id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090528.19 Rolnummer: 2007/AR/2271 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-09-15 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 19:50 Fiche De rechtsmacht van de Belgische rechter wordt bepaald op grond van de initiële vordering. In geval van vordering in revindicatie van een gestolen goed, dient - overeenkomstig artikel 92 van het W.I.PR. - te worden nagegaan of de eiser de rechtmatige eigenaar is van het gestolen goed. Indien zulks het geval is wordt de vordering, naar keuze van de eigenaar, beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied het goed zich bij zijn verdwijning bevond of door het recht van de Staat op wiens grondgebied het goed zich bij de terugvordering bevindt. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID Vrije woorden: Bevoegdheid van de Belgische rechter - toepasselijk recht bij vordering in revindicatie Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 28 mei 2009 2007/AR/2271 in de zaak van: R. M., wonende te ..............................., appellant, hebbende als raadsman mr. RONSE Christophe, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86 C B. 414 tegen:
- L. G., gepensioneerde, wonende te ...................................., eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. HERMANS Min, advocaat te 2275 LILLE, Rechtestraat 4/1
- CHRISTIE'S AMSTERDAM BV, vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel Cornelis Schuytstraat 57 te 1071 JG AMSTERDAM (NEDERLAND), tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE ROECK Martine, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Gen. Lemanstraat 27 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 14 september 2007 heeft M. R. tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 september 2007, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, eerste kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
- Op 1 mei 2003 vertrouwt G. L. (eerste geïntimeerde) twee antieke klokken toe aan een vertegenwoordigster van B.V. Christie's Amsterdam (tweede geïntimeerde), met het oog op verkoop ervan door Christie's Londen op de veiling van 11 juli
- Eén van deze klokken, die het voorwerp is van onderhavig geschil, is een vergulde pendule met halfedelstenen en automaton, vervaardigd in de achttiende eeuw door John Mottram. Wanneer L. merkt dat de klokken niet opgenomen zijn in de catalogus van de geplande veiling laat Christie's Amsterdam hem weten dat de beide klokken in Groot-Brittannië het voorwerp zijn van een gerechtelijk onderzoek, omdat de politie aanneemt dat de klokken in de afgelopen jaren gestolen zijn in het Verenigd Koninkrijk. Na afloop van dit onderzoek vraagt de raadsman van L. bij brief van 24 januari 2006 aan Christie's Amsterdam dat de klokken zouden worden terugbezorgd. Christie's (Londen) antwoordt hierop dat het politieonderzoek weliswaar is afgerond, maar dat de klok niet kan worden teruggegeven, omdat een andere persoon er eveneens aanspraak op maakt. Scotland Yard, dat aan Christie's had gevraagd de klok tijdens het onderzoek onder zich te houden, laat weten dat de verdere afhandeling van de zaak (de toewijzing van de klok aan één van de partijen) een geschil is dat door de burgerlijke rechtbank dient te worden beslecht. Met dagvaarding van 1 augustus 2006 vordert L. van Christie's Amsterdam de teruggave van de vergulde pendule met edelstenen en automaton Mottram John, onder verbeurte van een dwangsom van euro 1.000,00 per dag vertraging, minstens haar veroordeling tot betaling van een provisionele schadevergoeding van euro 100.000,
- M. R. (appellant) is vrijwillig in het geding tussengekomen bij verzoekschrift van 30 november
- Hij zegt eigenaar te zijn van de kwestieuze klok en vraagt dat aan Christie's Amsterdam wordt bevolen de klok aan hem af te geven. Christie's Amsterdam vraagt dat de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren, met verwijzing van de zaak naar de bevoegde rechtbank te Londen (High Court). In ondergeschikte orde vraagt zij, met toepassing van het Engels recht, te zeggen wie de eigenaar is van de klok en wie deze in ontvangst kan nemen. Tevens vordert zij van L. een bedrag van euro 1.500,00 voor de kosten van bewaring.
