← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090602.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090602.13 Rolnummer: 1997/AR/460 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2009-09-23 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 19:52 Fiche I. - Vanaf het ogenblik van de invereffeningstelling van de vennootschap, ten gevolge waarvan een samenloop ontstaat tussen de gewone en algemeen bevoorrechte schuldeisers, worden de wederzijdse rechten van de schuldeisers op onherroepelijke wijze vastgelegd. - Vanaf dat ogenblik verzet het gelijkheidsbeginsel neergelegd in art. 190 Venn.Wet zich ertegen dat voornoemde schuldeisers individueel overgaan tot daden van tenuitvoerlegging, voor zover daardoor de rechten van de andere schuldeisers worden geschaad. - Bewarende maatregelen mogen slechts genomen worden indien daardoor de afwikkeling van de vereffening niet wordt verstoord en de rechten van de schuldeisers in samenloop niet worden geschaad. - Aangezien de fiscale notificatie en inschrijving van de wettelijke hypotheek niet meer kunnen veranderen aan de vastgelegde rechten, wordt door deze maatregelen het normaal verloop van de vereffening verstoord, zodat zij geen uitwerking meer kunnen hebben. II. De beslagrechter mag naar aanleiding van een verzet tegen de inhouding van de BTW-tegoeden nagaan of de schuldvordering, hoewel betwist, een zekere en vaststaande vordering uitmaakt in de zin van art. 1415 Ger.Wetb. en oordelen over de vraag of de aanwijzingen voldoende zwaar wegen om de inhouding te rechtvaardigen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Continuïteit van de ondernemingen - Bewarende maatregelen Vrije woorden: Vereffening - bewarende maatregelen - fiscale notificatie - hypothecaire inschrijving. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 2 juni 2009 ________ 1997/AR/460 : ZAAK TERUG OP ROL NA AMBTSHALVE WEGLATING DD 8.12.2004 ROSSEEL ETABLISSEMENTEN N.V. in vereffening, met maatschappelijke zetel te 8200 SINT-ANDRIES, Gistelse Steenweg 300, voorheen te 8000 Brugge, St. Maartensplein 3 en voorheen te 8000 Brugge, Louis Coiseaukaai 21, ingeschreven met KBO-nummer 0405.137.029, vertegenwoordigd door haar vereffenaars: OVV CVBA ERNST & YOUNG FIDUCIAIRE rechtsopvolger van de BV Vanacker-Govaerts & Partners vertegenwoordigd door VAN HAEVERBEKE Johan, 8200 SINT-ANDRIES, Gistelse Steenweg 300, appellante q.q., M. N. , advocaat met kantoor te ................................, appellante q.q., R. C. wonende te ...................., appellant q.q., allen hebbende als raadsman mr. VISSCHERS Annick, advocaat te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25 tegen: BELGISCHE STAAT / FOD FINANCIEN, Administratie der Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Sector BTW, in de persoon van de Heer e.a. Ontvanger van het Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G.Vincke Dujardinstraat 4; geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. PEERAER Marleen, advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 977 Wijst het Hof volgend arrest: Het Hof neemt kennis van de op 14 januari 1997 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge verleende beschikking in de samengevoegde zaken A.R.94/2018/1 en 94/3976/A, waartegen appellante, met haar op 17 februari 1997 ter griffie neergelegd verzoekschrift tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden ter openbare terechtzitting van 5 mei 2009 gehoord in hun middelen en conclusies. De overgelegde stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1. De N.V. Etablissementen Rosseel, die werd opgericht op 14 juli 1965, legt zich toe op de uitbating van een handel in en vervoer van brandstoffen, petroleumproducten en derivaten. Zij is geregistreerd onder het BTW-nummer BE 405.137.029. Bij schrijven van 23 juli 1990 heeft de Heer Procureur-Generaal van het Hof van Beroep te Gent toelating gegeven aan de ambtenaren verbonden aan de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie tot het nemen van inzage en afschrift van de stukken van het strafdossier nummer 78.10.445/90 DS (referte Parket Kortrijk) ten laste van L. S. en anderen. Ten gevolge hiervan werd door de ambtenaren van de Bijzondere Belastingsinspectie te Kortrijk op 28 februari 1994 een BTW-controle verricht bij de N.V. ROSSEEL over het jaar 1989. Naar aanleiding van deze controle werd op 30 maart 1994 een proces-verbaal opgesteld, waarin werd vastgesteld dat appellante ten onrechte over het boekjaar 1989 BTW-bedragen in mindering had gebracht, die waren vermeld op fictieve facturen van de firma OIL-HUBA/L. S.. OIL-HUBA is de naam waaronder L. S. in eigen naam handel drijft (stuk A geïntimeerde). In dit proces-verbaal stelden de verificateurs vast dat zij bij hun bezoek aan de afgevaardigde-bestuurder van appellante, de heer C. R., inzage hebben gevraagd van het aankoop-journaal betreffende het boekjaar 1989, waarop deze liet weten aan dit verzoek niet te kunnen voldoen omdat het journaal niet direct te vinden was en na een week uitstel liet weten dat hij het gevraagde aankoopjournaal niet kon terugvinden. Verder stelde het proces-verbaal volgende feiten vast dat:

(1)uit twee eerdere vaststellingen bij proces-verbaal van 22 februari 1990, aangevuld bij het proces-verbaal van 13 juli 1990, opgemaakt door de heer D. M., destijds adjunct-controleur bij de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Kortrijk lastens de heer L. S., is gebleken dat deze laatste 12 facturen heeft uitgereikt aan huidige appellante, waarvan de datum, het nummer, de omschrijving van de geleverde brandstoffen en het bedrag van de aangerekende BTW, voor een totaal bedrag van 14.734.262 BEF, in detail wordt opgegeven;
(2)op 22 november 1991 werd door de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, Kortrijk 2, aan appellante schriftelijk gevraagd in welke BTW-aangiften de aangerekende BTW op voornoemde 12 facturen in aftrek werd gebracht, waarop appellante bij brief van 6 december 1991 heeft geantwoord door opgave van de nummers van de facturen, waarvan de BTW in de aangiften van juli, augustus en september 1989 werd afgetrokken;
(3)uit het proces-verbaal van 27 juli 1991 opgemaakt door de Gerechtelijke Politie bij het Parket te Kortrijk naar aanleiding van een verhoor van L. S. in verband met de facturen van OIL-HUBA aan appellante gevonden in de boekhouding van deze laatste, naar aanleiding van de verklaringen van L. S. het volgende blijkt: - dat de firma OIL-HUBA nooit daadwerkelijk activiteiten heeft gehad; - dat de heer L. van appellante of de heer C. R. nog nooit heeft gehoord; - dat de heer L. heeft verklaard, de facturen te hebben opgemaakt aan de hand van een door B. V. R. met de hand geschreven voorbeeld; - dat de zolderkamer in het pand nr.2 aan de Hertstraat te Gent een nepadres was. Uit de hiervoor aangehaalde feiten en verklaringen werd afgeleid dat er geen levering van goederen heeft plaatsgevonden tussen de firma OIL-HUBA en appellante, dat uit wat voorafgaat in punt 3 blijkt dat er gewichtige vermoedens en feiten voorhanden zijn die het bestaan van fictieve facturen aantonen en toelaten te twijfelen aan de rechtmatigheid van de in aftrek gebrachte BTW, vermeld op die facturen. Overeenkomstig het proces-verbaal van 30 maart 1994 is appellante aan geïntimeerde een bedrag van 1.259.388,79 EUR, hetzij 365.252,81 EUR aan BTW, 730.505,63 EUR boete en 163.630,35 EUR interesten verschuldigd. Drie weken na dit proces-verbaal, op 23 april 1994, besliste de buitengewone algemene vergadering van appellante tot de vervroegde ontbinding en invereffeningstelling van de vennootschap, welke beslissing werd bekend gemaakt in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad dd.17 mei 1994 (nr.940517-101). Op 9 mei 1994 werd N.V.ROSSEEL door geïntimeerde bij een betalingsbericht uitgenodigd de verschuldigde BTW te voldoen.
  1. Op 30 mei 1994 richt notaris J. D. M. te Brugge, naar aanleiding van de verkoop van een onroerend goed afhangende van het patrimonium van de beslagen schuldenaar, een kennisgeving overeenkomstig artikel 93ter W.BTW aan de Heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge (stuk B geïntimeerde). Op 7 juni 1994 vaardigde de heer Ontvanger van het BTW-kantoor te Brugge een dwangbevel uit tot invordering van het in het proces-verbaal van 30 maart 1994 vermelde bedrag. Dit dwangbevel werd op 8 juni 1994 per aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan appellante (stuk C geïntimeerde). Conform artikel 93quater W.BTW werd de instrumenterende notaris bij aangetekend schrijven van 9 juni 1994 ter kennis gebracht dat appellante schuldenares was van voormelde bedragen tegenover de BTW-administratie (stuk D geïntimeerde).
  2. Op 9 juni 1994 werd eveneens bij aangetekend schrijven een kennisgeving van een akte van inhouding van het belasting-krediet verstuurd aan de bevoegde Hoofdcontroleur van de 2e BTW-controle te Brugge (stuk E geïntimeerde). Dit gebeurde conform artikel 8, §3, 4° van het (B.T.W.) K.B. nr.4 van 29 december 1969, gewijzigd bij K.B. van 29 december 1992, te uitvoering van artikel 76, §1-3de lid W.BTW. Appellante werd op dezelfde datum per aangetekend schrijven hiervan verwittigd (stuk F geïntimeerde). Op 10 juni 1994 maakte de heer Hoofdcontroleur van het 2e BTW-controlekantoor te Brugge een verklaring van derde-beslagene over, waaruit blijkt dat er een inhouding werd verricht van het tegoed op de BTW-rekening-courant per 30 april 1994 van 1.113.900 BEF, hetzij 27.612,86 EUR, volgens de periodieke aangifte m.b.t. de periode van 1 februari 1994 tot 30 april 1994 (stuk G geïntimeerde). Op 5 juli 1994 tekende appellante verzet aan tegen het dwangbevel van 7 juni
  3. Op diezelfde datum nam de heer Ontvanger der Directe Belastingen een hypothecaire inschrijving op het onroerend goed van appellante, waarvan, na het verzet, handlichting werd verleend.
  4. Op 20 september 1994 nam de BTW-Administratie op haar beurt een hypothecaire inschrijving op het onroerend goed, waarvan eveneens handlichting werd verleend, onder de voor-waarde dat de verkoopprijs van het onroerend goed aan de hypothecaire schuldeiser zou worden uitbetaald. Gelet op de betwisting van de BTW-schuld, stelde de BTW-administratie voor om de verkoopprijs in handen van de notaris te consigneren. Op 18 oktober 1994 werd het onroerend goed verkocht voor een prijs van 240.456,72 EUR. Dit bedrag werd, ingevolge het door appellante aangetekende verzet tegen de uitbetaling aan de Heer Ontvanger van het BTW-kantoor, in handen van de notaris geblokkeerd.
