← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090529.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 29 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090529.10 Rolnummer: 2006/AR/2313 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-09-07 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-07-03 00:05 Fiche De appellante slaagt er niet in enig bewijs te leveren van enige fout in hoofde van de geïntimeerden in oorzakelijk verband met de door haar voorgehouden schade, die teruggaat op een opstalrecht en een koopoptie met betrekking tot een onroerend goed (beschermd monument) waarvoor evenwel geen bouwvergunning werd bekomen in het kader van een stadskernvernieuwingsproject. De rechtsplegingsvergoeding wordt verlaagd. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: Verbintenissen - opschortende voorwaarde - bouwvergunning - opstalrecht - schadevergoeding - verjaring - fouten - bewijs - rechtsplegingsvergoeding Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 29-05-2009 2006/AR/2313 in de zaak van: VERINBEL N.V., met maatschappelijke zetel te 8020 HERTSBERGE, Proosdijstraat 107, ingeschreven met KBO-nummer 0436.254.926, appellante, hebbende als raadsman mr. VERBEEST Nadine, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Drie Koningenstraat 3 tegen:

  1. DEXIA BANK N.V., voorheen het Gemeentekrediet van België, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Pachecolaan 44, ingeschreven met KBO-nummer 0403.201.185, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. AERTS Paul, advocaat te 9000 GENT, Coupure 5
  2. PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, vertegenwoordigd door de Bestendige Deputatie, met burelen te 8000 BRUGGE, Provinciehuis - Burg 4, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. LEFEVER Bruno, advocaat te 8200 SINT-ANDRIES, Manitobalaan 17
  3. De VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, met burelen te 1000 BRUSSEL, Koolstraat 35, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. FRANCOIS Yves, advocaat te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10
  4. De STAD BRUGGE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met burelen te 8000 BRUGGE, Stadhuis - Burg 12, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VANHECKE Ronny, advocaat te 8340 DAMME, Margriet Diericxstraat 13 velt het Hof het volgend arrest:
  5. Het hof heeft de partijen in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, de debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen. De regelmatig neergelegde conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien.
  6. De N.V. Verinbel heeft tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 28 juni 2006 op tegenspraak werd uitgesproken door de 1e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (aldaar gekend onder A.R. nr. 03/2516/A) tussen: - enerzijds haarzelf als oorspronkelijke eisende partij en de N.V. Dexia Bank en de Provincie West-Vlaanderen als verwerende partijen; - anderzijds haarzelf als oorspronkelijke eisende partij in gedwongen tussenkomst en de Vlaamse Gemeenschap en de stad Brugge als verwerende partijen in gedwongen tussenkomst. Middels het bestreden vonnis heeft de rechtbank: - de vordering van de N.V. Verinbel ten aanzien van de N.V. Dexia Bank, de Provincie West-Vlaanderen en de stad Brugge ontvankelijk doch ongegrond verklaard; - de vordering van de N.V. Verinbel ten aanzien van de Vlaamse Gemeenschap onontvankelijk verklaard, gelet op de ingetreden verjaring en haar onbevoegdheid terzake. De N.V. Verinbel werd veroordeeld tot het betalen van de gedingkosten, nader bepaald in hoofde van de oorspronkelijke verwerende partijen en de verwerende partijen in gedwongen tussenkomst. 3.a. Met haar hoger beroep beoogt de N.V. Verinbel haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te doen verklaren en vordert zij derhalve dat het hof het bestreden vonnis teniet doet en opnieuw wijzende: - in hoofdorde de N.V. Dexia Bank, de Provincie West-Vlaanderen, de Vlaamse Gemeenschap en de stad Brugge solidair, zoniet in solidum, veroordeelt tot betaling aan haar van een provisionele schadevergoeding van 1.859.201,44 euro, meer de verwijlinteresten gelijk aan de wettelijke interestvoet vanaf 22 maart 1995 tot de dag van volledige betaling; - in subsidiaire orde twee gerechtsdeskundigen aanstelt met een onderscheiden nader bepaalde opdracht. Tenslotte vordert zij dat de N.V. Dexia Bank, de Provincie West-Vlaanderen, de Vlaamse Gemeenschap en de stad Brugge solidair, zoniet in solidum worden verwezen in de kosten van beide instanties, zoals nader bepaald aan haar zijde. 3.b. De N.V. Dexia Bank concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en derhalve tot de bevestiging van het bestreden vonnis. Ondergeschikt vordert zij dat: - de tegen haar ingestelde vorderingen in vrijwaring als ongegrond worden afgewezen; - haar desgevallend tevens voorbehoud wordt verleend om nader te besluiten omtrent de schadebegroting. Tenslotte vordert zij dat de N.V. Verinbel wordt veroordeeld tot de kosten van de beide instanties, zoals nader bepaald aan haar zijde. 