← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090528.20

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090528.20 Rolnummer: 2007/AR/928 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-10-26 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 19:51 Fiche Het Hof onderzoekt de kwalificatie van een vordering tot vergoeding gericht tegen een notaris wegens een beroepsfout en stelt een verjaring vast. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Aansprakelijkheid notaris, bank Vrije woorden: Notaris - beroepsaansprakelijkheid - verjaring - vordering tot schadevergoeding - beroepsfout Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 1be kamer ________ terechtzitting van 28-05-2009 2007/AR/928 in de zaak van:

  1. S. L., gepensioneerde, en zijn echtgenote
  2. B. H., gepensioneerde, samen wonende te ........................................, appellanten, hebbende als raadsman mr. SOCQUET Dany, advocaat te 3080 TERVUREN, Merenstraat 28 tegen: V. R., ere-notaris, overleden op 01.11.2008, voor wie het geding hervatten als erfgenamen:
  3. V. D. M., wonende te ...............................,
  4. V. S., wonende te .................................,
  5. V. F., wonende te ........................................, geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. DE CLERCK Daniël, advocaat te 8000 BRUGGE, Hoogstraat 28 hebbende als raadsman mr. COPPENS Ivan, advocaat te 8000 BRUGGE, Hoogstraat 28 velt het Hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 5 april 2007 stellen S. L. en B. H. tijdig en in regelmatige vorm hoger beroep in tegen het vonnis van de 16 februari 2007 van de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne dat hun vordering gesteld bij dagvaarding betekend op 16 augustus 2004 verjaard verklaart en de appellanten veroordeelt tot de kosten van het geding. Bij conclusie neergelegd ter griffie van het hof op 27 november 2008 verklaren V. D. M., V. S. en V. F. het geding te hervatten als rechtsopvolgers van wijlen V. R. Niets staat deze gedinghervatting in de weg. Het bestreden vonnis zet het voorwerp van de vordering beknopt doch juist uiteen. Met hun rechtsmiddel hernemen de appellanten hun oorspronkelijke vordering ertoe strekkend de V. R. wegens een beroepsfout te veroordelen tot het betalen van euro 1.500,- in hoofdsom meer de vergoedende rente vanaf 7 juli 1979 tot de datum van het arrest, waarna gerechtelijke rente tot datum van algehele betaling. De kern van huidig geschil is de vraag naar de grondslag van de vordering van appellanten lastens geïntimeerde - hetzij persoonlijk, hetzij zakelijk, dan wel extra-contractueel - hetgeen bepalend is voor de verjaringstermijn waaraan de vordering onderworpen is. De wet van 10 juni 1998, in werking sedert 27 juli 1998, heeft op grondige wijze de regels inzake burgerrechtelijke verjaring gewijzigd. Voor alle persoonlijke rechtsvorderingen voorziet deze wet door het invoeren van een nieuw art. 2262bis, § 1, 1e lid in het Burgerlijk Wetboek een verjaringstermijn van 10 jaar, in plaats van voorheen geldende termijn van 30 jaar (art. 2262 oud B.W.). Voor persoonlijke rechtsvorderingen in het algemeen werd aan 10 jarige termijn meer evenwichtig geacht dan de vroegere 30 jarige termijn, die voor zakelijke rechtsvorderingen blijft gelden. In afwijking van deze gemeenrechtelijke 10 jarige verjaringstermijn, verjaren krachtens artikel 2262bis, §1, 2e lid B.W. alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. In ieder geval verjaren deze aansprakelijkheidsvorderingen wegens buitencontractuele schade door verloop van 20 jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. Buiten de voornoemde verjaringstermijnen, is voor de notaris ook nog art. 2276 quinquies B.W. van belang, dat werd ingevoegd bij art. 47 van de Wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de Wet van 25 Ventôse jaar XI op het notariaat. Krachtens art. 2276 quinquies B.W. gelden voor de beroepsaansprakelijkheid van de notarissen de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, behoudens voor de beroepsaansprakelijkheid betreffende de laatste wilsbeschikkingen en de contractuele erfstellingen. Tot voor de invoering van art. 2276 quinquies B.W. was geen bijzondere verjaring voorzien voor de beroepsaansprakelijkheid van notarissen. De invoering van deze nieuwe bepaling lag in de lijn van de maatregelen die de wetgever kort voordien had aangenomen met betrekking tot de advocaten (art. 2276bis B.W. ingevoegd bij de wet van 1 augustus 1985) en de deskundigen (art. 2276ter B.W., ingevoegd bij de wet van 13 februari 1990). Waar het Burgerlijk Wetboek voor advocaten, deskundigen en schuldbemiddelaars een uitdrukkelijke verjaringstermijn voorziet van 5 jaar na het beëindigen van hun taak, of neerleggen van hun verslag, bepaalt art. 2276 quinquies dat voor de beroepsaansprakelijkheid van de notarissen de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen gelden. De algemene categorie inzake gemeenrechtelijke verjaringstermijn is deze van de persoonlijke vorderingen, hetzij 10 jaar, waarop de verkorte buitencontractuele verjaringstermijn een uitzondering vormt. In onderhavige zaak deed het schadeverwekkend feit zich voor op 7 juli 1979 datum van de aankoop van een perceel grond in het weekend verblijfpark "Groendyck" te Koksijde, Oostduinkerke. De centrale vraag is of de geïntimeerde thans nog aansprakelijk kan worden gesteld voor