← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090611.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 11 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090611.12 Rolnummer: 2003/AR/1177 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-06 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 19:57 Fiche Het verborgen houden van goederen van de nalatenschap is elke te kwader trouw gestelde daad, waardoor de erfgenaam op de goederen van de nalatenschap een ongeoorloofd voordeel ten nadele van zijn mededeelgenoten wil verwerven. Ter zake volstaat elk manoeuvre en elk bedrog met betrekking tot de goederen van de nalatenschap die door een erfgenaam te kwader trouw worden gesteld en die tot gevolg kunnen hebben dat de rechten van de mede-erfgenamen geschaad worden. De heling is een burgerlijk misdrijf waarvan de constitutieve voorwaarden verschillen van die van de strafrechtelijk misdrijven en derhalve onafhankelijk daarvan kan bestaan. Andere zwarigheden dan deze vermeld in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden zijn onontvankelijk. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - SCHENKINGEN EN TESTAMENTEN - Algemeen (schenkingen en testamenten) Vrije woorden: Nalatenschap - zwarigheden - burgerlijke heling - toepassing Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 11 juni 2009 ________ Na tussenarrest d.d. 17 februari 2005 d.d. 11 mei 2006 d.d. 31 januari 2008 Zaak naar boedelnotaris Jo Debyser 2003/AR/1177 - In de zaak van: D. R., wonende te , appellante, hebbende als raadsman mr. VANNESTE Rudi, advocaat te 8820 TORHOUT, Oostendestraat 327 tegen :

  1. D. W., wonende te ,
  2. D. G., wonende te ,
  3. D. J., (elders geschreven J.) wonende te geïntimeerden, allen hebbende als raadsman mr. HOSTE Betty, advocaat te 8870 IZEGEM, Burg. Vandenbogaerdelaan 18 velt het hof het volgend arrest: Het hof verwijst vooreerst naar het tussenarrest van de anders samengestelde elfde kamer van 17 februari 2005 waarin de alsdan gekende belang hebbende feitelijke en procedurele antecedenten werden uiteengezet. Het hoger beroep tegen het vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 28 maart 2003 werd toelaatbaar verklaard. Alvorens nader te oordelen werd de tussenvordering wegens valsheid in burgerlijke zaken uitgaande van de geïntimeerden ontvankelijk verklaard en werd bij toepassing van artikel 898 Ger.W. de persoonlijke verschijning van de partijen bevolen, in voorkomend geval bijgestaan door hun advocaten, voor de elfde kamer van het hof op 15 december 2005 om 11 uur. De appellante werd gelast om het van valsheid beticht stuk over te leggen, in het bijzonder al de documenten houdende het door de appellante beweerd "testament", door haar toegeschreven aan wijlen M.R., met de aanhangsels door de appellante omschreven als de beweerde "lijst van de personen die bij de begrafenis moesten aanwezig zijn." Tevens werd verstaan dat notaris Christian Ryckaert, met standplaats te Torhout, in zijn hoedanigheid van openbaar bewaarder, op de voornoemde zittingsplaats en datum, het origineel van het omstreden eigenhandig testament, toegeschreven aan wijlen M.R., dat door hem aan het proces-verbaal van 27 mei 2003 werd gehecht om bij zijn minuten te worden gerangschikt, zal aanbieden, samen met een fotografische afdruk ervan, dit alles met het oog op de toepassing van artikel 903, 3de lid Ger.W.. De beslissing over de kosten werd aangehouden. In uitvoering van dit tussenarrest werd op 15 december 2005 proces-verbaal opgemaakt: - bij toepassing van artikel 903, 3de lid Ger.W.; - van persoonlijke verschijning van partijen inzake valsheidsprocedure; - van neerlegging ter griffie van vergelijkingsstukken inzake valsheidsprocedure; - van neerlegging ter griffie van van valsheid betichte stukken. Bij tussenarrest van de ander samengestelde elfde kamer van dit hof van 11 mei 2006 werd, alvorens nader te beslissen, de heer Filip Wyffels aangesteld als schriftdeskundige met als opdracht, na kennisname en onderzoek van alle ter griffie neergelegde stukken, te zeggen of de van valsheid betichte stukken al dan niet, geheel of ten dele, met redelijke zekerheid mogen worden toegeschreven aan wijlen M.R.. Voor het overige werd de beslissing over de kosten aangehouden en de zaak werd naar de bijzondere rol van de kamer verwezen. De schriftdeskundige legde zijn eindverslag ter griffie neer op 26 september
