. de tussen partijen uitgewerkte vergoedingsregeling. Vervolgens vraagt zij dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw recht doende, in hoofdorde S. veroordeelt tot betaling van 278.880,22 EUR, meer de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf 8 mei 2003 tot 22 september 2003 op 90.750,00 EUR en vanaf 23 september 2003 tot de dag der betaling op 278.880,22 EUR, na zonodig aan S. bevolen te hebben alle stukken voor te leggen waaruit de diverse aspecten van de uiteindelijke overname van zijn beide vestigingen blijken. Ondergeschikt vordert Westinform de veroordeling van S. tot betaling aan haar van 278.880,22 EUR, meer de gerechtelijke intresten vanaf 23 september 2003 tot de dag der betaling. Meer subsidiair vordert zij betaling van 90.750,00 EUR, meer de gerechtelijke intresten vanaf 23 september 2003 tot de datum van betaling. Zij vraagt dat het hof zo nodig, alvorens op dit punt te oordelen, een deskundige - bij voorkeur een bedrijfsrevisor - aanstelt, met het oog op het bepalen en begroten van de verschuldigde billijke vergoeding in het kader van de overname waarin Westinform actief is geweest ten bate van S., hierbij rekening houdend met de gemaakte kosten, de gepresteerde uren, zoals gereconstrueerd aan de hand van de stukken "en aannemelijk gelet op de omvang van de overdracht", de aard van de overdracht en de aard en de ligging van de over te dragen handelszaak (beide concessies) en de invloed van de verrichte prestaties op het uiteindelijk resultaat voor S.. Ten slotte vordert Westinform dat S. veroordeeld wordt tot de gerechtskosten in beide aanleggen.
  7. S. acht het hoger beroep van Westinform niet toelaatbaar, minstens ongegrond en vraagt dat Westinform veroordeeld wordt tot de gedingkosten. Beoordeling I.
  8. Het bestreden vonnis werd op verzoek van S. aan Westinform betekend op 30 oktober
  9. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld.
  10. De partijen zijn, in onderling akkoord, afgeweken van de conclusietermijnen die tussen hen waren overeengekomen en die bekrachtigd werden bij beschikking van 19 december
  11. Er zijn geen bepalingen van openbare orde die zich daartegen verzetten. Bijgevolg maken alle conclusies deel uit van het debat.
  12. S. werpt op dat de akte van hoger beroep strijdig is met artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (hierna "de Taalwet" genoemd), wegens het gebruik van de hierna onderlijnde Latijnse termen in de volgende zin: "Gelet op de concrete omstandigheden is er in casu derhalve wel degelijk sprake geweest van de eenzijdige verbreking van de overeenkomst door geïntimeerde, zodat appellante gerechtigd is op een vergoeding van het lucrum cessans en het damnum emergens" (p. 18, tweede alinea van de beroepsakte - onderlijning door het hof). Volgens S. omschrijft Westinform aldus datgene, waarop zij meent gerechtigd te zijn, in een andere taal dan deze van de rechtspleging, zonder dit te vertalen. Hij stelt dat dit tot de nietigheid van de beroepsakte en de ontoelaatbaarheid van de vordering leidt. Bijkomend acht hij deze beroepsakte ook nietig wegens het gebruik van de termen "expressis verbis" in de volgende zin: "Deze meest subsidiaire eis sprak eigenlijk voor zich: geïntimeerde heeft zich hiertoe in een namens haar verstuurd schrijven dd. 23/11/2000 immers expressis verbis verbonden" (p. 18, III.4, tweede alinea). 3.
  13. Voor al de rechtscolleges in hoger beroep wordt, voor de rechtspleging, de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld (artikel 24 van de Taalwet). Deze bepaling geldt op straffe van nietigheid (artikel 40 van de Taalwet). De verplichting om de rechtspleging - in dit geval - in het Nederlands te voeren impliceert dat alle akten van rechtspleging in deze taal dienen gesteld te worden. Een akte wordt geacht geheel in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen, vereist voor de regelmatigheid van de akte in die taal zijn gesteld (vgl. CASS. 6 juni 2008, P&B 2008, 364). De akte van hoger beroep moet, op straffe van nietigheid, de uiteenzetting van de grieven bevatten (artikel 1057,7° Ger.W.). Wanneer zij argumenten ter ondersteuning van de grieven bevat, behoren ze tot de grieven die in het debat worden gebracht en waarvan de geïntimeerde moet kunnen kennisnemen in de taal van de rechtspleging (vgl.: CASS. 26 september 2005, P&B 2005, 299). Wanneer in de akte anderstalige passages worden opgenomen, dan dienen zij te worden vertaald of dient de zakelijke inhoud daarvan in de taal van de rechtspleging te worden weergegeven. Wanneer een appellant grieven of argumenten ter ondersteuning van grieven geheel of gedeeltelijk formuleert in een andere taal dan de taal van de rechtspleging, dan is de akte van hoger beroep nietig. 3.