3.c. De Provincie West-Vlaanderen vordert dat het hof het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond verklaart. Ondergeschikt vordert zij dat: - de lastens haar geformuleerde vordering in vrijwaring van de Vlaamse Gemeenschap wordt afgewezen als ongegrond; - haar tussenvordering in vrijwaring lastens de N.V. Dexia Bank ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en derhalve laatstgenoemde wordt veroordeeld haar te vrijwaren voor alle bedragen waartoe zij ten aanzien van de N.V. Verinbel mocht gehouden zijn, zowel in hoofdsom, interesten als kosten. Tenslotte vordert zij dat de N.V. Verinbel wordt veroordeeld tot de kosten van de beide instanties, zoals nader bepaald aan haar zijde. 3.d. Waar de Vlaamse Gemeenschap verzoekt dat de vordering van de N.V. Verinbel onontvankelijk, minstens ongegrond wordt verklaard, concludeert zij aldus tot de ongegrondheid van het hoger beroep van de N.V. Verinbel. Ondergeschikt herneemt zij haar vrijwaringsvordering lastens de N.V. Dexia Bank, de Provincie West-Vlaanderen en de stad Brugge en vordert dat deze worden veroordeeld haar te vrijwaren in hoofdsom, interesten en kosten voor de bedragen waartoe zij ingevolge de solidariteit zou worden veroordeeld doch die ten laste van de voornoemden vallen. Tenslotte vordert zij dat de N.V. Verinbel wordt veroordeeld tot de kosten van de beide instanties, zoals nader bepaald aan haar zijde. 3.e. De stad Brugge vordert dat het hof het bestreden vonnis bevestigt en derhalve de vordering van de N.V. Verinbel tegen haar gericht als ongegrond afwijst. Ondergeschikt vordert zij dat haar voorbehoud wordt verleend desgevallend nader te besluiten omtrent de cijfers. Tenslotte vordert zij dat de N.V. Verinbel wordt veroordeeld tot de kosten van de beide instanties, zoals nader bepaald aan haar zijde.
  7. Boven werd reeds gesteld dat het hoger beroep van de N.V. Verinbel tijdig en regelmatig werd ingesteld. Alhoewel de Provincie West-Vlaanderen concludeert tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep worden door haar geen middelen uit het materiële of het formele recht ontwikkeld die deze exceptie schragen en evenmin zijn er desbetreffend ambtshalve op te werpen middelen voorhanden. Het hoger beroep van de N.V. Verinbel is derhalve ontvankelijk.
  8. De eerste rechter heeft op pagina 4 tot en met 11 van het bestreden vonnis zeer uitvoerig de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de aanhoudende betwisting, de onderscheiden vorderingen en de voor hem ingeroepen middelen correct en volledig uiteengezet. In de mate dat zij voor de beslechting ervan alhier van belang en relevant zijn wordt deze uiteenzetting - die door geen der partijen wordt betwist - door het hof tot de zijne gemaakt teneinde nutteloze herhaling te vermijden. In het kort kan alhier herhaald worden dat deze aanhoudende betwisting tussen de partijen de door de N.V. Verinbel ingeroepen aansprakelijkheid betreft van de N.V. Dexia Bank, de Provincie West-Vlaanderen, de Vlaamse Gemeenschap en de stad Brugge voor de schade die de N.V. Verinbel beweert te hebben ondergaan ingevolge de (samenlopende) fouten van deze voormelde partijen, alsook de hieromtrent door de Vlaamse Gemeenschap en de stad Brugge (in ondergeschikte orde) geformuleerde vrijwaringsvorderingen. De aldus door de N.V. Verinbel geformuleerde vordering gaat terug op een overeenkomst d.d. 24 mei 1994 tussen de N.V. Verimbel (thans de N.V. Verinbel, zoals hierna steeds verder aangeduid) en de N.V. Gemeentekrediet van België (thans N.V. Dexia Bank, zoals hierna steeds verder aangeduid) waarbij door de laatstgenoemde aan de N.V. Verinbel een opstalrecht en een koopoptie werd verleend m.b.t. het onroerend goed gelegen te Brugge, de hoek vormende met de Jan Van Eyckplaats en de Spanjaardstraat (beter gekend als het "Tolhuis") waarin o.m. als opschortende voorwaarde werd opgenomen: "Het bekomen van de bouwvergunning op grond van de door het GEMEENTEKREDIET goed te keuren plannen en bestekken vóór één maart negentienhonderd vijfennegentig, met dien verstande dat de ondernemer zich er toe verplicht de bouwaanvraag in te dienen binnen de drie maanden, te rekenen vanaf heden." De N.V. Dexia Bank had zelf dit pand (dat deel uitmaakt van een bij een bij K.B. van 5 december 1962 beschermd monument) verworven middels aankoop van de stad Brugge op 28 oktober 1988 en dit onder o.m. de bijzondere voorwaarde van: - aanwending van het goed voor eigen rekening voor een stadskernvernieuwingsproject waarvan de bouwplannen en de bestekken aan een voorafgaande goedkeuring van de stad Brugge dienden onderworpen te worden (onverminderd de toepassing van de wetgeving op de stedenbouw en de ruimtelijke ordening); - het voltooid zijn van dit project binnen de 3 jaar na de datum van het proces-verbaal van toewijzing d.d. 28 oktober 1998 en dit onder sanctie van de betaling van een forfaitaire schadevergoeding aan