id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 28 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090528.22 Rolnummer: 2007/AR/0976 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-10 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 19:50 Fiche De tijdsbeperking in artikel 337§1 (oud) B.W. om de onderhoudsvordering tegen de vermoedelijke vader in te stellen, namelijk de korte vervaltermijn van drie jaar te rekenen vanaf de geboorte van het kind, schendt het grondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel (Arbitragehof 12 mei 2004). De onderhoudsvordering kon zonder tijdsbeperking worden ingesteld en de initiële eis is toelaatbaar. De rechter kan een bloedonderzoek of enig ander onderzoek gelasten voor het bewijs van de gegrondheid van dergelijke onderhoudsvordering. De vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277, tweede lid B.W. geldt ook voor onderhoudsbijdragen voor kinderen. Om de financiële draagkracht van de partijen oordeelkundig in te schatten, wordt een deskundige aangesteld om een volledige financiële doorlichting door te voeren. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Algemeen (afstamming) Vrije woorden: Afstamming - onderhoudsvordering tegen de vermoedelijke vader Tekst van de beslissing Hof van beroepte Gent 11de Kamer ________________ Terechtzitting van 28 mei 2009 ________________ Na tussenarrest dd. 26 februari 2009 ________________ Tussenarrest: Aanstelling deskundige Installatievergadering op 25 juni 2009 om 11.30 uur ________________ Verdere behandeling op 27 mei 2010 om 15.00 uur ________________ 2007/AR/976 - In de zaak van: D. J., wonende te , appellant, hebbende als raadsman mr. DE ROECK Arnold, advocaat te 9000 GENT, Antwerpenplein 14, tegen: V. R. (voorheen V. J.), wonende te , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. HEYNDRICKX Hendrik, advocaat te 9090 MELLE, Gemeenteplein 8, velt het hof het volgend arrest: Kennis werd genomen van het tussenarrest van 26 februari 2009 uitgesproken door deze kamer van het hof in een andere samenstelling, waarbij het heropenen van de debatten werd bevolen op de openbare terechtzitting van donderdag 19 maart 2009 om 12.10 uur, teneinde de partijen toe te laten de procedure te regulariseren, en waarbij de beslissing over de kosten in de beide instanties aangehouden werd. Op de voornoemde terechtzitting heeft het hof in zijn huidige samenstelling de zaak integraal hernomen. De partijen zijn gehoord in hun middelen en conclusies, waarna de debatten werden gesloten. Onmiddellijk werd het openbaar ministerie in de persoon van subsituut-procureur-generaal Diederik Deraeve, het voorheen door zijn ambt uitgebracht schriftelijk advies in deze zaak hernemend, gehoord in zijn mondeling advies. De partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun repliekrecht. De zaak werd in beraad genomen. B E S P R E K I N G
- Het principaal hoger beroep en het incidenteel beroep zijn nog steeds gericht tegen de vonnissen van 16 juni 2005 en 22 februari 2007 uitgesproken door de derde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Bij het voornoemd tussenarrest werd reeds een omstandige uiteenzetting gegeven over de procedurele handelingen gesteld door partijen in de huidige instantie. Daarnaast werden de feitelijke retroakten beknopt doch correct samengevat op p. 2 van het op 8 januari 2009 ter griffie neergelegde schriftelijk advies van het openbaar ministerie, waarvan de partijen kennis hebben kunnen nemen. Kortheidshalve volstaat het thans daarnaar te verwijzen.
- De exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep, voor zover gericht tegen het tussenvonnis van 16 juni 2005, ingeroepen door de geïntimeerde, kan niet worden bijgetreden, aangezien uit de gegevens waarvan het hof rechtsgeldig kennis kan nemen, geenszins valt af te leiden dat er te dezen bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten en feiten zouden bestaan, waardoor ontegensprekelijk vaststaat dat de appellant het vast voornemen heeft gehad om zijn instemming te betuigen met de beslissing van de eerste rechter.
