← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090610.17

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 10 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090610.17 Rolnummer: 2007/AR/2938 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Insolventierecht Invoerdatum: 2009-10-16 Raadplegingen: 211 - laatst gezien 2026-07-02 19:56 Fiche

  1. Schuldvernieuwing is een overeenkomst waardoor een oude verbintenis verdwijnt en vervangen wordt door een nieuwe verbintenis. Schuldvernieuwing wordt niet vermoed. De wil om ze tot stand te brengen moet duidelijk uit de handeling blijken (artikel 1273 B.W.). De nieuwe verbintenis kan betrekking hebben op een ander voorwerp, een andere schuldeiser of een andere schuldenaar.
  2. De wijziging van de modaliteiten van de overeenkomst brengt geen schuldvernieuwing teweeg.
  3. De tekst van artikel 10,1° van de wet van 20 juli 2005 beperkt de verplichting om een bijkomende verklaring in te dienen niet tot de schuldeisers die genieten van een kosteloze persoonlijke zekerstelling door een natuurlijke persoon. Daaruit kan evenwel niet besloten worden dat elke persoonlijke zekersteller, ook wanneer het een rechtspersoon betreft of wanneer de zekerstelling niet kosteloos werd verleend, bevrijd is wanneer de schuldeiser nalaat de verklaring in te dienen.
  4. De kosteloze aard van de persoonlijke zekerheidstelling is het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de persoonlijke zekerheidsteller kan genieten ten gevolge van de zekerheidstelling
  5. De omstandigheid dat haar mandaat als zaakvoerder niet bezoldigd was, belet niet dat zij minstens als aandeelhouder beoogde een rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel te halen uit de activiteiten van deze vennootschap. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Schuldvernieuwing HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: Schuldvernieuwing - borgstelling - wijziging van modaliteiten - borgtocht - bevrijding kosteloze borg - voorwaarden - faillissement Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 10 juni 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/2938 van:
  6. M. J., wonende te ..................................................., handelend in eigen naam én in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen Y. P., overleden dd. 4-4-2006
  7. M. G. wonende te ...................................................., handelend in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen Y. P., overleden dd. 4-4-2006 appellanten tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de dertiende kamer dd. 3-10-2007, oorspronkelijk verweerders, hebbende als raadsman mr. VERDONCK Jean, advocaat te 8200 St.-Michiels, Koning Albert I-Laan 131 tegen : nv DELTA LLOYD BANK (voorheen: BANK NAGELMACKERS 1747), met zetel te 1210 Brussel, Sterrenkundelaan 23, met ondernemingsnr. 0404.140.107, geïntimeerde,oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. DE ROUCK Stefaan, advocaat te 8900 Ieper, Nijverheidsstraat 2 velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 10 december 2007, hebben J. M. en G. M., (hierna samen "de appellanten" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 3 oktober 2007 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de dertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. J. M. deed dit in eigen naam en in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van Y. P.; G. M. deed dit in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van Y. P. Antecedenten I.
  8. In haar dagvaarding van 23 november 2005 voor de vrederechter van het tweede kanton te Gent zette de nv Delta Lloyd Bank (hierna "Delta Lloyd" genoemd) uiteen dat zij op 6 januari 2004 aan J. M. en Y. P. (hierna samen "M.-P." genoemd), die zich hoofdelijk verbonden, een lening op afbetaling van 58.000,00 EUR had toegestaan. Deze lening was terugbetaalbaar in 48 maandtermijnen van 1.422,93 EUR, waarvan de eerste verviel op 25 januari
  9. Delta Lloyd verklaarde dat M.-P., ondanks herhaalde aanmaning, in gebreke bleven meer dan twee vervaldagen te vereffenen en dat de lening, op grond van artikel 9.b van de overeenkomst en artikel 29,1° van de wet van 12 juni 1991 betreffende het consumentenkrediet (hierna "WCK" genoemd) onmiddellijk opeisbaar was gesteld. Delta Lloyd vorderde de hoofdelijke en ondeelbare veroordeling van M.-P. tot betaling aan haar van 51.359,63 EUR, te vermeerderen met de nalatigheidsintresten aan 9,44% per jaar vanaf 6 november 2005 tot de dag der volledige vereffening en met de kosten van het geding. In conclusies herleidde Delta Lloyd haar vordering, rekening houdend met gedane betalingen, tot een bedrag van 41.813,49 EUR, te vermeerderen met de conventionele intresten aan 9,44% per jaar op 38.039,85 EUR vanaf 30 december 2005 tot de dag der volledige vereffening.