deze fout en of de vordering lastens hem ingesteld op 16 augustus 2004 al dan niet verjaard is. Het antwoord hierop is afhankelijk van de kwalificatie van de vordering die appellanten hebben ingesteld, met name of het een persoonlijke vordering betreft, onderworpen aan de "gemeenrechtelijke" verjaringstermijn van 10 jaar (art. 2262bis, §1, 1e lid B.W.), dan wel een vordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, voor dewelke een kortere verjaringstermijn geldt van 5 jaar vanaf het ogenblik dat de benadeelde kennis kreeg van de schade (art. 2262bis, §1, 2e lid B.W.). In tegenstelling tot wat appellanten voorhouden, betreft hun vordering geen persoonlijke vordering lastens de geïntimeerde, met wie zij geen contractuele relatie hadden, maar een vordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad, meer bepaald veroorzaakt door de beweerde fout van de notaris ingevolge de onjuiste informatie door hem verstrekt. De naleving van zijn informatieplicht moet worden getoetst aan de hand van de regels inzake buitencontractuele aansprakelijkheid. De door de appellanten ingeroepen schending door de geïntimeerde van zijn informatieplicht bij de totstandkoming van de verkoopovereenkomst, waardoor zij misleid werden omtrent de draagwijdte van hun eigendomsrechten, maken dat de geïntimeerde op grond van art. 1382 B.W. kan worden aangesproken. Naar het oordeel van het hof was de vordering van de appellanten op 16 augustus 2004 verjaard overeenkomstig art. 2262, §1, 2e lid B.W.. Krachtens art. 2262, §1, 1e lid B.W. verjaren alle persoonlijke rechtsvorderingen door verloop van 10 jaar. De omstandigheid dat persoonlijke rechtsvorderingen de algemene categorie uitmaken, en afwijkingen hierop restrictief moeten worden geïnterpreteerd, belet niet dat de aansprakelijkheidsvordering van appellanten lastens de geïntimeerde in casu een schadevergoeding beoogt op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van geïntimeerde, die krachtens art. 2262bis, §1 2e lid B.W. onderworpen is aan een verkorte verjaringstermijn van 5 jaar, in afwijking van art. 2262, §1, 1e lid B.W.. Dat art. 2276 quinquies B.W. verwijst naar de "gemeenrechtelijke verjaringstermijn" impliceert niet dat voor de beroepsaansprakelijkheid van de notaris in alle gevallen de 10 jarige verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen zou gelden, voorzien in art. 2262, §1, 1e lid B.W.. Het is juist dat art. 2276 quinquies B.W. werd ingevoegd door de Wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet op het notarisambt. Het was de bedoeling van de wetgever, door de beroepsaansprakelijkheid van de notarissen aan de gemeenrechtelijke termijnen te onderwerpen, al te korte verjaringstermijnen te vermijden. ingeval van contractuele aansprakelijkheid geldt dan de 10 jarige verjaringstermijn voor persoonlijke vorderingen. Ingeval van buitencontractuele aansprakelijkheid van de notaris ex art. 1383-1383 B.W. wegens miskenning van een algemene zorgvuldigheidsplicht, geldt evenwel de uitzondering van art. 2262, §1 2e lid B.W.. Art. 2276 quinquies B.W. sluit de toepasselijkheid van deze uitzonderingsbepaling, die ook opgenomen is onder Afdeling II. Algemene termijnen van verjaring, niet uit, al dient de toepassing restrictief te worden opgevat en te worden beperkt tot vorderingen op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid. Overeenkomstig art. 2262, §1, 2e lid B.W. verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. De vorderingen op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren in ieder geval door verloop van 20 jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit, waardoor de schade is veroorzaakt, zicht heeft voorgedaan. Ingevolgde de overgangsbepalingen van art. 10 van de nieuwe verjaringswet, begon ook de verkorte 5 jarige verjaringstermijn voor vorderingen op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid slechts te lopen vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet, d.i. op 27 juli 1998, zodat deze termijn verstreek op 27 juli 2003 en vordering van de appellanten verjaard is. Het hof stelt vast dat de appellanten reeds zeer lang geleden kennis kregen van de schade en op de hoogte waren van de identiteit van de aansprakelijke persoon, nu zij op de hoogte waren van de procedure die reeds sedert 16 maart 1983 was gevoerd tegen notaris V.. op verzoek van de vzw Eigenaars Vakantiedomein "Groendyk", waarvan zij minstens sinds 1982 lied waren (zie stuk 2, blad 3 - geïntimeerden). Het is dan ook ten onrechte dat de appellanten thans nog stellen dat zij eerst in kennis werden gesteld van de identiteit van de aansprakelijke persoon op de algemene vergadering van 2 maart 2003 van de vzw. De vordering van de appellanten is derhalve ontoelaatbaar. OM DEZE REDENEN, het hof, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Geeft akte aan de V. D. M., V. S. en V. F. van hun verklaring van gedinghervatting. Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verwijst de appellanten in de kosten van deze instantie. Begroot ze aan de zijde geïntimeerden op euro 400,- wegens rechtsplegingvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, eerste bis kamer, recht doende in burgerlijke zaken van achtentwintig mei tweeduizend en negen. Aanwezig: de heer M. Vercruysse, Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend en mevrouw M. Vercruysse, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.