- Anderzijds werpt de appellant tevergeefs op dat de initiële vordering van de geïntimeerde ontoelaatbaar zou zijn, aangezien deze onderhoudsvordering tegen de vermoedelijke verwekker van haar kind gesteld werd buiten de termijn van drie jaar te rekenen vanaf de geboorte van het kind, hetzij vanaf het staken van de hulp (cf. de toenmalige redactie van art. 337§1 B.W.). De appellant verliest echter uit het oog dat het Arbitragehof (thans Grond-wettelijk Hof) op prejudiciële vraag bij arrest van 12 mei 2004 (te vinden als arrest 79/2004 op (www.arbitrage.be) heeft beslist dat die korte vervaltermijn van drie jaar het grondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel schendt. Op zichzelf geldt een prejudiciële beslissing waarbij het hof een schending vaststelt krachtens art. 28 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof inderdaad niet erga omnes, en doet zij evenmin de rechtsregel die er het onderwerp van is uit de Belgische rechtsorde verdwijnen. Het gezag van een arrest van het hof waarbij wordt geantwoord op een prejudiciële vraag, geldt immers enkel ten aanzien van de verwijzende rechter en de rechts-colleges die uitspraak doen in dezelfde zaak. Gelet echter op art. 26, §2, tweede lid, 2° van diezelfde Bijzondere Wet moet echter a contrario worden besloten dat de draagwijdte van een dergelijk arrest verder gaat dan de grenzen bepaald in voornoemd art. 28, aangezien indien een vraag wordt opgeworpen voor een rechtscollege, het Grondwettelijk hof door dit rechtscollege niet moet worden gevat om over die vraag uitspraak te doen, wanneer het hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep in een andere zaak met een identiek onderwerp. Ten overvloede moet er trouwens worden op gewezen dat sinds de door art. 22 van de Wet 1 juli 2006 (B.S. 29 december 2006 [zesde uitg.]) doorgevoerde wijziging aan art. 337 § 1 B.W., er geen sprake meer is van de litigieuze beperking in tijd tot 3 jaar. In de gegeven omstandigheden besluit het hof derhalve dat de onderhouds-vordering tegen de vermoedelijke verwekker van het kind ten tijde van het inleidend exploot zonder tijdsbeperking door de geïntimeerde kon worden ingesteld en dat haar initiële eis wel degelijk toelaatbaar is.
- Op juiste gronden heeft de eerste rechter op folio 704 en 705 van het bestreden vonnis van 22 februari 2007, het argument van de appellant ontmoet en weerlegd dat er in de procedure in toepassing van art. 336 e.v. B.W. geen bloedproef zou kunnen worden opgelegd aan de waarschijnlijke vader. Noch de wettelijke bepalingen die het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat, toelaten een uitkering tot levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding te vorderen tegen diegene die gedurende het wettelijke tijdsvak van verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad, noch art. 8, 1e EVRM dat eenieder het recht geeft op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, staat eraan in de weg dat de rechter een bloedonderzoek of enig ander onderzoek zou gelasten voor het bewijs van de gegrondheid van dergelijke vordering.
- Op de door hem aangegeven feitelijke elementen in hun onderling verband (cf. folio 705 en 706 van het bestreden vonnis van 22 februari 2007) heeft de eerste rechter er terecht toe besloten dat de appellant wel degelijk de verwekker is van het kind S. V., geboren op . Het hof maakt die overwegingen van de eerste rechter tot de zijne.