  4. In haar laatste beroepsconclusies vorderde de appellante dat het hof het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond zou verklaren, het bestreden vonnis zou ‘vernietigen' en opnieuw wijzende: - zou oordelen dat er in haren hoofde geen sprake is van recel, zodat de sanctie van artikel 792 B.W. niet kan worden toegepast; - zou oordelen dat er rekening dient gehouden te worden met de door haar geformuleerde zwarigheden en dat de door de geïntimeerden geformuleerde zwarigheden ongegrond zijn; - voor recht zou zeggen dat de instrumenterende notaris de bewerkingen van vereffening en verdeling dient te hernemen rekening houdende met de afwijzing van recel en verwerping van de toepassing van artikel 792 B.W. in haren hoofde, alsmede rekening houdend met het testament van wijlen M.R.; - in uiterst ondergeschikte orde, voor recht zou zeggen dat de sanctie slechts toegepast kan worden tot beloop van 27.268,29 EUR en dat de gevorderde intrest geheel dient afgewezen te worden wegens rechtsmisbruik; - de geïntimeerden zou veroordelen tot de kosten van het geding, minstens tot de kosten van het schriftonderzoek, door hen uitgelokt. De geïntimeerde vroegen in hun syntheseconclusies dat het hof het hoger beroep zou afwijzen als ontoelaatbaar, minstens ongegrond, het bestreden vonnis zou bevestigen en dienvolgens de staat van vereffening van notaris Debyser zou homologeren mits die aanpassing dat de intrest verschuldigd is op 34.705,09 EUR vanaf 15 maart 1990 (in plaats van 28 november 1990). Tevens vorderden de geïntimeerden dat het hof de appellante zou veroordelen tot de kosten in deze instantie. Op de openbare terechtzitting van 14 mei 2009 werd de zaak vooreerst in haar geheel hernomen met de huidige samenstelling van de zetel. De partijen werden vervolgens gehoord wat betreft de tussenvordering tot valsheid, waarna enkel wat die vordering betreft de debatten werden gesloten. Substituut-procureur-generaal Deraeve werd ter zelfde terechtzitting gehoord in zijn mondeling advies, waarop de partijen afzagen van hun recht op repliek. Nadien werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten wat betreft de grond van de zaak, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING
  5. In het tussenarrest van 17 februari 2005 werd het hoger beroep reeds toelaatbaar verklaard zodat de rechtsmacht van het hof op dit punt is uitgeput.
  6. De burgerlijke heling 2.
  7. De sanctie van de burgerlijke heling kan slechts toegepast worden nadat een vonnis of arrest hierover definitief heeft beschikt. Indien, in het kader van de gerechtelijke verdeling, de mede-erfgenamen de toepassing van de wet eisen, zal de notaris zich over het gegronde karakter van de bewering kunnen en moeten uitspreken en het resultaat van zijn bevindingen weergeven in zijn staat van vereffening. Zo de notaris tot het besluit komt dat er heling heeft plaatsgehad, zal hij daarmee bij de verdere verdeling rekening houden. Via de opstelling van het proces-verbaal van zwarigheden, waarna de notaris een persoonlijk en gemotiveerd advies uitbrengt, zal de betwisting, gebeurlijk samen met andere zwarigheden, aan de rechtbank worden voorgelegd zodat de uiteindelijke beslissing bij de burgerlijke rechter ligt. Door de geïntimeerden werd ten overstaan van de notaris toepassing gevraagd van artikel 792 B.W.. De notaris heeft op dit punt stelling ingenomen, waarna de appellante in het kader van haar zwarigheden opwierp dat de notaris hier niet zelf toepassing kon van maken, zwarigheid waaromtrent vervolgens door de notaris werd geadviseerd. In casu werd de vordering op grond van heling derhalve gesteld in het raam van de vereffening-verdeling en is deze via de procedure zwarigheden aanhangig gemaakt bij de rechtbank. Naar aanleiding van de beslechting van de zwarigheden heeft de rechtbank zich over het geschil uitgesproken - en dient ingevolge het hoger beroep thans het hof hierover uitspraak te doen. 2.
