← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090604.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090604.18 Rolnummer: 2007/AR/1417 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-18 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 19:55 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ERFRECHT - Erfrecht - Vereffening en verdeling Vrije woorden: Eén der kinderen, begiftigd door beide ouders, overlijdt na het overlijden van moeder en vóór het overlijden van vader. Na het overlijden van vader vereffening en verdeling - schenkingen moeten principieel ingebracht worden - geen bewijs dat er stilzwijgende vrijstelling is voor inbreng - de overlevende echtgenote van de begiftigde, die enige erfgename is van deze laatste, is inbreng verschuldigd voor de helft van de schenking in de nalatenschap van de moeder, maar is geen inbreng verschuldigd voor de andere helft in de nalatenschap van de vader, bij gemis aan wettelijke grondslag. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 4 juni 2009 EINDARREST zaak terug naar de boedelnotarissen na tussenarrest dd. 9.10.'08 - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/1417 van: V. I., , wonende te , appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, door de eerste kamer bis gewezen dd. 2-4-2007, oorspronkelijk eisende partij, hebbende als raadsman mr. DE POOTER Wim, advocaat te 9700 Oudenaarde, Kleine Markt 41 tegen :

  1. P. L., , wonende te ,
  2. P. N., , wonende te ,
  3. P. L. M. J., , wonende te , die in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van D. C. R., A., geboren te op , geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, laatst wonende te , maar hangende het geding overleden op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding als erfgename, blijkens 'AKTE VAN GEDINGHERVATTING', neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 15-4-2008,
  4. D. C. K., , wonende te die in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van D. C. R., A., , geboren te op , geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, laatst wonende te , maar hangende het geding overleden op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding als erfgename, blijkens akte van gedinghervatting, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 15-4-2008,
  5. P. M., , wonende te ,
  6. P. J., , wonende te ,
  7. V. D. W. L. , die in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van P. L., in leven wonende te , geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, maar hangende het geding overleden te op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding, blijkens ‘CONCLUSIE' neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 12-2-2008;
  8. P. B., wonende te , , die in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van P. L., in leven wonende te , geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, maar hangende het geding overleden te op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding, blijkens ‘CONCLUSIE' neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 12-2-2008;
  9. P. T., wonende te , die in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van P. L., in leven wonende te , geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, maar hangende het geding overleden te op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding, blijkens ‘CONCLUSIE' neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 12-2-2008;
  10. P. L., wonende te , die in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van P. L., in leven wonende te , geïntimeerde, oorspronkelijk verweerder, maar hangende het geding overleden te op , akte gevraagd heeft van de hervatting van het geding, blijkens ‘CONCLUSIE' neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 12-2-2008; eerste tien geïntimeerden, oorspronkelijk verweerders, - behoudens geïntimeerde PUISSANT Jozef, die in persoon verschijnt -, hebbende als raadsman, mr. Marc DOUTRELUINGNE, advocaat te 8500 Kortrijk, H. Consciencestraat 9, bij wie WOONSTKEUZE wordt gedaan; velt het hof het volgend arrest. Dit Hof, zelfde kamer, heeft ingevolge het beroep tegen het vonnis dat de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer bis, op 2 april 2007 tussen partijen heeft gewezen, reeds op 9 oktober 2008 een arrest geveld. Partijen voerden ondermeer betwisting over de zwarigheid strekkende tot halvering van de inbreng bedoeld in het genoemd arrest sub 3.
