← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090529.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 29 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090529.7 Rolnummer: 2005/AR/1970 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-07-08 Raadplegingen: 139 - laatst gezien 2026-07-02 19:51 Fiche Het hof beoordeelt de nietigverklaring van een architecten- en aannemingsovereenkomst en de vergoeding van de werken. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Vordering tot nietigverklaring of vernietiging van de overeenkomst Vrije woorden: Architecten - en aannemingsovereenkomst - Nietigverklaring - Gevolgen - Afrekening. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 29-05-2009 na tussenarrest 29.06.2007 2005/AR/1970 in de zaak van: D. L., , wonende te , met ondernemingsnummer , appellant van het bestreden vonnis van 18 april 2005 van de enige kamer van de rechtbank van koophandel te Ieper, hebbende als raadsman mr. LOMBAERTS Piet, advocaat te 8530 HARELBEKE, Kortrijksesteenweg 387 tegen:

  1. SIMOEN & VERMEULEN N.V., met maatschappelijke zetel te 8970 POPERINGE, Gasthuisstraat 15-21, met ondernemingsnummer 040.12.062, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BOEDTS Herman, advocaat te 8970 POPERINGE, Burgemeester Bertenplein 31
  2. V. D., , wonende te , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VANDAELE Ann, advocaat te 8900 IEPER, Slachthuisstraat 60 velt het Hof het volgend arrest: Het hof, anders samengesteld, voor wie de debatten en conclusies werden hernomen, heeft de partijen opnieuw gehoord in hun middelen en conclusies bij monde van hun respectieve raadslieden en in het Nederlands. De regelmatig neergelegde stukken werden ingezien. 1.
  3. Het hof verwijst vooreerst naar zijn tussenarrest van 29 juni 2007 en benoemt thans de respectieve partijen op dezelfde wijze als in dat tussenarrest. In dit tussenarrest werden alle belanghebbende feitelijke en juridische antecedenten (vorderingen verweermiddelen, genomen beslissingen) tot op dat ogenblik reeds uiteengezet. Voorafgaandelijk wijst het hof met betrekking tot dit tussenarrest van 29 juni 2007 op de (beschouwd in de context van de zaak) hiernavolgende evidente materiële vergetelheid- en onnauwkeurigheden: - in punt 1.1., 3e § van het tussenarrest dient er gelezen als dat de aanvraag (tot het bekomen van de stedenbouwkundige vergunning) werd neergelegd op 26 september 2001 op de technische dienst van de gemeente Heuvelland (het woordje ‘aanvraag' ontbreekt); - in punt 1.2 spreekt het voor zich dat de dagvaarding in kort geding die bouwheer D. op 27 februari 2002 liet betekenen strekte tot de aanstelling van een gerechtsdeskundige (en niet van een gerechtsdeurwaarder, zoals trouwens ook blijkt uit de dagvaarding in kwestie, stuk 3/D.) - in de beoordeling onder punt 2.1., 2e §, 2e zin dient gelezen als dat uit art. 6 (van de architectenwet van 20 februari 1939) wordt afgeleid dat de architect (i.p.v. de aannemer) met wie de bouwheer contracteert en op wie door de bouwheer een beroep wordt gedaan, zich met een afdoende mate van onafhankelijkheid tegenover de aannemer dient op te stellen en omgekeerd. In het voormelde tussenarrest van 29 juni 2007 heeft het hof: - het hoger en incidenteel beroep toelaatbaar verklaard; - het hoger beroep reeds in die mate gegrond verklaard dat de aanneming- en architectenovereenkomst beide nietig verklaard worden; - alvorens verder in enige mate te beslissen over het anders- of meer gevorderde, de debatten ambtshalve heropend opdat de partijen aan de hand van over te leggen stukken eerst nader concluderen over de gevolgen van deze nietigverklaring van de architecten- en aannemingovereenkomst. 1.