- De eerste rechter stelt vooreerst vast dat een verwijzing naar een buitenlandse rechtbank, zoals door Christie's Amsterdam in hoofdorde gevraagd, onmogelijk is. Nu de vordering van L. betrekking heeft op een geschil voortvloeiend uit een contract (bewaargeving), dat is ontstaan en dient uitgevoerd te worden in België (Knokke-Heist), besluit hij tot de bevoegdheid van de rechtbank te Brugge en de toepasselijkheid van het Belgisch recht. Ten gronde acht de eerste rechter het bewezen dat L. op 4 april 2000 de klok te goeder trouw heeft aangekocht. Hij acht het daarentegen niet bewezen dat dezelfde klok in 1999 werd gestolen bij R., zoals deze laatste beweert. Dienvolgens wordt de vordering van L. principieel gegrond verklaard. Christie's Amsterdam wordt veroordeeld om de klok Mottram John op haar kosten terug te bezorgen aan L. binnen de 14 dagen nadat het vonnis definitief zal zijn geworden, onder verbeurte van een dwangsom van euro 500,00 per dag vertraging. De tegenvordering van Christie's Amsterdam en de tussenvordering van R. worden afgewezen, en beiden worden verwezen in de kosten van het geding.
- In zijn beroepsakte zet R. uiteen dat hij op 6 maart 1998 van de vennootschap Tai Sing Fine Antiques Ltd., gevestigd in Hong Kong, een originele George III-klok, vervaardigd in Londen door Mottram, heeft aangekocht voor de som van 90.000 USD. Gelet op het bij de aankoop verkregen identiteitscertificaat, het bewijs van de betaling en de bevestiging van de aankoop door Tai Sing meent hij dat het onomstotelijk vaststaat dat hij de rechtmatige eigenaar is van deze klok, die in de nacht van 16 op 17 december 1999 werd gestolen uit een hem toebehorend onroerend goed in Kelinworth (Warwickshire-Engeland). Volgens R. is het dezelfde klok die L. zich voornam te laten verkopen, zodat hij zich tot Christie's heeft gewend met het verzoek de klok niet in veiling op te nemen. Het onderzoek door Scotland Yard zou hebben uitgewezen dat de klok die L. had toevertrouwd aan Christie's Amsterdam, wel degelijk de klok is die bij hem werd gestolen. De argumentatie van R. kan als volgt worden samengevat: - krachtens artikel 92 van het wetboek van Internationaal Privaatrecht dient het Engels recht te worden toegepast; - de stukken tonen duidelijk aan dat hij de rechtmatige eigenaar is van de kwestieuze klok Mottram, die bij hem werd ontvreemd; - de tweede klok (Fromanteel) die L. met het oog op verkoop aan Christie's Amsterdam had toevertrouwd, blijkt eveneens afkomstig te zijn van een diefstal; - het bezit van L. is niet deugdelijk en bovendien kan hij zich niet beroepen op de bescherming die het Belgisch recht biedt aan de bezitter te goeder trouw, gelet op de toepasselijkheid van het Engels recht, dat de voorkeur geeft aan de ware eigenaar van een gestolen goed, zelfs in geval van goede trouw van de derde-verkrijger; - voor zover het eigendomsrecht van R. niet genoegzaam zou zijn aangetoond, dient een getuigenverhoor en/of een deskundigenonderzoek te worden bevolen. Op deze gronden besluit R. tot de vernietiging van het bestreden vonnis en de erkenning en de bevestiging van zijn eigendomsrecht op de klok, met bevel aan Christie's Amsterdam om deze aan hem af te geven.
- Christie's Amsterdam blijft op het standpunt dat de Belgische rechter niet bevoegd is. Zij stelt hieromtrent incidenteel beroep in en vraagt ondergeschikt het Engels recht van toepassing te verklaren en naar Engels recht te zeggen wie eigenaar is van de bewuste klok, en dus gerechtigd is deze in ontvangst te nemen. Tevens herneemt zij haar vordering tegen L., strekkende tot betaling van de kosten van bewaring, thans begroot op euro 3.000,