  8. Overeenkomstig artikel 792 B.W. verliezen de erfgenamen die goederen van de nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen; al verwerpen zij deze, toch blijven zij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken aanspraak te kunnen maken. Het verborgen houden van goederen van de nalatenschap is elke te kwader trouw gestelde daad, waardoor de erfgenaam op de goederen van de nalatenschap een ongeoorloofd voordeel ten nadele van zijn mededeelgenoten wil verwerven. Ter zake volstaat elk manoeuvre en elk bedrog met betrekking tot de goederen van de nalatenschap die door een erfgenaam te kwader trouw worden gesteld en die tot gevolg kunnen hebben dat de rechten van de mede-erfgenamen geschaad worden. De erfgenamen die de toepassing van art. 792 B.W. inroepen lastens één of meerdere mede-erfgenamen dragen de bewijslast. Zij kunnen dit bewijs leveren door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen. Het feit dat wat betreft de klacht inzake verduistering, diefstal, misbruik van vertrouwen of meineed een buitenvervolgingstelling zou zijn uitgesproken door de raadkamer bindt de burgerlijke rechter niet. De heling is een burgerlijk misdrijf waarvan de constitutieve voorwaarden verschillen van die van de strafrechtelijke misdrijven en derhalve onafhankelijk hiervan kan bestaan. Zo is diefstal tussen nauwe familieleden geen misdrijf en dus niet strafbaar, wat evenwel niet belet dat in voorkomend geval artikel 792 B.W. kan worden toegepast. 2.
  9. Op juiste gronden heeft de eerste rechter de sanctie van de burgerlijke heling toegepast, zich hierbij aansluitend bij de gedetailleerde en zorgvuldig onderbouwde mening van de boedelnotaris. De beroepsgrieven van de appellante, die grotendeels reeds in het debat waren voor de eerste rechter, zijn in de huidige instantie geenszins van aard om afbreuk te doen aan de beweegredenen van de eerste rechter, die, voor zover niet strijdig met en aangevuld door hetgeen volgt, door het hof worden overgenomen. Na een zeer grondige anaylse van het strafdossier besluit de boedelnotaris dat de gelden waarmee de appellante in maart en juli 1990 kasbons heeft aangekocht bij BACOB en ASLK voor bedragen van respectievelijk 24.789,35 EUR (1.000.000 BEF) en 9.915,74 EUR (400.000 BEF) afkomstig zijn van wijlen haar moeder. Dat moeder mogelijks de opbrengsten van de verkoop van haar kasbons zelf zou hebben ontvangen, doet hier niets aan af. In maart 1990 verbleef zij ten andere in het ziekenhuis zodat zich de vraag stelt hoe zij zelf de gelden op dat ogenblik zou kunnen hebben afgehaald in het bankkantoor. De appellante blijkt in de jaren vóór de verdachte transacties inderdaad diverse kasbons te hebben aangekocht en een deel hiervan werd in de ‘verdachte periode' herbelegd, maar dit neemt niet weg dat zij geen uitleg kan geven voor het feit dat zij in de periode na de verkoop van kasbons door haar moeder plots beschikte over een kapitaal van maar liefst 34.705,09 EUR (1.400.000 BEF) waarvan zij inzonderheid niet kan aantonen dat dit voortspruit uit wederbelegging van andere kasbons. Waar de appellante in deze instantie nieuwe stukken bijvoegt ter nadere ondersteuning van haar voor de boedelnotaris geformuleerde zwarigheid is zulks weliswaar toegelaten, maar kunnen deze stukken te dezen niets bewijzen. Het volgens de appellante voorgebrachte rekeningoverzicht dat zij in maart 1990 2.478,94 EUR (100.000 BEF) afhaalde van haar eigen rekening voor de aankoop van een kasbon (stuk 5 appellante) is niet eens gedateerd en kan geen enkel verband met de aangekochte kasbon aantonen. Evenmin kan de appellante aantonen dat de kasbon ten bedrage van 7.436,81 EUR (300.000 BEF), aangekocht op 2 juli 1999, voortspruit uit de wederbelegging van haar eigen gelden. Op deze kasbon stond immers eerst de naam van M.R., die vervolgens werd doorstreept en vervangen door de met de hand geschreven naam van de appellante (stuk 3 appellante). De verwijzing op de kasbon dat het een hernieuwing zou betreffen van 1508313 bewijst niets aangezien op de kasbon 1508313 eveneens de naam van M.R. werd doorstreept en vervangen door de handgeschreven naam van de appellante. Enig verband met andere kasbons die de appellante en/of haar echtgenoot in 1985 zouden hebben aangekocht, ontbreekt. Met de boedelnotaris dient evenzeer te worden aangenomen dat er wel degelijk sprake is van bedrieglijk opzicht in hoofde van de appellante. Dit blijkt reeds uit de omstandigheden waarin de bedrieglijke manoeuvres plaatsvonden. De appellante kan zich thans niet verschuilen achter het testament van wijlen haar moeder aangezien ze dit pas jaren na de bewuste transacties heeft gevonden en dit haar hoe dan ook niet machtigde om zich de haar in dit testament toebedeelde gelden reeds tijdens het leven van de decujus toe te eigenen. 2.