  5. Op 25 november 1994 werd een aanzegging van een tweede akte van inhouding, die geldt als bewarend beslag, per aangetekend schrijven verstuurd. Op 28 november 1994 werd de verklaring van derde-beslagene verstuurd, waaruit blijkt dat er een inhouding werd verricht van het tegoed op de BTW-rekening-courant op 30 september 1994 van 1.011.720 BEF, hetzij 25.079,88 EUR. Ook deze inhouding is gebeurd conform artikel 8, §3, 4° van het (B.T.W.) K.B. nr.4 van 29 december 1969, gewijzigd bij K.B. van 29 december 1992, te uitvoering van artikel 76, §1-3de lid W.BTW. Op respectievelijk 5 juli 1994 en 27 december 1994 werd geïntimeerde door appellante gedagvaard tot opheffing van: - het bewarend derdenbeslag bij toepassing van artikel 93quater W.BTW op de verkoopsom van het onroerend goed; - de twee inhoudingen bij toepassing van artikel 8, §3, 4° van het (B.T.W.) K.B. nr.4 van 29 december 1969, gewijzigd bij K.B. van 29 december 1992 en K.B. van 14 april 1993, die gelden als bewarend beslag onder derden. Bij de thans bestreden beschikking van 14 januari 1997, waarin beide zaken werden gevoegd, werd het verzet van appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard. II. Voorwerp van het hoger beroep De vordering van appellante strekt ertoe de bestreden beschikking in al zijn onderdelen teniet te doen en te horen zeggen voor recht dat: In hoofdorde: - de kennisgeving op grond van artikel 93quater WBTW aan de heer notaris D. M. dd.9 juni 1994 zonder uitwerking blijft en bijgevolg niet geldt als een beslag onder derden in de zin van artikel 93quinquies WBTW op de bedragen en waarden die hij krachtens de verkoopakte onder zich houdt; - de beslagen onder derden gelegd bij de Heer Hoofdcontroleur van de BTW zonder uitwerking blijven wegens samenloop van de gewone schuldeisers sedert de inveref-feningstelling van de beslagen schuldenaar; - de Heer Ontvanger van het BTW-kantoor ten onrechte een hypothecaire inschrijving heeft genomen op de onroerende goederen van de vennootschap na datum van de inveref-feningstelling en derhalve handlichting te bevelen van het beslag onder derden gelegd bij de heer notaris J. D. M. en bij de heer Hoofdcontroleur van de BTW evenals van de hypothecaire inschrijving; - aan geïntimeerde het verbod wordt opgelegd om in de toekomst bewarende en/of uitvoerende maatregelen te nemen ten aanzien van de activa van de beslagen schuldenaar die de gezamenlijke schuldeisers kunnen schaden; In bijkomende orde: - er geen wettelijke grond was om het BTW-tegoed van appellante ten belope van 27.612,86 EUR (1.113.900 BEF) en van 25.079,88 EUR (1.011.720 BEF) in te houden en de inhoudingen van 9 september 1994 en 31 oktober 1994 bijgevolg nietig en onwettig te verklaren en handlichting te bevelen van de bewarende beslagen onder derden gelegd in handen van de Heer Hoofdcontroleur van de BTW Brugge II; - de inhoudingen, door geïntimeerde doorgevoerd, te horen opheffen en lichten binnen de 24 uur na de beschikking van het arrest; - bij gebreke aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn, de tussengekomen beslissing als opheffing en lichting van het gelegde beslag zal gelden en dat vanaf de betekening ervan aan de derde-beslagene voornoemd, deze met de gelegde beslagen geen rekening meer mag houden; In uiterst subsidiaire orde : - er geen wettelijke grond was voor wettelijke schuldverge-lijking tussen de BTW-vordering en het BTW-tegoed. Daarnaast vraagt appellante om geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de interesten op de terug te geven sommen, zoals voorzien in artikel 91, §3, W.BTW en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Na ambtshalve weglating van de zaak, werd zij op verzoek van appellante dd.29 mei 2007 opnieuw op de rol geplaatst. III. Beoordeling 3.
  6. In hoofdorde stelt appellante dat vermits zij in vereffening is sedert 23 april 1994 en deze vereffening deficitair is, de Belgische Staat geen bewarende maatregelen kan nemen, waardoor het normale verloop van de vereffening verstoord wordt en de rechten van de andere schuldeisers geschaad worden. Omdat de Belgische Staat niet beschikt over een bijzonder voorrecht of een zakelijk recht, is zij onderworpen aan de regels van de samenloop. Appellante meent dat de door geïntimeerde genomen bewarende maatregelen niet enkel de rechten van de pandhoudende schuldeiser, maar ook van de verschillende andere schuldeisers, die in rang het voorrecht van geïntimeerde voorafgaan (personeel, RSZ, bedrijfsvoorheffing e.d.m.), miskennen. Aange-zien de verkoopprijs van het onroerend goed (240.456,72 EUR) het sociaal passief nog niet volledig dekt, kan de BTW-administratie, wiens voorrecht pas rang neemt na het voorrecht van het sociaal passief, volgens appellante geen aanspraak maken op een vergoeding uit de verkoopprijs en dient zij de realisatie van de andere activa af te wachten. Om die reden kan volgens appellante: - de fiscale notificatie op grond van de artt.93quater en quinquies W.B.T.W.naar aanleiding van de verkoop van het onroerend goed geen uitwerking hebben, - de hypothecaire inschrijving genomen na datum van inveref-feningstelling, geen gevolgen sorteren - dienen de inhoudingen van het BTW-tegoed in handen van de Heer Hoofdcontroleur te worden opgeheven. 3.
  7. Geïntimeerde laat het aan de wijsheid van het Hof over om te oordelen of de fiscale notificatie van art.93quater en 93quinquies W.B.T.W. al dan niet uitwerking kan hebben. Anderzijds betwist dat zij door de inhouding van de belastingkredieten genomen op grond van artikel 76 W.B.T.W. afbreuk deed aan de rechten van de andere schuldeisers. Zij wijst erop dat de onterecht gecreëerde BTW-tegoeden bezwaarlijk kunnen worden uitbetaald, noch aan de belasting-plichtige, noch aan de andere schuldeisers en dat de rechten van de schuldeisers niet worden geschaad door het niet vrijgeven van de BTW-tegoeden, waarop geen enkel recht kan worden geclaimd. 3.