  11. Het Hof verzond de zaak naar de boedelnotarissen om hen een advies te laten geven rekening houdend met de door partijen aangehaalde aspecten van de betwisting, waarbij de geïntimeerden door hun raadsman lieten zeggen dat er plaatsvervulling door appellante zou spelen. Het advies van de boedelnotarissen luidt als volgt: "Ondergetekende notarissen zijn de mening toegedaan dat hier geen sprake kan zijn van plaatsvervulling overeenkomstig artikel 739 e.v. van het burgerlijk wetboek, omdat de voorliggende toestand niet beantwoordt aan de erin opgenomen definities van plaatsvervulling. Anderzijds heeft de aanstelling van zijn echtgenote, mevrouw I. V., tot algemene legataris voor gevolg dat deze laatste de nalatenschap erft met alle eraan verbonden rechten en verplichtingen. Wij menen dat de inbreng van de ontvangen schenkingen één van die verplichtingen is. Hoewel de voorliggende casus niet specifiek behandeld wordt in het burgerlijk wetboek, kan men hieromtrent een analogie zien met de laatste zin van artikel
  12. Als immers mevrouw I. V. niet tot inbreng gehouden was, dan zou dit betekenen dat zij mogelijks meer rechten zou kunnen krijgen uit de nalatenschap van haar schoonvader dan dat haar echtgenoot had kunnen erven van zijn vader, mocht hij zijn vader overleefd hebben. In die zin lijkt het ons zeer logisch dat de inbreng dient te geschieden van de schenkingen die de heer J.P. ontvangen heeft, zowel in de nalatenschap van zijn moeder als in de nalatenschap van zijn vader." Dat advies wordt door de geïntimeerden, vertegenwoordigd door Mr Doutreluingne, volledig onderschreven. Dat betekent dat zij in het argument van de plaatsvervulling terecht niet volharden. Het is slechts als na het openvallen van een nalatenschap wordt overgegaan tot de verdeling ervan, dat blijkt welke inbreng moet gebeuren. De inbreng is een fase in de verdeling. De situatie op het ogenblik van de verdeling is bepalend; niet de situatie op het ogenblik van de schenking. J.P. is als begiftigde vroeger gestorven dan zijn vader, die de schenking deed samen met zijn vrouw. Het Hof kan de boedelnotarissen niet volgen in hun zienswijze dat de inbreng in de nalatenschap van L. P. een verplichting is voor appellante omdat zij de nalatenschap van J.P. erft met alle rechten en verplichtingen: op welke rechtsgrond zij oordelen dat er al op het ogenblik van zijn overlijden een verplichting tot inbreng bestond, wordt door de boedelnotarissen niet uitgelegd en volgens het Hof is dat oordeel onjuist. Ten onrechte stellen de boedelnotarissen dat voor dit specifieke geval in de wet niets is voorzien en dat een oplossing in analogie met de laatste zin van artikel 848 daarom de beste oplossing is. Hetgeen bepaald is in artikel 747 B.W. is precies een tegenaanwijzing dat de wetgever voor dergelijk geval nog rekening hield met een inbreng. Voor de door de boedelnotarissen toegepaste inbreng in de nalatenschap van L. P. is er derhalve geen wettelijke grondslag. De gevraagde halvering is terecht. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; in voortzetting van het arrest van 9 oktober
  13. Zegt dat de zwarigheid strekkende tot halvering van de inbreng gegrond is; Bevestigt het bestreden vonnis waar het de kosten ten laste legde van de massa met dien verstande dat deze kosten enkel bestaan uit de rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van L. P., N. P., L. P., M. P. en de erfopvolgers van R. D. C., begroot op 182,20 EUR; Verzendt de zaak terug naar de boedelnotarissen teneinde de staat van vereffening en verdeling van 26 januari 2006 - reeds aangepast door de staat van 27 april 2006 - nog verder aan te passen volgens de beslissingen, die het Hof heeft genomen in onderhavig arrest en in het arrest van 9 oktober
  14. Zegt dat de rechtsplegingsvergoeding van de aanleg in hoger beroep aan de zijde van enerzijds de appellante en van anderzijds L. P., N. P., L. P., K. D. C., M. P., L. V. D. W., B. P., T. P. en L. P. samen worden gecompenseerd. Legt het rolrecht ten bedrage van 186 EUR voor de ene helft ten laste van appellante. Zegt dat de andere helft van het rolrecht ten laste is van geïntimeerden pro parte hereditatis. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 11e-b kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 4-6-
  15. Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter ; - B. De Wilde, griffier. Gerelateerde publicatie(s) Link JUSTEL: ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20081009.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.