id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090610.15 Rolnummer: 2007/AR/1386 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-09-11 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-07-02 19:56 Fiche De handelsagent stelt zijn principaal niet binnen het jaar in kennis van zijn vordering in uitwinningsvergoeding, zodat hij dit recht verliest. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Handelsagentuur Vrije woorden: Handelsagentuur - beëindiging - verjaring vordering - artikel 20 wet handelsagentuur - verlies vorderingsrecht Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12de BIS Kamer ________ Terechtzitting van 10-06 2009 Nr. 2007/AR/1386 ------------------------- in de zaak van : N.V. OMICRON, (voorheen B.V.B.A. MODITO), met maatschappelijke zetel te 9880 Aalter, Veldemeersdreef 3 en met ondernemingsnummer 0456.624.035, appellante, hebbende als raadsman mr. Hans Herbrant, advocaat met kantoor te 9880 Aalter, Steenweg op Deinze 43b, tegen VOF DEJAEGHER, met maatschappelijke zetel te 9880 Aalter, Tieltsesteenweg 127 en met ondernemingsnummer 0463.578.044, door tussenkomst van haar aandeelhouders : - M. D., bestuurder, wonende te - J. V. D. B., aandeelhoudster, wonende te geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Ivan Van Der Vorst, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Pekelharing 4, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies in openbare terechtzitting. De stukken werden ingezien.
- Met dagvaarding betekend op 03.03.2003 zet de vof Dejaegher, vertegenwoordigd door haar bestuurders, uiteen dat zij sinds 13.10.1998 optrad als handelsagent voor de bvba Modito en dat laatstgenoemde zonder eerbiediging van de wettelijke opzegtermijn de overeenkomst heeft beëindigd; aldus vordert eerstgenoemde de betaling door de bvba Modito van 22.533 euro als opzegvergoeding en 54.080 euro uitwinnings-vergoeding, de rente vanaf 31.03.2002 en de gedingkosten. De bvba Modito bevestigt dat partijen in onderlinge samenspraak een einde hebben gesteld aan de overeenkomst per 01.02.2002 zodat de vordering verjaard is, minstens ongegrond; lopende de procedure neemt de nv Omicron de bvba Modito over en zet zij het geding verder. De vof Dejaegher ontkent dat er minnelijk een einde werd gesteld aan de samenwerking en vordert de neerlegging van de overtuigingsstukken die zij opsomt, in het licht van de begroting der uitwinningsvergoeding. Het vonnis dd. 15.02.2007 op tegenspraak gewezen door de zesde kamer van de rechtbank van koophandel te Gent ontvangt de vordering, verwerpt de verjaring, stelt vast dat de vof Dejaegher heeft aangetoond in te stemmen met een minnelijke beëindiging van de agentuur zodat zij geen aanspraak kan maken op vervangende opzegvergoeding en begroot de uitwinningsvergoeding provisioneel op 7.500 euro, waartoe de nv Omicron wordt veroordeeld; de zaak wordt voor het overige naar de rol verzonden. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 31.05.2007 stelt de nv Omicron tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep in; zij houdt staande dat de vof Dejaegher méér dan één jaar na het einde van de samenwerking en zonder enige voorafgaande aanmaning, aanspraak maakt op een opzeg- en uitwinningsvergoeding, terwijl partijen minnelijk de samenwerking hebben beëindigd per 01.02.2002 en er aldus geen enkele grond bestaat voor de toekenning van enige opzegvergoeding of uitwinningsvergoeding, minstens heeft de vof Dejaegher afstand gedaan van dit laatste; aldus vordert de nv Omicron de afwijzing van de oorspronkelijke aanspraken van de vof Dejaegher als ongegrond. De vof Dejaegher voert aan dat de bvba Modito geen bevrijdende verjaring bewijst, terwijl zij nog op verzoek van laatstgenoemde zélf, per 20.03.2002 een factuur voor "gepresteerde diensten" diende op te stellen zodat de overeenkomst alleszins tot dan duurde; zij betwist evenzeer dat deze samenwerking 'minnelijk' zou zijn beëindigd zodat haar aldus een opzegvergoeding over vijf maand dient toegekend te worden, hetzij 22.533 euro; evenzo voert zij aan dat alle voorwaarden vervuld zijn om ook een uitwinningsvergoeding toe te kennen dewelke zij begroot op 54.080,00 dan wel minstens 52.222,33 euro.
