id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090604.16 Rolnummer: 2008/AR/1149 Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2009-11-06 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 19:53 Fiche De contractuele prestaties - te weten het bemiddelen bij de internationale adoptie van een Vietnamees kindje - kunnen enkel gekwalificeerd worden als een middelenverbintenis. Opdat een vordering in schadevergoeding zou kunnen slagen, dient het bewijs te worden geleverd dat de bemiddelingsdienst in het concreet adoptiedossier niet de inspanning heeft geleverd die van een normaal gemiddeld persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, wordt verwacht. De lange duurtijd van de adoptieprocedure op zichzelf volstaat niet om te besluiten tot een contractuele tekortkoming in hoofde van de bemiddelingsinstantie. Zo binnen de werking van de bemiddelingsdienst al bepaalde dysfuncties worden aangetoond, volstaat zulks niet om concreet aan te tonen dat het niet optimaal verlopen van de internationale adoptie te wijten is aan een gebrek aan inspanning van die dienst. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Adoptie - Algemeen Vrije woorden: Internationale adoptie - Bemiddelingsopdracht - Middelenverbintenis - Bewijs contractuele fouten en/of tekortkomingen. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de Kamer ________________ Terechtzitting van 4 juni 2009 ________________ 2008/AR/1149 - In de zaak van:
- E. D., wonende te , eerste appellant,
- V. N., wonende te , tweede appellante, beide appellanten hebbende als raadsman mr. VOET Stefaan, advocaat te 8310 ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 265, tegen: CHILDREN'S WELFARE ADOPTION ORGANISATION : RAY OF HOPE V.Z.W., met maatschappelijke zetel te 9290 BERLARE, Galgenberstraat 52A/1, ingeschreven met KBO-nummer 0452.065.827, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN DER GUCHT Willy, advocaat te 9000 GENT, Sint Denijslaan 201 velt het hof het volgend arrest: Appellanten hebben bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 29 april 2008 hoger beroep ingesteld tegen het op 6 september 2007 uitgesproken vonnis van de 3de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, waarbij de vordering van appellanten ontvankelijk werd verklaard, doch werd afgewezen als ongegrond en zij werden veroordeeld tot de kosten van het geding, aldaar nader begroot in hoofde van geïntimeerde. In hun beroepsakte en daaropvolgende beroepsconclusies vorderden appellanten dat het hof: § het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren; § het op tegenspraak gewezen vonnis van 6 september 2007 zou teniet doen en opnieuw wijzende: § geïntimeerde zou veroordelen tot betaling aan hen van de som van 8.916,44 euro, méér de moratoire en gerechtelijke intresten vanaf 21 februari 2006 tot de dag van de integrale betaling; § in ondergeschikte orde, geïntimeerde zou veroordelen om aan hen te betalen de som van 2.512,35 euro, méér de moratoire en gerechtelijke intresten vanaf 21 februari 2006 tot de dag van de integrale betaling; § geïntimeerde zou veroordelen tot de gedingkosten, aldaar nader begroot aan hun zijde. Geïntimeerde vroeg in syntheseconclusies, neergelegd ter griffie op 27 februari 2009 dat het hof het hoger beroep ontvankelijk zou verklaren, doch zou afwijzen als ongegrond en dienvolgens het bestreden vonnis in al zijn onderdelen zou bevestigen, alsook appellanten zou veroordelen tot de kosten in beide instanties, nader begroot aan haar zijde. Op de openbare terechtzitting van 7 mei 2009 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING
- de ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep van appellanten is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren.
- feitelijke en procedurele voorgaanden De feiten waarop de voorliggende vordering is gesteund werden op een objectieve en oordeelkundige wijze uiteengezet door de eerste rechter in het bestreden vonnis (folio 1754 tot 1756), zodat het - om redenen van beknoptheid volstaat hiernaar te verwijzen.
- de gegrondheid van de vordering De door appellanten gevorderde bedragen kunnen in essentie worden terug-gevoerd tot enerzijds een vergoeding voor de schade die zij hebben geleden door de contractuele tekortkomingen van geïntimeerde bij de behandeling en afwikkeling van het adoptiedossier betreffende hun dochtertje Pham Thi Thuy verblijvend in een instelling te Kien An (Vietnam) en anderzijds een terug-vordering van bepaalde door hen reeds aan geïntimeerde betaalde bedragen. 3.
