id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090604.20 Rolnummer: Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2010-12-06 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-07-02 19:54 Fiche De wet verplicht de rechter om in te gaan op het verzoek van een min-derjarige met het vereiste onderscheidingsvermogen om gehoord te worden. Het hof stelt een prejudiciële vraag over de verhaalsmogelijk-heid tegen de beslissing van een rechter om een minderjarige ondanks zijn onderscheidingsvermogen niet te horen om andere redenen dan een gebrek aan onderscheidingsvermogen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Voorlopige maatregelen echtscheiding - verblijf kinderen - hoorrecht van minderjarige kinderen - afwijzing - motivering - hoger beroep - Art.931 Ger.W. -prejudiciële vraag. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de ter Kamer ________ Terechtzitting van 04 juni 2009 ________ na tussenarrest dd. 12 maart 2009 ________ TUSSENARREST (prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof - intussen zaak verwezen naar de bijzondere rol) ________ 2009/RK/10 - In de zaak van: B................. B..............., psychologe, wonende te ......................................, appellante, die bij de behandeling van de zaak -ter terechtzitting van 30 april 2009- in persoon is verschenen, appellante van een beschikking op 17 november 2008 verleend in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, hebbende als raadsman mr. VAN DER GUCHT Willy, advocaat te 9000 GENT, Sint Denijslaan 201, tegen: V.................... J..............., luidens de termen van het verzoekschrift tot hoger beroep: geneesheer-specialist, wonende te ................................, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VAN AELST Viktor, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 29, velt het hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het door dit hof en deze kamer gewezen tussenarrest van 12 maart
- Ter beoordeling is nog steeds het hoger beroep ingesteld tegen de tussenbeschikking die op 17 november 2008 in kort geding werd verleend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. In de aldus bestreden beschikking werd onder meer geoordeeld over de (ondergeschikte) tegenvordering van de appellante ertoe strekkende de kinderen van de partijen door de rechter te doen horen in toepassing van art. 931 Ger.W.. Dit verzoek werd gesteld in het kader van gevorderde voorlopige maatregelen in een echtscheidingsprocedure tussen de partijen. De zaak werd voor het hof opnieuw behandeld in openbare terechtzitting op 30 april
- Beide partijen werden gehoord bij monde van hun raadslieden. De appellante was tevens in persoon aanwezig en werd gehoord Substituut-procureur-generaal Chantal LANSSENS werd op dezelfde terechtzitting gehoord in haar advies dat mondeling werd uitgebracht gelet op de omstandigheden van de zaak. De partijen zagen af van hun recht tot repliek. De dossiers van de rechtspleging en de door appellante overgelegde stukken werden ingezien. Enkel de appellante legde een stukkenbundel neer met daarin vijf dossiers. Bundel 1 bevat een inventaris, die 7 stukken vermeldt. Bundel 2 bevat een inventaris, die 10 stukken vermeldt. Bundel 3 bevat een inventaris, die 7 stukken vermeldt. Bundel 4 bevat een inventaris, die 4 stukken vermeldt. Bundel 5 bevat een inventaris, die 1 stuk vermeldt. DE RELEVANTE FEITEN, DE PROCEDUREVOORGAANDEN EN DE VORDERINGEN
- Het hof verwijst kortheidshalve naar het voormeld tussenarrest, behalve voor wat betreft de bestreden beschikking waarvoor het hof duidelijkheidshalve de inhoud herneemt. Bij de bestreden tussenbeschikking in kort geding van 17 november 2008 werd de tegenvordering van de appellante tot het horen van de kinderen in toepassing van art. 931 Ger.W. ongegrond verklaard. De zaak werd verdaagd om de geïntimeerde toe te laten aan te tonen dat hij zijn voornemen om te verhuizen naar het Gentse zal hebben uitgevoerd, hetgeen een dagelijkse opvang in het kader van het door hem gevraagde week-weekverblijf zou kunnen verzekeren. De tussenbeschikkingen van 25 juni 2007 en 31 maart 2008 werden voorts bevestigd. De uitspraak over de kosten werd voorbehouden.
- In het voormeld tussenarrest werd ambtshalve de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep opgeworpen op grond van de volgende overwegingen: ‘(...) Artikel 931, vierde lid in fine Ger.W bepaalt uitdrukkelijk dat tegen de beslissing waarbij het verzoek van de minderjarige om gehoord te worden wordt geweigerd, geen hoger beroep kan worden ingesteld. De wetgever heeft beoogd als algemene regel te stellen dat niet in hoger beroep kan worden gegaan tegen de beslissing van de rechter om de minderjarige al dan niet te horen (POE-LEMANS B., Het hoorrecht van minderjarigen in "De hervorming van de echtscheidingsprocedure en het hoorrecht van minderjarigen", P. SENAEVE en W. PINTENS (eds.) De hervoming van de echtscheidingsprocedure en het hoorrecht van minderjarigen, Maklu, Antwerpen-Apeldoorn, 89-90 en 92-94) (...)' De partijen hadden over deze exceptie initieel geen standpunt ingenomen, zodat het hof overging tot een ambtshalve heropening van de debatten. Er werden voor beide partijen conclusietermijnen bepaald en de zaak werd voor verdere behandeling in voortzetting gesteld op de terechtzitting van deze kamer van donderdag 30 april 2009 om 09.10 uur (gezamenlijke pleitduur 20 minuten). De beslissing over de kosten werd aangehouden.