  8. Aan de hand van de voorgelegde jaarrekening over de periode 01.04.2005 tot 31.03.2006 en het verslag van het College van Vereffenaars m.b.t. het boekjaar per 31 maart 2006 kan worden vastgesteld dat de vereffening van appellante deficitair is. Op de actiefzijde staan er nog openstaande vorderingen voor een bedrag van 1.151.010,36 en liquide middelen voor 14.192,67 EUR, hetzij een totaal bedrag aan activa van 1.165.203,03 EUR (stuk 1 appellante). Het passief van de vennootschap bestaat voornamelijk uit een overgedragen verlies van 12.573.491,09 EUR en schulden voor een bedrag van 10.809.842,40 EUR. De realisatiewaarde van de nog aanwezige activa is bijgevolg absoluut ontoereikend om de openstaande schulden aan te zuiveren. Anderzijds blijkt uit de jaarrekening dat behoudens de belastingen geen schulden gewaarborgd zijn door zakelijke zekerheden. Er zijn blijkens de voorgelegde stukken geen bevoorrechte schulden ten aanzien van de RSZ. Het bancair passief bedraagt weliswaar 3.748.688,33 EUR, hetgeen het totaal aan activa ruimschoots overschrijdt, maar volgens de jaarrekening betreft dit bedrag financiële schulden op ten hoogste één jaar (blz.3). In tegenstelling tot wat appellante voorhoudt, blijkt uit de jaarrekening niet dat deze schuld is bevoorrecht met een pand (zie punt V, B blz.9 jaarrekening). A. Wat betreft de fiscale notificiatie ex art.93quater en quinquies en de inschrijving van een wettelijke hypotheek na datum van invereffeningstelling 3.
  9. De schuldvordering van geïntimeerde is ontstaan op 30 maart 1994, d.i. voor de datum van de invereffeningstelling. Op die dag werd in een proces-verbaal vastgesteld dat er in de tweede helft van 1989 twaalf fictieve facturen van de firma OIL HUBA-L. S. werden opgenomen in de boekhouding van appellante waardoor onterecht BTW-tegoeden werden gecreëerd. Op 23 april 1994 werd appellante in vereffening gesteld. Pas na de invereffeningstelling ging geïntimeerde over tot een fiscale notificatie en tot de inschrijving van de wettelijke hypo-theek. In de kennisgeving dd.9 juni 1994, gericht aan de notaris, neemt geïntimeerde haar schuldvordering op voor 365.252,81 EUR aan BTW, voor 730.505,63 EUR aan boete en 163.630,35 EUR aan interesten, samen 1.259.388,79 EUR. De hypothecaire inschrijving werd genomen tot zekerheid van de voldoening van dezelfde BTW-schuld. De staat van vereffening van een vennootschap belet als zodanig niet dat een aan de samenloop onderworpen schuldeiser overgaat tot het leggen van een bewarend beslag. In tegenstel-ling tot wat het geval is bij faillissement, dat leidt tot een collectieve vereffening, bestaat er bij de invereffeningstelling van een vennootschap geen uitdrukkelijke wettekst die het de samenlopende schuldeisers verbiedt nog langer bewarend beslag te leggen. Dit impliceert dat geïntimeerde in principe het recht had om na de invereffeningstelling nog een bewarend beslag onder derden te leggen, inhoudingen te verrichten en een inschrijving te nemen van de wettelijke hypotheek. 3.
  10. Wel is het zo dat ingevolge de invereffeningstelling van de vennootschap een samenloop ontstaat tussen de gewone schuldeisers van de vennootschap, waarvan de schuldvordering ontstaan is vóór de invereffeningstelling. De samenloop geldt niet alleen voor de chirografaire schuldeisers, maar strekt zich ook uit tot de algemeen bevoorrechte schuldeiser, omdat de aard van hun schuldvordering hun slechts een voorrecht verleent bij de tegeldemaking van de goederen die tot hun gemeenschappelijk onderpand behoren. De rechten van de samenlopende schuldeisers omvatten niet alleen het recht om een juiste proportionele betaling te bekomen, maar ook het recht op een normaal verloop van de vereffening, zonder dat dit normale verloop mag worden verstoord door ontijdige handelingen van sommige schuldeisers. 3.
  11. De artt.93quater en 93quinquies W.B.T.W. voorzien ten voordele van de BTW-administratie een volledig gelijkaardige bewarende maatregel als deze voorzien in de art.325 en 326 WIB/64 (art.434 en 435 WIB) ten voordele van de Administratie der Directe Belastingen. Het beslag onder derden dat op grond van deze bepalingen door de Ontvanger der belastingen wordt gelegd, is geen daad van tenuitvoerlegging, maar een bewarende maatregel tot bescher-ming van de rechten van de Schatkist. Deze maatregel moet worden geacht geen uitwerking te hebben wanneer zij het normale verloop van de vereffening verstoort en afbreuk doet aan de rechten van de samenlopende schuldeisers. Ingevolge de invereffeningstelling van appellante op 23 april 1994 is een samenloop ontstaan tussen de gewone schuldeisers van de vennootschap, van wie de schuldvordering ontstaan is vóór de invereffeningstelling (art.190, §1, W.Venn.). Dit betekent dat vanaf de ontbinding de wederzijdse rechten van de schuldeisers, wier vordering is ontstaan vóór de invereffeningstelling, op onherroepelijke wijze worden vastgelegd. Vanaf dat ogenblik verzet het gelijkheidsbeginsel, neergelegd in artikel 190 W.Venn. er zich tegen dat de chirografaire schuldeisers en de schuldeisers met een algemeen voorrecht, individueel overgaan tot daden van tenuitvoerlegging, voor zover daardoor de rechten van de andere schuldeisers worden geschaad (zie Cass.23 januari 1992, R.Cass. 1992, 23; M.Grégoire, "L'effet d'une mesure conservatoire pratiquée après l'entrée en liquidation d'une personne morale", R.C.J.B. 1994,
(408), 423 e.v.). Hierbij moet worden opgemerkt dat het voorrecht van de Administratie ten tijde van de notificatie - i.t.t. wat appellante voorhoudt- rang innam onmiddellijk na dat, vermeld in artikel 19,5° van de wet van 16 december 1851 en niet na de voorrechten bedoeld in de artikelen 19 en 20 van deze wet, zoals blijkt uit de toen geldende tekst van de artikelen 86 en 87 W.BTW. Bovendien is de rang van de fiscus verbeterd door de programmawet van 27 december 2006, via een gelijkschakeling van het voorrecht voor de B.T.W. met het voorrecht inzake de bedrijfsvoorheffing en de bijdragen van de sociale zekerheid (art.19,4°ter Hyp.W.). Ingevolge de programmawet van 27 april 2007, die op 18 mei 2007 in werking is getreden, geldt de in artikel 93quinquies W.BTW bedoelde kennisgeving (= fiscale notificatie) bovendien als verzet op de prijs in de zin van artikel 1642 Ger.W., zodat de notaris verplicht is de fiscus te betrekken bij de rangregeling. Het verbod voor de samenlopende schuldeisers om nog individuele daden van tenuitvoerlegging te stellen geldt bij vereffening slechts voor zover daardoor afbreuk wordt gedaan aan de gelijkheid van de schuldeisers en treedt niet van rechtswege in. Dit is het geval wanneer het ernaar uitziet dat de vereffening deficitair is. In dit geval kan de vereffenaar zich tot de beslagrechter wenden om de gelijke rechten van de schuldeisers op het vereffeningsactief te doen eerbiedigen (zie Tas, R., "Vennootschap in vereffening: geen automatische schorsing van de individuele executierechten van de samenlopende schuldeisers", DAOR 2001, 285). 3.