- Partijen betwisten niet dat zij sinds enkele jaren door een mondelinge agentuur-overeenkomst verbonden waren, toen daaraan een einde werd gesteld begin
- Aangezien er geen geschrift bestaat omtrent één en ander, twisten partijen thans omtrent de datum waarop deze samenwerking eindigde. Als enige overtuigingsstukken te dezen brengt de vof Dejaegher de facturen aan die zij in de loop van het jaar 1999 ter betaling heeft aangeboden aan de bvba Modito (stukken nrs. 1 tot en met 10), de jaarrekening voor het jaar 2000 (stuk nr. 11) en de facturen voor het jaar 2001 (stukken nrs. 12 tot en met 23). De facturen werden blijkbaar maandelijks opgesteld voor de prestaties van de maand voordien, zodat mag worden aangenomen dat er van maand tot maand werd verrekend. Terecht benadrukt de nv Omicron ook dat de bedragen (ex-btw) vrij consistent op elkaar aansluiten: zowat 153.000 BEF per maand voor 2000 tot zowat 182.000 BEF voor 2001; terloops mag hierbij worden aangestipt dat het maandgemiddelde dat de vof Dejaegher berekent, bedragen met btw (de facturen) en zonder btw (de jaarrekening) dooreen gebruikt en in zoverre niet relevant is.
- Vervolgens werd een factuur opgemaakt per 07.01.2002, ten bedrage van 234.728 BEF, voor geleverde "commerciële diensten" (stuk nr. 24 geïntimeerde); duidelijk betreft deze factuur diensten die vóór deze uitgifte-datum werden gepresteerd, hetzij in december
- Een tweede - en laatste - factuur werd opgesteld op 01.03.2002 met als nr. 39, "conform afspraak 12,5% op omzet" ten bedrage van 6.590,89 euro (ex-btw - stuk nr. 26 geïntimeerde); volgens het aangehecht bericht werd deze factuur per fax verzonden naar de bvba Modito op 12.03.2002, waarop laatstgenoemde als volgt reageerde met haar brief van 20.03.2002 (stuk nr. 25 geïntimeerde): "In bijlage bezorgen wij u - zoals afgesproken - faktuur nr 39 - dd 01.03.2002 terug. Gelieve ons een aangepaste faktuur te bezorgen van 4.544,62 euro (exclusief btw 21%). Van zodra wij in het bezit zijn van deze nieuwe faktuur - gedateerd op 20.03.2002 - gaan wij ogenblikkelijk over tot betaling van dit bedrag via overschrijving op uw rekeningnummer VOF Dejaegher. Gelieve verder op uw factuur als omschrijving te vermelden: «voor gepresteerde diensten»".
- Het is duidelijk dat er in de factuur van 01.03.2002 enkel prestaties worden aangerekend van vóór deze datum, en zeker niet van ná deze datum. De verbeteringen op deze factuur bewijzen al evenmin dat er ná die datum nog enige activiteit werd ontplooid in het kader van de handelsagentuur; integendeel werpt de bvba Modito precies op dat de vof Dejaegher met betrekking tot de periode vóór 01.03.2001 meer aanrekende dan wat zij had gepresteerd - hetgeen laatstgenoemde zelfs niet eens aanvecht. Ten onrechte roept de vof Dejaegher vervolgens in dat de 'slotfactuur' (zoals zij die zelf omschrijft) pas op 20.03.2002 werd opgemaakt. Vooreerst kan een dergelijke 'slotfactuur' van die datum niet worden aangeduid tussen haar neerliggende overtuigingsstukken. Bovendien is het wel degelijk met de factuur van 01.03.2002 dat zij haar laatste prestaties ten voordele van de bvba Modito aanrekent; het is niet omdat de bvba Modito deze dan (deels) verworpen heeft als overdreven, dat een eventuele correctie (in min) van latere datum, zou kunnen aantonen dat de overeenkomst ondertussen verder liep. Het is daarbij tekenend te moeten vaststellen dat de vof Dejaegher nergens aanvoert dat zij enige opmerking of enig protest heeft laten gelden tegen het verzoek van de bvba Modito om een 'slotfactuur' op te maken, zelfs niet tegen het verzoek van laatstgenoemde om die te verminderen. De bewering dat wat voorafgaat niet noodzakelijk aantoont dat de samenwerking beëindigd was op 01.03.2002, strijdt met de vaststelling dat de vof Dejaegher nergens voorhoudt noch bewijst dat zij ná deze laatste datum nog enige activiteit ten voordele van de bvba Modito zou hebben hernomen. Hieromtrent anders oordelen zou inhouden dat het einde van de samenwerking nooit kan worden vastgesteld, zelfs al levert de agent geen enkele activiteit meer voor de principaal. De bewering dat de bvba Modito zelf aantoonde dat partijen door de overeenkomst gebonden waren, waar zij nog op 20.03.2002 voorstelde om de factuur op die datum op te maken met als omschrijving "gepresteerde diensten", overtuigt al evenmin: de mondeling afgesloten handelsagentuur bestond er niet in facturen op te maken en/of te verbeteren, maar wel om publicitaire ruimte in de uitgaven van de principaal te slijten. Aldus moet blijken dat de vof Dejaegher haar laatste prestaties ten voordele van de bvba Modito aanrekende voor een bedrag van 4.544,62 euro op 01.03.2002, terwijl er geen enkele verdere aanspraak met betrekking tot prestaties vanaf 01.03.2002 voorligt. De vaststelling dat dit bedrag vrij precies strookt met het gemiddelde maandbedrag tijdens het jaar voordien (4.506,67 euro) bewijst nog niet dat de vof Dejaegher alzo enkel prestaties voor één maand, de maand januari, aanrekende. Al evenmin overtuigt de bvba Modito (thans de nv Omicron) aldus in haar uiteenzetting dat de overeenkomst moet zijn geëindigd op 01.02.2002, terwijl zij verder geen enkel ander bewijs aanbrengt voor deze bewering.
