id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 29 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090529.8 Rolnummer: 2006/AR/2128 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-07-08 Raadplegingen: 242 - laatst gezien 2026-07-03 02:02 Fiche Het verzet tegen een dwangbevel wordt als ongegrond afgewezen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Algemeen (ruimtelijke ordening) Vrije woorden: Ruimtelijke ordening - Stedenbouwkundige vergunning - Dwangbevel - Regularisatie - Onwettigheid - Administratieve geldboete. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 29-05-2009 na tussenarrest d.d. 08.02.2008 2006/AR/2128 in de zaak van: Het VLAAMSE GEWEST, met kantoren te 1210 Brussel,, Phoenixgebouw, Koning Albert-II-laan 19, 11de verdieping, woonstkeuze doende bij zijn raadsman hierna vermeld, appellant van het vonnis d.d. 14 juni 2006, gewezen door rechtbank van eerste aanleg te Veurne, 7de kamer, hebbende als raadsman mr. BRONDERS Bart, advocaat te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106 tegen: NORTH SEA PROPERTIES N.V., met maatschappelijke zetel te 8620 NIEUWPOORT, Albert I laan 98, ingeschreven met KBO-nummer 0439.459.983, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VANLERBERGHE Kurt, advocaat te 8600 DIKSMUIDE, Woumenweg 109 velt het Hof het volgend arrest:
- Het hof, anders samengesteld, voor wie de debatten en conclusies werden hernomen, heeft de partijen opnieuw gehoord in openbare terechtzitting, bij monde van hun respectieve raadslieden en in het Nederlands. Zowel de neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. Het hoger beroep is nog steeds gericht tegen het bestreden vonnis van de 7de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne d.d. 14 juni 2006 (aldaar gekend onder A.R. nr. 05/210/A).
- Kortheidshalve verwijst het hof voor wat betreft de antecedenten alsook voor wat betreft de vorderingen en middelen van de partijen naar het tussenarrest d.d. 8 februari
- Middels voormeld tussenarrest werd vastgesteld dat de zaak niet in staat van wijzen was en werden de debatten heropend teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over: - de vraag of, gelet op het standpunt van de appellant dat de regularisatievergunningen d.d. 3 november 2003 en d.d. 20 september 2004 onwettig zouden zijn en buiten toepassing dienen te worden verklaard in toepassing van art. 159 Gec. G.W. (gezien bij de beslissingen hieromtrent van het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort schepen B. X. deelnam aan de beraadslaging en hij eveneens dossierverantwoordelijke was voor de aannemer - zijnde de N.V. Aannemingen B. M. & J. - die mee instond voor de uitvoering van de betreffende stedenbouwkundige vergunning), ook de stedenbouwkundige vergunning d.d. 28 juli 2003 zelf op wettigheid dient te worden getoetst, nu schepen B. X. eveneens heeft gezeteld; - de vraag welke, bij een gebeurlijk buiten toepassing verklaren in toepassing van art. 159 Gec. G.W. van de stedenbouwkundige vergunning d.d. 28 juli 2003, vervolgens het lot (rechtsgrond ?) is van het kwestieuze dwangbevel c.q. stakingsbevel en de onderhavige vordering. Tevens werd er in dit tussenarrest op gewezen dat de beide partijen vaag gewag maakten van een strafonderzoek dat lastens de geïntimeerde hangende zou zijn voor de kwestieuze feiten en van een (plausibele) vervolging voor de correctionele rechtbank te Veurne, zodat de vraag werd gesteld naar een eventuele opschorting van onderhavig geding in toepassing van art. 4 V.T.Sv..
- Uit de na het tussenarrest door de geïntimeerde voorgelegde stukken blijkt dat op grond van het proces-verbaal van 7 oktober 2003 een beknopt vooronderzoek werd gevoerd en dat het dossier door het ambt van de procureur des Konings werd geseponeerd met de als reden van de beslissing "toestand geregulariseerd". Er zijn dus geen redenen om onder toepassing van art. 4 V.T.Sv. onderhavige procedure op te schorten.