- L. besluit tot de afwijzing van het hoofdberoep van R. en van het incidenteel beroep van Christie's Amsterdam, alsmede tot hun beider veroordeling tot betaling van de som van euro 10.000,00 wegens tergend en roekeloos hoger beroep, respectievelijk incidenteel beroep. Zelf stelt ook hij incidenteel beroep in, waarmee hij de veroordeling van Christie's Amsterdam beoogt om de klok op zijn adres te Knokke-Heist aan hem terug te bezorgen, op haar kosten, binnen de 14 dagen na onderhavig arrest, onder verbeurte van een dwangsom van euro 500,00 per dag. Voor zover de klok niet meer kan worden teruggegeven, vraagt hij de veroordeling van Christie's Amsterdam tot betaling van een provisionele schadevergoeding van euro 100,000,00, met de aanstelling van een (Belgisch) deskundige om de verkoopwaarde van de klok te bepalen, hetzij de gebreken, herstelkosten of minderwaarde te bepalen. Ondergeschikt vordert hij van R. vrijwaring voor de kosten van bewaring en transport die hij desgevallend zou dienen te betalen. Nog meer ondergeschikt, voor zover een deskundigenonderzoek zou worden bevolen, vraagt hij dat met het oog op de uitvoering van dit onderzoek de klok op kosten van Christie's Amsterdam of van Rosenberg aan hem zou worden terugbezorgd. beoordeling
- Christie's Amsterdam vraagt weliswaar niet langer de verwijzing van de zaak naar de High Court in Londen (verzoek dat door de eerste rechter om gegronde redenen werd afgewezen), maar zij blijft volharden in het standpunt dat niet de Belgische rechter, maar uitsluitend de rechtbanken van Londen bevoegd zijn om kennis te nemen van het geschil. Deze zienswijze kan om de door de eerste rechter uiteengezette redenen niet worden bijgetreden. De initiële vordering van L. tegen Christie's Amsterdam is gestoeld op de contractuele relatie tussen beiden. De verbintenis in hoofde van Christie's Amsterdam om, hetzij de bekomen verkoopprijs te betalen aan L., hetzij hem de haar toevertrouwde klokken terug te geven, is ontstaan in België door de afgifte van de klokken en diende aldaar ook te worden uitgevoerd, zodat de rechtbank van eerste aanleg te Brugge wel degelijk bevoegd was om kennis te nemen van de vordering, overeenkomstig artikel 5.1.a en 1.b. van de EEX Verordening 44/
- R. en Christie's Amsterdam zijn van oordeel dat het Engels recht van toepassing is op de door R. ingestelde revindicatievordering. Daartoe wordt verwezen naar artikel 92 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht, dat het recht, toepasselijk op gestolen goederen, aldus regelt: "De terugvordering van een gestolen goed wordt beheerst, naar keuze van de oorspronkelijke eigenaar, door het recht van de Staat op wiens grondgebied het goed zich bij zijn verdwijning bevond of door het recht van de Staat op wiens grondgebied het goed zich bij de terugvordering bevindt. Niettemin, indien het recht van de Staat op wiens grondgebied het goed zich bij zijn verdwijning bevond, geen enkele bescherming aan de bezitter te goeder trouw toekent, kan deze de bescherming inroepen die het recht van de Staat op wiens grondgebied het goed zich bij de terugvordering bevindt, hem toekent". De toepassing van deze bepaling veronderstelt dat wordt nagegaan of het goed dat wordt teruggevorderd effectief een gestolen goed is, zodat in eerste instantie dient te worden onderzocht of R. op voldoende wijze aantoont dat hij een rechtmatige eigenaar is van de bewuste Mottram-klok en dat deze bij hem werd gestolen. 3.
- Nopens het eigendomsrecht van R. en de diefstal van de klok worden een aantal bewijskrachtige stukken voorgelegd, met name: - een factuur, gedateerd 6 maart 1998, waaruit blijkt dat R. een Mottram-klok, met edelstenen en automaton, heeft aangekocht van Tai Sing Fine Antiques Ltd., gevestigd in Hong Kong, voor de som van 90.000,00 US $; - een kopie van de cheque (voor een totaal bedrag van 135.000,00 US $), waarmee deze aankoop (samen met andere aankopen) werd betaald; - een certificaat, verstrekt door de verkoper, waaruit blijkt dat de klok op het einde van de achttiende eeuw in Engeland werd vervaardigd door Mottram; - een rapport van de politie van Warwickshire (Engeland), waaruit blijkt dat deze klok op 17 december 1999 werd gestolen ten nadele van M. R.; - de kennisgeving van de diefstal, middels een publicatie (met foto van de klok) in de ‘Antiques Trade Gazette' van 15 januari 2000; - een verklaring afgelegd door R. op 19 augustus 2003, waaruit blijkt dat hij in het bijzijn van de politie, de klok, die zich bij Christie's bevindt, herkent als de klok die bij hem was gestolen. Op grond van deze gegevens mag worden aangenomen dat R. eigenaar is van een achttiende-eeuwse Mottram-klok en dat deze klok in 1999 bij hem werd gestolen. 3.