  10. Bij conclusie, neergelegd op 16 augustus 2006 hervatten J. M. en G. M. het geding, in hun hoedanigheid van wettige erfgenaam van Y. P., die overleden was op 4 april
  11. De appellanten besloten tot de ongegrondheid van de vordering van Delta Lloyd. Ondergeschikt vroegen zij dat het bedrag van de lening herleid werd tot het saldo van het nominaal bedrag, zijnde 30.964,33 EUR, en dat zij gemachtigd werden om verder af te korten aan 250,00 EUR per maand. Zij zetten uiteen dat het krediet, waarvan Delta Lloyd de terugbetaling vroeg, bestemd was ter recuperatie van een borgstelling die M.-P. verleend hadden tot zekerheid van de schulden van de bvba Gemig Trading. Deze vennootschap, waarvan Y. P. voorheen aandeelhouder en zaakvoerder was geweest, was op 11 september 2003 in staat van faillissement verklaard. Volgens de appellanten was de vroegere borgstellingsverbintenis niet uitgedoofd ten voordele van een consumentenkrediet, omdat niet voldaan was aan de voorwaarden voor een schuldvernieuwing. Zij argumenteerden dat zij, als kosteloze borgen, bevrijd waren, omdat Delta Lloyd nagelaten had om, binnen de drie maanden na de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet, een verklaring in te dienen ter griffie van de rechtbank van koophandel. Verder stelden de appellanten dat het consumentenkrediet nietig was, omdat de overeenkomst niet gesloten was binnen 20 dagen na raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren. Zij wezen erop dat zelfs geen bewijs voorlag dat Delta Lloyd deze Centrale effectief geraadpleegd had. Subsidiair betoogden de appellanten dat Delta Lloyd de lening op afbetaling had toegekend, zonder rekening te houden met hun terugbetalingscapaciteiten, zodat zij, op grond van artikel 92 WCK ontslagen dienden te worden van de betaling van nalatigheidsintresten en hun verplichtingen dienden beperkt te worden tot het nominaal ontleende bedrag, onder aftrek van de reeds uitgevoerde betalingen. Uiterst subsidiair hielden de appellanten voor dat afgesproken was dat zij pas dienden terug te betalen nadat de lening bij notariële akte met hypotheekvestiging was vastgesteld.
  12. De vrederechter stelde vast dat de vordering betrekking had op een lening op afbetaling van 58.000,00 EUR en dat bij notariële akte van 6 mei 2004 een hypotheek was gevestigd. Hij wees erop dat de WCK niet van toepassing was op kredietovereenkomsten, vastgesteld bij authentieke akte, voor bedragen hoger dan 20.000,00 EUR. Verder overwoog hij dat het op zijn minst te betwijfelen was of M.-P. als kredietnemers de hoedanigheid van consument hadden, aangezien de lening niet aangegaan werd voor privégebruik. Hij verwees de zaak naar de arrondissementsrechtbank te Gent met het oog op de aanwijzing van de bevoegde rechter.
  13. In een vonnis van 23 april 2007 overwoog de arrondissements-rechtbank dat de vraag of de lening die M.-P. afsloten al dan niet novatie teweeg bracht, geen belang had voor het bepalen van de bevoegdheid. De rechtbank stelde vast dat de lening werd aangegaan om een bepaalde schuld te delgen, die ontstaan is wegens de beroepsactiviteit van Mi.-P., die zaakvoerders waren van de vennootschap, waarvoor zij zich borg hadden gesteld. Aangezien niet kon gesteld worden dat M.-P. gehandeld hadden met een oogmerk vreemd aan hun beroepsactiviteiten, had de vrederechter volgens de arrondissementsrechtbank terecht een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Vermits zij geen handelaars waren en het enkel aangaan van een borgstelling voor een vennootschap niet meebracht dat hierdoor een daad van koophandel werd gesteld, verwees de arrondissementsrechtbank de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent.
  14. In conclusies, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg, zette Delta Lloyd uiteen dat, lopende het geding, inmiddels één van de in hypotheek gegeven goederen verkocht was. Rekening houdend met de uit deze verkoop ontvangen som en met de gedane betalingen, herleidde zij haar vordering tot 10.626,79 EUR, te vermeerderen met de conventionele intresten aan 9,44% per jaar vanaf 11 juli 2007 tot de dag van de volledige vereffening. De appellanten, die volhardden in hun verweer, stelden in zeer ondergeschikte orde dat Delta Lloyd het schadebeding verkeerd berekend had en dat er bovendien ook fouten geslopen waren in haar afrekening. Volgens hen kon maximaal nog 10.173,89 EUR verschuldigd zijn.
  15. De eerste rechter verklaarde de vordering van Delta Lloyd ontvankelijk en in de volgende mate gegrond: hij veroordeelde de appellanten solidair tot betaling aan Delta Lloyd van 51.359,63 EUR, te vermeerderen met de moratoire intrest aan 7% per jaar vanaf 6 november 2005, vanaf de dagvaarding als gerechtelijke moratoire intrest, tot op de dag van de algehele betaling; hij zegde dat de sommen van 729,30 EUR + 8.000,00 EUR + 1.422,93 EUR overeenkomstig artikel 1254 B.W. op de afrekening in mindering mochten worden gebracht en hij verwees de appellanten in de kosten van het geding. De eerste rechter overwoog dat de discussie over de nietigheid van de borgstelling niet aan de orde was, aangezien de appellanten vóór de sluiting van het faillissement van de bvba Gemig Trading een lening op afbetaling afsloten tot recuperatie van deze borgstelling en deze afbetalingen gedurende geruime tijd hebben uitgevoerd. Hij meende dat de vordering kon worden toegekend voor de hoger vermelde sommen. De conventionele moratoire rente van 9,44% per jaar ging volgens hem kennelijk de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven en werd herleid tot de wettelijke intrest, die op dat ogenblik 7% per jaar bedroeg. Ten slotte was de eerste rechter van oordeel dat de appellanten niet bewezen aan de hand van stukken over hun inkomsten dat zij ongelukkig en te goeder trouw waren. Bovendien stelde hij dat zij zelf sedert december 2005 reeds voldoende termijnen hadden genoten. II.