- In voormeld tussenarrest werd reeds geoordeeld dat het hoger beroep van de appellant tijdig en regelmatig werd ingesteld. Bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen exceptie is het principaal hoger beroep ontvankelijk te verklaren. 5.a. Door de geïntimeerde werd onder toepassing van art. 157, § 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna genoemd D.O.R.O.) voor de eerste rechter tegen het bedoelde dwangbevel (uitgevaardigd op 7 februari 2005 door Deleener Yvette, rekenplichtige van het Grondfonds, geviseerd op dezelfde datum door Bloemen Hubert, stedenbouwkundig inspecteur en betekend aan de geïntimeerde bij exploot van gerechtsdeurwaarder Roegiers Raoul te Veurne d.d. 21 februari 2005) verzet aangetekend. Dit dwangbevel werd uitgevaardigd nadat: - ingevolge een proces-verbaal d.d. 7 oktober 2003 door de Politie Westkust werd vastgesteld dat de op dat ogenblik uitgevoerde bouwwerken m.b.t. de oprichting van een villa op het perceel grond, gelegen te Nieuwpoort, Zeelaan - E. Kamplaan, kadastraal gekend onder Nieuwpoort, 2de afdeling, sectie D, nr. 183 e, waarbij: · de geïntimeerde optrad als bouwheer; · de N.V. Aannemingen B. M. & J. optrad als algemeen aannemer; · S P optrad als uitvoerend architect; strijdig waren met de op 28 juli 2003 door het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort aan de N.V. North Sea Properties verleende stedenbouwkundige vergunning en ter plaatse overeenkomstig art. 154, lid 2 D.O.R.O. een schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking werd aangebracht (waarbij op 13 oktober 2003 een afschrift van dit proces-verbaal enerzijds overeenkomstig art. 154, lid 3 D.O.R.O. aangetekend met bewijs van ontvangst werd verstuurd aan de geïntimeerde, de N.V. Aannemingen B. M. & J. en S. P. en anderzijds overeenkomstig art. 154, lid 4 D.O.R.O. aangetekend werd verstuurd aan de burgemeester van de stad Nieuwpoort en aan de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur); - het stakingsbevel d.d. 7 oktober 2003 overeenkomstig art. 154, lid 5 D.O.R.O. werd bekrachtigd door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur bij beslissing d.d. 21 oktober 2003 en alsdan op 22 oktober 2003 aangetekend werd verzonden aan de betrokkenen; - op 14 oktober 2003 een aanvraag tot regularisatievergunning werd ingediend door de geïntimeerde en deze vergunning op 3 november 2003 werd verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort; - door de Politie Westkust op 15 september 2004: · bij proces-verbaal werd vastgesteld dat de op dat ogenblik uitgevoerde bouwwerken strijdig waren met de regularisatievergunning d.d. 3 november 2003; · opnieuw een bevel tot staking van de werken werd gegeven (waarbij op 21 september 2004 een afschrift van dit proces-verbaal enerzijds overeenkomstig art. 154, lid 3 D.O.R.O. aangetekend met bewijs van ontvangst werd verstuurd aan de geïntimeerde, de N.V. Aannemingen B. M. & J. en S. P. en anderzijds overeenkomstig art. 154, lid 4 D.O.R.O. aangetekend werd verstuurd aan de burgemeester van de stad Nieuwpoort en aan de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur); - het stakingsbevel d.d. 15 september 2004 overeenkomstig art. 154, lid 5 D.O.R.O. werd bekrachtigd door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur bij beslissing d.d. 24 september 2004 en alsdan op 27 september 2004 aangetekend werd verzonden aan de betrokkenen; - op 16 september 2004 een aanvraag tot regularisatievergunning werd ingediend door de geïntimeerde en deze vergunning op 20 september 2004 werd verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort; - overeenkomstig art. 156, §1 en §2 D.O.R.O. door Deleener Yvette, Rekenplichtige van het Grondfonds (van de Afdeling Bouwinspectie van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) aan de geïntimeerde, de N.V. Aannemingen B. M. & J. en aan S. P. een administratieve geldboete