  14. In het voorliggend geval bevat de beroepsakte geen zinnen of zinsdelen die in een andere taal zijn gesteld. Wel komen in deze akte woorden voor die ontleend zijn aan een andere taal. Het antwoord op de vraag of elk anderstalig woord in een akte van rechtspleging de nietigheid daarvan tot gevolg heeft, moet negatief maar genuanceerd beantwoord worden (vgl. LINDEMANS, D., De eentalige akte in de Gerechtstaalwet, P&B, 2008, 322). Waar het begrip "anderstalig" op het eerste gezicht gemakkelijk te kwalificeren lijkt, moet vastgesteld worden dat de criteria om dit te bepalen met het oog op de toepassing van de taalwet allesbehalve eenduidig zijn. Aldus wordt aangenomen dat niet anderstalig zijn - of minstens dat het gebruik ervan, niet tot de nietigheid van de procesakte leidt: - uitdrukkingen die in de Nederlandse taal in het gewoon spraakgebruik en dit van het bedrijfsleven zijn ingeburgerd (vgl.: CASS. 20 december 2004, R.W. 2005-2006, 556); - woorden die opgenomen zijn in de algemeen gebruikte woordenboeken (vgl.: CASS. 19 december 2006, P&B 2008, 335); - in het recht algemeen gekende en aanvaarde termen, die gebruikt worden om een rechtsbeginsel kernachtig uit te drukken (vgl.: CASS. 16 maart 2007, P&B 2008, 336). Aangezien ons positief recht in belangrijke mate schatplichtig is aan het Romeins recht, behoren vele Latijnse uitdrukkingen en begrippen nog steeds tot de courante rechtstaal. Dit is onder meer ook het geval voor de termen "lucrum cessans" (gederfde winst) en "damnum emergens" (geleden verlies) ter onderscheiding van de twee samenstellende bestanddelen waaruit de schadevergoeding bij contractbreuk bestaat. Beide uitdrukkingen zijn bovendien terug te vinden in het "van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal." Dit geldt ook voor de term "expressis verbis" (met zoveel woorden, uitdrukkelijk). 3.
  15. S. werpt (terecht) op dat de gemiddelde rechtzoekende deze termen niet begrijpt. Deze opmerking betreft evenwel niet de problematiek van de Taalwet, maar deze van de verstaanbaarheid van de juridische terminologie. De gemiddelde rechtzoekende begrijpt immers evenmin begrippen als "geïntimeerde" of "incidenteel hoger beroep" die nochtans tot de standaardterminologie behoren in procesakten. De Taalwet garandeert niet dat de rechtzoekende de taal, die in procesakten gebruikt wordt, begrijpt en evenmin dat elke burger zich tot het gerecht kan wenden in zijn eigen taal. Deze wet verplicht de rechtzoekende om uitsluitend gebruik te maken van de officiële taal van het taalgebied waar de rechtbank, waarvoor hij een geding voert, haar zetel heeft. Aan deze voorwaarde is in het voorliggend geval voldaan. Rekening houdend met de aangehaalde criteria leidt het gebruik van de door S. gelaakte termen niet tot de nietigheid van de beroepsakte. Deze termen zijn trouwens overbodig. Het zijn geen termen die vereist zijn voor de processuele regelmatigheid van de akte (vgl. LINDEMANS, a.w., nr. 18, p. 326). Wanneer men ze weglaat uit de zinnen, waarin zij voorkomen, dan blijven de grieven die Westinform daarin formuleert en de argumenten die zij ter ondersteuning daarvan ontwikkelt, onverkort overeind. 3.
  16. Het hof merkt ten overvloede nog op dat ook andere termen die aan een andere taal dan het Nederlands zijn ontleend, zoals "etc." (enz.) "in casu" (in dit geval), "in illo tempore" (in die tijd) of "de facto," voorkomen in de beroepsakte van Westinform. Ook S. zelf laat zich op dit vlak trouwens niet onbetuigd. In de overwegingen waarin hij argumenteert over de nietigheid van de beroepsakte (p. 2 van zijn syntheseconclusie), is onder meer te lezen: "De ratio legis van de taalwet bestaat er immers in dat in Vlaanderen de rechtszoekende volledig bij het justitieel apparaat terecht kan in het Nederlands" (letterlijke aanhaling, onderlijning door het hof). Op dezelfde bladzijde van deze conclusie komen tot twee keer toe de woorden "in casu" voor. Ook het gebruik van deze en andere termen kan, om de redenen die hoger worden aangehaald, niet doen besluiten tot de nietigheid van de beroepsakte.
  17. S. werpt geen andere redenen van onontvankelijkheid op, terwijl het hof evenmin het bestaan van ambtshalve gronden van onontvankelijkheid vaststelt. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.
  18. S. heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld. Het vonnis van de eerste rechter wordt aldus niet bestreden in zover hij de tegenvordering ontvankelijk, doch ongegrond heeft verklaard. II.