  16. Het hoger beroep van de appellanten strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis teniet doet en, opnieuw wijzende, de vordering van Delta Lloyd ongegrond verklaart. Bovendien verklaren de appellanten, bij wijze van uitbreiding van hun initiële vordering, terugbetaling te vorderen van de door hen reeds verrichte betalingen tot beloop van 63.786,04 EUR, meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de respectieve betalingen tot aan de dag der algehele terugbetaling. Minstens vragen zij dat het hof de vordering van Delta Lloyd vermindert tot het nominaal ontleend bedrag. In dat geval vragen zij de veroordeling van Delta Lloyd om het reeds teveel betaalde bedrag van 5.766,04 EUR terug te betalen, meer de gerechtelijke intresten vanaf 11 juli 2007 tot de dag der algehele betaling. Uiterst subsidiair vragen de appellanten machtiging om verder af te korten aan 250,00 EUR per maand. Ten slotte vorderen zij de veroordeling van Delta Lloyd tot de gerechtskosten. De appellanten formuleren zes grieven tegen het bestreden vonnis: - er heeft geen novatie plaatsgevonden; schuldvernieuwing kan immers niet zonder de toestemming van de schuldenaar tot stand komen; - ten onrechte heeft de eerste rechter zich niet uitgesproken over het tenietgaan van de borgstelling wegens het feit dat Delta Lloyd nagelaten heeft de door de wet van 20 juli 2005 opgelegde verklaring te doen; - de eerste rechter motiveerde niet waarom de leningsovereenkomst onder het gemeen recht valt; - de ambtshalve herkwalificatie naar een lening, zonder daaromtrent de debatten te heropenen, maakte een schending uit van de rechten van verdediging; - de leningsovereenkomst is niet geldig aangegaan, zowel in de hypothese dat het om een consumentenkrediet gaat als naar gemeen recht; - de eerste rechter heeft niet geantwoord op de opmerkingen van de appellanten omtrent de cijfermatige begroting van de vordering; bovendien heeft hij een op 11 juli 2007 uitgevoerde betaling niet verrekend.
  17. Delta Lloyd vraagt dat zowel het hoofdberoep als de zogenaamde eisuitbreiding van de appellanten, die zij als een nieuwe eis beschouwt, ongegrond worden verklaard. Zij stelt incidenteel hoger beroep in tegen het bestreden vonnis, in de mate dat de intresten herleid werden tot 7% per jaar. Zij vraagt dat de appellanten veroordeeld worden tot betaling aan haar van 50.984,63 EUR, te vermeerderen met de conventionele nalatigheidsintresten aan 9,44% per jaar vanaf 5 november 2005 tot de dag der volledige vereffening, onder aftrek van betalingen van 729,30 EUR op 24 november 2005, van 8.000,00 EUR op 29 november 2005, van 1.422,93 EUR op 30 december 2005 en van 36.750,37 EUR op 11 juli 2007, met dien verstande dat deze betalingen overeenkomstig artikel 1254 B.W., minstens overeen-komstig artikel 27bis§5 WCK in mindering dienen gebracht te worden. Ten slotte vordert Delta Lloyd dat de appellanten veroordeeld worden tot de kosten van het geding. Beoordeling I.
  18. Er ligt geen exploot van betekening voor van het bestreden vonnis. Het hoger beroep, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep.
  19. Voor de eerste rechter hebben de appellanten geen tegenvordering ingesteld. Voor het eerst in hoger beroep vorderen zij de terugbetaling van 63.786,04 EUR, vermeerderd met intresten vanaf de respectieve data van betaling. Delta Lloyd betwist de ontvankelijkheid van deze tegenvordering niet. II.
  20. Bij onderhandse akte van 15 februari 1999 stond de nv Bank Nagelmackers 1747, die de rechtsvoorganger is van Delta Lloyd, een krediet van 2.000.000 BEF toe aan de bvba Gemig Trading. Op 26 april 2000 werd dit krediet verhoogd tot 2.500.000 BEF. Bij onderhandse akten van 15 februari 1999 en 26 april 2000 stelden M.-P. zich hoofdelijk en ondeelbaar borg tot beloop van in totaal 2.500.000 BEF in hoofdsom voor de terugbetaling van alle sommen die de bvba Gemig Trading verschuldigd zou zijn aan de nv Bank Nagelmackers
  21. Op 17 januari 2003 verkocht Y. P. 75 aandelen van de bvba Gemig Trading aan S. A. voor de prijs van 1,00 EUR. Bovendien nam zij ontslag als zaakvoerder van deze vennootschap. Op 11 september 2003 werd de bvba Gemig Trading in staat van faillissement verklaard. Delta Lloyd deed aangifte van schuldvordering voor 82.005,65 EUR. Dit faillissement werd op 13 september 2005 gesloten bij gebrek aan actief.
  22. Delta Lloyd stond aan M.-P. een lening op afbetaling toe voor een nominaal bedrag van 58.000,00 EUR, terugbetaalbaar in 48 maandelijkse schijven van 1.422,93 EUR vanaf 25 januari
  23. Deze lening, die als datum van ondertekening 6 januari 2004 vermeldt, had als bestemming: "recuperatie borgstelling BVBA Gemig Trading." Verder wordt daarin bedongen dat zij onderworpen is aan de wet van 12 juni 1991 (betreffende het consumentenkrediet). Op 6 mei 2004 werd voor notaris D. te Geraardsbergen een authentieke "kredietopening - consumentenkrediet" verleden. Daarin werd bedongen dat in het voordeel van M.-P. een krediet geopend werd van 58.000,00 EUR "in het kader van een dading tussen partijen betreffende de vroegere borgstelling." Dit krediet werd gewaarborgd door een hypotheek in tweede rang op twee onroerende goederen van M.-P., respectievelijk te B. en te K.