werd opgelegd van 5.000,00 euro voor elk (hetgeen hen ter kennis werd gebracht bij aangetekende brief met bericht van ontvangst d.d. 22 oktober 2004); - bij afzonderlijke beslissingen van respectievelijk 7 december 2004 (wat betreft de geïntimeerde en S. P.) en 6 december 2004 (wat betreft de N.V. Aannemingen B. M. & J.) door de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur in toepassing van art. 156, §5 D.O.R.O. de door de geïntimeerde, de N.V. Aannemingen B. M. & J. en S. P. (overeenkomstig art. 156, §3 en §4 D.O.R.O.) geformuleerde verzoeken tot kwijtschelding ontvankelijk doch ongegrond werden verklaard (hetgeen ter kennis werd gebracht bij afzonderlijke aangetekende brieven met bewijs van ontvangst d.d. 7 december 2004 aan de geïntimeerde en aan Steyaert Piet en d.d. 6 december 2004 aan de N.V. Aannemingen B. M. & J.). 5.b. Het verzet van de geïntimeerde voor de eerste rechter was gegrond op navolgende middelen (die door de geïntimeerde in deze instantie worden herhaald): - het feit dat de bekrachtigingsbeslissing d.d. 21 oktober 2003 niet voldoet aan de "Uitdrukkelijke Motiveringswet" (bedoeld wordt de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen) zodat onder toepassing van art. 159 Gec.G.W. abstractie dient te worden gemaakt van deze bekrachtigingsbeslissing en bij gebreke aan rechtsgeldig bekrachtigingsbesluit het stakingsbevel d.d. 7 oktober 2003 vervallen is; - het feit dat zelfs bij een rechtsgeldige bekrachtiging van het stakingsbevel d.d. 7 oktober 2003 er geen reden was om aan te nemen dat er sprake was van "handelingen, werken of wijzigingen in strijd met een door de stedenbouwkundig inspecteur bekrachtigd bevel tot staking" (art. 156, §1 D.O.R.O.) gezien de stedenbouwkundige inbreuken bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort d.d. 3 november 2003 werden geregulariseerd. In deze instantie voegt zij hieraan toe dat de op 15 september 2004 vastgestelde inbreuken geen betrekking hadden op het voorwerp van het stakingsbevel d.d. 7 oktober 2003, zodat er ook om die reden geen sprake kan zijn van een miskenning van dit bevel. Ondergeschikt meent zij dat waar de administratieve geldboete een straf in de zin van art. 6 E.V.R.M. uitmaakt het hof een toetsingsbevoegdheid heeft en verzoekt zij deze geldboete te verminderen tot een bedrag van 500,00 euro, minstens het effectief op te leggen gedeelte van de geldboete te bepalen op 500,00 euro en de rest voorwaardelijk op te leggen waarbij de uitvoerbaarheid van het dwangbevel in die zin wordt beperkt. De eerste rechter was van oordeel dat er geen doorbraak was van het stakingsbevel d.d. 7 oktober 2003 gezien dit had opgehouden rechtsgeldig te bestaan vermits er een regularisatievergunning werd bekomen en het stakingsbevel overigens zelf verwijst naar de gevolgen van een regularisatie die het stakingsbevel acht op te heffen. De appellant is evenwel van oordeel dat: - de bekrachtigingsbeslissing d.d. 21 oktober 2003 wel degelijk voldoet aan de "Uitdrukkelijke Motiveringswet"; - de afgifte van de regularisatievergunning d.d. 3 november 2003 het stakingsbevel d.d. 7 oktober 2003 niet ophief vermits deze regularisatievergunning ook niet werd nageleefd; - de regularisatievergunning d.d. 3 november 2003 onwettig is en buiten toepassing dient te worden verklaard in toepassing van art. 159 Gec. G.W. (gezien, zoals reeds aangehaald, bij de beslissing hieromtrent van het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort schepen B. X. deelnam aan de beraadslaging en hij eveneens dossierverantwoordelijke was voor de aannemer - zijnde de N.V. Aannemingen B. M. & J. - die mee instond voor de uitvoering van de betreffende stedenbouwkundige vergunning); - de administratieve geldboete op zichzelf geen straf uitmaakt en de beslissing in deze om een administratieve geldboete op te leggen niet kennelijk onredelijk is. 5.c. Vooraleer in te gaan op de