  19. De statutaire doelomschrijving van Westinform is zeer ruim (in totaal 25 categorieën van activiteiten) en gevarieerd (o.m. uitbating van een atelier voor werktuigkunde en drukwerk, geven van vorming en opleiding, beheer van vennootschappen, publiciteit, marketing en algemene communicatie, import en export van goederen, organiseren en commercialiseren van evenementen en feestelijkheden, enz...). Een daarvan is ook de activiteit van tussenpersoon. Westinform steunt haar vordering tegen Se. op een overeenkomst waarbij haar opgedragen werd te bemiddelen voor de overdracht van twee "handelszaken" van S. Meer bepaald zet zij uiteen dat de familie S. eigenaar was van de Mercedes-concessies in Ninove en Zottegem. In werkelijkheid betrof het de overdracht van de aandelen van de vennootschappen, die deze Mercedes-concessies uitbaatten, namelijk de nv Garage S. G. en de nv S. G.. Van de voorgehouden overeenkomst tussen Se. en Westinform werd geen geschreven contract opgesteld. Dit is niet noodzakelijk voor de totstandkoming ervan, maar gelet op het belang van de zaak en de vaststelling dat Westinform zich profileert als een grote marktspeler op het vlak van de grote commerciële overnames, is het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst toch verwonderlijk.
  20. Aangezien S. het bestaan van een overeenkomst betwist, rust op Westinform de bewijslast ter zake (artikel 1315, eerste lid B.W.). De overdracht door S. van de aandelen die hij bezit in de vennootschappen die de concessies te Ninove en Zottegem uitbaatten, is geen daad van koophandel (vgl. BALLON, G.L., Handels- en economisch recht; Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, artikel 2 W. Kh., nr. 57, p. 29). Wanneer Westinform voorhoudt dat er een overeenkomst heeft bestaan waarbij S. haar heeft aangesteld om te bemiddelen voor de verkoop van zijn aandelen, dan moet zij, gelet op het feit dat de som of de waarde van de overeenkomst 15.000 BEF, thans 375,00 EUR, te boven gaat, het bewijs van deze overeenkomst leveren aan de hand van een akte voor een notaris of een onderhandse akte (artikel 1341 B.W.). Aangezien de voorgehouden overeenkomst een wederkerige overeenkomst is, dient de onderhandse akte door de beide partijen ondertekend te zijn, moet zij in zoveel exemplaren opgesteld zijn als er partijen zijn en moet elk origineel vermelden hoeveel originelen er zijn (artikel 1325 B.W.). Er ligt geen authentieke akte voor, noch een onderhandse akte in de zin van artikel 1325 B.W.. Westinform kan het bestaan van de overeenkomst ook bewijzen door een begin van bewijs door geschrift, aangevuld met vermoedens of getuigen. Een begin van bewijs door geschrift is elke geschreven akte, die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt (art. 1347 B.W.). Een geschrift wordt niet enkel geacht uit te gaan van degene tegen wie de vordering wordt gesteld, wanneer hij het zelf ondertekend heeft, maar ook wanneer het uitgaat van zijn lasthebber of wanneer het opgesteld is door een derde, doch hij zich de inhoud ervan uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft toegeëigend (DEKKERS, R., en VERBEKE, A., Handboek Burgerlijk Recht, Deel III, 2007, nr. 760, p. 432).
  21. In een brief d.d. 23 oktober 2000 aan Westinform stelde accountant H. V. I.: "Zoals afgesproken houden wij eraan onze bijeenkomst van vrijdag 13 oktober jl. te bevestigen waarin werd gesteld dat de samenwerking tussen de Garage S./familie S. en Uzelf wordt opgeschort voor de duur dat het schijnbare voornemen van Mercedes Belgium niet is geconcretiseerd in een effectieve overname. Ik verwijs ook naar de verklaring van de Heer S. dat de familie opnieuw contact met U zal opnemen om de samenwerking verder te zetten van zodra aan de familie S. wordt duidelijk gemaakt dat er geen overname door Mercedes Belgium komt. " De heer V. I. herhaalde in zijn brief d.d. 23 november 2000 aan Westinform: "Zoals reeds gesteld in onze brief van 23.10.2000 wordt de samenwerking tussen de Garage S./familie S. en uzelf opgeschort voor de duur dat het schijnbare voornemen van DaimlerChrysler Belgium niet is geconcretiseerd in een effectieve overname." Se. betwist niet dat accountant V. I. deze brieven in zijn naam (en deze van zijn familie) geschreven heeft. In deze brieven wordt bevestigd dat er een "samenwerking" bestond tussen S. (en zijn familie) en Westinform met het oog op de verkoop van de aandelen van S. Zij maken waarschijnlijk dat er een overeenkomst bestond waarbij Westinform als tussenpersoon optrad voor het tot stand komen van een aandelenoverdracht.