  1. Zowel de fiscale notificatie ex art.93quater en quinquies W.BTW als de inschrijving van de wettelijke hypotheek zijn geen maatregelen van executie, maar maatregelen van bewarende aard. Deze maatregelen mogen slechts genomen worden indien daardoor de afwikkeling van de vereffening niet wordt verstoord en de rechten van de schuldeisers in samenloop niet worden geschaad. Deze maatregelen kunnen daarentegen geen uitwerking hebben wanneer zij het normale verloop van de vereffening verstoren en afbreuk doen aan de rechten van de samenlopende schuldeisers. De omstandigheid dat de verstoring van het normaal verloop van de vereffening door een bewarende maatregel een grond kan zijn om deze maatregel op te heffen, dient gezien te worden in het licht van de vereiste van urgentie, die artikel 1413 Ger.W. stelt voor het leggen van bewarend beslag en welke vereiste niet vervuld is indien wordt vastgesteld dat de vereffening een normaal verloop kent en de rechten van de beslagleggende schuldeiser niet schaadt (M.Gregoire, l.c., R.C.J.B. 1994, 426, nr.4.4). 3.
  2. Door het feit dat de vereffening zelf de rechten van de schuldeisers vastlegt, dus ook de rechten van de fiscus met inbegrip van het voorrecht, dat thans in artikel 19,4°ter Hyp.W. gelijkgeschakeld is met het voorrecht inzake de bedrijfs-voorheffing en de bijdragen van de sociale zekerheid, hebben de fiscale notificatie en de inschrijving van de wettelijke hypotheek na de invereffeningstelling van de vennootschap geen enkele zin meer, nu de rechten van de samenlopende schuldeisers, die reeds onherroepelijk vastliggen vóór de inschrijving, niet meer mogen gewijzigd worden. Aangezien de fiscale notificatie en inschrijving van de wettelijke hypotheek niets meer kunnen veranderen aan de vastgelegde rechten, ligt het voor de hand dat hierdoor de afwikkeling van de vereffening verstoord wordt, zodat de wettelijke hypotheek die nog werd genomen na de invereffeningstelling, moet worden doorgehaald. Het is duidelijk dat de fiscale notificatie en de hypothecaire inschrijving geen uitwerking kunnen hebben, omdat zij het normale verloop van de vereffening verstoren en afbreuk doet aan de rechten van de samenlopende schuldeisers. Deze maatregelen leiden tot de onbeschikbaarheid van de opbrengst van de verkoop, zodat het voor de vereffenaar de facto onmogelijk wordt om de activa in het belang van de aantredende schuldeisers te realiseren. Het bewarend beslag en de inschrijving van de wettelijke hypotheek moeten worden opgeheven. B. Wat betreft de inhoudingen van de B.T.W.-tegoeden 3.
  3. Van geheel andere aard dan de fiscale notificatie ex art.93quater en quinquies W.BTW zijn de inhoudingen van de BTW-tegoeden. Voor zover prima facie kan worden aangenomen dat appellante ingevolge het plegen van een misdrijf fictieve BTW-tegoeden heeft gecreëerd, kunnen deze onterechte tegoeden bezwaarlijk worden uitbetaald, noch aan de belastingsplichtige, noch aan de overige schuldeisers. De rechten van de schuldeisers in samenloop worden niet geschaad door het niet-vrijgeven van de BTW-tegoeden, waarop appellante geen enkel recht kan claimen omdat er prima facie helemaal geen BTW-tegoeden zijn, omdat deze tegoeden zijn ontsproten uit een misdrijf, met name het ten onrechte in aftrek brengen van BTW aan de hand van fictieve facturen. De betwiste akten van inhouding dd.9 juni 1994 en 25 november 1994, geldend als bewarend beslag onder derden, werden gevestigd op grond van artikel 8/1, §3, 4e lid van het K.B. nr.4 van 29 december 1969, zoals gewijzigd door het K.B. van 29 december
  4. Zij hebben betrekking op BTW-tegoeden over de periode februari-april 1994, d.i. een andere periode dan deze waarop de fictieve BTW-tegoeden betrekking hebben (juli-september 1989). De bepaling van artikel 8/1, §3, zoals laatst vervangen door artikel 7 van het K.B. van 14 april 1993 stelt: "Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die geheel en gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel bedoeld in art.85 van het Wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door het verzet bedoeld in art.89 van het Wetboek, wordt het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de Administratie ingehouden. Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld." 3.
