id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090604.17 Rolnummer: 2008/AR/0988 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-09 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 19:55 Fiche Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand in het kader van het houden van de bevolkings- en vreemdelingenregisters bepaalde handelingen stelt, is dit in een andere hoedanigheid dan wat betreft zijn beslissingsbevoegdheden inzake de akten van de burgerlijke stand. De dienst bevolking die op basis van een voorgelegde buitenlandse huwelijksakte zou zijn overgegaan tot het afleveren van een attest van immatriculatie en tot een inschrijving in het vreemdelingenregister, kan niet worden gelijkgeschakeld met de ambtenaar van de burgerlijke stand. De aflevering van dergelijk attest en de inschrijving in het vreemdelingenregister impliceert dan ook geenszins een erkenning van die huwelijksakte door de ambtenaar van de burgerlijke stand die bijgevolg nog kan weigeren om de buitenlandse huwelijksakte in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - PERSONEN - Identificatie - Burgerlijke stand - Huwelijk Vrije woorden: Buitenlandse huwelijksakte - doorwerking en erkenning in België - hoedanigheid ambtenaar van de burgerlijke stand Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de Kamer ________________ Terechtzitting van 04-06-2009 _______________ 2008/AR/988 - In de zaak van: DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, met kantoor te 9000 GENT, Koophandelsplein 23, appellant, vertegenwoordigd door substituut-procureur-generaal D. Deraeve, tegen:
- E. F. K., wonende te , eerste geïntimeerde, niet verschenen noch vertegenwoordigd,
- V. H. C., Zonder gekend adres, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE RESE Ulriche, advocaat te 8310 ASSEBROEK, Weidestraat 75, velt het hof het volgend arrest: De appellant heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 11 april 2008 hoger beroep ingesteld tegen het op 18 maart 2008 uitgesproken vonnis van de zevende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waarbij: § het beroep van de geïntimeerden ontvankelijk werd verklaard en de weigerings-beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand te Oostende in verband met de overschrijving van de akte, opgesteld op 22 december 2006 inhoudende het huwelijk tussen de geïntimeerden, gehuwd te Enfidha (Tunesië) op 14 juni 2004, ongegrond werd verklaard; § de voornoemde ambtenaar werd bevolen om over te gaan tot overschrijving van de gezegde huwelijksakte in de registers van de burgerlijke stand, in de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister; § de kosten van de procedure, niet begroot bij gebrek aan opgave, ten laste van de geïntimeerden werden gelegd. In zijn beroepsakte en daaropvolgende beroepsconclusies vorderde de appellant dat het hof het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond zou verklaren, het bestreden vonnis zou tenietdoen en opnieuw wijzend, de weigerings-beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand te Oostende van 22 december 2006 gegrond zou verklaren. Tevens vroeg de appellant dat de geïntimeerden tot de kosten zouden worden veroordeeld. De eerste geïntimeerde vroeg in zijn beroepsconclusies dat het hof het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond zou verklaren en het bestreden vonnis zou bevestigen, met veroordeling van de appellant en de tweede geïntimeerde tot de kosten, zoals nader begroot. De tweede geïntimeerde vorderde dat het hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis zou wijzigen en de weigeringsbeslissing tot erkenning en overschrijving van het huwelijk van de geïntimeerden gegrond zou verklaren, kosten lastens de eerste geïntimeerde. Op de openbare terechtzitting van 7 mei 2009 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING
- Het hoger beroep van de appellant is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep ontvankelijk te verklaren.
- De appellant en de tweede geïntimeerde vorderen de wering uit de debatten van de conclusies van de eerste geïntimeerde, ter griffie neergelegd op 19 december
- Het hof ziet geen enkele reden om die conclusies uit de debatten te weren aangezien de beschikking ex artikel 747 § 2, lid 3 Ger.W. aan de geïntimeerden een conclusietermijn toekende tot en met 31 maart
- Het loutere feit dat de eerste geïntimeerde zijn eerste conclusietermijn niet benutte, ontneemt hem niet het recht om nadien nog te concluderen, inzonderheid nu zijn standpunt de andere partijen reeds bekend was en er geen sprake is van een schending van hun rechten van verdediging. Vermits de eerste geïntimeerde ter terechtzitting van 7 mei 2009 niet is verschenen, noch zijn raadsman, vroeg de appellant terecht zijn voordeel lastens de eerstgenoemde.