  22. Dit begin van bewijs door geschrift wordt bevestigd door gewichtige, bepaalde en overeenstemmende vermoedens. 4.
  23. Het lijvige dossier met stavingstukken dat Westinform voorlegt bevat tal van stukken met informatie over de vennootschappen, waarvan de aandelen werden, overgedragen, zoals onder meer: - een handgeschreven nota, gedateerd 26 november 1997, waarin een aantal cijfers zijn opgenomen in verband met deze vennootschappen; - een infofiche; - een handgeschreven document van 1 december 1997 waarin gegevens vermeld zijn in verband met de vraagprijs (die volgens dit stuk 250 miljoen BEF bedroeg); - een handelshuurovereenkomst tussen nv Group Hellin-Mesdagh en nv Garage S. G. in verband met het onroerend goed waarin de garage te Zottegem gevestigd was; - een kopie van de oprichtingsakte van de nv Garage S. G. en van een akte kapitaalverhoging; - een inplantingsplan van de garage te Ninove (Outer); - de balansen van de nv Garage S. G. op 30 juni 1996 en 30 juni
  24. Deze informatie werd blijkbaar aan Westinform bezorgd door de vennootschappen zelf. Dit blijkt uit de brief d.d. 23 juni 1998 van de nv Garage S. G., waarbij sommige van deze stukken werden overgemaakt. Op 23 april 1998 werd ook een schattingsverslag in verband met het onroerend goed aan Westinform verstuurd. Op 26 november 1998 bracht de nv Garage S. G. verslag uit bij Westinform over een vergadering met schatters. Verder deelde de nv Garage S. G. diverse keren een geactualiseerd overzicht van de financiële gegevens mee aan Westinform. Er bestaat geen redelijke verklaring voor de mededeling van deze informatie en stukken indien Westinform - waarvan niet voorgehouden word dat zij zelf geïnteresseerd was in de overname van de aandelen - daarbij niet als tussenpersoon betrokken was. 4.
  25. Westinform legde confidentialiteitsovereenkomsten of "vertrouwensovereenkomsten" ter ondertekening voor aan geïnteresseer-den en deelde deze mee aan S. Bovendien deelde zij ook een intentieverklaring van de bvba Garage Moderne Brakel (de heren D. W.en H.) mee aan S. 4.
  26. Voorts deelt Westinform diverse correspondentie mee tussen haar en S. in verband met de contacten en besprekingen die zij gehad heeft met geïnteresseerden en legt zij briefwisseling voor tussen S.en deze geïnteresseerden. 4.
  27. Ten slotte legt Westinform verklaringen voor van kandidaat-overnemers en hun vertegenwoordigers of adviseurs, die bevestigen dat Westinform als tussenpersoon voor de verkoop van de aandelen van S. is opgetreden. Het betreft meer bepaald: - een faxbericht d.d. 15 januari 2004 van nv Verbaere, De Clercq & Partners, die optrad als adviseur voor D. W., met een overzicht van besprekingen die G. D. C. had met de heer F.l van Westinform in 1999 (in totaal 8,5 uur in 1999 en 1,3 uur in 2000) en met S. (in totaal 4 uur in 1999); - een brief d.d. 23 januari 2004 van bedrijfsrevisor V. C., die bevestigde dat hij in 1999 en 2000 meerdere besprekingen en briefwisseling heeft gevoerd ingevolge de interesse die zijn cliënt A. G. had om de garage S. aan te kopen; verder verklaarde de heer V. C. dat hij eind 1999 van Westinform balansen en documenten ontving en begin 2000 een confidentialiteitsovereenkomst en een koopoptie; ten slotte bevestigt hij dat tussen november 1999 en april 2000 meerdere bijeenkomsten plaats vonden, zowel met de heer G. als met S. en met Westinform; hij voegde een "niet-beperkend" overzicht bij, waarop melding gemaakt is van drie afspraken met de heer F., waarvan twee in Aalst en één in Brussel, evenals van 7 faxberichten en 13 telefoongesprekken; - een brief van 30 januari 2004 waarin A. G. erop wijst dat hij daarnaast nog verschillende malen S. en zijn dochters ontmoet heeft en dat de heer F. daarbij telkens aanwezig was; - een e-mailbericht d.d. 9 februari 2004 van C. D. W., die verklaart de heer F. meerdere malen te hebben "gezien en afgesproken." In het dossier van Westinform bevinden zich trouwens diverse brieven van en aan de geïnteresseerden D. W. en G. evenals aan en van hun mandatarissen of raadgevers. 4.
  28. De voorafgaande gegevens vormen bepaalde, gewichtige en overeenstemmende vermoedens die het begin van schriftelijk bewijs aanvullen en aldus doen besluiten dat er een overeenkomst bestond waarbij Westinform bemiddelde met het oog op de overname van de aandelen van S. in de nv Garage S. G. en de nv S. G. III.