de stad Brugge van 5.000,- frank, thans 123,95 euro, per maand dat niet aan deze verplichting was voldaan; - onmogelijkheid tot verkoop, afstand of vervreemding van het goed zolang de bouwwerken niet werden voltooid; en had (na het verrichten van voorafgaande studies m.b.t. dit complex) vastgesteld dat het één en ander niet verenigbaar was met haar activiteiten of maatschappelijk doel, reden waarom zij met de N.V. Verinbel de reeds aangehaalde overeenkomst d.d. 24 mei 1994 sloot. Hierbij weze opgemerkt dat: - aan deze overeenkomst een aan de N.V. Dexia Bank op 29 maart 1994 door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge afgeleverd (en overigens door de beide partijen geparafeerd) "stedebouwkundig attest nr. 2" werd gehecht (met bijgevoegd advies van het Bestuur voor Monumenten- en Landschapszorg d.d. 8 maart 1994 dat eveneens werd geparafeerd door de beide partijen); - de N.V. Verinbel in naam van de N.V. Dexia Bank alle formaliteiten mocht vervullen met het oog op het bekomen van de bedoelde bouwvergunning (thans stedenbouwkundige vergunning). De bouwvergunning aangevraagd door de N.V. Verinbel op naam van de N.V. Dexia Bank werd (na een nieuw advies van de dienst Monumenten en Landschappen d.d. 7 oktober 1994) evenwel geweigerd door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge bij beslissing d.d. 21 oktober 1994 en het tegen deze beslissing ingesteld hoger beroep bij de Bestendige Deputatie van de Provincie West-Vlaanderen werd ongegrond verklaard bij beslissing d.d. 16 februari 1995 (ter kennis gebracht aan de N.V. Dexia Bank op 20 februari 1995). Tegen deze beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincie West-Vlaanderen werd door de N.V. Dexia Bank (na aandringen van de N.V. Verinbel en spijts het bijna verstreken zijn van de termijn bepaald in de opschortende voorwaarde van de overeenkomst d.d. 24 mei 1994) hoger beroep ingesteld bij de bevoegde Vlaamse minister. Van dit hoger beroep werd naderhand afstand gedaan door de N.V. Dexia Bank gelet op het verstreken zijn van de overeengekomen termijn in de overeenkomst d.d. 24 mei
  9. Op 10 oktober 1995 werd (nadat in de pers reeds van in het begin van 1994 artikels waren verschenen over de interesse van de Provincie West-Vlaanderen in de verwerving van het "Tolhuis") door de Provincie West-Vlaanderen overgegaan tot aankoop van het betrokken pand van de N.V. Dexia Bank. De N.V. Verinbel is in hoofdorde (samengevat) van oordeel dat: - de N.V. Dexia Bank de overeenkomst d.d. 24 mei 1994 niet te goeder trouw uitvoerde door vóór het verstrijken van de termijn van 1 maart 1995 (vervullen van de opschortende voorwaarde) onderhandelingen te voeren met de provincie West-Vlaanderen voor de verkoop van het "Tolhuis"; - de Provincie West-Vlaanderen foutief handelde gezien zij: · naliet bij de behandeling van het administratief beroep om overeenkomstig artikel 11 §2 van de wet van 3 maart 1976 advies in te winnen bij het Bestuur van Monumenten en Landschappen vooraleer een beslissing te nemen; · naliet de wettigheid van het advies d.d. 7 oktober 1994 te onderzoeken en zij haar beslissing niet kon steunen op dit onwettig advies; · geen beslissing kon nemen daar zij partijdig was gezien zij zelf interesse had in de verwerving van het pand en dit nadien ook daadwerkelijk aankocht; · medeplichtig is aan de niet-uitvoering te goeder trouw door de N.V. Dexia Bank van de overeenkomst d.d. 24 mei 1994; - de stad Brugge een fout beging gezien: · de bouwvergunning, gelet op de inhoud van het "stedebouwkundig attest nr. 2", door het college van burgemeester en schepenen had moeten afgeleverd worden (en niet kon worden geweigerd), minstens dat de stad Brugge dit "stedebouwkundig attest nr. 2" niet had mogen afleveren met de vermelding "GUNSTIG"; · er ingevolge de overeenkomst tussen de stad Brugge en de N.V. Dexia Bank slechts een opstalrecht kon worden verleend, terwijl de stad Brugge wel toestemde met de verkoop aan de Provincie West-Vlaanderen; - daar waar haar bouwaanvraag overeenstemde met het advies d.d. 8 maart 1994 van de dienst Monumenten en Landschappen, deze laatste op 7 oktober 1994 niet een nieuw afwijkend ongunstig advies met nieuwe voorwaarden kon/mocht verlenen, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap aansprakelijk is. Ondergeschikt beroept zij zich op de schending van: - de informatieplicht, zorgvuldigheidsplicht en het rechtszekerheidsbeginsel door het Bestuur van Monumenten en Landschappen, door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge en door de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen; - het gelijkheidsbeginsel door het Bestuur van Monumenten en Landschappen (en derhalve de Vlaamse Gemeenschap). Op grond van het hetgeen voorafgaat maakt zij aanspraak op de door haar gevorderde schadevergoeding (omvattende financieringskosten, kosten aankoop garages teneinde te beantwoorden aan de gemaakte opmerkingen van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen, winstderving, commercieel verlies).