middelen m.b.t. : - het al dan niet voldaan zijn aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen wat betreft de bekrachtigingsbeslissing d.d. 21 oktober 2003; - de aard van de administratieve geldboete; dient te worden nagegaan of door de regularisatievergunning d.d. 3 november 2003 het stakingsbevel d.d. 7 oktober 2003 (bekrachtigd bij beslissing van de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur d.d. 21 oktober 2003) werd doorbroken (m.a.w. geen rechtsgevolgen meer kon ressorteren). Desbetreffend vermag het hof het volgende te stellen. Het enkele feit dat een regularisatievergunning werd afgeleverd impliceert niet dat de onwettige toestand niet meer bestaat en het stakingsbevel zonder voorwerp zou worden. De rechtskracht van de regularisatie wordt immers bepaald door haar wettigheid. Meer bepaald brengt een onwettig bevonden regularisatievergunning (bij afwezigheid van vernietiging of schorsing door de Raad van State) niet mee dat een voordien uit een vastgesteld bouwmisdrijf ontstane wettige toestand ophoudt (door de uitvoering van de werken conform deze onwettige regularisatievergunning). De rechter (in casu het hof) dient op grond van art. 159 Gec. G.W. de wettigheid van de bestuurshandelingen na te gaan hetgeen alsdan de niet-toepassing van deze overheidsakte in het concrete geschil tot gevolg heeft. Het niet-bindend verklaren van een overheidsbeslissing met toepassing van art. 159 Gec. G.W. brengt met zich mee dat zij voor de betrokkenen rechten noch plichten oplevert, zonder het bestaan van die beslissing zelf aan te tasten. Daarbij dient aangemerkt te worden dat de algemene draagwijdte van art. 159 Gec. G.W. (waarvan de toepassing niet aan enige termijn is gebonden) impliceert dat de bevoegdheid van hoven en rechtbanken om de wettigheid van administratieve beslissingen te toetsen niet wordt aangetast door het feit dat de beslissing zelf niet meer vatbaar is voor vernietiging en bijgevolg definitief is geworden noch door het feit of zij al dan niet subjectieve rechten heeft doen ontstaan. 5.d. Het hof dient vast te stellen dat de regularisatievergunning d.d. 3 november 2003 alleszins de wettigheidstoets van art. 159 Gec. G.W. niet doorstaat. Er dient immers vastgesteld te worden dat: · na het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning d.d. 28 juli 2003 in strijd met deze vergunning op een wederrechtelijke wijze werken werden uitgevoerd door de N.V. Aannemingen B. M. & J. en dit in opdracht van de geïntimeerde en onder toezicht van S. P.; · zowel de N.V. Aannemingen B. M. & J. (en haar verantwoordelijken) als de geïntimeerde (en haar verantwoordelijken) en S. P., aldus strafbare feiten begingen (cf. art. 99 D.O.R.O en art. 146 D.O.R.O) en hiervoor een vervolging voor de correctionele rechtbank riskeerden; · B. X. niet alleen als "dossierverantwoordelijke" werd aangeduid in het schrijven van de N.V. Aannemingen B. M. & J. d.d. 8 december 2004 aan de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur houdende het verzoek tot kwijtschelding van de administratieve boete (zoals aangehaald door de appellant) doch tevens uit dit schrijven blijkt dat hij optrad als vertegenwoordiger van de B.V.B.A. Fibraco, zijnde de bestuurder van de N.V. Aannemingen B. M. & J.; · de werken uit te voeren door de N.V. Aannemingen B. M. & J. hoegenaamd niet voleindigd waren op het ogenblik van het stakingsbevel d.d. 7 oktober