  24. Bij aangetekende brief van 6 oktober 2005 stelde Delta Lloyd M.-P. in gebreke om de betalingsachterstand inzake de terugbetaling van de lening op afbetaling, die op dat ogenblik 16.507,09 EUR bedroeg, aan te zuiveren. III.
  25. Het is de stelling van Delta Lloyd dat de borgstelling van M.-P. tenietgegaan is door schuldvernieuwing. Schuldvernieuwing is een overeenkomst waardoor een oude verbintenis verdwijnt en vervangen wordt door een nieuwe verbintenis. Schuldvernieuwing wordt niet vermoed. De wil om ze tot stand te brengen moet duidelijk uit de handeling blijken (artikel 1273 B.W.). De nieuwe verbintenis kan betrekking hebben op een ander voorwerp, een andere schuldeiser of een andere schuldenaar (VAN GERVEN, W., Verbintenissenrecht, 2006, p. 627 e.v.). Het contract van lening op afbetaling van 6 januari 2004 en de authentieke akte kredietopening van 6 mei 2004 hebben geen vervanging van schuldenaar of schuldeiser teweeggebracht. Zij hadden evenmin tot gevolg dat het voorwerp van de schuld vernieuwd werd. Zij strekten er enkel toe de modaliteiten van de borgstellingsverbintenis te wijzigen (vgl. VAN GERVEN, W., a.w., p. 628). Ingevolge de wanbetaling, minstens het faillissement, van de bvba Gemig Trading, werden de kredieten die aan haar waren toegekend, onmiddellijk en volledig opeisbaar gesteld. De bvba Gemig Trading kon de schuld, die volgens de aangifte van schuldvordering 82.005,65 EUR bedroeg, niet terugbetalen. Haar faillissement werd gesloten bij gebrek aan actief. Als hoofdelijke en ondeelbare borgen waren M.-P. in beginsel gehouden tot onmiddellijke aanzuivering van het volledige bedrag, waarvoor zij zich borg hadden gesteld. Het contract van lening op afbetaling, bevestigd in de authentieke akte kredietopening, bood hen evenwel de mogelijkheid om de terugbetaling van het bedrag waarvoor zij zich borg gesteld hadden, te spreiden over een periode van vier jaar. De lening op afbetaling of de kredietopening hielden aldus een regeling van uitstel van betaling in van de borgstellingen. Dit blijkt met zoveel woorden uit zowel de onderhandse lening op afbetaling, waarin als bestemming van het geleende bedrag vermeld werd: "recuperatie borgstelling BVBA Gemig Trading", als uit de authentieke akte, waarin gesteld werd dat het krediet geopend werd "in het kader van een dading tussen partijen betreffende de vroegere borgstelling." Dat de lening of het krediet slechts een betalingsmodaliteit uitmaakte en dat de verbintenis uit de borgstelling daardoor niet teniet ging, blijkt uit de eigen brief d.d. 19 oktober 2005 van Delta Lloyd, waarin zij, op verzoek van M.-P., een overzicht gaf van de gedane afbetalingen. Deze brief vermeldde als referentie "Betreft: uw borgstelling voor de BVBA Gemig Trading."
  26. De appellanten kunnen niet bijgetreden worden waar zij stellen dat de borgstelling tenietgegaan is omdat Delta Lloyd geen verklaring afgelegd heeft binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de faillissementswet. 2.
  27. Voor de lopende faillissementen, die nog niet waren afgesloten op het moment dat de wet van 20 juli 2005 in werking trad, bepaalt artikel 10,1° van deze wet: "de schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerstelling dient binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet bij de griffie van de rechtbank van koophandel een bijkomende verklaring in met vermelding van de naam, voornaam en het adres van de persoonlijke zekersteller. Bij gebreke hieraan is die zekersteller bevrijd". Delta Lloyd bewijst niet - en houdt trouwens ook niet voor - dat zij tussen 7 augustus 2005 - datum van inwerkingtreding van de wet van 20 juli 2005 - en 13 september 2005 - datum waarop het faillissement van de bvba Gemig Trading gesloten werd - een bijkomende verklaring heeft ingediend. De tekst van artikel 10,1° van de wet van 20 juli 2005 beperkt de verplichting om een bijkomende verklaring in te dienen niet tot de schuldeisers die genieten van een kosteloze persoonlijke zekerstelling door een natuurlijke persoon. Daaruit kan evenwel niet besloten worden dat elke persoonlijke zekersteller, ook wanneer het een rechtspersoon betreft of wanneer de zekerstelling niet kosteloos werd verleend, bevrijd is wanneer de schuldeiser nalaat de verklaring in te dienen. Voor de nieuwe faillissementen geldt de bevrijding, ingeval van nalatigheid van de schuldeiser om in de aangifte van schuldvordering of in een verklaring binnen zes maanden vanaf de datum van het vonnis van faillietverklaring melding te maken van de persoonlijke zekerstellers, enkel in het voordeel van de natuurlijke persoon, die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de gefailleerde (artikel 63, tweede lid faillissementswet). De overgangsregeling strekt er enkel toe de termijnen vast te leggen waarin, voor de toepassing van de wet, de daarin vermelde formaliteiten dienen nageleefd te worden voor de faillissementen die reeds opengevallen waren bij de inwerkingtreding van de wet. Uit de redactie van artikel 10, eerste lid, 1° van de wet van 20 juli 2005 kan niet afgeleid worden dat de wetgever daarmee beoogde de bevrijding voor de lopende