  29. In hoofdorde vordert Westinform betaling van de commissie die volgens haar overeengekomen werd. Zij stelt dat deze vergoeding gelijk is aan "de meerwaarde boven 200 miljoen of bij akkoord minimum 5% op het totale bedrag van de transactie". Zij verwijst daarvoor naar een brief die zij op 20 maart 1998 gericht heeft aan Se. Zij toont evenwel niet aan dat daarover een akkoord tot stand gekomen is. Zij kan dit akkoord niet afleiden uit het feit dat S., voor wie de aandelenoverdracht geen daad van koophandel is, niet schriftelijk heeft laten weten dat hij niet instemde met betaling van een dergelijke vergoeding. Uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt dat S. zich op enig tijdstip verbonden heeft tot betaling daarvan.
  30. De overeenkomst, waarbij opdracht gegeven wordt tot het bemiddelen met het oog op de overdracht van aandelen, is een aanneming van werk. Bij gebrek aan overeenkomst over de prijs, kan de makelaar de daarvoor verschuldigde prijs vrij bepalen. Wanneer de opdrachtgever deze aannemingsprijs betwist, komt het hem toe om de nodige appreciatiegegevens aan te brengen opdat de rechter eventueel marginaal zou kunnen toetsen of de prijs te verantwoorden was. De rechtbank kan in deze partijbeslissing enkel tussenkomen wanneer de opdrachtgever kan aantonen dat de aannemer duidelijk misbruik heeft gemaakt van zijn recht op prijsbepaling en daarbij op een onredelijke wijze te werk is gegaan.
  31. Onverminderd de problematiek van de bepaling van de verschuldigde commissie, heeft de makelaar, aan wie opdracht gegeven is een koper te zoeken voor de aandelen van de opdrachtgever, behoudens andersluidende overeenkomst - waarvan Westinform in het voorliggend geval het bestaan niet bewijst, slechts recht op loon, wanneer hij aantoont dat door zijn toedoen een koper voor de aandelen werd aangebracht. Indien geen overeenkomst tot stand gekomen is tussen de opdrachtgever en de derde door bemiddeling van de makelaar, heeft deze laatste geen recht op commissieloon. De omstandigheid dat Westinform een handelsvennootschap is, die vermoed wordt enkel prestaties tegen vergoeding te leveren, doet daaraan geen afbreuk. De overeenkomst waarbij zij zich ertoe verbond een koper te zoeken, werd wel degelijk aangegaan onder bezwarende titel, doch de vergoeding moet, op grond van het "no cure, no pay" - principe, niet betaald worden, wanneer het beoogde resultaat niet wordt bereikt. Uit de voorliggende stukken blijkt dat Westinform contacten heeft gehad en besprekingen heeft gevoerd met twee kandidaten, namelijk D. W. en G., en met hun respectieve raadgevers. Deze besprekingen hebben er niet toe geleid dat één van deze beide kandidaten de aandelen van S. heeft gekocht. Dat Westinform er niet in slaagde een koper voor de aandelen aan te brengen, was niet aan S. te wijten. Zij houdt dit trouwens ook niet voor. Zij stelt integendeel dat dit het gevolg was van de weigering van Daimler Chrysler om deze kandidaten als concessiehouder te aanvaarden. Wanneer Westinform de opdracht aanvaardde om te bemiddelen voor de verkoop van de aandelen van vennootschappen die een Mercedes-concessie uitbaat, dan wist zij, of behoorde zij als professioneel tussenpersoon bij de overdracht van aandelen te weten, dat de kandidaten die zij aanbracht als de nieuwe aandeelhouders van de vennootschappen, aanvaardbaar moesten zijn voor Daimler Chrysler. Indien dit niet het geval was, konden de aandelen niet worden overgedragen. Indien dit toch gebeurde, zouden de vennootschappen hun concessie en bijgevolg hun handelsfonds verliezen. Westinform toont niet aan dat zij een kandidaat heeft aangebracht, aan wie S. zijn aandelen in de beide vennootschappen kon overdragen. Zij heeft bijgevolg geen recht op de overeengekomen of door haar eenzijdig bepaalde commissie en kan het ontbreken van een akkoord van Daimler Chrysler niet inroepen als "vreemde oorzaak."
  32. De aandelen van de vennootschappen van S. werden uiteindelijk overgedragen aan Daimler Chrysler zelf. Dit gebeurde zonder de bemiddeling van Westinform. Uit de briefwisseling die voorligt blijkt dat Daimler Chrysler niet wenste dat Westinform tussenkwam bij de verkoop. Deze overdracht verschaft haar geen recht op vergoeding. Uit geen enkel stuk van het dossier blijkt dat Westinform over een exclusieve opdracht beschikte, op grond waarvan zij recht had op commissie voor alle verkopen die gesloten werden tijdens de duur van de overeenkomst, ongeacht of zij daarvoor bemiddeld had. Evenmin maakt Westinform zelfs maar aannemelijk dat de realisatie van de verkoop van de aandelen aan Daimler Chrysler geheel of gedeeltelijk te danken is aan haar tussenkomst of dat zij de prijszetting van deze overdracht heeft beïnvloed. In die omstandigheden kan geen gunstig gevolg verleend worden aan haar verzoek om aan S. de voorlegging te bevelen van alle stukken waaruit de diverse aspecten van de uiteindelijke overname blijken.