- De appellante heeft op 2 april 2009 een conclusie na tussenarrest neergelegd ter griffie van het hof. Daarin vordert de appellante: - het hoger beroep, toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens de bestreden beschikking teniet te doen en opnieuw wijzende, te zeggen voor recht dat de drie kinderen van de partijen M....V............ ), J......V...............en B...V.... (overeenkomstig artikel 931 Ger.W. dienen gehoord te worden; - desgevallend voorafgaandelijk volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: ‘ Schendt het art. 931, vierde lid Ger.W. de artikelen 10 en 11 Grondwet in de mate dat er geen verhaalsmogelijkheid is tegen de beslissing van de rechter waarin het verzoek van een minderjarige om te worden gehoord, ondanks zijn onderscheidingsvermogen, toch wordt verworpen om een andere reden dan een gebrek aan onderscheidingsvermogen zodat hij nooit de mogelijkheid zal krijgen om te worden gehoord, terwijl de wet de rechter verplicht het verzoek van een minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen be-schikt in te willigen zodat elke minderjarige met het vereiste onderscheidingsvermogen de kans krijgt te worden gehoord? '; - kosten als naar recht.
- De geïntimeerde heeft eveneens op 2 april 2009 een conclusie neergelegd. Deze conclusie strekt er slechts toe het hoger beroep van de appellante te doen afwijzen als onontvankelijk, met verwijzing van de appellante in de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.200 EUR. BEOORDELING 1.
- Het voorwerp van het geschil betreft onder meer de verblijfsrege-ling voor de minderjarige kinderen van de partijen. In haar conclusies ná sociale studie, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 22 oktober 2008, vorderde de appellante, ondergeschikt, alvorens recht te doen, overeenkomstig art. 931 Ger.W. over te gaan tot het horen van de minderjarige kinderen M.......... V............ S.................., J........ V........... en B.......... V...S....................... Onder stuk 1, bundel 4 van haar dossier met stavingsstukken legt de appellante een (niet gedateerd) briefje over van M........, J......... en B................... met het verzoek aan de rechter om te worden gehoord. 1.
- Dezelfde vraag was voor het eerst gesteld in de conclusie voor de appellante neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 1 februari
- Het voormeld briefje van de kinderen was alsdan overgelegd als stuk
- 1.
- In de (niet bestreden) tussenbeschikking van 31 maart 2008 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde werd onder andere voorlopig -in afwachting van een bevolen sociale studie- beslist over ‘het recht op persoonlijk contact' (sic) van de vader met de minderjarige kinderen en over de onderhoudsbijdrage en tussenkomst in bepaalde buitengewone kosten. Het rapport van aanvullende sociale studie werd neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde op 29 september
- Op het ogenblik van de bestreden beschikking van 17 november 2008 was M........... 11 jaar, J........ 9 jaar en B.............. 8 jaar.
- In de bestreden beschikking overwoog de voorzitter de beslissing om zelf niet over te gaan tot het horen van de kinderen als volgt: ‘(...) Verweerster meent dat in de gegeven omstandigheden, de kinderen minstens dienen te worden gehoord in toepassing van art. 931 Ger.W. Evenwel werden blijkens de termen van de aanvullende sociale studie, de kinderen door de justitieassistente reeds gehoord, (waardoor mag worden aangenomen dat de justitieassistente bij haar besluitvorming rekening heeft gehouden met de inhoud van deze gesprekken) maar was het de uitdrukke-lijke wil van de kinderen dat hun ouders hierover inhoudelijk niets zouden vernemen. Gelet op de tekst van art. 931 Ger.W. is het de partijen en hun raadslieden toegelaten om kennis te nemen van het proces-verbaal van dit verhoor dat aan het dossier van de rechtspleging wordt toegevoegd (cfr. verslag senaatscommis-sie 9-10). Derwijze zouden de kinderen niettegenstaande hun uitdrukkelijk verzoek toch kunnen geconfronteerd worden, met het gegeven dat hun ouders kennis nemen van hun verklaringen, hetgeen, het belang van de kinderen, gelet op de houding van partijen niet dient. Deze vordering komt dan ook in de huidige context niet gegrond voor (...)'. 4.