- de contractuele fouten en/of tekortkomingen Met betrekking tot de beweerde contractuele fouten en tekortkomingen in hoofde van geïntimeerde ontwikkelen appellanten in deze instantie dezelfde argumenten als voor de eerste rechter. De eerste rechter heeft deze argumenten zowel in rechte als in feite op afdoende en oordeelkundige wijze beoordeeld, zodat het hof de motieven door de eerste rechter ontwikkeld op de folio's 1757 tot 1764 onderschrijft en - voor zover niet strijdig met hetgeen hierna wordt gesteld - tot de zijne maakt. Er kan immers niet worden ontkend dat de contractuele prestaties - te weten te bemiddelen bij de internationale adoptie van een Vietnamees kindje door appellanten - waartoe geïntimeerde zich ten aanzien van appellanten heeft verbonden, enkel kunnen worden gekwalificeerd als een middelenverbintenis. Geïntimeerde diende bepaalde diensten te verlenen in het kader van de internationale adoptie, doch kon zich er niet toe verbinden om binnen een bepaalde termijn het voor appellanten "ideale adoptiekind" te laten overbrengen. Terecht stelt geïntimeerde dat een overeenkomst met een dergelijke draagwijdte - die een resultaatsverbintenis zou inhouden - minstens op gespannen voet zou staan met de wetgeving inzake mensenhandel. Opdat hun vordering in schadevergoeding zou kunnen slagen, dienen appellanten het bewijs te leveren dat geïntimeerde in hun concreet adoptie-dossier niet de inspanning heeft geleverd die van een normaal gemiddeld persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, wordt verwacht. Appellanten dienen dan ook aan te tonen door welke specifieke en concrete nalatigheden van geïntimeerde zij schade hebben geleden. De lange duurtijd van de adoptieprocedure op zichzelf volstaat niet om te besluiten tot een contractuele tekortkoming in hoofde van geïntimeerde. Inzonderheid betreffende de duurtijd van de adoptieprocedure kunnen ook appellanten niet betwisten dat geïntimeerde luidens de contractuele bepalingen van de op 29 juli 1998 gesloten overeenkomst slechts een middelenverbintenis heeft afgesloten. De overeenkomst tussen partijen gesloten op 29 juli 1998 bevat met betrekking tot de duurtijd van de adoptieprocedure een aantal duidelijke clausules die de aansprakelijkheid van geïntimeerde desbetreffend zeer beperkend omschrijft. In het artikel 2 houdende de verbintenissen van de dienst wordt expliciet gesteld: "De dienst verbindt zich tot behoorlijke uitvoering van haar bemiddelings-opdracht. Vele factoren, vooral in het land van herkomst, maken het echter onmogelijk te beloven dat een kind binnen een vooraf bepaalde termijn aan de adoptanten zal toegewezen worden en naar België gebracht. De dienst wijst erop dat de adoptie van kinderen en in het bijzonder buitenlandse kinderen kan gepaard gaan met moeilijkheden." In het bijzonder met betrekking tot de duurtijd bepaalt artikel 4 van de overeenkomst van 29 juli 1998: "De vermoedelijke duur van de adoptieprocedure van een kind uit Vietnam bedraagt 6 tot 18 maanden vanaf het ondertekenen van deze akte. Gezien de reeds hierboven vermelde redenen kan dit niet als een contractuele verplichting worden beschouwd." Zo appellanten al aantonen dat er binnen de werking van de diensten van geïntimeerde bepaalde dysfuncties hebben bestaan, falen zij in de op hun rustende bewijslast om concreet aan te tonen dat het niet optimaal verlopen van de internationale adoptie te wijten is aan een gebrek aan inspanning van geïntimeerde. Hieraan kan niet worden "verholpen" door stukken die naderhand door verschillende instanties werden opgesteld. Deze stukken hebben immers een algemene strekking, doch bewijzen geen specifieke tekortkomingen in het concrete adoptiedossier van appellanten. Ook het feit dat de contactpersoon van geïntimeerde in Vietnam, de heer Phu Dac, nadien door geïntimeerde uit zijn functie werd ontheven, wijst op zichzelf niet op een concrete tekortkoming aan de middelenverbintenis tussen geïntimeerde en appellanten in hun adoptiedossier. Er kan moeilijk aan geïntimeerde worden verweten dat het adoptiekindje op een bepaald ogenblik lopende de procedure ziek wordt en in het ziekenhuis wordt opgenomen. Nu daarbij op geen enkele wijze is aangetoond dat geïntimeerde kennis had van de hospitalisatie van het kind, kan haar ook niet worden verweten dat zij appellanten hierover niet heeft ingelicht. Dat appellanten door zelf ter plaatse te gaan - toevallig - in contact zijn gekomen met een Vietnamees, de heer Dung, met de nodige "connecties" bij het Comité