faillissementen uit te breiden tot andere zekerstellers dan de natuurlijke personen die zich kosteloos zeker hebben gesteld. Voor een dergelijke uitbreiding bestond trouwens geen verantwoording, temeer omdat ook in het artikel 82, eerste lid, van de faillissementswet, zoals het gold vóór de wijziging door de wet van 20 juli 2005, enkel de natuurlijke persoon die zich kosteloos borg had gesteld, kon bevrijd worden. De bevrijding blijft aldus, ook in het kader van de overgangsregeling, beperkt tot de kosteloze persoonlijke zekerheidsteller. In een arrest van 17 april 2008 heeft het Grondwettelijk Hof trouwens overwogen dat uit de tekst van de artikelen 4, 5 en 7 van de wet van 20 juli 2005 blijkt dat de wetgever de bevrijding heeft willen regelen van de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker hebben gesteld voor de gefailleerde en dat het verschil in redactie tussen de artikelen 4 en 10, eerste lid, 1° van de wet van 20 juli 2005 voortvloeit uit een onnauwkeurigheid tijdens de parlementaire behandeling ervan. Het Hof besliste dan ook dat artikel 10, eerste lid, 1° het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt in de interpretatie volgens de welke met de woorden "de persoonlijke zekersteller" zowel de niet-kosteloze als de kosteloze persoonlijke zekerheidstelling wordt bedoeld. Het Hof oordeelde bovendien dat dezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in de interpretatie dat met de woorden "de persoonlijke zekersteller" enkel de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld, wordt bedoeld. M.-P. waren aldus niet bevrijd door het enkele feit dat Delta Lloyd nagelaten heeft de bijkomende verklaring, waarvan sprake in artikel 10, eerste lid 1° van de wet van 20 juli 2005 in te dienen. 2.
  28. M.-P. zouden, onder de voorwaarden in de wet bepaald, slechts van hun verbintenis ten aanzien van Delta Lloyd bevrijd zijn geweest, indien zij kosteloze zekerheidstellers waren. De wet definieert het begrip "kosteloze borg" niet. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt de bedoeling van de wetgever om enkel de natuurlijke personen te bevrijden die door hun bereidwilligheid verplicht zijn om de schulden van de gefailleerde te delgen, terwijl zij geen persoonlijk belang hebben bij de betaling van die schulden. De kosteloze aard van de persoonlijke zekerheidstelling is het ontbreken van enig economisch voordeel, zowel rechtstreeks als onrechtstreeks, dat de persoonlijke zekerheidsteller kan genieten ten gevolge van de zekerheidstelling (CASS. 26 juni 2008, inzake C.07.0596.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.9, T.B.H., 2008, 728 en inzake C.07.0546.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8, Rev. prat. soc, 2008, 84). Het blijkt niet dat M.-P. een concrete tegenprestatie hebben bedongen voor het aangaan van de zekerheidstelling. Deze omstandigheid is evenwel niet bepalend voor de oplossing van de vraag of de zekerheidstelling kosteloos is in de zin van de wet (CASS. 26 juni 2008, inzake C.07.0596N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.9). Voor de beoordeling van de kosteloosheid van de borgstelling dient de rechter zich te plaatsen op het ogenblik waarop de zekerheidstelling werd verleend (CASS. 26 juni 2008, inzake C.07.0546.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8, en CASS. 14 november 2008 inzake C.07.0417.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.5, www.cass.be). De borgstellingen werden verleend tot zekerheid van kredieten, aanwendbaar als kaskrediet en voor disconto van bankaccepten, m.a.w. om de bvba Gemig Trading toe te laten haar handelsactiviteiten uit te oefenen. Op het ogenblik van het aangaan van de kredieten en het toestaan van de borgstelling was P. (enige) vennoot en zaakvoerder van de bvba Gemig Trading. De omstandigheid dat haar mandaat als zaakvoerder niet bezoldigd was, belet niet dat zij minstens als aandeelhouder beoogde een rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel te halen uit de activiteiten van deze vennootschap. De appellanten zijn, blijkens de door hen voorgelegde erfrechtverklaring, opgesteld door notaris P. te Gent, de enige wettige erfgenamen van P.. Zij kunnen de bevrijding van de borgstelling niet inroepen.
  29. De betwisting over de vraag of de lening op afbetaling, die op 6 januari 2004 werd toegestaan aan de appellanten, een consumentenkrediet was in de zin van de wet van 12 juni 1991, werd ambtshalve opgeworpen door de vrederechter in het kader van zijn onderzoek omtrent de materiële bevoegdheid. De arrondissementsrechtbank kwam tot het besluit dat de WCK niet van toepassing was. Deze beslissing bond de eerste rechter, wat de bevoegdheid betreft, doch liet zijn recht om over de rechtsgrond te oordelen, onverkort bestaan (artikel 660, tweede lid Ger.W.). Ook na het vonnis van de arrondissementsrechtbank hebben de appellanten de strijdigheid van de lening met volgens hen toepasselijke bepalingen van de wet betreffende het consumenten-krediet ingeroepen. De eerste rechter heeft klaarblijkelijk met dit verweer geen rekening gehouden, zonder hieromtrent evenwel te motiveren.