- De wet van 13.04.1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst staat er niet aan in de weg dat door een loutere wilsovereenstemming in deze zin, partijen een einde stellen aan hun samenwerking; de wet legt daartoe ook geen (vorm)vereisten op, zodat partijen de datum waarop het contract daadwerkelijk zal eindigen kunnen vastleggen en de agent uiteindelijk zelfs afstand kan doen van zijn recht op opzegtermijn. Hiervóór werd vastgesteld dat de vof Dejaegher haar 'slotfactuur' heeft opgesteld per 01.03.2002, blijkbaar op verzoek van de bvba Modito, terwijl er geen verdere samenwerking wordt aangetoond van ná deze datum. Blijkbaar verwierp laatstgenoemde dan deze factuur omdat er teveel werd aangerekend. Noch ter gelegenheid van deze 'slotfactuur', noch bij de 'verbetering' ervan heeft de vof Dejaegher ooit laten gelden dat de bvba Modito de opzegtermijn niet zou hebben geëerbiedigd; integendeel kon de eerste rechter noteren dat de vof Dejaegher ogenschijnlijk zonder enig voorbehoud gevolg gaf aan deze vraag tot vermindering van haar laatste factuur - verre van enig voorbehoud omtrent opzegvergoeding (of uitwinningsvergoeding) te laten gelden. Aldus kon de eerste rechter aannemen dat partijen in gemeen overleg de beëindiging van hun samenwerking hebben geregeld, terwijl hetgeen voorafgaat toelaat aan te nemen dat ook de opzegtermijn in onderling overleg werd vastgelegd en nageleefd - alleszins heeft de vof Dejaegher daaromtrent de bvba Modito niet nuttig in kennis gesteld van een andersluidende regeling.
- Waar art. 26 van de wet van 13.04.1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit de agentuurovereenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van die overeenkomst en er hiervóór werd vastgesteld dat de overeenkomst beëindigd was op 01.03.2002, leidt de toepassing van art. 54 Ger. W. ertoe dat de termijn van één jaar berekend moet worden tot de dag vóór 01.03.2003, hetzij vrijdag 28.02.
- Bovendien bepaalt art. 20 van diezelfde wet dat de handelsagent zijn recht op de uitwinningsvergoeding verliest indien hij de principaal niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst ervan in kennis gesteld heeft dat hij voornemens is zijn rechten te doen gelden. Waar dit 'verlies' al niet eens kan worden aangemerkt als een proceshandeling in de zin van art. 48 Ger. W. en deze termijn dan ook niet kan worden 'verlengd' in toepassing van art. 53 Ger. W., doet de vof Dejaegher pas blijken van enige aanspraak in uitwinningsvergoeding in de dagvaarding betekend op maandag 03.03.
- Aldus kan er slechts worden vastgesteld dat de vof Dejaegher niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst de bvba Modito in kennis gesteld heeft van haar voornemen om haar rechten te doen gelden en zodoende haar recht op uitwinningsvergoeding verloren heeft.
- Gelet op wat voorafgaat en de concrete omstandigheden van dit dossier enerzijds en anderzijds de vaststelling dat de eerste rechter de beslissing omtrent de kosten heeft aangehouden tot bij de afhandeling ten gronde, hetgeen evenwel pas voor het eerst alhier kon plaats grijpen, worden de kosten voor de eerste aanleg geregeld als onderstaand. Om deze redenen, Het Hof, rechtdoende op tegenspraak; met toepassing van art. 24 van de wet van 15.06.1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; verklaart het principaal hoger beroep toelaatbaar en gegrond; verklaart het incidenteel hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond; vernietigt het aangevochten vonnis en opnieuw wijzende; verklaart de oorspronkelijke vordering van de vof Dejaegher ontvankelijk doch wijst deze af als ongegrond; om de redenen hoger aangehaald, wordt de rechtsplegingsvergoeding voor eerste aanleg over en weer gecompenseerd en wordt elk der partijen verwezen in de overige door hen voorgeschoten kosten met betrekking tot deze instantie; veroordeelt de vof Dejaegher in de kosten van deze instantie, aan de zijde van de nv Omicron op heden begroot op: 186,00 euro rolrecht en 3.000 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen door de twaalfde bis kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Joseph Baudrez, alleenrechtsprekend raadsheer bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terechtzitting op tien juni tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div