  10. De eerste rechter heeft de vordering van de N.V. Verinbel, voor zover gericht tegen de Vlaamse Gemeenschap afgewezen als onontvankelijk om reden van: - enerzijds verjaring op grond van artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit; - anderzijds het feit dat niet de Vlaamse Gemeenschap ter zake enige bevoegdheid heeft, doch wel het Vlaamse Gewest.
  11. Preliminair aan de beoordeling ten gronde dient dus de ingeroepen verjaring beoordeeld te worden. Het inroepen van de bevrijdende verjaring impliceert dat aan de rechter wordt gevraagd te beslissen dat de eiser niet meer over het vorderingsrecht beschikt m.a.w. dat hij zijn mogelijkheid om een vonnis te verkrijgen over de gegrondheid van zijn aanspraak verloren is (en derhalve de vordering onontvankelijk). Artikel 100, 1ste lid, 1° van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het K.B. van 17 juli 1991, bepaalt: "Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten voordele van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging iet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan" (...)" Krachtens artikel 71§1 van de Bijzondere Wet van 16 januari 1989 (betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten) is die bepaling van overeenkomstige toepassing op de gemeenschappen en de gewesten. De N.V. Verinbel stelt (zonder verdere motivering) dat voormeld artikel 100, 1ste lid, 1° van de wetten op de Rijkscomptabiliteit niet van toepassing zou zijn doch wel de gewone verjaringstermijnen voorzien in het B.W., zodat zij meent dat op grond van artikel 2262 bis B.W. en de overgangsbepalingen van de wet van 10 juni 1998 haar vordering niet is verjaard. De bedoelde verjaringstermijn geldt evenwel voor alle schuldvorderingen, derwijze dat ook de schuldvorderingen op grond van artikel 1382 B.W. onderworpen zijn aan deze vijfjarige verjaringstermijn (vgl. Cass, 9 september 2002, rolnr. C.99.0327.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.6). In dit verband weze volledigheidshalve ook verwezen naar het arrest van het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) nr. 85/2001 van 21 juni 2001 waarin werd geoordeeld: "Artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het in een vijfjarige verjaringstermijn voorziet voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid wanneer het nadeel en de identiteit van de daarvoor aansprakelijke onmiddellijk kunnen worden vastgesteld." Ook in haar arresten nr. 42/2002 d.d. 28 maart 2002 en nr. 37/2003 d.d. 3 april 2003 oordeelde het Arbitragehof op een analoge wijze. De verjaringstermijn van vijf jaar geldt derhalve wel degelijk voor alle schuldvorderingen en dus ook op deze gesteund op de buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, en dit behoudens andersluidende wetsbepalingen. Gelet op hetgeen voorafgaat (en mede bij ontstentenis van andere hieromtrent door de N.V. Verinbel ontwikkelde middelen) dient de beslissing van de eerste rechter om de vordering van laatstgenoemde lastens de Vlaamse Gemeenschap onontvankelijk te verklaren wegens de ingetreden verjaring te worden bevestigd. De ingeroepen fouten van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen waarvoor de N.V. Verinbel de Vlaamse Gemeenschap aansprakelijk acht vallen derhalve ten gronde niet te beoordelen. 8.a. Omtrent de kernbetwisting van de N.V. Verinbel met name of op grond van het "stedebouwkundig attest nr. 2" dat gevoegd was bij de overeenkomst d.d. 24 mei 1994 een bouwvergunning diende te worden afgeleverd wordt door het hof de pertinente beoordeling van de eerste rechter bijgetreden en tot de zijne gemaakt. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd. Door de wetswijziging van 28 juli 1976 werd aan artikel 63 §1, 5 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw (van toepassing zijnde in 1994) volgende alinea toegevoegd: "De in een stedebouwkundig attest zonder beperking aangegeven bestemming en de opgelegde voorwaarden voor een perceel of een perceelsgedeelte blijven van kracht gedurende één jaar te rekenen van de uitreiking van dit attest." Waar tot voor de invoeging van deze alinea de stedenbouwkundige attesten alleen maar een informatieve waarde hadden, blijkt dat de wetgever in 1973 de houder van een stedenbouwkundig attest (enige) rechtszekerheid heeft willen verlenen gedurende één jaar door er een juridische waarde aan toe te kennen. Deze juridische waarde is evenwel gebonden aan de vermeldingen ervan, zodat uit die vermeldingen (voorwaarden, beperkingen) kan volgen dat het attest niet de juridische waarde heeft als bedoeld in het voormeld artikel 63 § 1, 5, laatste lid. Dergelijke attesten hebben alsdan slechts een informatieve waarde, zoals deze van vóór het in voege treden van voormelde wetswijziging van 28 juli
  12. De duidelijke formulering van voormeld artikel 63 §1, 5 laatste lid m.n. "de in een stedebouwkundig attest zonder beperking aangegeven bestemming" (onderlijning door het hof) wijst a contrario op de mogelijkheid dat beperkingen of voorwaarden kunnen worden aangegeven op het attest. Deze voorwaardelijke stedenbouwkundige attesten hebben dan slechts de waarde van een inlichting en zijn niet bindend voor de overheid die op de latere vergunningsaanvraag zal dienen te beschikken. M.a.w. is de juridische waarde van een stedenbouwkundig attest afhankelijk van de formulering van het attest en derhalve ook van de voorwaarden die erin zijn opgenomen. Het bedoelde "stedebouwkundig attest nr. 2" d.d. 29 maart 1994 had betrekking op het "ombouwen tot tien woongelegenheden" van het Tolhuis en hierin werd vermeld dat deze voorgenomen werken of handelingen in aanmerking konden komen voor goedkeuring. In dit attest werd gesteld: "Advies van het Bestuur van Stedebouw en Ruimtelijke Ordening: (Ref.: 8.22/31005/3114.2) GUNSTIG, onder de volgende voorwaarden: - Besluit: er is geen bezwaar dat de studie van het voorgelegd ontwerp wordt voortgezet, mits inachtname van volgende bepalingen: - het advies van het Bestuur van Monumenten- en Landschapszorg stipt na te leven - te voldoen aan de voorwaarden gesteld door het stadsbestuur in haar advies van 7.02.