  30. De WCK is van toepassing op de kredietovereenkomsten gesloten met een consument (artikel 2 van de wet van 12 juni 1991). Onder consument wordt verstaan elke natuurlijke persoon die ten aanzien van de onder de wet vallende verrichtingen handelt met een oogmerk dat geacht kan worden vreemd te zijn aan zijn handels-, beroeps- of ambachtelijke activiteiten (artikel 1,1° WCK). De lening op afbetaling, die Delta Lloyd toestond aan M.-P., was bestemd tot voldoening van de verbintenissen op grond van een borgstelling. Deze borgstelling was verleend tot zekerheid van een schuld, toegestaan aan een vennootschap waarvan P. enige zaakvoerder en aandeelhouder was. Rekening gehouden daarmee kan worden aangenomen dat dit geen consumentenkrediet was in de zin van de WCK. Evenwel hebben de partijen bij deze lening op afbetaling de bepalingen van de WCK conventioneel toepasselijk verklaard op hun rechtsverhouding. In het onderhands contract hebben zij uitdrukkelijk bedongen: "Deze overeenkomst is onderworpen aan de Wet van 12/6/91." De authentieke akte van 6 mei 2004, vermeldde als titel: "kredietopening - consumentenkrediet."
  31. De appellanten werpen op dat M.-P. het geld, waarop de lening betrekking heeft, nooit hebben ontvangen. De WCK definieert de lening op afbetaling als een kredietovereenkomst, ongeacht de benaming of de vorm, waarbij geld of een ander betaalmiddel ter beschikking wordt gesteld van een consument, die zich ertoe verbindt de lening terug te betalen door periodieke stortingen (artikel 1,11° WCK). Het blijkt niet dat Delta Lloyd geld of andere betaalmiddelen ter beschikking heeft gesteld van M.-P. Wel heeft zij hen een krediet toegezegd, in de vorm van uitstel van betaling van hun schuld op grond van de borgstellingen. Dit beantwoordt aan het begrip kredietovereenkomst in de zin van artikel 1,4° van de wet van 12 juni
  32. In de authentieke akte met hypotheekstelling van 6 mei 2004 is trouwens uitdrukkelijk sprake van een krediet. Het feit dat dezelfde overeenkomst in de onderhandse akte als een "lening op afbetaling" werd gedefinieerd, tastte de geldigheid van deze overeenkomst niet aan en deed geen afbreuk aan de terugbetalingsverplichting van M.-P.
  33. Onverminderd de vaststelling dat de appellanten niet aantonen dat Delta Lloyd M.-P. gedwongen zou hebben tot het aangaan van dit krediet, blijkt geenszins dat Delta Lloyd door het toestaan daarvan een hogere rente verwierf dan deze, verschuldigd op grond van de borgstellingsakten. Deze akten bepaalden dat, vanaf de verzending van de aanmaning door de bank aan de schuldenaar, het bedrag waarvoor een beroep werd gedaan op de waarborg van de borgen, van rechtswege en zonder aanmaning rente opleverde tegen dezelfde intresten en voorwaarden als deze die krachtens de overeenkomst tussen de bank en de hoofdschuldenaar verschuldigd waren. Blijkens de akte kredietopening, toegestaan aan de bvba Gemig Trading op 15 februari 1999, bedroeg de rente op het kaskrediet 8% per jaar. Bovendien bepaalde het algemeen reglement voor kredietopeningen dat, in geval van opeisbaarheid van het krediet, de conventionele rente verhoogd werd met 2% en bovendien een driemaandelijkse commissie van 1% verschuldigd was op het hoogste debetsaldo van het afgelopen trimester. Ongeacht de schommelingen van de rentevoet voor kaskredieten, kunnen de appellanten niet ernstig voorhouden dat Delta Lloyd profiteerde van de situatie door een terugbetalingsplan over vier jaar toe te staan voor een bedrag van 58.000,00 EUR met een jaarlijks kostenpercentage van 8,58% als alternatief voor de verplichting tot onmiddellijke betaling van 61.973,38 EUR (of 2.500.000 BEF), vermeerderd met een rente die ongeveer 11% per jaar bedroeg.
  34. Artikel 14§2 WCK somt de vermeldingen op die in de kredietovereenkomst moeten opgenomen zijn. Een daarvan is de datum van de raadpleging van het bestand van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren (artikel 14§2, 10° WCK). De voorliggende overeenkomst vermeldt dat deze raadpleging gebeurd is op 7 januari
  35. Delta Lloyd legt de bewijsstukken voor dat zij inderdaad de Centrale voor Kredieten aan Particulieren geraadpleegd heeft op 7 januari 2004, zowel wat J. M. als Y. P. betreft en dat de resultaten van deze opzoeking negatief waren (stukken 16 van Delta Lloyd). Met Delta Lloyd neemt het hof aan dat de vaststelling dat van de datum van deze - bewezen - opzoeking d.d. 7 januari 2004, melding is gemaakt in de onderhandse akte, gedateerd 6 januari 2004, redelijkerwijze enkel kan verklaard worden wanneer deze onderhandse akte in werkelijkheid na 6 januari 2004 werd ondertekend. Hoe dan ook kunnen de appellanten geen argument putten uit artikel 86 WCK, dat bepaalt dat de rechter de overeenkomst nietig verklaart of de verplichtingen van de consument vermindert en dit hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag, wanneer de kredietgever de in de artikelen 14 bedoelde vermeldingen niet naleeft. Niet alleen komt de vermelding omtrent de raadpleging voor in de onderhandse akte. Bovendien is bewezen dat zij ook effectief heeft plaatsgevonden. Evenmin kunnen de appellanten zich beroepen op de bepaling in de onderhandse akte van lening op afbetaling, waarin gestipuleerd wordt dat de overeenkomst moet worden ondertekend en aan de bank overhandigd binnen 20 dagen na de raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren. Wanneer er meer dan 20 dagen verlopen is tussen de raadpleging en het ondertekenen van de overeenkomst, is het "voorstel" nietig en moet er een nieuwe raadpleging gebeuren en een nieuwe overeenkomst worden opgesteld. Uit de voorliggende stukken blijkt niet dat er tussen de datum van raadpleging en deze van ondertekening van de overeenkomst meer dan 20 dagen zijn verlopen. Overigens impliceert de nietigheid van het kredietvoorstel niet dat, wanneer het krediet effectief werd toegekend, het moet terugbetaald worden.