- Feitelijke en procedurele voorgaanden De geïntimeerden zijn met elkaar gehuwd op 14 juni 2004 in Enfidha (Tunesië).De eerste geïntimeerde heeft de Tunesische nationaliteit, de tweede geïntimeerde heeft de Belgische nationaliteit. De eerste geïntimeerde deed op 29 augustus 2004 bij de Belgische ambassade in Tunesië een aanvraag voor het bekomen van een visum gezinshereniging, aanvraag dewelke niet verder werd behandeld. Bij fax van 24 november 2005 liet de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Oostende aan het parket van de procureur des Konings te Brugge weten dat de eerste geïntimeerde zijn huwelijksakte had binnengebracht om deze te laten overschrijven in de registers van de burgerlijke stand. De ambtenaar stelde dat de akte pas zou worden overgeschreven na positief antwoord. De raadsman van de eerste geïntimeerde stelde in zijn brief van 5 december 2005 gericht aan de ‘dienst vreemdelingenzaken van en te Oostende' dat zijn cliënt, in afwachting van het advies van het parket, wel een aanvraag tot vestiging kon indienen, hierbij uitdrukkelijk stellende: ‘de erkenning van de buitenlandse huwelijksakte en de aanvraag tot vestiging zijn 2 onderscheiden zaken.' Op 23 december 2005 werd door het gemeentebestuur van Oostende een aanvraag tot vestiging van de eerste geïntimeerde opgemaakt en werd hem een attest van immatriculatie afgeleverd. Vervolgens werd hij op 23 december 2005 ingeschreven in het vreemdelingen-register. Door de vermelding in dit register van de burgerlijke staat ‘gehuwd' werd automatisch de burgerlijke staat van de tweede geïntimeerde in het rijksregister en het bevolkingsregister aangepast naar ‘gehuwd'. De Dienst Vreemdelingenzaken weigerde de aanvraag tot vestiging van de eerste geïntimeerde op 24 april
- Op 22 december 2006 werden de geïntimeerden door de ambtenaar van de burgerlijke stand te Oostende in kennis gesteld van de weigeringsbeslissing om hun huwelijk te erkennen. De burgerlijke staat van de geïntimeerden werd vervolgens aangepast in het bevolkings- en vreemdelingenregister.
- De doorwerking in België van de buitenlandse huwelijksakte Artikel 27 § 1, lid 1 WbIPR vermeldt expliciet dat de (de plano) erkenning van buitenlandse authentieke akten in België gebeurt door alle overheden. Overeenkomstig artikel 27 § 1, laatste lid WbIPR kan ingeval de overheid weigert de geldigheid van de akte te erkennen, beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel
- Volgens artikel 31 § 1 WbIPR kan een buitenlandse authentieke akte betreffende de burgerlijke stand slechts worden vermeld op de kant van een akte van de burgerlijke stand, worden overgeschreven in een register van de burgerlijke stand of als basis dienen voor de inschrijving in een bevolkingsregister, een vreemdelingenregister of een wachtregister, na onderzoek van de voorwaarden bedoeld in artikel 27 §
- Dit onderzoek gebeurt door de bewaarder van de akte of van het register (artikel 31 § 2 WbIPR). Artikel 164 Gw. stelt dat het opmaken van de akten van de burgerlijke stand en het houden van de registers bij uitsluiting behoort tot de bevoegdheid van de gemeentelijke overheid. Artikel 4, lid 1 K.B. 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister bepaalt dat het houden van de registers behoort tot de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen. De ambtenaar van de burgerlijke stand, die ermee belast is alles wat het houden van de registers betreft nauwgezet in acht te doen nemen, is rechtstreeks verantwoordelijk voor het naleven van de desbetreffende reglementering. Hij is ook verantwoordelijk voor het doorsturen van informatie aan het Rijksregister van de natuurlijke personen (zie artikel 4, lid 2 K.B. 16.07.1992 en de Omzendbrief betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, B.S. 15 oktober 1992). Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand in het kader van het houden van de genoemde registers bepaalde handelingen stelt, is dit in een andere hoedanigheid dan wat betreft zijn beslissingsbevoegdheden inzake de akten van de burgerlijke stand. De dienst bevolking van de stad Oostende, die op basis van de voorgelegde huwelijksakte zou zijn overgegaan tot het afleveren van een attest van immatriculatie en tot de inschrijving van de eerste geïntimeerde in het vreemdelingenregister kan derhalve geenszins worden gelijkgeschakeld met de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Oostende. In casu heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand ab initio gesteld de buitenlandse huwelijksakte van de geïntimeerden pas te zullen overschrijven na positief advies van het parket. Wanneer nadien, nota bene op aansturen van de raadsman van de eerste geïntimeerde, door de gemeente een attest van immatriculatie werd afgeleverd en de eerste geïntimeerde werd ingeschreven in het vreemdelingenregister, impliceert zulks geenszins een erkenning van die huwelijksakte door de ambtenaar van de burgerlijke stand. De ambtenaar van de burgerlijke stand kon bijgevolg nog weigeren om de buitenlandse huwelijksakte in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand en diens weigeringsbeslissing dient thans te worden beoordeeld.
- 5.
- Artikel 46 WbIPR voorziet dat, onder voorbehoud van artikel 47, de voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk voor elke echtgenoot beheerst worden door het recht van de Staat waarvan hij bij de voltrekking de nationaliteit had. Een internationaal huwelijk is derhalve geldig gesloten wanneer, voor wat betreft de grondvoorwaarden, beide echtgenoten voldoen aan hun nationale wet en voor wat betreft de vormvoorwaarden de lex locus regit actum (artikel 47 WbIPR) wordt gevolgd. De naleving van de vormvereisten staat ter zake niet ter discussie. De appellant is van mening dat in feite te dezen aan de grondvoorwaarden, meer bepaald de toestemmingsvereiste, niet werd voldaan. De nationale wet van ieder van de echtgenoten dient distributief te worden toegepast, onder voorbehoud van de exceptie van de Belgische internationale openbare orde (cf. artikel 21 WbIPR). Voor de bepaling van het toepasselijk recht in een aangelegenheid waarin partijen niet vrij over hun rechten kunnen beschikken, wordt bovendien geen rekening gehouden met feiten en handelingen gesteld met het enkele doel te ontsnappen aan de toepassing van de door het wetboek IPR aangewezen recht (artikel 18 WbIPR). De Belgische internationale openbare orde vereist dat beide partners de intentie hebben om door hun toestemming tot het huwelijk een duurzame levens-gemeenschap tot stand te brengen. Wetsontduiking kan erin bestaan dat het huwelijk enkel wordt gesloten met het doel de wetten op het verblijf van vreemdelingen te omzeilen. Inzonderheid is er overeenkomstig art. 146bis B.W. naar Belgisch recht geen huwelijk wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de staat van gehuwde. Bijgevolg dient aangetoond te worden, om te kunnen spreken van een schijnhuwelijk, dat minstens één van de echtgenoten tot het huwelijk is toegetreden uitsluitend om een andere reden dan een gezinsstichting. Om van veinzing te kunnen spreken volstaat het dat één van de echtgenoten - te dezen de eerste geïntimeerde - de bedoeling had om het huwelijk van zijn doel af te wenden. Het bewijs van die veinzing wordt geleverd overeenkomstig de Belgische wet, die de procedure regelt, hetzij door alle middelen van recht, vermoedens inbegrepen. Aangezien de intentie van de gehuwden nooit met absolute zekerheid te achterhalen valt, dienen de aangebrachte bewijsmiddelen een beslissend karakter te hebben, met name een eenduidig en niet tegengesproken vermoeden. Eens de aanwezigheid van de intentie ten tijde van het huwelijk om een duurzame levensgemeenschap te vormen bewezen wordt, is het huwelijk geldig, zelfs indien ook andere motieven hebben meegespeeld bij het tot stand komen van het huwelijk. Het betrachten van een verblijfsvoordeel, een materieel voordeel of om het even welk huwelijksvoordeel is immers legitiem en zeker niet onverenigbaar met de werkelijke wil om te huwen voor zover de aanstaande echtgenoten naast het beogen van een huwelijksvoordeel ook de bedoeling hebben gehad om een gebonden levensgemeenschap tot stand te brengen. De vraag die zich stelt is of de geïntimeerden de wil hebben een doelgebonden levensgemeenschap aan te gaan. 5.
- Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval. Uit het politioneel onderzoek blijkt dat de tweede geïntimeerde sedert 2 februari 2005 was ingeschreven op het adres .Ondanks het huwelijk van partijen op 14 juni 2005 was de eerste geïntimeerde pas op dit adres ingeschreven sedert 28 november
- Naar aanleiding van een plaatsbezoek op 17 januari 2006 konden de opstellers geen sporen aantreffen die het huwelijk tussen beiden bevestigden. Er waren twee bedden aanwezig en de geïntimeerden sliepen afzonderlijk. Er konden geen foto's van het huwelijk of van de eerste geïntimeerde worden aangetroffen. De tweede geïntimeerde verhaalde dat de eerste geïntimeerde niet veel thuis was, dat hij vaak weg was en dat ze niet wist waarheen. De geïntimeerden houden er tegenstrijdige verklaringen op na wat betreft hun eerste ontmoeting. Volgens de eerste geïntimeerde leerde hij de tweede geïntimeerde kennen in oktober 2003, hoewel hij anderzijds voorhoudt pas in november 2003 naar België te zijn gekomen (!), terwijl de tweede geïntimeerde verklaarde hem te hebben leren kennen in
- De eerste geïntimeerde gewaagt van een ‘café in ', de tweede geïntimeerde van een tearoom in waar ze met een vriendin naar toe was gegaan. De tweede geïntimeerde weet niet meer wanneer ze precies een liefdesrelatie begon, de eerste geïntimeerde situeert dit begin november 2003, dit hoewel hij eerder verklaarde pas in november 2003 naar België te zijn gekomen. Ook over de afreis naar Tunesië lopen de verklaringen uiteen. Volgens de eerste geïntimeerde is hij twee dagen vóór de tweede geïntimeerde naar Tunesië vertrokken en was hij daar in juni
- De tweede geïntimeerde verhaalt echter dat zij in Zaventem samen met de eerste geïntimeerde werd opgesloten, waarna zij uiteindelijk mocht vertrekken naar Tunesië. De eerste geïntimeerde werd bij gebrek aan geldige papieren gerepatrieerd. Hij zou haar dan in Tunesië hebben opgebeld om hem op te halen. "Ik ging naar Tunesië op vakantie en op 14/06/2004 moest ik plots een trouwkleed aantrekken en huwen met hem. Ik was bang en trouwde met hem."De versie van de tweede geïntimeerde strookt alleszins met deze van de Dienst Vreemdelingenzaken die bevestigde dat de eerste geïntimeerde op 8 juni 2004 gecontroleerd werd op de luchthaven van Zaventem, in het bezit werd gevonden van een volledig valse Italiaanse verblijfskaart en vervolgens gerepatrieerd werd. Terug in België werd de tweede geïntimeerde in het oog gehouden door de familieleden van de eerste geïntimeerde.Deze laatste kwam pas naar België in november
- Tussen maart en november 2005 reisde hij nochtans verschillende keren tussen Tunesië en Frankrijk. "De reden dat ik haar niet opzocht in deze periode was omdat C. zei tegen mij dat ze problemen had en dat ze geen huis had. Ze had een huis gevonden in februari 2005." De eerste geïntimeerde heeft volgens de tweede geïntimeerde verschillende telefoonnummers in Italië, België, Frankrijk en Tunesië. Ze heeft hem betrapt op leugens in verband met zijn tijdsbesteding als ze uit werken was. Tevens was hij niet eenduidig over zijn beroepsactiviteiten. Volgens de tweede geïntimeerde sliepen beide apart, leefden zij niet echt samen en deden ze niets samen.De eerste geïntimeerde had zich laten inschrijven op haar adres zonder dat ze er iets van afwist.Ze verklaarde hem niet te vertrouwen. In april 2006 werd vastgesteld dat de geïntimeerden sedert 