  33. Rekening houdend met de voorafgaande overwegingen en gelet op de uitvoerige dossiers met stavingstukken, die de partijen hebben neergelegd, is het hof voldoende geïnformeerd om zich over de vordering van Westinform uit te spreken. Bovendien hebben de partijen duidelijke standpunten ingenomen en zijn er geen redenen om aan te nemen dat zij daarvan zullen afwijken ter gelegenheid van een persoonlijk verhoor, zodat het voor de beoordeling van de zaak niet noodzakelijk, noch nuttig is om de persoonlijke verschijning van de partijen te bevelen. Evenmin kan een gunstig gevolg verleend worden aan het verzoek van Westinform om de personen, met wie zij in het kader van haar opdracht besprekingen heeft gevoerd, als getuigen te horen "teneinde duidelijkheid te verschaffen rond de uitvoering van de opdracht, de inspanningen van [Westinform] en de realisaties in dit verband, alsmede iedere toelichting m.b.t. de tussen [Westinform] en [S.] uitgewerkte vergoedingsregeling." Het getuigenverhoor kan maar worden toegestaan indien de aangevoerde feiten voldoende bepaald zijn en ter zake dienend. Een feit is ter zake dienend wanneer het geschikt is om tot bewijs te dienen van het aangevoerde of wanneer, in de veronderstelling dat het waar is, het kan bijdragen tot de motivering van de eindbeslissing (VERHAEGEN, L., Gerechtelijk Recht; Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Ger.W., art. 915, p. 3 - 4; DE BAETS, P., A.P.R., Getuigenverhoor in privaatrechtelijke geschillen, nr. 28, p. 12). De "feiten" waaromtrent Westinform het getuigenverhoor vraagt, zijn niet enkel in zeer algemene termen geformuleerd, bovendien kunnen zij niet bijdragen tot de beoordeling van het geschil: de besprekingen die zij gevoerd heeft met elk van de personen, die zij als getuigen wenst te laten oproepen, heeft immers niet geleid tot een overdracht van de aandelen, zodat de verklaringen over de feiten, waaromtrent zij deze getuigen wenst te horen, gelet op hetgeen hoger werd overwogen, er niet kunnen toe leiden dat Westinform aanspraak kan maken op commissie. IV. In ondergeschikte orde vordert Westinform een verbrekings-vergoeding, waarvan het bedrag gelijk is aan de volgens haar verschuldigde commissie. Opdat deze vordering zou slagen, zou Westinform dienen aan te tonen dat S. contractbreuk heeft gepleegd. Zelf omschrijft Westinform de overeenkomst, die bestond tussen haar en S., als volgt: "Er werd overeengekomen dat concluante een overnemer zou zoeken (...) ten behoeve van de geïntimeerde en dat concluante als tegenprestatie een vergoeding zou ontvangen" (p. 11 van haar conclusie, neergelegd op 2 juli 2008). Zij heeft overnemers gezocht. Dit heeft geleid tot besprekingen met twee kandidaten (D. W. en G.). Deze onderhandelingen hebben niet geleid tot een overname, zonder dat dit aan S. te wijten was. Ruim twee jaar nadat haar opdracht een aanvang had genomen, was Westinform er nog steeds niet in geslaagd een overnemer te vinden. De aandelen werden uiteindelijk overgelaten aan Daimler Chrysler. Deze overnemer was niet door of dank zij Westinform aangebracht. Dat S. de onderhandelingen met deze overnemer voerde zonder de tussenkomst van Westinform en dat hij uiteindelijk zijn aandelen aan deze overnemer verkocht, vormt geen contractbreuk. Westinform beschikte immers niet over exclusiviteit, noch over enig recht dat haar toestond deel te nemen aan besprekingen, die gevoerd werden met kandidaat-overnemers, die niet door haar waren aangebracht. Bovendien toont Westinform op geen enkele wijze aan dat het tot stand komen van de overeenkomst met Daimler Chrysler mede aan haar inspanningen te danken was. Gebeurlijke getuigenverklaringen van personen die al even vreemd waren aan de onderhandelingen tussen Daimler Chrysler en S. als Westinform zelf kunnen aan deze vaststelling niets veranderen. Door de verkoop van de aandelen aan Daimler Chrysler, werd de opdracht aan Westinform zonder voorwerp en kwam er een einde aan de overeenkomst. Uit het feitenrelaas, dat duidelijk blijkt uit de overgelegde stukken, kan geen enkele fout in hoofde van S. worden afgeleid, zodat Westinform geen aanspraak kan maken op een verbrekings-vergoeding. V.