- Wanneer blijkt dat B. X. zetelde als schepen in het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort op de zitting waar de regularisatievergunning d.d. 3 november 2003 werd verleend, is het duidelijk dat onder toepassing van het bepaalde in het (toen geldende): · artikel 92, 1° ,1ste lid van de Nieuwe Gemeentewet (gecodificeerd bij K.B. van 24 juni 1988 en bekrachtigd bij art. 1 wet 6 mei 1989), luidende: "Het is elke gemeenteraadslid en de burgemeester verboden: 1° tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging waarbij hij een rechtstreeks belang heeft, hetzij persoonlijk, hetzij als gelastigde, voor of na zijn verkiezing, of waarbij zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. (...)" · art. 106, laatste lid van de Nieuwe Gemeentewet i.v.m. de vergaderingen, beraadslagingen en besluiten van het college van burgemeester en schepenen, dat voorzag: "Artikel 92, 1° en de artikelen 100 en 101 zijn van toepassing op de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen." de bedoelde regularisatievergunning onwettig tot stand kwam en deze (gelet op het bepaalde in art. 159 Gec. G.W.) buiten toepassing dient te worden gelaten. In weerwil van hetgeen de geïntimeerde tracht voor te houden was er immers wel degelijk een rechtstreeks belang in hoofde van B. X. in zijn hoedanigheid van gelastigde van de N.V. Aannemingen B. M. & J. bij het verlenen van de regularisatievergunning nu: - de N.V. Aannemingen B. M. & J. (en mogelijks ook B. X. zelf als bestuurder van deze vennootschap via de B.V.B.A. Fibraco) strafrechterlijke vervolging riskeerde; - de N.V. Aannemingen B. M. & J. (net zoals de geïntimeerde en S. P.) bij het voortzetten van de werken (incl. de vergunde werken) in strijd met het stakingsbevel een administratieve geldboete kon oplopen en ingevolge het stakingsbevel de werken slechts konden worden verder gezet hetzij na een regularisatievergunning hetzij na een vrijwillig ongedaan maken van de wederrechtelijke werken. Het feit dat: - de geïntimeerde als bouwheer (en niet de N.V. Aannemingen B. M. & J.) begunstigde was van de regularisatievergunning d.d. 3 november 2003; - de N.V. Aannemingen B. M. & J. op burgerlijk vlak recht zou hebben op betaling van de aannemingsprijs ongeacht of de werken al dan niet geregulariseerd werden (hetgeen overigens genuanceerd dient te worden gelet op de gebeurlijke nietigheid van een aannemingsovereenkomst die niet vergunde werken als voorwerp heeft); doet aan het bovenstaande niets af. 5.e. Waar het hof middels het tussenarrest d.d. 8 februari 2008 tevens de vraag stelde of op dezelfde gronden ook de stedenbouwkundige vergunning d.d. 28 juli 2003 buiten toepassing diende te worden gelaten, dient gesteld dat de onwettigheid van deze beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Nieuwpoort niet kan worden vastgesteld. Nergens blijkt immers uit dat voorafgaand het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning er reeds een aannemingsovereenkomst was gesloten tussen de geïntimeerde en de N.V. Aannemingen B. M. & J. (en de N.V. Aannemingen B. M. & J. en B. X. op dat ogenblik dus enig belang hadden bij de toekenning van de stedenbouwkundige vergunning). De vaststelling dat de N.V. Aannemingen B. M. & J. na het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning d.d. 28 juli 2003 de werken uitvoerde waarbij B. X. als dossierverantwoordelijke en (middels de B.V.B.A. Fibraco) als bestuurder van de N.V. Aannemingen B. M. & J. optrad, is op zichzelf niet voldoende om tot de onwettigheid van de bedoelde stedenbouwkundige vergunning te besluiten. Aldus dient (enkel) de regularisatievergunning d.d. 3 november 2003 buiten toepassing te worden gelaten hetgeen impliceert dat voor de beoordeling van onderhavige betwisting wel degelijk "handelingen, werken of wijzigingen" werden voortgezet "in strijd met een door de stedenbouwkundige inspecteur bekrachtigd bevel tot staking, bedoeld in artikel 154, vijfde lid" (cf. art. 156, §1, 1ste lid D.O.R.O.). De omstandigheid dat de overtredingen die werden vastgesteld middels het proces-verbaal d.d. 15 september 2004 geen betrekking zouden hebben op het voorwerp van het stakingsbevel d.d. 7 oktober 2004 (zoals door de geïntimeerde voorgehouden) is dus ook niet relevant. 