9 februari 2006 niet meer onder hetzelfde dak woonden, en dat de eerste geïntimeerde vertrokken was naar een niet nader bekend adres in . Navolgend legde de tweede geïntimeerde nog klacht neer tegen de eerste geïntimeerde wegens intrafamiliaal geweld. In een brief aan de DVZ stelde ze dat hij haar zelfs had proberen om te kopen met een cheque van 3.000,00 EUR om haar ertoe te bewegen tegen de politie te gaan verklaren dat hun relatie goed zat en dat er geen problemen waren met het opzet om zo aan de nodige papieren te geraken. In het kader van een klacht met burgerlijke partijstelling door de tweede geïntimeerde werd de eerste geïntimeerde verhoord op 17 juli 2007.In dit verhoor ontkende hij alle aantijgingen van de tweede geïntimeerde. De verbalisanten noteerden echter: "Gemoedstoestand. moeilijk te omschrijven, meestal lijkt hij normaal te reageren, soms zien we hem grijnzen als we delen van de verklaring van C. voorlezen en helemaal op het einde - op de vraag of hij nog iets toe te voegen heeft - zegt hij dat hij C. nog graag ziet en weet hij plots tranen te voorschijn te toveren...Het geeft ons de indruk toneel te zijn want gedurende gans het verhoor was hij nog niet emotioneel geweest noch de indruk gegeven dat hij het emotioneel moeilijk had...Het kwam dan ook als "niet echt" over toen hij plots enkele tranen uit de ogen perste, meer als een noodmaatregel tegen de nakende repatriëring..." (p. 113 dossier appellant eerste aanleg). Op basis van hogerstaande verklaringen en vaststellingen is het duidelijk dat de eerste geïntimeerde niet met de tweede geïntimeerde in het huwelijk is getreden teneinde met haar een duurzame levensgemeenschap te vormen, maar louter met het oog op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel. De omstandigheden waarin de raadsman van de eerste geïntimeerde aanvankelijk is opgetreden voor de tweede geïntimeerde zijn niet duidelijk en kunnen aan het bovenstaande hoe dan ook geen afbreuk doen. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft dan ook terecht geweigerd om het huwelijk te erkennen.
- De eerste geïntimeerde dient als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep te worden verwezen. Deze kosten worden noch aan de zijde van de appellant noch aan de zijde van de tweede geïntimeerde begroot en kunnen derhalve niet vereffend worden. De kosten gevallen in eerste aanleg dienen ten laste te blijven van de beide geïntimeerden. Ter zake kan het hof enkel vaststellen dat de raadsman van de eerste geïntimeerde toen ook is opgetreden voor de tweede geïntimeerde. * * * * * * * * * * OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende, Wijst de oorspronkelijke vordering van de tweede geïntimeerde af als ongegrond. Laat de kosten gevallen in eerste aanleg ten laste van de beide geïntimeerden. Verwijst de eerste geïntimeerde in de kosten gevallen in deze instantie, aan zijn zijde niet nuttig te begroten, en aan de zijde van de appellant en de tweede geïntimeerde niet te begroten bij gebrek aan opgave. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, 11° kamer, op 4 juni tweeduizend en negen. Aanwezig: dhr. Alexander Deene, raadsheer, wnd. kamervoorzitter; mevr. Nadia De Turck, raadsheer; mevr. Kristin Vandenberghe, raadsheer; dhr. Yves Henderickx, griffier. Y. HENDERICKX K. VANDENBERGHE N. DE TURCK A. DEENE Repertoriumnr. : 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div