  34. Nog meer ondergeschikt maakt Westinform aanspraak op een billijke vergoeding. Nadat Westinform in september 2000 vastgesteld had dat zij niet betrokken werd bij de onderhandelingen met Daimler Chrysler, liet S. bij monde van accountant V. I. op 23 oktober 2000 weten dat hij opnieuw met Westinform contact zou opnemen indien er geen overname door Mercedes Belgium zou tot stand komen. Westinform antwoordde daarop bij brief van 2 november 2000 dat "de vroegere afspraken i.v.m. de commissionering dienen gerespecteerd te worden." In de brief d.d. 23 november 2000 van haar accountant, stelde S.: "Slechts wanneer de familie S. u opnieuw contacteert om de samenwerking verder te zetten - wat, naar ik begrepen heb, wel degelijk de bedoeling is van de familie S. van zodra aan hen wordt duidelijk gemaakt dat er geen overname door DaimlerMercedes Belgium komt - kunnen de eerder tussen uzelf en de heer G. S. gemaakte financiële afspraken verder gelden. Eén en ander betekent niet dat, wanneer de familie S. niet verder op uw diensten dient beroep te doen omdat de overname met Mercedes werd gerealiseerd, zij niet zullen voorzien in een billijke vergoeding voor uw prestaties uit het verleden." Daarmee wees S. enerzijds de aanspraak van Westinform op commissie af, maar verbond hij er zich anderzijds toe om een "billijke vergoeding" te betalen aan Westinform, ook al werd de overname van de aandelen niet door zijn toedoen gerealiseerd.
  35. S. beweert dat hij zich tot betaling van een billijke vergoeding verbonden heeft, omdat hij gechanteerd werd door Westinform. Hij verwijst in dit verband vooreerst naar de zin "In elk geval is het overduidelijk dat wij geen enkele stap zullen ondernemen die uw dossier zou kunnen hypothekeren" in haar brief van 8 september
  36. Verder haalt hij de brief d.d. 30 oktober 2000 aan waarin Westinform stelde dat Mercedes acht concessies uit de regio Brussel zou overnemen. De vennootschap van S. in Ninove zou daarin begrepen zijn voor zover de lopende audits vlot verliepen en niet veel problemen opleverden. Zij voegde eraan toe: "Een voor hen onbekend (niet-meegedeeld- ) BTW-probleem stoort hen blijkbaar". Ten slotte meent S. het bewijs van chantage ook te vinden in een brief d.d. 1 december 2000 van de gedelegeerd bestuurder van Westinform aan S. en zijn dochters, waarin staat: "Ik wens geen beletsel te zijn in uw hopelijk lonende transactie met MERCEDES, mits het afsluiten van een dading tegen 10 december a.s. waarbij een billijke vergoeding voor mijn inspanningen wordt uitbetaald. Ik zal voor eigen rekening de strijd tegen MERCEDES aangaan. Misschien mondt deze wel uit in een verrechtvaardigd gevecht in de media en voor het comité van Mededinging. Mijn zwaar dossier ligt ter beschikking." Uit de brief van 8 september 2003 kan alleszins geen enkele dreiging afgeleid worden. In de aangehaalde zin bevestigt Westinform integendeel dat zij niets zal ondernemen dat de overname kan bemoeilijken. Uit de aangehaalde zin uit de brief van 30 oktober 2000 blijkt volgens S. dat Westinform ermee dreigde hem te chanteren in verband met een fiscaal probleem. Dit kan daar evenwel niet uit afgeleid worden - men ziet trouwens niet in hoe iemand zich kan storen aan een probleem dat hij niet kent, terwijl hij dit evenmin aantoont aan de hand van andere stukken van het dossier. Doch zelfs indien Westinform ermee zou gedreigd hebben bepaalde informatie aan Daimler Chrysler mede te delen, dan blijkt uit hoegenaamd niets dat er een oorzakelijk verband zou bestaan hebben tussen dit dreigement en de verbintenis van S. om een billijke vergoeding te betalen. Ten slotte kan S. uit de brief van 1 december 2000 evenmin een argument putten voor zijn stelling. Deze brief dateert immers van na de schriftelijke bevestiging van de accountant van S. dat hij een billijke vergoeding zou betalen. De inhoud van deze brief - waarin overigens geen sprake is van een fiscaal probleem, maar enkel van een probleem van mededingingsrecht - kan bijgevolg niet de reden zijn geweest waarom S. zich tot betaling van een billijke vergoeding verbond. De dreigende toon van deze brief strekte er integendeel enkel toe dat S. de reeds aangegane verbintenis zo spoedig mogelijk zou uitvoeren. Aangezien aldus niet is aangetoond dat de wil van S. om aan Westinform een billijke vergoeding voor haar prestaties te betalen, door een gebrek is aangetast, is hij tot uitvoering van deze verbintenis gehouden.