  13. Advies van het Gemeentebestuur: GUNSTIG, onder de volgende voorwaarden: - bijzondere aandacht dient te gaan naar de neo-gotische aankleding van het boekenmagazijn op de 1ste verdieping (rekken, spiltrap). Een verantwoord gebruik of herbruik worden opgelegd - voorbehoud voor het openbaar onderzoek dat dient georganiseerd naar aanleiding van de definitieve bouwaanvraag - bijgaand advies van het Bestuur voor Monumenten- en Landschapszorg dient stipt nageleefd." In het advies van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen d.d. 8 maart 1994 werd vooropgesteld: "Er dient gestreefd te worden naar het behoud en herstel van de glolale structuur van de hoofdvolumes en naar het behoud van eigenheid van de opeenvolgende ruimtes. Hiertoe dient de structuur te worden ontdaan van haar recente betonnen invullingen, crepi-bekleding, chappevloeren, enz. ..." Er werd tevens aangegeven dat er wel mogelijkheden waren voor een herbestemming: "Op basis van een grondig vooronderzoek en archiefmateriaal kunnen opties genomen worden aangaande herbestemming." doch werd de voorgestelde nieuwe bestemming (m.n. ombouwen tot woongelegenheden) om de in dit advies nader opgesomde redenen beschouwd als moeilijk inpasbaar zodat het advies luidde: "Bovenvermelde opmerkingen in acht genomen is ons bestuur van mening dat de nieuwe bestemming (appartementen) op basis van voorgelegde plannen onaanvaardbaar is. In afwachting van nieuwe voorstellen met betrekking tot de herbestemming van deze gebouwen verblijven wij met een ongunstig advies terzake." Gelet op het feit dat het betrokken stedenbouwkundig attest een bij K.B. beschermd monument tot voorwerp heeft is het voorbehoud m.b.t. het advies van het Bestuur voor Landschappen en Monumenten, zoals geformuleerd in het attest, een volkomen rechtsgeldig voorbehoud. Afgezien van de omstandigheid dat een (zonder beperkingen) gunstig stedenbouwkundig attest de stedenbouwkundige vergunning niet kan vervangen (en de betrokkene niet ontslaat van het doorlopen van de wettelijk voorziene procedure hiervoor), kan hoe dan ook in casu het betrokken "stedebouwkundig attest nr. 2" dus enkel als een inlichting worden beschouwd, waarbij het al dan niet (zonder beperkingen) gunstig karakter afhangt van het feit of al dan niet aan de erin gestelde voorwaarden is voldaan. Aldus kan de N.V. Verinbel niet gevolgd worden in haar standpunt dat het attest automatisch het recht op een stedenbouwkundige vergunning zou verlenen. Evenmin kan de vermelding "gunstig" op het stedenbouwkundig attest als enige fout in hoofde van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge worden beschouwd gezien werd vermeld "GUNSTIG, onder de volgende voorwaarden" en het juist de concrete voorwaarden en voorbehouden zijn die doorslaggevend zijn om de waarde en draagwijdte van dit attest te bepalen. Deze voorwaarden en voorbehouden die in het bedoeld "stedebouwkundig attest nr. 2" werden ingelast waren precies én concreet en de N.V. Verinbel kon zich zeker niet "verschalkt" voelen, gezien het onbetwistbaar negatief advies van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Overigens werd in de aanhef van het bedoeld "stedebouwkundig attest nr. 2" uitdrukkelijk aangegeven: "In antwoord op uw verzoek van 11.01.94, om afgifte van een stedebouwkundig attest nr. 2 betreffende het perceel gelegen Jan Van Eyckplein 8000 Brugge, verstrekken wij U hieronder de gevraagde inlichtingen, onder voorbehoud van de uitslag van het beslissend onderzoek waaraan de zaak zou worden onderworpen ingeval u een bouw- of verkavelingsaanvraag mocht indienen." In acht genomen bovenstaande overwegingen is er evenmin sprake van een schending van de informatieplicht, van de zorgvuldigdheidsplicht en/of het rechtszekerheidsbeginsel in hoofde van (het college van burgemeester en schepenen van) de stad Brugge of van (de bestendige deputatie van de) provincie West-Vlaanderen. De N.V. Verinbel mocht er zich hoe dan ook niet op vertrouwen dat het "stedebouwkundig attest nr. 2" haar tevens het recht op een bouwvergunning verleende.