5.f. Volledigheidshalve dient tevens gesteld te worden dat een zelfs "wettige" regularisatievergunning niet automatisch een voorheen uitgevaardigd stakingsbevel zonder voorwerp maakt of al dan niet impliciet opheft. De bij het bouwmisdrijf betrokkenen kunnen zich niet beroepen op een regularisatievergunning die werd verleend n.a.v. een eerdere stillegging/staking van de werken indien blijkt dat deze vergunning geen vergunning verleent voor de naderhand werkelijk uitgevoerde bouwwerken. Niet het louter verkrijgen van een regularisatievergunning, maar slechts de feitelijke uitvoering van die vergunning maakt een einde aan een onwettige toestand (vgl. Cass., 28 maart 2006, nr. P051574N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060328.3). Dit impliceert naar het oordeel van het hof ook dat een stakingsbevel wegens wederrechtelijke bouwwerken slechts zonder voorwerp wordt (of impliciet wordt opgeheven) door het bekomen van de nodige (regularisatie)vergunning voor zover de bekomen vergunning én de hieraan verbonden voorwaarden worden nageleefd. Voor zoveel als nodig merkt het hof tevens op dat de omstandigheid dat in de bekrachtigingsbeslissing d.d. 21 oktober 2003 aan de betrokkenen werd gemeld: "Bekomt u na tussenkomst van het bekrachtigd stakingsbevel een regularisatievergunning voor alle wederrechtelijk uitgevoerde werken, dan wordt het stakingsbevel geacht te zijn opgeheven." niet onverenigbaar is met het bovenstaande. 5.g. De wettigheid van het stakingsbevel d.d. 7 oktober 2003 op zichzelf wordt niet betwist doch wel dit van de bekrachtigingsbeslissing d.d. 21 oktober
- Gelet op art. 154, 4de lid D.O.R.O. dat bepaalt: "Op straffe van verval moet het bevel tot staking binnen 8 dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal aan de bevoegde stedenbouwkundige inspecteur, door hem worden bekrachtigd. Die bekrachtiging wordt binnen twee werkdagen per aangetekende brief verzonden naar de personen, vermeld in het derde lid" dient ook de bekrachtigingsbeslissing de wettigheidstoets van art. 159 Gec. G.W. te doorstaan opdat het stakingsbevel d.d. 7 oktober 2003 en het doorbreken ervan (overeenkomstig art. 156, §1 D.O.R.O.) rechtsgevolgen zou kunnen ressorteren (inzonderheid het verschuldigd zijn van de administratieve geldboete). Waar de bekrachtigingsbeslissing een zelfstandig besluit uitmaakt van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur (die aldus bepaalt of er redenen zijn om het bevel te bekrachtigen) impliceert zulks dat een (rechtens vereiste schriftelijke) bekrachtigingsbeslissing onder de motiveringsverplichting valt. De bekrachtigingbeslissing heeft immers rechtsgevolgen voor de degenen die gebonden zijn door het stakingsbevel en dient aldus als een bestuurshandeling te worden aanzien derwijze dat overeenkomstig art. 2 en art. 3 van de wet van 29 juli 1991 (betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen) deze beslissing ex art. 154, 5de lid D.O.R.O. uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd waarbij deze opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en zij afdoende moet zijn. De "uitdrukkelijke" motivering die in de akte zelf moet teruggevonden worden dient evenwel op een teleologische manier geïnterpreteerd te worden, in die zin dat wie de motieven van een beslissing reeds (tijdig) kent op een andere wijze die zijn recht zich daartegen te verweren niet in het gedrang brengt, zich niet nuttig kan beroepen op de schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht. De motivering van de bekrachtigingsbeslissing luidt als volgt: "Op 07/10/2003 werd op voornoemd perceel door een bevoegd verbalisant de staking der werken bevolen wegens: bouwen van kelderverdieping niet conform goedgekeurde plannen d.d. 28/07/2003." Voor het overige wordt in de bekrachtigingsbeslissing verwezen naar de sancties bij de doorbreking van het stakingsbevel (in toepassing van art. 156, §1, 2de lid D.O.R.O.) en wordt naar een aantal wettelijke mogelijkheden (o.a. het instellen van een vordering tot opheffing