  36. Verder houden de appellanten ten onrechte voor dat Delta Lloyd geen rekening gehouden heeft met de terugbetalingscapaciteit van M.-P. Artikel 10 WCK schrijft voor dat de kredietgever de juiste en volledige informatie moet vragen die hij noodzakelijk acht om de financiële toestand en de terugbetalingsmogelijkheden van de consument te beoordelen en, in ieder geval, hun lopende financiële verbintenissen. Bovendien verplicht artikel 11 WCK de kredietgever om de consument op een juiste en volledige manier alle noodzakelijke informatie te verschaffen in verband met de beoogde kredietovereenkomst. Volgens artikel 15 WCK mag de kredietgever slechts een kredietovereenkomst sluiten wanneer hij, gelet op de gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, onder meer op basis van de raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren en op basis van de informatie bedoeld in artikel 10, redelijkerwijze moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst, na te komen. De appellanten kunnen Delta Lloyd niet verwijten het krediet te hebben toegekend met schending van deze bepalingen. Zoals gesteld maakte dit krediet het M.-P. mogelijk een bestaande en opeisbare schuld - waarvan trouwens ongeveer 4.000,00 EUR werd kwijtgescholden - terug te betalen aan een gunstiger rentetarief en gespreid over 4 jaar. De appellanten tonen helemaal niet aan waarin Delta Lloyd aan haar informatieplicht tekortgeschoten zou zijn bij de toekenning van dit voor de kredietnemers gunstige krediet. Delta Lloyd was, als kredietverschaffer van de vennootschap, waarvan één van de kredietnemers zaakvoerder en enige aandeelhouder was geweest, bovendien op de hoogte van de vermogenstoestand van M.-P. Op basis van de voorliggende stukken blijkt trouwens dat zij ruimschoots in de mogelijkheid waren het krediet terug te betalen. Zij waren - en J. M. is nog steeds - gedomicilieerd te S. De appellanten houden voor dat de woning die zij daar betrokken, door M.-P. gehuurd werd. In elk geval waren zij, zoals blijkt uit de notariële akte van 6 mei 2004, eigenaar van twee appartementen, namelijk één aan de Zeedijk te B. en een ander aan de Koninklijke Baan te K. Deze feitelijke vaststellingen wijzen erop dat, wanneer M.-P. een krediet aangingen met het oog op de gespreide terugbetaling van de borgstelling, dit niet was omdat zij niet in de mogelijkheid waren om hun verbintenissen na te leven, maar omdat zij verkozen geen onroerend goed te verkopen. De omstandigheid dat hun beroepsinkomsten in 2004 bescheiden waren, belette niet dat hun vermogenstoestand hen toeliet het toegestane krediet terug te betalen. Het feit dat de appellanten in de loop van het geding reeds het grootste deel van de schuld hebben terugbetaald en zij daartoe slechts één van de onroerende goederen te gelde hebben moeten maken, bevestigt dit. In die omstandigheden is er dan ook geen reden om gevolg te verlenen aan het verzoek van de appellanten om ontslagen te worden van de betaling van nalatigheidsintresten. IV.
  37. De onderhandse akte bepaalt dat de maandelijkse terugbetalingen aanvangen vanaf 25 januari
  38. De appellanten bewijzen hun bewering, dat pas diende afbetaald te worden vanaf het verlijden van de notariële akte, op geen enkele wijze. Dit blijkt niet uit de notariële akte zelf, die overigens geen kredietvoorwaarden vermeldde, noch uit enig ander stuk.
  39. Delta Lloyd erkent dat zij in haar afrekening het schadebeding ten onrechte begrootte op 3.159,55 EUR en gaat akkoord met het ter zake door de appellanten - in ondergeschikte orde - berekende bedrag van 2.784,55 EUR. Delta Lloyd herleidt aldus het bij de opzegging van het krediet verschuldigde bedrag tot 50.984,63 EUR. De appellanten voeren daaromtrent geen concrete betwisting.
  40. De conventionele rentevoet van het aan M.-P. toegekende krediet bedroeg 8,58% per jaar. Dit was ruimschoots onder de op het ogenblik van het toestaan van het krediet volgens de WCK geldende maximale jaarlijkse kostenpercentage. De nalatig-heidsintrest bedraagt 110% van deze conventionele rentevoet of 9,44% per jaar. Dit beantwoordt aan het voorschrift van artikel 27bis §3 van de WCK. Een nalatigheidsrente van 9,44% per jaar gaat bovendien niet kennelijk de ten gevolge van de vertraging in de betaling geleden schade te boven, zodat er geen reden is om ze te herleiden.