Populaire, de politiediensten en justitie, waardoor het adoptiedossier vlotter werd gefinaliseerd, bewijst op zichzelf evenmin dat geïntimeerde tekortgeschoten is in haar inspanningen bij de bemiddeling in het adoptiedossier van appellanten. Verder dient te worden opgemerkt dat appellanten door zelf af te reizen naar Vietnam de "exclusiviteitsclausule" vervat in de op 29 juli 1998 afgesloten overeenkomst hebben geschonden en dat zij de argumentatie van geïntimeerde dat zij als professionele organisatie de "officiële" weg diende te volgen en zelfs geen beroep kon/mocht doen op "contactpersonen" zoals de heer Dung, niet weerleggen. Als appellanten nu voorhouden dat zij door zelf ter plaatse te gaan en een beroep te doen op een eigen contactpersoon een doorbraak hebben kunnen forceren in de adoptieprocedure, kan dit gegeven niet worden aanvaard als een afdoende bewijs in rechte dat geïntimeerde zou zijn tekortgeschoten in haar contractuele verplichtingen. Verkeerdelijk menen appellanten zich daarbij te kunnen beroepen op een buitengerechtelijke bekentenis van geïntimeerde in haar schrijven van 12 juni
- Het is duidelijk dat geïntimeerde zich hier in algemene bewoordingen verontschuldigd voor "onprettige ervaringen" doch geen concrete contractuele tekortkomingen erkend. Integendeel wordt in dit schrijven gesteld dat het individuele klachtendossier van appellanten verder moet worden behandeld en dit in het kader van een minnelijke regeling. Dat geïntimeerde desgevallend nà een verdere concrete toelichting betreffende het adoptiedossier van appellanten mogelijks bereid was tot een commerciële geste, bewijst geenszins dat zij in rechte haar contractuele aansprakelijkheid in het adoptiedossier van appellanten zou hebben erkend in dit schrijven. Het opnemen van (morele) verantwoordelijkheid kan immers niet worden gelijk-gesteld met het erkennen van (juridische) aansprakelijkheid. Geïntimeerde - hierin niet tegengesproken door appellanten - voert aan dat deze laatsten geen verder gevolg hebben gegeven aan dit schrijven, evenmin als aan het navolgend schrijven van geïntimeerde van 28 november 2003 waarin hen uitdrukkelijk werd gevraagd de precieze inhoud van hun klachten te laten kennen, met inbegrip van een ontwerp van schadebegroting vergezeld van de bewijsstukken van de gevorderde schade. Terecht dan ook heeft de eerste rechter de vordering van appelanten tot het bekomen van schadevergoeding lastens geïntimeerde afgewezen als ongegrond. Ook in deze instantie hebben appellanten geen middelen of argumenten laat staan afdoende bewijs aangebracht die het hoger staande ontkrachten. Nu ook in deze instantie wordt geoordeeld dat er geen afdoende bewijs in rechte wordt geleverd van contractuele tekortkomingen in hoofde van geïntimeerde die in causaal verband zouden staan met de door appellanten gevorderde schadevergoeding, dient ook het hof hiertoe niet over te gaan. Het hoger beroep is op dit punt ongegrond. 3.
- de aangerekende kosten Appellanten voeren aan ook gegriefd te zijn door het bestreden vonnis, waar niet werd geoordeeld over de terugvordering van bepaalde bedragen die door hen aan geïntimeerde zijn betaald, doch die betrekking zouden hebben op hetzij contractueel niet voorziene kosten, hetzij op prestaties die door geïntimeerde niet zouden zijn geleverd. In het bijzonder vorderen appellanten het bedrag van 2.264,46 euro en het bedrag van 247,89 euro. Zij beroepen zich hierbij op een onverschuldigde betaling, hetzij omdat het bedrag betrekking heeft op een in het contract niet vermelde kost, hetzij omdat geïntimeerde de tegenoverstaande prestatie niet (in voldoende mate) zou hebben geleverd. In de afrekening van 29 juni 2000 wordt een bedrag van 4.000 USD aangerekend voor "sponsoringsproject + opvang kind & werkingskosten weeshuis en sociale dienst" Appellanten argumenteren niet gehouden te zijn tot welkdanige bijdrage in het sponsoringsproject en meent de helft van het door haar betaalde bedrag te kunnen terugvorderen. Dit is kennelijk een "arbitraire" en "forfaitaire" begroting van het bedrag dat aan sponsoring zou zijn besteed. Geïntimeerde weerlegt deze gedeeltelijke terugvordering door te verwijzen naar het punt 5 van de overeenkomst van 29 juli 1998 waarin als kosten in het buitenland is vermeld "kosten pleegouders, weeshuis, instelling waar het kind verblijft." Het hof merkt op dat de door beide partijen overgelegde kopie van de overeenkomst naast de titel "5 Raming van de kosten" de handgeschreven vermelding "zie