- De appellante voert vooreerst aan -onder vewijzing naarart.931vierde lid Ger.W.- dat de rechter verplicht is het verzoek van de minderjarige in te willigen. Zij motiveert verder zoals hierna volgt, onder verwijzing naar bepaalde rechtsleer (P............. B., Het hoorrecht van minderjarigen in "De hervorming van de echtscheidingsprocedure en het hoorrecht van minderjarigen", P. S................ en W. PI........... (eds.) De hervorming van de echtscheidingsprocedure en het hoorrecht van minderjarigen, M........., ......................). Slechts uitzonderlijk kan de rechter het verzoek van de minderjarige om te worden gehoord afwijzen, bij een speciaal gemotiveerde beslissing, uitsluitend gegrond op het gegeven dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. De vereiste dat de beschikking speciaal gemotiveerd dient te zijn, houdt in dat de rechter concreet moet aanduiden waarom in een bepaald geval de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. Een andere grond, zoals bijvoorbeeld het feit dat de rechter gezien de aard van het geschil van oordeel is dat het overbodig is het kind te horen, komt niet in aanmerking. De wetgever was van oordeel dat enkel op die wijze de wet in overeenstemming was met art. 12 Kinderrechtenverdrag. 4.
- De appellante is gegriefd waar de eerste rechter zijn beslissing te dezen niet heeft gegrond op het gegeven dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. Zij motiveert dat hoger beroep in die omstandigheden wel degelijk mogelijk moet zijn. 4.
- Er anders over oordelen zou volgens haar leiden tot een ongelijkheid tussen, enerzijds, minderjarigen waarvan, gezien hun on-derscheidingsvermogen, hun verzoek om te worden gehoord wordt ingewilligd, en, anderzijds, minderjarigen waarvan hun verzoek om te worden gehoord, ondanks hun onderscheidingsvermogen, toch wordt verworpen om een andere reden dan een gebrek aan onderscheidingsvermogen. Deze laatste zouden immers nooit de mogelijkheid krijgen om te worden gehoord door de rechter indien hoger beroep ook hier wordt uitgesloten. De appellante acht dit strijdig met art. 12 Kinderrechtenverdrag. Zij vordert in dit verband een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
- Na het tussenarrest beperkt de geïntimeerde er zich toe, onder verwijzing naar art. 931, vierde lid in fine Ger.W., de onontvankelijkheid van het hoger beroep ook in te roepen. Hij gaat niet in op de problematiek van de prejudiciële vraagstelling. 6.
- Art. 931, vierde lid Ger.W. luidt als volgt: ‘Wanneer de minderjarige het verzoek om gehoord te worden aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is of aan de procureur des konings heeft gericht, kan het onderhoud slechts worden geweigerd bijeen speciaal gemotiveerde beslissing, gegrond op het gegeven dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. Tegen die beslissing kan geen hoger beroep worden ingesteld.'. Reeds in het tussenarrest werd overwogen dat de wetgever heeft beoogd als algemene regel te stellen dat niet in hoger beroep kan worden gegaan tegen de beslissing van de rechter om de minderjarige al dan niet te horen. In de voorbereidende werkzaamheden vindt men geen reden waarom een verhaal werd uitgesloten. 6.
- Naar het oordeel van het hof is er, wat betreft voormelde wetsbepaling -binnen de perken van de door de appellant aangevoerde beweegredenen- inderdaad aanleiding tot prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof op de wijze zoals in het dictum van onderhavig arrest verwoord. Deze prejudiciële vraag rijst in omstandigheden die niet over-eenstemmen met de limitatief opgesomde uitzonderingsgevallen die vermeld zijn in art. 26 par. 2 Bijzondere wet Arbitragehof -waarin het aldaar bedoelde rechtscollege niet gehouden is om een prejudiciële vraag te stellen- zodat het hof zich genoodzaakt ziet de prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Dit is immers bevoegd om uitspraak te doen omtrent de schen-ding door een wetskrachtige norm van fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet (artikelen 8 tot en met 32). Aldus kan art. 931, vierde lid Ger.W. worden getoetst aan de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; alvorens verder recht te doen: verwijst de zaak naar het Grondwettelijk hof met verzoek uitspraak te doen omtrent de volgende prejudiciële vraag: ‘Schendt het art. 931, vierde lid Ger.W. de artikelen 10 en 11 Grondwet in de mate dat er geen verhaalsmogelijkheid is tegen de beslissing van de rechter waarin het verzoek van een minderjarige om te worden gehoord, ondanks zijn onderscheidingsvermogen, toch wordt verworpen om andere reden dan een gebrek aan onderscheidingsvermogen zodat hij nooit de mogelijkheid zal krijgen om te worden gehoord, terwijl de wet de rechter verplicht het verzoek van een minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt in te willigen zodat elke minder-jarige met het vereiste onderscheidingsvermogen de kans krijgt te worden gehoord? '; verstaat dat een expeditie van deze beslissing van verwijzing, ondertekend op de wijze als vermeld in artikel 27 par. 1 Bijzondere wet Arbitragehof, zal worden overgezonden naar het Grondwettelijk Hof; zegt dat de procedure wat betreft de hoger aangehaalde geschilpunten in beroep is opgeschort tot de datum waarop het arrest van het Grondwettelijk Hof ter kennis wordt gebracht van het verwijzend rechtscollege en verwijst de zaak inmiddels naar de bijzondere rol; houdt de uitspraak nopens de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde ter kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op vier juni tweeduizend en negen. Aanwezig: mevrouw Sabine De Bauw raadsheer, wn. kamervoorzitter; de heer Lodewijk Langelet griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div