  14. Evenzeer treedt het hof de beoordeling bij van de eerste rechter dat er geen sprake van kan zijn dat het tweede advies d.d. 7 oktober 1994 naar aanleiding van de aanvraag tot bouwvergunning onwettig was. Los van het feit dat hoe dan ook de bouwaanvraag (bestemd voor appartementen) nooit kon overeenstemmen met het eerste advies van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen d.d. 8 maart 1994, gezien hier duidelijk in werd vermeld dat de (nieuwe) bestemming op basis van de overgelegde plannen onaanvaardbaar was, derwijze dat er ongunstig advies werd verleend "in afwachting van nieuwe voorstellen met betrekking tot de herbestemming van deze gebouwen", diende (in weerwil van de beweringen van de N.V.Verinbel) voor de bouwaanvraag (met medegaande nieuwe plannen) n.a.v. de bouwaanvraag opnieuw advies verleend te worden. Immers, onverminderd haar adviesbevoegdheid en -verplichting in het kader van het afleveren van een stedenbouwkundig attest, bestond er bij de bouwaanvraag door de N.V. Verinbel (op naam van de N.V.Dexia Bank) op grond van artikel 11§ 2 van het Decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (inmiddels afgeschaft bij decreet van 18 mei 1999) hoe dan ook de verplichting om advies te vragen (en te verlenen). Voormeld art. 11§2 bepaalt (onderlijning door het hof): Onverminderd de in het koninklijk besluit tot bescherming bepaalde algemene en specifieke voorschriften inzake instandhoudingen en onderhoud, zijn voor alle vergunningen te verlenen op grond van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en van 22 december 1970, alle vergunning verlenende instanties alsmede de gemachtigde ambtenaar van stedebouw ertoe gehouden binnen dertig dagen na ontvangst van het dossier advies in te winnen bij de Minister of zijn gemachtigde. De Minister brengt binnen de dertig dagen bij hen een bindend advies uit." De plannen die werden ingediend bij de bouwaanvraag verschilden overigens van de voorgelegde plannen op basis waarvan het advies d.d. 8 maart 1994 werd verleend en het "stedebouwkundig attest nr. 2" d.d. 29 maart 1994 werd afgeleverd. De N.V. Verinbel stelt trouwens zelf dat de plannen werden aangepast aan opmerkingen van het ongunstig advies d.d. 8 maart 1994 (meer bepaald aan de in dit advies nader opgesomde redenen waarom de nieuwe bestemming als moeilijk inpasbaar werd beschouwd in het bestaande gebouwencomplex). Het Bestuur van Monumenten en Landschappen had dus de plicht én het recht om na te gaan of middels de bouwaanvraag was tegemoet gekomen aan de bezwaren geformuleerd in het advies d.d. 8 maart
  15. Door vast te stellen dat dit niet het geval was en door op 7 oktober 1994 opnieuw een "ongunstig" advies te verlenen werd er geen fout begaan, doch werd door het Bestuur van Monumenten en Landschappen enkel toepassing gemaakt van de haar toegekende bevoegdheden. Het ongunstig advies d.d. 7 oktober 1994 werd gemotiveerd als volgt: "Overwegende dat: - huidig voorstel getoetst werd aan de opmerkingen uit ons advies van 7 maart 1994 in deze aangelegenheid; - aan de opmerkingen aangaande het slopen van oude muurmassieven, de parkeerruimte en de aanwezige interieurelementen werd tegemoet gekomen; - aan de opmerkingen aangaande de compartimentering van de grote ruimten en de brandnormen werd niet tegemoet gekomen; - de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen in haar vergadering van 28 september 1994 volgend advies heeft uitgebracht: - de versnippering door het veelvuldig indelen der ruimtes druist in tegen de geest van de bescherming - de openbaarheid van het monument dient te worden behouden. afscheiding van twee niet als monument beschermde delen is bespreekbaar zo dit vertikaal doorloopt BRENGT BINDEND ADVIES UIT ALS VOLGT: ONGUNSTIG." Door het Bestuur van Monumenten en Landschappen werden aldus in wezen geen nieuwe voorwaarden of eisen gesteld en werd evenmin een opzichtens het advies van 7 maart 1994 afwijkend advies verleend. Waar er in het advies d.d. 7 maart 1994 reeds duidelijk werd op gewezen dat in het kader van de herbestemming naar woonfunctie diverse grote ruimtes zouden worden gecompartimenteerd, werd in het advies d.d. 7 oktober 1994 vastgesteld dat zulks bij de alsdan voorliggende bouwplannen ook het geval was en zulks strijdig was met de geest van de bescherming van het gebouw. Daarbij dient tevens aangemerkt te worden dat enerzijds weliswaar dit advies voor procedure van vernietiging (en schorsing) voor de Raad van State vatbaar was gezien het de bevoegde overheid bindt (m.a.w. de door die overheid te nemen beslissing bepaalt) en anderzijds dit bindend advies van artikel 11 §2 van het Decreet van 3 maart 1976 op zich de overheid bindt die moet beschikken over een aanvraag tot bouwvergunning indien het ongunstig luidt (en niet indien het gunstig luidt) (R.v.St. nr. 39.170, 6 april 1992, A.P.M., 1992, 89;Arr. R.v.St. 1992, z.p.; R.A.C.E., 