  37. Westinform maakt aanspraak op een "billijke vergoeding" van 90.750,00 EUR. Zij kan niet gevolgd worden, waar zij voorhoudt dat het haar, als dienstenverstrekker, toekomt het bedrag van deze vergoeding eenzijdig te bepalen, bij wijze van partijbeslissing. Deze "billijke vergoeding" betreft immers niet "de prijs" die zij als aannemer kan aanrekenen in het kader van een overeengekomen opdracht, waarbij geen prijs werd overeengekomen. In het voorliggend geval is deze "prijs" de commissie, waarop zij recht zou gehad hebben indien de overname door haar tussenkomst tot stand was gekomen. Haar recht op een "billijke vergoeding" put zij integendeel uit een eenzijdige verbintenis van S. De omstandigheid dat S. het bedrag van de verbintenis niet heeft bepaald en het feit dat hij thans weigert enige som te betalen, staat daarom Westinform nog niet toe dit in zijn plaats te doen.
  38. De betalingsverbintenis die S. heeft aangegaan strekt tot een "billijke" vergoeding van de "prestaties" die Westinform geleverd heeft. Westinform maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat haar prestaties ertoe geleid hebben dat de aandelen overgedragen werden aan Daimler Chrysler, noch dat zij de prijs beïnvloed hebben. Alles wijst trouwens op het tegendeel: Westinform heeft Daimler Chrysler niet aangebracht, noch de onderhandelingen met deze overnemer gevoerd; de situatie, waarbij een derde de aandelen overneemt van vennootschappen die een Mercedes-concessie uitbaten is bovendien volledig anders dan wanneer de concessiegever zelf de aandelen van haar concessiehouders overneemt. De "billijke" vergoeding kan dan ook niet bepaald worden in functie van de aard van de overdracht, de omvang van de vennootschappen waarvan de aandelen werden overgedragen en/of de prijs die daarvoor uiteindelijk bekomen werd.
  39. Vermits het een "billijke" vergoeding betreft, vereist de bepaling ervan geen nauwkeurig onderzoek naar het precieze bedrag van de gemaakte kosten of van het effectief aantal gewerkte uren, maar dient zij ex aequo et bono of naar redelijkheid en billijkheid bepaald te worden. Het hof acht zich aan de hand van de uiteenzetting van de partijen en de omvangrijke dossiers die zij hebben neergelegd afdoende geïnformeerd om deze "billijke" vergoeding te bepalen. Deze dossiers laten toe een goed beeld te krijgen van de prestaties die Westinform leverde; zij bevatten onder meer kopie van de gevoerde briefwisseling, met daarin herhaalde verwijzingen naar telefoongesprekken, besprekingen, vergaderingen en andere prestaties. Verder liggen ook overzichten voor van prestaties - waaronder deze medegedeeld door sommige van haar gesprekpartners, evenals documenten met informatie over de vennootschappen en hun financiële situatie, waarvan Westinform kennis heeft moeten nemen en die zij heeft moeten onderzoeken, en documenten (zoals intentieverklaringen en confidentialiteitsovereen-komsten) die zij zelf heeft opgesteld of laten opstellen. Rekening houdend met de gegevens die uit deze dossiers blijken en met de tegenspraak die de partijen gevoerd hebben in hun conclusies, begroot het hof de aan Westinform toekomende "billijke vergoeding" voor prestaties op 10.000,00 EUR.
  40. Met de overige middelen die de partijen ontwikkelen, tonen zij niet aan waarin zij de gevolgen van wat voorafgaat nog zouden kunnen wijzigen, minstens zijn deze middelen niet meer ter zake dienend, zodat zij dan ook niet verder dienen te worden onderzocht. VI. Rekening houdend met de gedeeltelijke gegrondheid van de vordering van Westinform en de ongegrondheid van de tegeneis van S., zijn de gerechtskosten in eerste aanleg ten laste van S.. Gelet op de gedeeltelijke gegrondheid van het hoger beroep zijn de gedingkosten in hoger beroep eveneens ten laste van S.. Zowel Westinform en S. begroten de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 7.000,00 EUR. Dit is het basisbedrag voor een vordering tussen 250.001 EUR en 500.000 EUR. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de nv Dienstencentrum Westinform ontvankelijk en in de volgende mate gegrond; Vernietigt het vonnis van de eerste rechter - in zover het bestreden wordt - in zijn beschikkingen, behalve in de mate dat het de hoofdvordering ontvankelijk heeft verklaard; En, opnieuw recht doende, verklaart de vordering van de nv Dienstencentrum Westinform in de volgende mate gegrond: Veroordeelt G. S. tot betaling aan de nv Dienstencentrum Westinform van de som van TIENDUIZEND EURO (10.000,00 EUR), vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 23 september 2003 tot de datum der betaling; Wijst al het meer en anders gevorderde af als ongegrond; Veroordeelt G. S. tot de kosten van het geding in beide aanleggen, niet te begroten aan zijn zijde, aangezien zij te zijnen laste zijn, en aan de zijde van de nv Dienstencentrum Westinform begroot op 247,39 EUR kosten dagvaarding, 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, 186,00 EUR rolrecht in hoger beroep en 7.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 27-5-
  41. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.