- Rijst de vraag of de bij R. gestolen Mottram-klok dezelfde is die L. voor verkoop heeft aangeboden bij Christie's. In dit verband zijn de volgende gegevens en vaststellingen van belang. - Vooreerst valt de treffende gelijkenis op tussen de klok die voorkomt op de foto van de klok aangekocht door R., en de foto's van de klok die zich bevindt bij Christie's (stukken 2 en 18 - dossier R.). - Het houten ‘stoeltje' of sokkel, waarop de klok oorspronkelijk stond, bevindt zich nog steeds bij R. - Twee antiek-experten zijn formeel dat het om dezelfde klok gaat. Dit blijkt uit de e-mail van John Carlton-Smith van 25 februari 2008 en de brief van Richard Higgins van 23 februari 2008 (stukken 12 en 13 - dossier Rosenberg). Het betreft hier weliswaar eenzijdige stukken, opgesteld door experts aangezocht door R., maar dit belet niet dat, in de mate er overtuigende argumenten worden in aangehaald, gesteund op objectieve en door L. niet weerlegde vaststellingen, deze stukken zeker dienstig zijn als inlichting. - Hetzelfde geldt voor het verslag van Higgins (stuk 19 - dossier geïntimeerde). Daarin wordt op overtuigende wijze aangetoond dat het om dezelfde klok gaat. Dit blijkt onder meer uit de vaststellingen met betrekking tot de bewerkingen die de klok heeft ondergaan (de plaatsing van niet-vergulde schroeven), de plaatsing van bepaalde steentjes, de wijze waarop bepaalde versieringen (met de hand) werden aangebracht en de identieke ‘imperfecties' (onder meer wat de symmetrie betreft), welke voorkomen op de klok bij Christie's en tevens zijn waar te nemen op de foto's van de klok aangekocht door R.. Dat er van dit model verschillende exemplaren kunnen gemaakt zijn, zodat er meerdere, erg gelijkende dergelijke klokken kunnen bestaan, zoals wordt bevestigd in een door L. voorgelegde verklaring van expert Jan Coolen (stuk 12 - dossier L.), kan worden aangenomen, doch dit doet geen afbreuk aan de vaststelling dat, gelet op het feit dat de klokken met de hand werden afgewerkt, iedere klok particuliere kenmerken en details vertoont die door specialisten kunnen worden herkend met het oog op de identificatie van een klok. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat het bezit van L. van de bewuste klok niet ondubbelzinnig, maar dubieus was. - De omstandigheden waarin L. de klok heeft aangekocht, zijn duister. Desbetreffend wordt enkel een verklaring voorgelegd, ondertekend met de naam ‘B. Gaspar', zonder enige verdere identificatie van de verkoper. Ook in conclusies is L. bijzonder zwijgzaam over de aankoop van de klok en wordt geen enkel verder gegeven verstrekt over de verkoper, waarvan bijvoorbeeld niet is geweten of het gaat om een (antiek)handelaar, dan wel een particuliere verkoper. Dat de (aan toonder uitgeschreven) cheque ten bedrage van 1.100.000 frank (= euro 27.268,29), waarmee de aankoop werd betaald, kan worden voorgelegd door L., die ook aantoont dat zijn bankrekening met hetzelfde bedrag werd gedebiteerd, doet geen afbreuk aan de twijfelachtige oorsprong van de door L. aangekochte klok. - Tenslotte dient ook de Fromanteel-klok, die L. samen met de Mottram-klok aan Christie's Amsterdam heeft aangeboden, ter sprake te worden gebracht. Ook deze klok werd eerder gestolen, hetgeen door L. tevergeefs wordt betwist, gelet op de gegevens van het politioneel onderzoek, waaruit is gebleken dat deze klok op 23 april 1995 werd gestolen uit het huis van de heer R.T. G. in Surrey. Deze Fromanteel-klok was in december 2004/januari 2005 het voorwerp van een dading, gesloten tussen de erven G. en L., waarbij laatstgenoemde de klok verkocht voor euro 18.000,00 (stuk 14 - dossier R.). In een brief van de toenmalige raadsman van L. van 24 januari 2006 (stuk 8 - dossier L.) wordt uitdrukkelijk het woord ‘dading' vermeld, terwijl moet worden vastgesteld dat deze klok, waarvan de waarde op 1 mei 2003 (ter gelegenheid van de afgifte aan Christie's Amsterdam) werd geschat op £ 70.000 tot £ 100.000, werd verkocht voor nauwelijks euro 18.000,00, hetzij een fractie van de vooropgestelde waarde. Het staat bijgevolg vast dat de beide door L. voor verkoop aangeboden klokken afkomstig waren van diefstallen, zoals trouwens door de raadsman van L. uitdrukkelijk werd toegegeven in een brief van 23 januari 2006 aan de Londense politie, waarin (naar een vrije vertaling door het hof) wordt gesteld: "U hebt mij al bevestigd dat het strafdossier gesloten is in Engeland en dat er een bevestiging is dat de klokken waren gestolen en de rechtmatige eigenaars werd gelocaliseerd" (stuk 6 - dossier L.). Het huidig standpunt van L., die blijft beweren dat het politieonderzoek nooit aan het licht heeft gebracht dat de klokken gestolen waren en dat de klok Fromanteel het voorwerp was van een verkoop en niet van een dading, is derhalve volkomen strijdig met de gegevens van het dossier en de voorgelegde stukken. Het besluit van hetgeen voorafgaat is dat R. op voldoende wijze aantoont dat hij de rechtmatige eigenaar is van de Mottram-klok, die door L. met het oog op verkoop werd aangeboden bij Christie's Amsterdam.