1992, z.p.). Aldus dienden in eerste instantie het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge en in beroep de bestendige deputatie van de provincie West-Vlaanderen het ongunstig advies te volgen. Noch de stad Brugge noch de Provincie West-Vlaanderen hadden dus de mogelijkheid om zich uit te spreken over de opportuniteitsbeoordeling die in het advies werd gemaakt door het Bestuur van Monumenten en Landschappen en beschikten desbetreffend slechts over een marginaal toetsingsrecht. Zowel het advies d.d. 8 maart 1994 als het advies d.d. 7 oktober 1994 waren ongunstig wat de voorgestelde herbestemming naar woongelegenheden (appartementen) toe betreft en uit niets blijkt dat de stad Brugge of de Provincie West-Vlaanderen enige fout zouden hebben begaan bij de weigering van de bouwvergunning op basis van het hen bindend advies d.d. 7 oktober
  16. Evenmin kan de N.V. Verinbel gevolgd worden in haar standpunt dat de bestendige deputatie van de Provincie West-Vlaanderen bij de behandeling van het hoger beroep tegen de weigering van de bouwvergunning door het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge een nieuw advies bij het Bestuur van Monumenten en Landschappen had dienen in te winnen. Artikel 11§2 van het decreet van 3 maart 1976 legt aan de bestendige deputatie (zetelend in graad van beroep tegen een weigering tot bouwvergunning) niet de verplichting op om bij de behandeling van het hoger beroep opnieuw een advies te vragen aan het Bestuur van Monumenten en Landschappen.
  17. In de overeenkomst tussen de N.V. Dexia Bank en de N.V. Verinbel werd duidelijk overeengekomen (mede in acht genomen de lopende boeteclausule in de akte d.d. 28 oktober 1988 en het risico van wederinkoop door stad Brugge tegen ¾ van de aankoopprijs) dat de N.V. Verinbel een bouwvergunning diende te bekomen uiterlijk op 1 maart
  18. De N.V. Verinbel was afdoende geïnformeerd omtrent de restricties die uit het ongunstig advies van het Bestuur van Monumenten en Landschappen volgden en wist dat het ongunstig advies bindend was voor de stad Brugge (en in graad van beroep voor de provincie West-Vlaanderen). De N.V. Dexia Bank heeft daarbij geenszins obstructie gepleegd en het bewijs dat zij aan haar contractuele verplichtingen tekort kwam wordt niet geleverd. Integendeel heeft zij haar medewerking verleend aan de indiening van de bouwvergunning alsook aan het instellen van het hoger beroep tegen weigering van de bouwvergunning (zowel voor de bestendige deputatie als voor de bevoegde Vlaamse minister). De N.V. Verinbel vergeet daarbij dat zij gebonden was door de termijn van de opschortende voorwaarde (die overigens eenmalig verlengd werd door de N.V. Dexia Bank van 1 maart 1995 tot 9 maart 1995 in afwachting van de uitspraak van de bestendige deputatie van de provincie West-Vlaanderen). Aan de N.V. Dexia Bank kan geen enkele fout verweten worden die de (mede)oorzaak ervan zou zijn dat de opschortende voorwaarde in de overeenkomst met de N.V. Verinbel zich niet realiseerde. Zij heeft immers geen enkele fout aan het niet verkrijgen van de bouwvergunning door de N.V. Verinbel. Evenmin valt er een fout in hoofde van de N.V. Dexia Bank te weerhouden door voorafgaand aan de overeenkomst met de N.V. Verinbel besprekingen te hebben gevoerd met de Provincie West-Vlaanderen aangaande de eventuele verwerving van het "Tolhuis". Uit niets blijkt dat dergelijke besprekingen ook zouden hebben plaats gevonden op het ogenblik (en tot zolang) dat zij gebonden was door de overeenkomst met de N.V. Verinbel. De N.V. Verinbel toont dus geenszins aan dat de N.V. Dexia Bank haar overeenkomst niet te goeder trouw zou hebben uitgevoerd, noch dat zij medeplichtig zou zijn aan een (beweerde) onrechtmatige daad van de Provincie West-Vlaanderen. Er wordt geenszins het bewijs geleverd van enige collusie tussen de N.V. Dexia Bank en de provincie West-Vlaanderen. Evenmin heeft de Provincie West-Vlaanderen enige andere (nog niet beoordeelde) aanwijsbare fout begaan. Het weze herhaald dat de bestendige deputatie gebonden was door het ongunstig advies van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen én zij derhalve het hoger beroep van de N.V. Dexia Bank (namens de N.V. Verinbel) tegen de weigering van de bouwvergunning niet kon inwilligen. Het feit dat zij zelf interesse had vertoond in de verwerving van het Tolhuis en dat nà de beëindiging van de overeenkomst tussen de N.V. Dexia Bank en de N.V. Verinbel een overeenkomst houdende verkoop van het "Tolhuis" aan de provincie West-Vlaanderen tot stand kwam, betekent nog niet dat de provincie West-Vlaanderen foutief (in de zin van artikel 1382 B.W.) zou hebben gehandeld. Aan de bestendige deputatie kan geen fout verweten worden die oorzaak ervan zou zijn dat de opschortende voorwaarde in de overeenkomst tussen N.V. Dexia Bank en de N.V. Verinbel zich niet realiseerde en evenmin valt er enig