van het stakingsbevel) verwezen. Uit de vermelding: "Hierbij bekrachtig ik, P. V., voormeld stakingsbevel, mij toegezonden op 15/10/2003." volgt dat de inhoud van het proces-verbaal van vaststelling dient geacht te worden deel uit te maken van de motivering. Een bestuurshandeling kan op geldige wijze gemotiveerd zijn wanneer ze verwijst naar andere stukken die ook door het bestuur gekend zijn en wanneer het bestuur zich de inhoud van die stukken toe-eigent. Het proces-verbaal d.d. 7 oktober 2003 van de Politie Westkust bevat de rechtens vereiste gegevens overeenkomstig de ministeriële omzendbrief d.d. 3 juli 1971 (B.S., 28 augustus 1971) nl.: - de aanduiding van de juiste identiteit van de eigenaar alsook van degenen die medeplichtig zijn aan de overtreding; - de juiste aanduiding van de plaats, het kadastraal nummer en van de oppervlakte; - de volledige beschrijving van de overtreding verwijst tevens uitdrukkelijk naar de inbreuk op art. 99, § 1 D.O.R.O. (het uitvoeren van werken zonder de vereiste voorafgaande vergunning). In dit proces-verbaal wordt daarenboven aangegeven dat (gezien niemand ter plaatse kon worden aangetroffen) het schriftelijk bevel tot staking der werken werd uitgehangen conform art. 154 D.O.R.O.. Zoals boven reeds aangegeven werd dit proces-verbaal aan alle betrokkenen ter kennis gebracht middels aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst. Gezien de bekrachtigingsbeslissing uitdrukkelijk verwijst naar dit stakingsbevel en uit de bewoordingen ervan kan afgeleid worden dat de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur zich bij dit stakingsbevel aansluit, dient gesteld dat de bekrachtigingsbeslissing afdoende gemotiveerd is. Uit dit alles volgt dat de juridische en de feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, afdoende vermeld werden en dat de geïntimeerde perfect haar verdediging kon voeren. Haar rechten werden bijgevolg niet geschonden. 5.h. In bepaalde gevallen kan een administratieve geldboete worden beschouwd als een straf in de zin van art. 6, §1 E.V.R.M.. In de mate dat zulks het geval zou zijn voor de administratieve geldboete voorzien in art.156, §1 D.O.R.O. dient evenwel gesteld dat noch art. 6 E.V.R.M. noch art. 14 B.U.P.O. -verdrag zich verzetten tegen een stelsel waarbij aan het bestuur een vervolging en een beteugeling van de stedenbouwkundige reglementering wordt toevertrouwd, mits de schuldenaar van deze administratieve geldboete de opgelegde sanctie kan laten controleren door een rechterlijke instantie die alle garanties biedt welke in die bepalingen worden omschreven. Dat die rechter aldus moet: - kunnen nagaan of voldaan is aan alle wettelijke vereisten van de (alsdan als straf aanziene) sanctie en hiervoor de elementen in feite en in rechte moet kunnen beoordelen; - de mogelijkheid moet hebben de werkelijkheid na te gaan van de sanctie en eveneens te beoordelen of de sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt, en inzonderheid of zij niet indruist tegen specifieke wettelijke bepalingen en of zij niet in strijd is met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur. Diegene aan wie overeenkomstig art. 156, § 1 D.O.R.O. een administratieve geldboete wordt opgelegd en wiens verzoek ex art. 156, §3 D.O.R.O. tot kwijtschelding, vermindering of uitstel tot betaling is afgewezen beschikt, behoudens de - de desgevallende mogelijkheid om een annulatieberoep tegen deze beslissing in te stellen bij de Raad van State; - de mogelijkheid om zich te verzetten tegen het dwangbevel om daarmee de geldigheid en de regelmatigheid van het dwangbevel te bestrijden voor de beslagrechter (procedure voorzien in art. 157, § 3 D.O.R.O.); krachtens art. 157, § 4 D.O.R.O. over de mogelijkheid om zich tot de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de goederen gelegen zijn te richten. Deze laatste mogelijkheid (voorwerp van onderhavig geding) biedt