  5. De regeling zoals vervat in artikel 8 § 3, 5de, 7de en 10de lid van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 in uitvoering van artikel 76 BTW-wetboek maakte in het verleden reeds het voorwerp uit van diverse prejudiciële vraagstellingen voor het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, alsook van een procedure voor het Hof van Justitie. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, inzonderheid de arresten nr. 78/98 van 7 juli 1998 (B.S. 29/9/1998) en nr. 119/98 van 18 november 1998 (B.S. 20/1/1999), en van het Hof van Justitie (arrest van 18 december 1997) volgt dat het stelsel van de inhoudingen in principe grondwettelijk - en derhalve niet strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet - wordt geacht, behalve op die punten waar aan de belastingplichtige het recht wordt ontzegd op een daadwerkelijke jurisdictionele controle op de wettigheid en de geldigheid van de inhouding die afwijkt van het gemeen recht inzake de bewarende beslagen. Inzonderheid worden hiermee geviseerd lid 7 en lid 10 van artikel 8 § 3 K.B. nr. 4 van 29 december 1969 in zoverre de voorwaarde van hoogdringendheid als bepaald in artikel 1413 Gerechtelijk Wetboek op onweerlegbare wijze wordt vermoed te zijn vervuld (lid 7) en in zoverre de beslagrechter de handlichting niet mag bevelen zolang het bewijs geleverd door de processen-verbaal opgesteld overeenkomstig artikel 59 BTW-wetboek niet is weerlegd of in zoverre de gegevens opgeleverd voor de uitwisseling van inlichtingen door de lidstaten van de Gemeenschap niet verkregen zijn of gedurende de periode van een onderzoek door het parket of door de onderzoeksrechter (lid 10). Deze aspecten die een daadwerkelijk toezicht in de weg staan kunnen ingevolge hun niet-grondwettelijkheid overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet geen toepassing vinden. Met betrekking tot het wettelijk vermoeden van hoogdringendheid dient conform de inhoud van voormelde arresten van het Grondwettelijk Hof en van het Hof van Justitie te worden gesteld dat het communautair evenredigheidsbeginsel noch het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zich verzet tegen een weerlegbaar vermoeden van urgentie (juris tantum) nu dit een effectief rechterlijk toezicht op de inhouding niet in de weg staat. Wat betreft de overige bepalingen van het Besluit werd geoordeeld dat de Koning een volkomen wettig gebruik heeft gemaakt van zijn reglementaire bevoegdheid om uitvoering te geven aan artikel 76 § 1 lid 3 BTW-wetboek, dat derhalve niet is aangetast door ongrondwettigheid in de interpretatie, die eraan gegeven wordt door het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 78/98 van 7 juli 1998 en die aanvaard moet worden als beantwoordend aan de wil van de wetgever, zodat die bepalingen welke niet ongrondwettelijk zijn bevonden, toepassing moeten vinden. Aldus dient, te worden besloten dat de urgentie - in afwijking van artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek - wordt vermoed, doch vatbaar is voor tegenbewijs. Aldus dient - tevens en evenzeer enigszins in afwijking van het gemeenrechtelijk beslagrecht - te worden besloten (Cass. 6 november 2003, F.J.F. 2004, afl. 4, 381): - dat de belastingplichtige, krachtens het tiende lid van artikel 8 § 3, van het voormeld K.B. nr. 4 van 29 december 1969, enkel verzet kan doen tegen de inhouding bedoeld in het vierde en vijfde lid door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek; - dat, krachtens die bepaling, de beslagrechter evenwel de opheffing van het beslag niet kan gelasten zolang het door de processen-verbaal, bedoeld in het zesde lid, geleverd bewijs niet is weerlegd, zolang de gegevens overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschap uitgevaardig-de reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen Lidstaten van de Gemeenschap niet werden bekomen of gedurende een opsporingsonderzoek van het parket of een gerechtelijke onderzoek van de onderzoeksrechter; - dat de hoven en de rechtbanken de aspecten van de regeling vervat in artikel 8 § 3, van het voormelde besluit die een daadwerkelijk toezicht in de weg staan, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet niet mogen toepassen; - dat de bepalingen van het besluit daarenboven moeten worden uitgelegd op een wijze die zoveel mogelijk bestaanbaar is met de strekking van het genoemde artikel 76 van het B.T.W.Wetboek; - dat de omstandigheid dat de schuldvordering van de Administratie, op grond waarvan het belastingkrediet krachtens artikel 8 § 3, vierde lid, van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 wordt ingehouden, in beginsel niet zeker, opeisbaar en vaststaand is, niet wegneemt dat de beslagrechter vermag te toetsen of bedoelde schuldvordering, hoewel betwist, prima facie een zekere en vaststaande vordering uitmaakt in de zin van artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek; - dat het tot de taak van de beslagrechter behoort in het kader van het jurisdictioneel toezicht over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding, te oordelen of de bewijselementen of de aanwijzingen van fraude aangevoerd in de processen - verbaal van de B.T.W.-administratie, de inhoudings-maatregel van de B.T.W.-tegoeden kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportionaliteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. 3.