  41. De eerste rechter heeft geen rekening gehouden met de betaling van 36.750,00 EUR, uitgevoerd op 11 juli
  42. De vordering van Delta Lloyd, zoals geformuleerd in hoger beroep en die ertoe strekt "appellanten op hoofdberoep, incidenteel geïntimeerden te veroordelen tot betaling" aan haar van 50.984,63 EUR, vermeerderd met de nalatigheidsintresten aan 9,44% per jaar vanaf 5 november 2005 en onder aftrek van betalingen van 729,30 EUR op 24 november 2005, van 8.000,00 EUR op 29 november 2005, van 1.422,93 EUR op 30 december 2005 en van 36.750,37 EUR op 11 juli 2007, komt aldus gegrond voor. Aangezien de partijen het krediet onderworpen hebben aan de WCK, worden deze betalingen toegerekend overeenkomstig artikel 27bis §5 van deze wet. Dit betekent dat, in afwijking van artikel 1254 B.W., iedere betaling eerst toegerekend wordt op het bedrag van de nalatigheidsintresten of andere straffen en schadevergoedingen nadat het verschuldigd blijvende saldo en de totale kosten van het krediet zijn betaald.
  43. Op het verzoek van de appellanten om het resterend saldo van de schuld te mogen afbetalen in maandelijkse schijven van 250,00 EUR, gaat het hof niet in. Van de mogelijkheid, die de rechter op grond van artikel 1244 B.W. heeft om een gematigd uitstel van betaling toe te staan, dient immers met grote omzichtigheid gebruik te worden gemaakt, daarbij rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten. De appellanten hebben zichzelf reeds ruime betalingstermijnen toegekend, aangezien de schuld reeds sedert november 2005 opeisbaar is. Bovendien tonen zij niet aan dat zij ongelukkig en te goeder trouw zijn. V. Gelet op de gegrondheid van de vordering van Delta Lloyd, is de tegenvordering van de appellanten, die strekt tot terugbetaling van betaalde sommen, ongegrond. VI.
  44. Rekening houdend met de gegrondheid van de - herleide - vordering van Delta Lloyd heeft de eerste rechter op passende wijze uitspraak gedaan over de gedingkosten in eerste aanleg.
  45. Gelet op de gedeeltelijke gegrondheid van het hoger beroep van de appellanten, de ongegrondheid van hun tegenvordering en de gegrondheid van het incidenteel hoger beroep van Delta Lloyd, dient elke partij haar eigen kosten in hoger beroep te dragen, waarbij de wederzijdse rechtsplegingsvergoedingen gecompenseerd worden.
  46. Delta Lloyd begroot de rechtsplegingsvergoeding op 2.500,00 EUR (zijnde de basisvergoeding, berekend op de waarde van de oorspronkelijke hoofdvordering) + 3.000,00 EUR (zijnde de basisvergoeding berekend op de waarde van de tegenvordering van de appellanten). Het K.B. van 26 oktober 2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat" maakt de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 van het gerechtelijk wetboek van toepassing om de waarde van de vordering te bepalen die als basis voor de berekening van de rechtsplegingsvergoeding dient. De waarde van de vordering wordt bepaald door de som die in de inleidende akte, of, bij wijziging in de loop van het geding, door de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd. Artikel 620 van het gerechtelijk wetboek wordt niet in het K.B. vermeld met als gevolg dat tegen- en tussenvorderingen niet dienen te worden samengevoegd met de hoofdeis ter bepaling van de waarde van de vordering. De rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van Delta Lloyd wordt bijgevolg begroot op 2.500,00 EUR.
  47. De appellanten begroten de rechtsplegingsvergoeding aan hun zijde op 3.000,00 EUR. Rekening gehouden met hetgeen hiervoor werd bepaald, bedraagt de rechtsplegingsvergoeding ook aan hun zijde 2.500,00 EUR. Zij vragen dat de rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van Delta Lloyd herleid wordt, "gelet op hun financiële situatie." De appellanten leggen evenwel geen gegevens voor waaruit blijkt dat hun actuele financiële draagkracht een vermindering verantwoordt van de rechtsplegingsvergoeding op grond van artikel 1022 van het gerechtelijk wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 21 april
  48. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van J. M. en G. M. en het incidenteel hoger beroep van de nv Delta Lloyd Bank ontvankelijk en in de volgende mate gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat het de vordering van de nv Delta Lloyd Bank ontvankelijk verklaarde en uitspraak deed over de kosten; Vernietigt het voor het overige en, opnieuw recht doende; Verklaart de vordering van de nv Delta Lloyd Bank in de volgende mate gegrond; Veroordeelt J. M. (in eigen naam en in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van Y. P.) en G. M. (in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van Y. P.), tot betaling aan nv Delta Lloyd Bank van 50.984,63 EUR, vermeerderd met de nalatigheidsintresten aan 9,44% per jaar vanaf 5 november 2005, en onder aftrek van betalingen van 729,30 EUR op 24 november 2005, van 8.000,00 EUR op 29 november 2005, van 1.422,93 EUR op 30 december 2005 en van 36.750,37 EUR op 11 juli 2007, met dien verstande dat deze betalingen toegerekend worden overeenkomstig artikel 27bis §5 van de wet van 12 juni 1991 betreffende het consumentenkrediet. Zegt voor recht dat de gedingkosten in hoger beroep ten laste zijn van de partij die ze heeft gemaakt en dat de wederzijdse rechtsplegingsvergoedingen, begroot op 2.500,00 EUR in hoofde van de nv Delta Lloyd Bank en op 2.500,00 EUR in hoofde van J. M.(in eigen naam en in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van Y. .) en G. M. (in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van Y. P.), elkaar compenseren; Onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 12e kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 10-6-
  49. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.8 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080626.9 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.