  4. Na het tussenarrest van 29 juni 2007 vordert bouwheer D. thans (enigszins samengevat) aan het hof om: - het hoger beroep tegen het vonnis van18 april 2005 van de enige kamer van de rechtbank van koophandel te Ieper (dat zijn verzet tegen het verstekvonnis van 1 september 2003 ontvankelijk verklaarde maar afwees als ongegrond) gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis van 18 april 2005 teniet te doen en opnieuw recht doende: - zijn verzet tegen het verstekvonnis van 1 september 2003 ontvankelijk en gegrond te verklaren en dit verstekvonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vordering in betaling van aannemer SIMOEN & VERMEULEN als ongegrond af te wijzen; - de tegeneis van V. af te wijzen als ongegrond; - bij wijze van voorlopige maatregel en alvorens recht te doen ten gronde een gerechtsdeskundige burgerlijk ingenieur aan te stellen met opdracht: - de werken van aannemer SIMOEN & VERMEULEN en van V. aan het onroerend goed van bouwheer D. te identificeren en beschrijven; - alle schade in zijnen hoofde te bepalen die rechtstreeks of onrechtstreeks het gevolg is van de overschrijding van de uitvoeringstermijn van de werken, evenals de kwalitatief en esthetisch slechte uitvoering; - ondergeschikt, bij wijze van voorlopige maatregel en alvorens recht te doen ten gronde een gerechtsdeskundige burgerlijk ingenieur aan te stellen met opdracht: - de werken van aannemer SIMOEN & VERMEULEN en van V. aan het onroerend goed van bouwheer D. te identificeren en beschrijven; - de meerwaarde van het onroerend goed in kwestie van bouwheer D. te bepalen als gevolg van de voormeld uitgevoerde werkzaamheden; - alle schade in zijnen hoofde te bepalen die rechtstreeks of onrechtstreeks het gevolg is van de overschrijding van de uitvoeringstermijn van de werken, evenals de kwalitatief en esthetisch slechte uitvoering; 1.
  5. Na het tussenarrest van 29 juni 2007 vordert aannemer SIMOEN & VERMEULEN thans nog steeds aan het hof om over te gaan tot de bevestiging van het verstekvonnis van 1 september 2003 en van de erin aan haar toegekende bedragen, vermeerderd met de aldaar bepaalde rente en kosten en nog te vermeerderen met de inmiddels aan haar zijde gevallen meerdere gedingkosten. 1.
  6. Na het tussenarrest van 29 juni 2007 vordert V. thans aan het hof om: - de vordering tot aanstelling van een gerechtsdeskundige als ongegrond af te wijzen; - het gevorderde op incidenteel beroep zoals uiteengezet onder 1.
  7. van het tussenarrest, wat betreft zijn ereloon betreft in te willigen; V. handhaaft niet meer de gevorderde schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep van euro 1.500,- (die trouwens hoe dan ook niet zou kunnen toegekend worden gezien het tussenarrest van 29 juni 2007 het hoger beroep van bouwheer D. reeds deels gegrond verklaarde)
  8. Naar aanleiding van de heropening van de debatten motiveerde het hof in het tussenarrest van 29 juni 2007 in de laatste § van punt 2.1.: "De partijen dienen alle mogelijke elementen die desbetreffend van belang zijn aan te brengen. Van belang zijn zeker de gehele kostprijs van het uitgevoerde werk door de aannemer en de te verwachten winstmarges die daar door de aannemer worden op genomen. Verder dienen eveneens de gevolgen van de eventuele verder zetting van de uitvoering van de opdracht, niettegenstaande de mogelijk reeds aanwezige kennis van de nietigheden in hoofde van de betrokken actoren te worden in aanmerking genomen." Het hof merkt voorafgaandelijk op dat de partijen geen nadere gegevens betrekkelijk de genomen winstmarges hebben mede gedeeld. Het hof acht het, gelet op de aard en de omvang van de discussies tussen partijen en in mindere mate ook gelet op de inmiddels verstreken tijd sinds de uitvoering van de werken, niet meer aangewezen om desbetreffend nog een deskundigenonderzoek te bevelen, temeer bouwheer D. reeds eerder een gerechtsdeskundigenonderzoek in kort geding vorderde en bekwam. Waar bouwheer D. de nietigheidverklaring van deze expertise kort geding vordert dient gezegd dat hij daartoe geen gronden aanvoert en dat er evenmin door het hof ambtshalve gronden van die aard zijn aan te voeren. Het is niet omdat de expertise kort geding nog zou zijn uitgegaan van de geldigheid van aanneming- en architectenovereenkomst dat zij daardoor als expertise zelf nietig en/of zonder waarde zou worden. De expertise verschaft het hof hoe dan ook inlichtingen nopens de aard en omvang van de uitgevoerde werken in kwestie, hun staat en graad van afwerking toen partijen met elkaar in onenigheid zijn gevallen en waarna de in