- Gelet op de vaststelling dat R. de rechtmatige eigenaar is van de gestolen klok Mottram, die zich thans bij Christie's in Londen bevindt, is krachtens het hiervoor aangehaald artikel 92 van het W.I.P.R. het Engels recht van toepassing, nu het voorwerp van de revindicatie wel degelijk een gestolen goed is, dat zich zowel op het tijdstip van zijn verdwijning, als op het ogenblik van de terugvordering op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk bevond. Dat het Engels recht de voorkeur geeft aan de rechtmatige eigenaar en geen bescherming biedt aan de derde-bezitter wordt niet betwist, maar ten overvloede kan hier worden aan toegevoegd dat, zoals vastgesteld onder het vorig randnummer, het bezit van L. niet deugdelijk is, zodat hij zich naar Belgisch recht evenmin zou kunnen beroepen op het bezit te goeder trouw. Dienvolgens komt de vordering van R. gegrond voor en dient de vordering van L. tot teruggave van de klok of tot betaling van schadevergoeding als ongegrond te worden afgewezen. Christie's Amsterdam bevestigt dat de kwestieuze klok zich nog steeds in Londen bevindt en uit de door haar voorgelegde foto's blijkt dat alle stukken, met inbegrip van de losse onderdelen (waarvan expert Higgins blijkbaar ten onrechte aannam dat het bovenste deel ontbrak), nog steeds aanwezig zijn. De klachten van L. in dit verband zijn derhalve ongegrond en trouwens niet relevant, aangezien de klok toekomt aan R.
- De tegen L. gerichte vordering van Christie's Amsterdam, strekkende tot betaling van euro 3.000,00 wegens kosten van bewaring, is gesteund op de tussen partijen bestaande overeenkomst van bewaargeving. Waar, enerzijds, contractueel niets omtrent dergelijke kosten is bedongen en, anderzijds, de omstandigheid dat de klok zo lang bij Christie's is moeten blijven in eerste instantie het gevolg is van de diefstal van de klok in 1999 en van het politieonderzoek, volgend op het terugvinden ervan, is deze vordering ongegrond.
- Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, verschuldigd ingevolge de wet van 21 april 2007 en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007, vragen R. en Christie's Amsterdam het bedrag ervan vast te stellen op respectievelijk euro 2.500,00 en euro 5.000,
- Nu er geen omstandigheden zijn om af te wijken van het basisbedrag dient de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te worden begroot op euro 1.200,00, aangezien de in hoofdorde gestelde vordering (afgifte van een klok) geen in geld waardeerbare vordering is. Als in het ongelijk gestelde partij dient L. in te staan voor de kosten gevallen aan de zijde van Rosenberg en Christie's Amsterdam. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen toelaatbaar, het hoofdberoep van M. R. gegrond en de incidentele beroepen van G. L. en Christie's Amsterdam ongegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende: Zegt voor recht dat M. R. de rechtmatige eigenaar is van de klok Mottram, met edelstenen en automaton, welke zich volgens de verklaringen van partijen thans bevindt bij Christie's in Londen. Beveelt aan Christie's Amsterdam deze klok af te geven aan M. R. Wijst alle andere vorderingen, met inbegrip van de vorderingen van G. L. wegens tergend en roekeloos hoger beroep, af als ongegrond. Verwijst G. L. in de kosten van de beide instanties, die aan zijn zijde niet dienen te worden begroot daar zij hem ten laste blijven, en aan de zijde van M. R. vereffend worden op euro 364,41 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, euro 186,00 rolrecht en euro 1.200,00 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, en aan de zijde van Christie's Amsterdam op euro 364,41 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en euro 1.200,00 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, G. JOCQUE, raadsheer, B. WYLLEMAN, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op ACHTENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div