hoe dan ook aan de betrokkene de gelegenheid om aan de rechtbank te vragen na te gaan of de boete in feite en in rechte gerechtvaardigd was en of alle wettelijke bepalingen en de algemene rechtsbeginselen, met inbegrip van het evenredigheidsbeginsel, zijn nageleefd, zonder dat de rechtbank daarbij om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de betrokkene van zijn verplichting kan bevrijden. Een miskenning van art. 6 E.V.R.M. is dus niet voorhanden gezien de hierin ingeschreven noodzakelijke waarborgen verzekerd zijn m.i.v. een controle op het evenredigheidsbeginsel m.a.w. een controle op de evenredigheid tussen de opgelegde geldboete en de ernst van de overtreding. Wat de specifieke, concrete toetsing zelf betreft moet in deze worden vastgesteld dat de beslissing om een administratieve geldboete op te leggen van die grootte te dezen niet kennelijk onredelijk is gezien de geïntimeerde als bouwheer werken liet uitvoeren hierbij geen rekening houdende met de verleende stedenbouwkundige vergunning waardoor aldus de wettelijke bepalingen ter zake worden miskend. De ernst van de overtreding blijkt daarenboven uit het proces-verbaal d.d. 7 oktober 2003 en de geïntimeerde brengt geen decisieve redenen aan dat het bestuur bij haar beslissingen omtrent de administratieve geldboete het evenredigheidsbeginsel zou hebben geschonden. 5.i. Besluitend moet derhalve gesteld worden dat de vordering van de geïntimeerde houdende het verzet tegen het dwangbevel als ongegrond dient te worden afgewezen. Het bestreden vonnis dient in die zin hervormd te worden.
- Onder toepassing van artikel 1017 lid 1 Ger.W. dient de geïntimeerde te worden verwezen in de kosten van de beide instanties. De rechtsplegingvergoeding moet wordt vereffend volgens de wetgeving en overeenkomstig de tarieven die gelden op het ogenblik van de einduitspraak waarop ze betrekking heeft. Wat de vereffening van de rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg betreft, moet bijgevolg toepassing worden gemaakt van de tarieven van kracht ten tijde van de bestreden beslissing. Aldus kan aan de appellante het door haar gevorderde bedrag van 356,97 euro worden toegekend (daar waar op het ogenblik van de uitspraak het toepasselijke bedrag 364,61 euro bedroeg). De rechtsplegingvergoedingen gevallen in hoger beroep moeten daarentegen worden vereffend volgens de thans geldende tarieven. Er worden geen redenen aangevoerd om af te wijken van de aanwending van het basistarief bedoeld bij artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 (tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat). De rechtsplegingvergoeding in hoger beroep bedraagt derhalve 650,00 euro (in geld waardeerbare vordering van 2.500,01 euro tot 5.000,00 euro gezien de vordering betrekking heeft op het verzet tegen een dwangbevel voor een administratieve boete ad 5.000,00 euro). OM DEZE REDENEN, HET HOF recht doende op tegenspraak. In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni
- Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Doet derhalve het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaarde, en opnieuw wijzende wijst de vordering van de geïntimeerde af als ongegrond. Verwijst de geïntimeerde in de kosten van de beide instanties, deze aan haar zijde niet nuttig nader te begroten zijnde en aan de zijde van de appellant begroot op: - rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: 356,97 euro - rechtsplegingvergoeding hoger beroep: 650,00 euro. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer M. Hanssens Raadsheer, wn. voorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op negenentwintig mei tweeduizend en negen, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. M. Vercruysse A. Colpaert M. Beerens M. Hanssens Rep. nr.: 2009/ Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060328.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div