bijgevoegde lijst" bevat, doch dat geen van beide partijen deze lijst overleggen. Appellanten, op wie als eisers de bewijslast rust, bewijzen bijgevolg niet afdoende naar recht dat hun een kostprijs wordt aangerekend die niet in overeenstemming is met de tussen hen en geïntimeerde gemaakte afspraken, temeer zij noch na de ontvangst van de afrekening enig protest hebben geformuleerd betreffende het aangerekende bedrag, noch binnen een redelijke termijn. Zelfs binnen het jaar hebben zij geen enkele opmerking gemaakt over de betaalde sommen. Dit onderdeel van hun (terug-)vordering dient te worden afgewezen als ongegrond. Verder vorderen appellanten een bedrag van 247,89 euro terug op het aangerekende bedrag voor nazorg, stellend dat zij slechts tweemaal het bezoek kregen van een medewerker van geïntimeerde en dat zij zelf moeten instaan voor het jaarlijks opsturen van het (adoptie)verslag naar Vietnam, hetgeen normaal door geïntimeerde zou worden gedaan tot de 18de verjaardag van het adoptiekind. In ondergeschikte orde stellen zij dat dit bedrag dient te worden herleid. Geïntimeerde voert aan dat er twee huisbezoeken werden afgelegd respectievelijk op 15 september 2000 en op 26 juni 2001, waarna er telkens een nazorgverslag werd opgesteld (st. II 7 en 8 geïntimeerde). Dat geïntimeerde daadwerkelijk heeft ingestaan voor "nazorg" met huisbezoeken gedurende 1 jaar zoals vermeld op de eindafrekening kan dan ook niet ernstig worden betwist. Volgens het laatste verslag opgesteld naar aanleiding van het huisbezoek op 26 juni 2001 (st. II 8 geïntimeerde) waren er geen elementen die ertoe noopten het adoptiegezin verder te volgen en verliep de adoptie naar wens. Evenwel blijkt uit het schrijven van geïntimeerde van 24 maart 2006 dat appellanten de nazorg niet meer willen en dat geïntimeerde akkoord was om voor de resterende jaren een bedrag van 10 euro/jaar over te maken (st. I.
- geïntimeerde). Dit laatste heeft kennelijk betrekking op het toesturen van het jaarlijks (adoptie)verslag naar Vietnam. Rekening houdend met de periode waarin deze jaarlijkse verslaggeving is voor-zien, t.w. tot de 18de verjaardag van het adoptiekind, i.c. 2 april 2017 en het feit dat de nazorg kennelijk werd stopgezet in 2001 - gegeven dat geen van partijen bekend kon zijn op het ogenblik van het opstellen van de afrekening van 29 juni 2000 (st. 6 appellanten), noch op het ogenblik van de betaling door appellanten - kan een terugbetaling worden voorzien voor een periode van 16 jaar. In deze omstandigheden kan het voor "nazorg" gevorderde bedrag worden herleid met 10 euro x 16 (periode 2002 tot 2017) = 160,00 euro. Gezien de ingebrekestelling van appellanten dateert van 21 februari 2006 kunnen op het bedrag van 160,00 euro intresten worden toegekend vanaf deze ingebrekestelling, zoals door appellanten gevorderd. Het hoger beroep is op dit punt (deels) gegrond.
- de kosten Beide partijen vorderen dat de wederpartij zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding in beide instanties, respectievelijk begroot aan hun zijde. De eerste rechter heeft appellanten veroordeeld tot de kosten van het geding, gelet op de ongegrondheid van hun vordering. Nu de in hoofdorde gestelde aansprakelijkheidsvordering van appellanten lastens geïntimeerde in deze instantie eveneens ongegrond werd bevonden en enkel de terugvordering wegens onverschuldigde betaling (deels) gegrond werd bevonden, past het appellanten te veroordelen tot de gedingkosten in beide instanties, waarbij de rechtsplegingsvergoedingen in beide instanties dienen te worden omgeslagen. * * * * * * * * * * OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat geïntimeerde wordt veroordeeld tot (terug-)betaling aan appellanten van een bedrag van 160,00 euro in hoofdsom, vermeerderd met de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 21 februari 2006 tot 15 juni 2006 en de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf dan tot de dag van de algehele betaling. Veroordeelt appellanten tot de kosten van het geding in beide instanties en slaat de rechtsplegingsvergoedingen in beide instanties om. Stelt vast dat deze kosten niet nuttig te begroten zijn. * * * * * * * * * * Repertoriumnr. : 2009/ Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, 11° kamer, op 4 juni tweeduizend en negen. Aanwezig: dhr. Alexander Deene, raadsheer, wnd. kamervoorzitter; mevr. Nadia De Turck, raadsheer; mevr. Kristin Vandenberghe, raadsheer; dhr. Yves Henderickx, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div