- De vijfjarige verjaringstermijn van art. 2277, tweede lid B.W. geldt ook voor onderhoudsbijdragen voor kinderen. Waar art. 2252 B.W. in het algemeen stelt dat de verjaring niet loopt tegen minderjarigen, verwijst dit wetsartikel tevens naar art. 2278 B.W., krachtens dewelke de verjaring voorzien in onder meer art. 2277, tweede lid B.W. ook tegen minderjarigen loopt, behoudens hun mogelijk verhaal op hun voogden. Alhoewel de onderhoudsvordering tegen de verwekker van het kind te allen tijde kan worden ingesteld met het oog op een uikering voor de toekomst, blijft het retroactief te bekomen onderhoudsgeld evenwel beperkt tot een periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van indiening van het verzoekschrift bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent conform art. 338 §1 B.W.. ER bestaat geen betwisting dat het kwestieus verzoekschrift op 14 oktober 2003 werd neergelegd. Derhalve is de appellant een geïndexeerde onderhoudsbijdrage voor S. V. aan de geïntimeerde verschuldigd met ingang van 14 oktober
- Nopens de omvang van de door de appellant verschuldigde onderhoudsbijdrage divergeren de wederzijdse standpunten van de partijen aanzienlijk. Het hof stelt vast dat de overgelegde stavingstukken van de partijen niet toelaten om over de periode van 14 oktober 1998 tot heden de wederzijdse reële financiële draagkracht, inzonderheid van de appellant, indringend en oordeelundig in te schatten. Overeenkomstig art. 339 B.W wordt het bedrag van de onderhoudsbijdrage voor het kind immers bepaald niet alleen met inachtneming van diens behoeften, maar ook met de inkomsten, mogelijkheden en maatschappelijke toestand van de uitkeringsplichtige en van de moeder. Een voorafgaande financiële doorlichting en advies door een deskundige dringt zich dan ook op zoals hierna bepaald. Inmiddels kan aan de hand van de thans overgelegde stavingstukken het bedrag van de door de appellant te betalen uitkering voor S. V. voorlopig in billijkheid worden bepaald op een indexgebonden bedrag van 300 EUR per maand vanaf 14 oktober
- * * * * * * * * * * OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep beiden toelaatbaar en ontvankelijk. Verklaart het principaal hoger beroep reeds ongegrond voor zover gericht tegen het bestreden tussenvonnis van 16 juni
- Vooraleer over het principaal hoger beroep voor het overige en het incidenteel beroep, beiden gericht tegen het bestreden eindvonnis van 22 februari 2007, verder ten gronde te beslissen. Veroordeelt de appellant voorlopig in afwachting van de resultaten van het hierna bevolen deskundig onderzoek om ten behoeve van S.V., geboren te op , een uitkering aan de geïntimeerde te betalen van 300 EUR per maand vanaf 14 oktober
- Bepaalt dat die uitkering jaarlijks en voor het eerst vanaf 14 oktober 1999 naar evenredigheid zal worden aangepast aan de schommeling van de index der kleinhandelsprijzen volgens de formule: basisuitkering x index september jaar van aanpassing / aanvangindex september 1998 * * * * * * * * * * En vooraleer dienaangaande definitief te beslissen, stelt aan als deskundige: Guy De Coen, Lousbergkaai 103 bus 3, 9000 Gent (Tel.: 09/231.79.50), met als opdracht de partijen te aanhoren, kennis te nemen van de verklaringen, de stukken en bescheiden of bundels die de partijen hem overeenkomstig artikel 972bis, 2e lid Ger.W. zullen overmaken, alle nodige of nuttige inlichtingen in te winnen, zelfs bij derden:
- een volledige financiële doorlichting door te voeren teneinde de daadwerkelijke inkomsten- en uitgavenpatroon van de beide partijen na te gaan vanaf 14 oktober 1998 tot heden, inzonderheid rekening houdend met de inkomsten die de appellant heeft gegenereerd en genereert zowel direct in speciën of indirect in natura;
- alle dienstige vragen van de partijen te beantwoorden;
- de partijen pogen te verzoenen; dit alles met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 962 e.v. Ger.W., hetgeen onder meer inhoudt dat: · alle verrichtingen tegensprekelijk dienen te gebeuren en alle partijen dienen opgeroepen te worden om daaraan deel te nemen, tenzij de partijen hem hiervan uitdrukkelijk zouden vrijstellen, gelet op het technisch karakter van sommige verrichtingen; · een voorverslag, omvattende alle elementen van de besluitvorming én een ontwerp van besluiten, zal dienen opgemaakt te worden, dat aan alle partijen in voorlezing dient verstuurd te worden, met redelijke termijn voor het formuleren van opmerkingen; · het eindverslag elke tijdige opmerking van de partijen, geformuleerd na de toezending van het voorverslag, dient te beantwoorden. Zegt verder dat dit arrest door de griffie binnen de vijf dagen bij gerechtsbrief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige en per gewone brief aan de partijen en hun raadslieden. Zegt dat de deskundige