  10. De opmerking van de geïntimeerden in verband met de datum van de door de appellante verschuldigde intresten op de verduisterde gelden werd niet geformuleerd in het kader van de zwarigheden voor de boedelnotaris, maar pas voor het eerst voor de eerste rechter. De artikelen 1209 tot en met 1223 Ger.W. moeten aldus worden gelezen dat slechts de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in voornoemd proces-verbaal van de boedelnotaris, door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt (Cass. 6 april 1990 en Cass. 9 mei 1997). Voor andere zwarigheden dan deze vermeld in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden d.d. 23 november 1998 geldt dat ze onontvankelijk zijn.
  11. De valsheidsvordering ten aanzien van het onderhands testament van wijlen M.R. van 5 november 1989 De door het hof aangestelde schriftdeskundige kwam in zijn deskundig verslag tot de eindconclusie dat het kwestieus testament integraal (tekst, datum en signatuur) met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid authentiek is en aldus van de hand van wijlen M.R.. De appellante vraagt dan ook terecht dat de boedelnotaris rekening zou houden met dit testament bij de vereffening-verdeling. Dit betekent dat de staat van vereffening-verdeling vooralsnog niet kan worden gehomologeerd.
  12. Met betrekking tot de kosten heeft de eerste rechter oordeelkundig geoordeeld dat elke partij haar eigen kosten zal dragen en dat de rechtsplegingsvergoedingen gecompenseerd worden. Er zijn in deze aanleg geen redenen voorhanden om daaraan afbreuk te doen. Gelet op de gedeeltelijke gegrondheid van het hoger beroep (wat betreft het testament van M.R.) en de ongegrondheid van de tussenvordering van de geïntimeerden wegens valsheid komt het in deze instantie aangewezen voor dat iedere partij zijn eigen kosten in deze instantie draagt en dat de rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd. Aangezien echter de tussenvordering wegens valsheid, ingesteld door de geïntimeerden, ongegrond is, dienen zij wel de kosten van de schriftdeskundige te dragen. Bij de beoordeling van de zaak zijn de door de partijen nog in Belgische frank uitgedrukte bedragen wetshalve omgezet in Euro, tevens rekening houdend met de afrondingsbepalingen. Wanneer de Belgische franken nog zijn vermeld, is dit louter ter informatie. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ten dele gegrond. Verklaart de tussenvordering wegens valsheid ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis: - waar de bezwaren nopens de staat van vereffening en verdeling van notaris Jo Debyser, met standplaats te Ardooie, d.d. 14 augustus 1998, ontvankelijk werden verklaard, doch werden afgewezen als ongegrond, met dien verstande dat het bezwaar van de geïntimeerden met betrekking tot de intresten wordt afgewezen als onontvankelijk; - wat betreft de beslissing over de kosten. Doet het bestreden vonnis teniet waar voormelde staat van vereffening en verdeling gehomologeerd werd en opnieuw wijzende, Verzendt de zaak naar de boedelnotaris teneinde de definitieve staat van vereffening en verdeling op te stellen, rekening houdend met het testament van wijlen M.R. d.d. 5 november
  13. Verwijst in deze aanleg ieder van de partijen in haar eigen kosten, behoudens de kosten van de gerechtsdeskundige, en slaat de rechtsplegingsvergoedingen om. Veroordeelt de geïntimeerden tot de kosten van de gerechtsdeskundige ten bedrage van 2.654,06 EUR. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 11 juni 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Kurt Goossens K. Vandenberghe N. De Turck A. Deene Rep. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.