dit geding betrokken aannemer en architect niet meer verder hebben gewerkt voor de bouwheer D., die toen ook niet meer wou dat zij nog verder zouden werken voor hem. In het tussenarrest van 29 juni 2007 werd het manifest gebrek aan onafhankelijkheid ten opzichte van elkaar in hoofde van aannemer SIMOEN & VERMEULEN en van V. in extenso behandeld onder punt 2.1., onder verwijzing naar de ter zake relevante, overgelegde stukken, welke graad van samenwerking niet in het voordeel van de klant bouwheer heeft gestrekt. De wijze waarop de V. bij de kort gedingexpertise onmiddellijk klaar stond om tussen te komen en het daarbij veeleer opnam voor de aannemer dan voor de klant bouwheer is daarvan een duidelijke illustratie (cf. p. 9 tussenarrest 29 juni 2007). Wanneer het erop aan komt nemen aannemer en architect het voor elkaar op en wanneer zij zoals te dezen en zelfs regelmatig samen werkzaam zijn m.b.t. Frigomil concepten mag aangenomen worden dat dit hen toelaat de kosten te drukken en de winsten/winstmarges te beveiligen in vergelijking met onafhankelijk agerende actoren die om te beginnen al veel meer inspanningen en kosten moeten uitstaan om zelfs maar effectief de kans te hebben dergelijke projecten te kunnen uitvoeren. Anderzijds moet gezegd dat bouwheer D. niet gerechtigd is om zelf de grote onschuld voor te houden. Als bouwheer, tevens handelaar wist hij en diende hij te weten dat er een stedenbouwkundige vergunning nodig was voor de werken die hij wou uitvoeren en dat de werken niet konden beginnen vooraleer deze stedenbouwkundige vergunning was verleend. Hij heeft toegestaan/minstens geduld dat de werken vroeger dan het bekomen van de stedenbouwkundige vergunning werden aangevat, waarop de werken van overheidswege zijn stilgelegd tot de vergunning in kwestie was bekomen. Tijdens de uitvoering van de werken moet het bouwheer D. ongetwijfeld al opgevallen zijn dat aannemer en architect dicht bij elkaar stonden, zij eenzelfde faxnummer hadden en er briefwisseling, zo van de aannemer als van de architect werd ondertekend met dezelfde paraaf en hij verder zelfs de architect te zien kreeg wanneer hij bij de aannemer langsging e.d.. Niettemin liet bouwheer D. de architect en aannemer toch verder werken tot wanneer alle werk, op ongeveer het voegwerk na, was afgewerkt. Het voegwerk is zelfs tot op heden blijkens de overgelegde foto's nog niet afgewerkt (ook niet door derden). Een zeker esthetisch tekort is vervolgens eveneens terug te voeren tot de bouwheer D. zelf, vermits die zorgde voor de toelevering van de te gebruiken stenen bij de metselwerken en hij daarbij (gevel)stenen liet aanvoeren met een grotere hoogte dan de reeds van oudsher in de gevel aanwezige stenen, waarna een afwerking zich opdrong en nog steeds opdringt om de aanwezige stenen en de door bouwheer D. geleverde stenen op elkaar te doen aansluiten en met elkaar in ‘verband' te brengen tijdens de (nog steeds uit te voeren)voegwerken. Uit de kort gedingexpertise komt naar voor dat de werken al zeer ver gevorderd waren en ook in redelijke staat van afwerking waren toen het tussen partijen tot discussie kwam. De bouwheer D. wenst de reeds uitgevoerde werken te behouden maar het hof moet vaststellen dat hij daarvoor tot op heden nog niets heeft betaald aan aannemer- en architect, terwijl hij zoals verder blijkt niet gerechtigd is te denken dat deze werken hem kosteloos kunnen ter beschikking blijven. Indien er vertraging zou zijn geweest en/of minderomzet bij bouwheer D. is er geen bewijs geleverd dat dit aan de aannemer en architect zou te wijten zijn (en hierbij dient eveneens nog eens te worden gewezen op het feit dat bouwheer D. nog helemaal niets voor de werken blijkt te hebben betaald). De staat van afwerking ( zijnde op het voegwerk na) belette bovendien niet dat bouwheer D. binnenin het gebouw verder zijn koeltoonbank e.d. verder liet afwerken, wat blijkbaar evenmin binnen redelijke termijn is gebeurd. Bouwheer D. verkoos blijkbaar liever eerst een tijd verder te werken in een container. Gelet op de nietigverklaring ex tunc van de aanneming- en architectenovereenkomst en gelet op de restitutio in integrum (het herstel in de oorspronkelijke toestand alsof er geen contract is geweest) die als gevolg aan de nietigverklaring, (die zich van openbare orde opdringt cf. tussenarrest van 29 juni 2007) normalerwijze dient te geschieden moet er hier echter op gewezen worden dat bouwheer D. de door de architect en de aannemer reeds geleverde prestaties niet zomaar kan teruggeven en hij dat ook niet wenst. Hij wenst integendeel het