  6. Bij de beoordeling van de bij artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde kwaliteiten van de vordering van geïntimeerde en van de door appellante dienaangaande aangevoerde argumenten dient te worden uitgegaan van de vaststelling dat de beslagrechter geen bodemrechter is, dat hij oordeelt over de rechtmatigheid en de regelmatigheid van het beslag, dat hij niet mag ingrijpen in de materieelrechtelijke verhoudingen tussen de procespartijen, dat hij slechts een oordeel vormt van de ogenschijnlijke rechten van de partijen, dat hij zich dus niet uitspreekt over de werkelijk tussen hen bestaande rechtsverhoudingen, dat hij de regels, die deze verhoudingen beheersen, niet kan schenden en dat in die optiek de beslagrechter niet gehouden is te antwoorden op middelen, die de ‘grond' van de rechtsverhouding tussen partijen betreffen, of op middelen, die niet dienend zijn betreffende de beoordeling van de litigieuze klaarblijkelijke rechten. De rechter is bevoegd om de belastingschuld zelf waarop de inhouding betrekking heeft te toetsen. Dit betekent dat hij zowel mag nagaan of de schuldvordering, hoewel betwist, een zekere en vaststaande vordering uitmaakt in de zin van artikel 1415 Ger.W., als mag oordelen over de vraag of de aanwijzingen voldoende zwaar wegen om de inhoudingsmaatregel van de BTW-tegoeden te kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportio-naliteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. * voldoende zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering Overeenkomstig hetgeen voorgaand werd overwogen, is de schuldvordering zeker, in de zin van artikel 1415 Gerechtelijk Wetboek, wanneer zij "prima facie" gegrond voorkomt, hetzij voldoende schijn van gegrondheid heeft of niet voor redelijke betwisting vatbaar is (d.w.z. dat er sprake is van een betwisting met een redelijke slaagkans), waarbij de ernst van de aanspraken en het gevoerde verweer tegen elkaar dienen afgewogen te worden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat het proces-verbaal van 30 maart 1994, hetwelk de diverse inbreuken bevat en waarvan niet kan worden betwist dat het regelmatig werd opgesteld, overeenkomstig artikel 59 § 1, 1ste en 2de lid, BTW-wetboek - en op de wijze en in de mate als hiervoor uiteengezet - het bewijs tot bewijs van het tegendeel oplevert, tegenbewijs dat door appellante dient geleverd te worden aan de hand van een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende documenten. Rekening houdend met de aard van de zaak, dient het Hof dan ook met omzichtigheid de door appellante meegedeelde stukken te analyseren en beoordelen De executierechter heeft, gevat zijnde in het kader van een verzet tegen een bewarend beslag, geen macht voormeld proces-verbaal van 30 maart 1994 nietig te verklaren. Het hof stelt dienaangaande - mede in het licht van hetgeen hierna wordt overwogen - vast dat het proces-verbaal dd. 30 maart 1994 zeer nauwkeurig opgaaf doet van: - de periode in de boekhouding waarvoor onregelmatigheden, tekortkomingen of onvolledigheden zijn vastgesteld; - de betwiste facturen, met vermelding van factuurnummer, factuurdatum, zodat geen enkele betwisting of onduidelijkheid kan bestaan over de identificatie van de betwiste leveringen; - de vastgestelde tekortkomingen met betrekking tot de betwiste facturen; de relevante wetsbepalingen, en deze niet alleen opsomt doch ook volledig weergeeft. De voorzegde bewijswaarde van dit proces-verbaal wordt door geïntimeerde enkel aangewend met betrekking tot wat effectief werd vastgesteld. Ten onrechte stelt appellante dat het proces-verbaal van 30 maart 1994 geen bijzondere bewijswaarde zou hebben omdat het gebaseerd is op een strafdossier lastens N.V. OIL HUBA. Appellante blijft immers in gebreke de verzetsprocedure ten gronde te vervolgen en toont niet aan in welke omstandigheden zij brandstoffen zou hebben aangekocht bij OIL HUBA, waarvan gebleken is dat deze nooit handel heeft gevoerd in brandstoffen en de opgegeven bedrijfszetel slechts een zolderkamer betrof. In de procedure ten gronde werd door de rechtbank van eerste aanleg in het eindvonnis van 9 april 2001 geoordeeld dat de verklaring van appellante dat aan de desbetreffende facturen daadwerkelijk leveringen gepaard gaan een loutere bewering is die door niets wordt gestaafd. Aan de hand van het door geïntimeerde voorgelegd onderzoek door de Opsporing Petroleum te Antwerpen, gekend onder de referte CPO.G/90.5 (A en B) wordt de werkelijkheid van de kwestieuze leveringen dieselolie geenszins bewezen. Ook al wordt de schuld van appellante door deze betwist, uit de voorgelegde gegevens kan prima facie worden aangenomen dat de schuld van appellante, zoals vastgesteld in het proces-verbaal van 30 maart 2004 zeker, vaststaand en opeisbaar is. Overigens dient appellante erop gewezen dat het in de eerste plaats aan haar toekomt te bewijzen voor welke leveringen zij geniet van het recht op vrijstelling, en zulks in afwijking van de principiële belastbaarheid van leveringen. En het is juist dit gebrek aan of zelfs totale afwezigheid van bewijsstukken dat aanleiding gaf tot het opstellen van het proces-verbaal dd.30 maart
  7. * spoedeisend karakter Luidens artikel 8/1, §3, vierde lid KB. nr.4 wordt voor de toepassing van de BTW-inhouding de voorwaarde van artikel 1413 Ger.W., met name de voorwaarde van spoedeisendheid, geacht vervuld te zijn. Het vermoeden van urgentie, als bepaald bij art. 1413 Gerechtelijk Wetboek, is voorhanden. De inhoudingen zijn gebeurd in toepassing van voornoemd artikel 8 § 3, 4e lid van het KB nr° 4 van 29 december 1969, zoals gewijzigd door het KB van 29 december
  8. Aldus wordt de urgentie wetshalve vermoed, en moet dit begrepen worden als een vermoeden ‘juris tantum', zijnde een door de belastingplichtige te weerleggen vermoeden. Zelfs al zou aangenomen worden dat de Administratie afbreuk kan doen aan dit vermoeden, dan noch kan appellante niet gevolgd worden, waar zij stelt dat er geen hoogdringendheid bestaat. ER kan niet aan de vaststelling voorbijgegaan worden dat appellante in strafprocedures betrokken was of is. Appellante en de firma OIL-HUBA/L. S. blijken prima facie betrokken te zijn bij een BTW-fraude. De firma van appellante en OIL-HUBA/L. S. maakten het voorwerp uit van diverse strafonderzoeken Overigens bevestigen, veeleer dan ontkrachten, de voorgelegde stukken het vermoeden van urgentie. Uit de voorgebrachte gegevens blijkt, binnen het marginaal toetsingsrecht waarover het Hof beschikt, dat er meer dan ernstige aanwijzingen zijn dat appellante deel uitmaakte van een fraudesysteem nu o.m. het bewijs van effectieve leveringen overeenstemmend met de facturen van Oil-Huba niet werd geleverd. Hieruit volgt dat appellante naar beslagnormen beschikt over een schuldvordering met de vereiste kwaliteit en dat de voor het bewarend beslag vereiste urgentie aanwezig was en is. Appellante brengt geen elementen aan ter weerlegging van het vermoeden van urgentie, vervat in artikel 8/1, §3, 4e lid in fine van het K.B. nr.