foutief optreden te weerhouden in de (uiteindelijke) aankoop van het "Tolhuis" door de provincie West-Vlaanderen. De bestendige deputatie diende als aangewezen overheidsorgaan te beslissen over het hoger beroep tegen de weigering van de bouwvergunning en was daarbij gebonden door het negatief advies van het Bestuur voor Monumenten en Landschappen. Het kan haar niet ten kwade worden geduid dat zij nà de beëindiging van de overeenkomst tussen de N.V. Dexia Bank en de N.V. Verinbel met de eerstgenoemde een overeenkomst houdende verwerving van het pand sloot. Tenslotte is er evenmin enige andere (nog niet beoordeelde) aanwijsbare fout bewezen in hoofde van de stad Brugge. Ook zij kon niet anders dan de bouwvergunning weigeren (cf. supra) en het feit dat zij nadien haar goedkeuring gaf aan de verkoop door de N.V. Dexia Bank aan de provincie Oost-Vlaanderen (in acht genomen de uiteindelijke bestemming die aan het waardevol en historisch pand in de binnenstad door de provincie West-Vlaanderen zou worden gegeven) heeft geen enkel uitstaans met de beëindiging van de overeenkomst tussen de N.V. Dexia Bank en de N.V. Verinbel.
  19. Besluitend dient derhalve gesteld te worden dat de N.V. Verinbel ook in deze instantie er niet in slaagt het bewijs te leveren van enige fout in hoofde van N.V. Dexia Bank, de Provincie West-Vlaanderen en de stad Brugge in oorzakelijk verband met de door haar voorgehouden schade. Het bestreden vonnis is derhalve te bevestigen.
  20. Door de eerste rechter werd op een passende wijze beslist over de gedingkosten in eerste aanleg. Onder toepassing van artikel 1017 lid 1 Ger.W. dient de N.V. Verinbel verwezen te worden in de kosten van de huidige instantie. Overeenkomstig artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding in deze instantie 15.000,00 euro voor elk der geïntimeerden. De appellante verzoekt wel om de rechtsplegingvergoeding te herleiden naar 1.000,00 euro, gezien de toekenning van een hoger bedrag manifest onbillijk zou zijn daar zij zou gehouden zijn tot 60.000,00 euro rechtsplegingvergoeding in totaal en haar financiële draagkracht niet dermate is dat zij een dergelijk bedrag kan betalen. Omdat een lineaire toepassing van de verhoogde rechtsplegingvergoeding tot onbillijke situaties kan leiden, biedt de wet van 21 april 2007 aan de rechter de mogelijkheid om het basisbedrag naar boven of - zoals appellante vraagt - naar beneden aan te passen. Krachtens artikel 1022, 3e lid Ger.W. kan de rechter, op verzoek van één van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing, ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning te bepalen maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Het begrip kennelijk onredelijk karakter van de situatie moet worden omschreven als een specifieke situatie die niet valt gelijk te stellen met een generiek criterium als billijkheid en dus minder ruim is. Dit onredelijk karakter leidt de appellante af uit volgende feitelijke elementen van het geschil: - het feit dat zij bij het instellen van het hoger beroep onmogelijk kon voorspellen dat mogelijks dergelijke vergoedingen (ingevolge een eerst hangende het hoger beroep tussengekomen wetswijziging) haar boven het hoofd konden hangen, zodat zij hiermee geen rekening hield of kon houden bij haar afweging om al dan niet hoger beroep aan te tekenen; - het feit dat de beroepsprocedure niet dermate complex is dat zij dergelijk bedragen aan rechtsplegingvergoeding rechtvaardigt. Rekening houdend met de: - aard van de betwisting die de geïntimeerden in hoofdorde een zelfde verdediging deed (en kon laten) voeren; - de inspanningen van de appellante betrekkelijk de administratieve procedure en de verdediging van haar belangen in onderhavige procedure ten gronde, waarbij de betwistingen niet van dien aard waren dat zij reeds prima facie tot de ongegrondheid van de aanspraken van de appellante konden doen besluiten; is het hof van oordeel dat er in casu redenen zijn om de door de appellante verschuldigde rechtsplegingvergoeding te verlagen tot een bedrag van 2.500,00 euro. OM DEZE REDENEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak. Alle meeromvattende en/of andersluidende conclusies en/of grieven verwerpend als niet dienstig en/of ongegrond. In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni
  21. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Verwijst de appellante in de kosten van deze instantie, die aan haar zijde niet nuttig nader te begroten zijnde daar zij ten haren laste blijven, en aan de zijde van de geïntimeerden te begroten op 2.500,00 euro rechtsplegingvergoeding voor elk der geïntimeerden. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op negenentwintig mei tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevr. M. Vercruysse, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020909.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.