gepresteerde werk te behouden en eventueel mee te verkopen met het onroerend goed in kwestie dat hij te koop heeft gesteld zoals blijkt uit de overgelegde foto's. De nietigverklaring om redenen die de openbare orde raken werd uitgesproken bij tussenarrest van 29 juni 2007 en een volledige teruggave over en weer van het gepresteerde is derhalve niet eens mogelijk noch gewenst. Het hof past daarom te dezen het adagium ‘in pari causa cessat repetitio' toe en doet een belangenafweging tussen partijen evenals een afweging van het maatschappelijk belang en het heeft daarbij vastgesteld dat indien deze nietige aanneming- en architectencontracten grotendeels zijn uitgevoerd geworden, dit niet enkel aan aannemer en architect maar eveneens aan de bouwheer zelf mede te wijten is. De bouwheer mag zich niet verrijken en daarbij contracten, werken en prestaties kosteloos in de schoot geworpen krijgen waarvan hij mee de uitvoering heeft bewerkstelligd niettegenstaande en in overtreding van wetsbepalingen van openbare orde. De bouwheer kan evenmin eisen uit hoofde van de nietig verklaarde contracten dat hij lastens aannemer en architect nog zou kunnen aanspraak maken op de effectieve herstelling van onvolkomenheden in de afwerking. Anderzijds mogen aannemer en/of architect gelet op hun eveneens grote verantwoordelijkheid geen winsten opstrijken uit deze (inmiddels teniet gedane) contracten en de werken en prestaties in uitvoering daarvan gepresteerd en behouden door de bouwheer. Gelet op: - de grote karigheid aan gegevens van aannemer en architect omtrent hun normaal genomen winstmarges op hun geleverde prestaties (voor de aannemer eveneens op de door hem geleverde materialen) en dit niettegenstaande het hof uitdrukkelijk om nadere informatie desbetreffend heeft gevraagd, - het vrij nauw verband tussen aannemer en architect en het grote gebrek aan onafhankelijkheid ten aanzien van elkaar, evenals het samen handelen binnen een Frigomilk- concept, - de staat en graad van afwerking/voltooiing van de respectieve werken van aannemer en architect, reduceert het hof het door aannemer en architect uit dien hoofde reeds aangerekende/gefactureerde met 25 %. Het hof zegt dat deze aldus toegekende vergoedingen op heden zijn begroot en in billijkheid, bij ontstentenis van nadere cijfermatige gegevens zijn berekend zoals hierna volgt en dat zij dienen te worden vermeerderd met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf heden. Uiteraard kunnen, gezien de nietigverklaring ex tunc van de aanneming- en architectencontracten, de gebeurlijke contractuele rente- en schadebedingen uit deze contracten eveneens geen toepassing meer krijgen. De bouwheer is dienvolgens volgende vergoeding in hoofdsom verschuldigd aan de aannemer SIMOEN & VERMEULEN, op heden in billijkheid geraamd als volgt: 613.366 BEF, thans euro 15.204,95 verminderd met 25 % of euro 3.801,24 = euro 11.403,
  9. De bouwheer is dienvolgens volgende vergoeding in hoofdsom verschuldigd aan de V., op heden in billijkheid geraamd als volgt: 51.290 BEF (som zonder btw die niet verschuldigd is op (schade)vergoedingen), thans euro 1.271,45 verminderd met 25 % of euro 317,86 = euro 953,
  10. Aangezien alle partijen een niet te veronachtzamen verantwoordelijkheid dragen voor de ter zake ontstane toestand en daarbij dus ook de medeverantwoordelijkheid van de bouwheer zelf niet mag worden veronachtzaamd, worden zij elk van hen in de eigen uitgezette kosten van de beide instanties verwezen die geen nadere begroting behoeven. Om deze redenen, het hof, recht doende op tegenspraak en met toepassing van art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verder recht doende op het hoofd- en incidenteel beroep, doet het bestreden vonnis van 18 april 2005 teniet evenals het daarbij bevestigde verstekvonnis van 1 september
  11. Opnieuw recht doende, veroordeelt bouwheer D. tot betaling aan aannemer SIMOEN & VERMEULEN van een vergoeding in hoofdsom van euro 11.403,71 en tot betaling aan V. van een vergoeding in hoofdsom van euro 953,58, elk van beide sommen begroot zijnde in billijkheid en op heden en elk van beide te vermeerderen zijnde met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf heden tot de integrale betaling. Verwijst elk van de partijen in de eigen uitgezette gedingkosten van elk van beide instanties, die geen nadere begroting vergen vermits zij ten hunne laste blijven. Wijst alle meer- en anders gevorderde af als ongegrond. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op negenentwintig mei tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.