  9. De voorwaarde van de urgentie dient geacht te zijn vervuld. Appellante toont niet aan dat de belangen van de schatkist niet in gevaar zouden zij, m.a.w. dat zij voldoende solvabel is. Appellante maakt in dit verband ook ten onrechte gewag van de niet-nakoming door geïntimeerde van de motiveringsplicht. Gelet op het weerlegbaar vermoeden van urgentie, komt het aan appellante toe om het tegenbewijs te leveren, wat zij echter niet doet. De urgentie die bestond ten tijde van de inhouding is zodoende nog steeds aanwezig. Uit de omvang van de fraude en de daaruit voortspruitende BTW-schuld blijkt dat de inning ervan gevaar loop en de inhouding van het veel geringere BTW-tegoed om die reden spoedeisend was. De vordering is zeker, opeisbaar en vaststaande in de zin van art. 1415 Gerechtelijk Wetboek. Het feit dat de appellante een verzet heeft ingesteld tegen het dwangbevel, ontneemt aan de schuldvordering niet het karakter van zeker en vaststaand. De directe opeisbaarheid vervalt, maar niets staat - ter bescherming van de rechtmatige belangen van de overheid - inhoudingen in de weg. Appellante houdt ten onrechte voor dat de inhouding geldend als bewarend beslag onder derden geen gevolgen kan sorteren ingeval van een deficitaire vereffening. De bepalingen m.b.t. de inhouding moeten uitgelegd worden op een wijze die zoveel mogelijk bestaanbaar is met de strekking van artikel 76 BTW-wetboek. Het is onverzoenbaar met het wezen van de door artikel 76 van het BTW-wetboek voorziene inhouding dat een door fraude gecreëerd tegoed in geval van vereffening zou vrijgegeven worden ten voordele van de massa van de schuldeisers van degene die het onrechtmatig gecreëerd zou hebben. De ingehouden tegoeden dienen niet te worden vrijgegeven ten voordele van de vereffening. Het verzet van appellante tegen de inhouding is ongegrond en de bestreden beschikking dient dienaangaande te worden bevestigd. Niets belet appellante de zaak ten gronde door te zetten, nu zij daartoe de wettige middelen heeft. De inhouding inzake is een gevolg van de miskenning door appellante van haar essentiële verplichting tot correcte aangifte en de gevolgen daarvan. Het verzet bij de beslagrechter biedt de gebruikelijke waarborgen. Er is zeker geen inbreuk op artikel 6 E.V.R.M. wanneer de wetgever, zoals in casu, enerzijds de controle van de formele regelmatigheid van de inhouding onderwerpt aan de beslag-rechter en anderzijds de gegrondheid van de aanspraken van de administratie aan de gewone burgerlijke rechter. * mogelijkheid tot schuldvergelijking Appellante stelt dat geïntimeerde zich niet kan beroepen op artikel 1289 B.W., omdat de vordering van geïntimeerde niet vaststaand en effen is, nu het bestaan of het bedrag van de vordering wordt betwist in een gerechtelijke procedure die hangende is voor het Hof van Beroep te Gent (zaak A.R. 2001/AR/2048). De uitsluiting van de mogelijkheid tot schuldvergelijking m.b.t. betwiste belastingen blijkt volgens haar ook uit artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004, welk artikel de mogelijkheid invoert tot fiscale schuldvergelijking in geval van samenloop, doch enkel voor zover het gaat om niet-betwiste belastingschulden. Het Hof stelt vast dat de betwiste ingehouden bedragen van respectievelijk 27.612,86 EUR en 25.079,88 EUR niet werden toegerekend, ingevolge het verzet ten gronde van 5 juli 1994, zodat het verzet van appellante - in uiterst ondergeschikte orde gesteld- op dit punt ongegrond is bij gebrek aan voorwerp. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en ten dele gegrond in de mate zoals hierna bepaald; Zegt voor recht dat de kennisgeving op grond van artikel 93quater WBTW aan de heer notaris D. M. dd.9 juni 1994 zonder uitwerking blijft en bijgevolg niet geldt als een beslag onder derden in de zin van artikel 93quinquies WBTW op de bedragen en waarden die hij krachtens de verkoopakte onder zich houdt, wegens samenloop van de gewone schuldeisers sedert de invereffeningstelling van de beslagen schuldenaar; Zegt voor recht dat de Heer Ontvanger van het BTW-kantoor ten onrechte een hypothecaire inschrijving heeft genomen op de onroerende goederen van de vennootschap na datum van de invereffeningstelling en beveelt derhalve handlichting van het beslag onder derden gelegd bij de heer notaris J. D. M. evenals van de hypothecaire inschrijving; Bevestigt voor het overige de bestreden beschikking voor zover het het verzet van appellante tegen de inhoudingen op grond van artikel 8, §3, 4e lid K.B. nr.4 ongegrond heeft verklaard en haar heeft veroordeeld tot de kosten van het geding in eerste aanleg. Zegt voor recht dat er een wettelijke grond was om het BTW-tegoed van appellante ten belope van 27.612,86 EUR (1.113.900 BEF) en van 25.079,88 EUR (1.011.720 BEF) in te houden en verklaart de inhoudingen van 9 september 1994 en 31 oktober 1994 geldig en regelmatig. Veroordeelt appellante en geïntimeerde elk voor de helft van de kosten van het geding in hoger beroep, begroot als volgt: aan de zijde van appellante: rolrecht 186,00 EUR Verstaat dat de rechtsplegingsvergoeding niet dient te worden begroot nu deze ten laste blijft van elke partij. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 2 juni 2009 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.