over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest zal beschikken om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren. Zegt dat de installatievergadering, bedoeld in artikel 972 Ger.W., zal plaatsvinden op donderdag 25 juni 2009 om 11.30 uur in de raadkamer van dit hof (lokaal 5) ter gerechtsgebouw, Koophandelsplein 23 te 9000 Gent. Zegt dat de deskundige zich op de datum en het uur van de installatie-vergadering ter beschikking van het hof dient te houden en voorafgaand aan het hof (tel.: 09/267.41.81 - fax: 09/267.41.23) dient mede te delen op welk telefoonnummer hij alsdan zal kunnen worden bereikt teneinde zijn zienswijze te vernemen nopens: ð de plaats, de dag, en het uur van zijn verdere werkzaamheden; ð de noodzaak om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers; ð de raming van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek, of tenminste de manier waarop zijn kosten en ereloon en de kosten en het ereloon van eventuele technische raadgevers zullen berekend worden; ð het bedrag van het voorschot dat ter griffie dient te worden geconsigneerd; ð het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige; ð de termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen laten gelden aangaande zijn voorlopig advies; ð de termijn voor het neerleggen van het eindverslag. Zegt dat de deskundige in persoon aanwezig zal dienen te zijn op de installatievergadering indien één van de partijen hem dit zal vragen bij aangetekende brief met ontvangstbewijs die uiterlijk 15 dagen vóór de datum van de installatievergadering door de post aan de deskundige zal dienen te zijn bezorgd. Zegt evenwel dat van het houden van deze installatievergadering zal worden afgezien indien alle partijen of hun raadslieden uiterlijk op 15 juni 2009 schriftelijk aan het hof en aan de deskundige zullen hebben laten weten dat zij hiermee akkoord gaan en dat in dit geval als volgt zal worden gehandeld: ð de deskundige zal zelf de plaats, de dag en het uur bepalen waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten en zal dit per aangetekende brief met ontvangstbewijs meedelen aan de partijen en per gewone brief aan hun raadslieden, tenzij hij door de partijen wordt vrijgesteld van de verplichting om per aangetekende post te corresponderen; ð de deskundige zal in de loop van zijn opdracht zelf bepalen of het noodzakelijk is om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers; ð de deskundige zal aan de partijen zelf een raming laten geworden van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek of tenminste van de manier waarop zijn kosten en ereloon en de kosten en het ereloon van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden; ð het bedrag van het voorschot dat door de appellant ter griffie dient te worden geconsigneerd, wordt bepaald op 2.000 euro; ð het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige wordt bepaald op 1.500 euro; ð de deskundige zal zelf de redelijke termijn bepalen waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen laten gelden aangaande zijn voorlopig advies; ð de termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op 6 maanden vanaf de datum waarop de deskundige zijn werkzaamheden zal hebben aangevat, onverminderd artikel 972bis, §2, tweede lid Ger.W. ("Indien alle partijen of hun raadslieden om uitstel verzoeken, dan moet de deskundige dit toestaan. In alle andere gevallen kan hij het uitstel weigeren of toestaan en geeft hij de rechter bij gewone brief kennis van zijn beslissing.") ; Zegt dat het de deskundige verboden is een rechtstreekse betaling van een partij in het geding te aanvaarden (artikel 509quater S.W.: "Met gevangenis-straf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd euro tot vijftienhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, deze toch aanvaardt van een partij in het geding."). * * * * * * * * * * Stelt de zaak in afwachting van het verslag van de deskundige voor verdere behandeling uit op de openbare terechtzitting van 27 mei 2010 om 15.00 uur (pleitduur 30 min.). Verstaat dat zover de partijen na neerlegging van het verslag van de deskundige nog willen concluderen, zij - bij gebreke aan het opstellen van een minnelijke conclusiekalender in functie van de hiervoor vermelde rechtsdag voor verdere behandeling - zich hiertoe steeds overeenkomstig art. 747 §2 Ger.W. tot het hof kunnen wenden. Houdt de beslissing over de kosten in de beide instanties aan. * * * * * * * * * ************* Repertoriumnr. : 2009/ Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, 11° kamer, op 28 mei tweeduizend en negen.Aanwezig:dhr. Alexander Deene, raadsheer, wnd. kamervoorzitter;mevr. Nadia De Turck, raadsheer;mevr. Kristin Vandenberghe, raadsheer;dhr. Yves Henderickx, griffier.Y. HENDERICKX K. VANDENBERGHE N. DE TURCK A. DEENE Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div