← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090611.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 11 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090611.13 Rolnummer: 2007/AR/3067 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-07-02 19:57 Fiche De overledene laat een echtgenote in tweede huwelijk na en 3 kinderen uit zijn vorig huwelijk. Eerstgenoemde is bewoonster en vruchtgebruikster van de woning. Op vordering van de schuldeiser van één van de kinderen heeft de eerste rechter beslist tot een aan de vereffening en verdeling voorafgaande verkoop van de naakte eigendom van de woning. De schuldeiser vordert in beroep te zeggen voor recht dat, indien het goed niet gevoeglijk in natura kan worden verdeeld, er vooraf dient overgegaan te worden tot de openbare verkoping van het onroerend goed. Het instellen van het beroep is een handelwijze die niet beantwoordt aan de handelwijze van een normaal voorzichtig en redelijk persoon. Een geldboete wordt opgelegd in toepassing van artikel 780 bis Ger. Wetb. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) Vrije woorden: rt. 780 bis Ger. Wetb. - na het opnieuw horen van appellante (art. 775 Ger. Wetb.) wordt het beroep als onrechtmatig beschouwd - geldboete Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 11 juni 2009 - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/3067 van: nv KBC LEASE BELGIUM, met zetel te 3000 Leuven, Parijsstraat 52, met ondernemingsnr.: 0426.403.684, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de 14e kamer dd. 20-12-2005, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. MOMBAERS Jos, advocaat te 3300 Tienen, O.L.V. Broedersstraat 3 tegen :

  1. I. M., , wonende te , eerste geïntimeerde, oorspronkelijk eerste verweerder, hebbende als raadsman mr. DELLAERT Dirk, advocaat te 9900 Eeklo, Boelare 115 A
  2. M. B., , wonende te ,
  3. I. C., , wonende te ,
  4. I. A., , wonende te , tweede, derde en vierde geïntimeerden, oorspronkelijk tweede, derde en vierde verweerders, hebbende als raadsman mr. AERTS Paul, advocaat te 9000 Gent, Coupure 5 velt het hof het volgend arrest. Dit Hof, zelfde kamer heeft ingevolge het beroep tegen het vonnis dat de rechtbank van eerste aanleg te Gent, veertiende kamer, op 20 december 2005 tussen partijen heeft gewezen, reeds op 4 december 2008 een arrest geveld. In genoemd arrest werd er gezegd dat aan appellante de gelegenheid geboden moest worden conclusies te nemen aangaande de mogelijkheid voor het Hof om onder de voorwaarden van artikel 780 bis eerste lid Ger. W een geldboete op te leggen van 10 euro tot 2.500 euro . Het artikel 780bis eerste lid Ger. W. bepaalt dat de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden, veroordeeld kan worden tot een geldboete, zoals gezegd. De feiten worden in herinnering gebracht. M. I. overlijdt op en laat een echtgenote in tweede huwelijk na, nl. B. M., en zijn 3 kinderen uit zijn vorig huwelijk. B. M. is bewoonster en vruchtgebruikster van de woning, meer niet. De naakte eigendom van de woning komt toe aan de kinderen ten belope van één derde voor elk. Appellante is een schuldeiser van M. I.. Omdat artikel 1561 eerste lid Ger. W. zegt dat het beslag op het onverdeeld aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeiser niet ten uitvoer kan worden gebracht vóór de verdeling of de veiling, vorderde zij de verdeling. Voor de eerste rechter had appellante al gezegd dat ze akte nam van de gezegde toestand van naakte eigenaars en vruchtgebruiker. Terwijl door geïntimeerden werd opgemerkt dat het enkel mogelijk was de uitonverdeeldheidtreding en in voorkomend geval de openbare verkoop te bevelen van de naakte eigendom, vorderde appellante te doen zeggen voor recht dat indien het goed niet gevoeglijk in natura kan worden verdeeld, er vooraf dient overgegaan te worden tot de openbare verkoop van het onroerend goed. De eerste rechter zegde dat: - M. I. enkel met betrekking tot de naakte eigendom in onverdeeldheid is met zijn broer en zus en dat hij niet in onverdeeldheid is met de vruchtgebruikster B. M.; - geïntimeerden geheel terecht stelden dat enkel de vereffening en verdeling en veiling van de naakte eigendom van de woning kan worden bevolen; De eerste rechter wees er voorts nog op dat in de gerechtelijke vereffening en verdeling enkel de deelgenoten, nl. de drie naakte eigenaars, dienen betrokken te worden. Het verzoekschrift in hoger beroep verwekte grote verbazing bij geïntimeerden. M. I. schreef het volgende in zijn conclusies: "Appellante voelt zich blijkbaar gegriefd in haar gedeeltelijke afwijzing nl. zij wordt niet gemachtigd de woning ‘in zijn geheel' te veilen nu zij geen rekening wenst te houden met de rechten van de langstlevende. Het is voor concluante een compleet raadsel dat zij thans tegen alle wetsbepalingen in en mits het respecteren van rechtspraak en rechtsleer een hoger beroep aantekent op gronden die manifest ongegrond zijn. Appellante dient het vruchtgebruik te respecteren en dit kan zij blijkbaar tegen beter weten in niet aanvaarden." De andere geïntimeerden schreven het volgende in hun conclusies: "Er valt dan ook niet in te zien wat de bedoeling van het hoger beroep van appellante kan zijn, tenzij appellante verder wil gaan dan de eventuele verkoop van de naakte eigendom hetgeen meteen een aantasting vormt van de rechten van de vruchtgebruiker." Die verbazing die ook bij het Hof was ontstaan, doet ook de vraag rijzen of er hier sprake kan zijn van de aanwending van de procedure voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden. In casu bestaat er een vonnis dat ten aanzien van de drie naakte eigenaars van een onverdeelde woning de vereffening en verdeling beveelt van de naakte eigendom en dat zegt dat de vruchtgebruikster daarbuiten staat. De schuldeiser van één der onverdeelde eigenaars die beroep instelt tegen dat vonnis vanuit het standpunt dat de onverdeelde rechten van zijn schuldenaar - beperkt tot de naakte eigendom - kunnen overschreden worden en dat het zakelijk recht van vruchtgebruik van B. M. genegeerd kan worden, kan zijn handelwijze niet rechtvaardigen. Ieders rechten zijn immers duidelijk afgebakend zodat elke twijfel daarover in deze specifieke zaak uitgesloten was. Appellante herhaalt dat ze uit hoofde van bepaalde rechtspraak meende te kunnen blijven aandringen op een gerechtelijke beslissing waarbij gezegd werd voor recht dat er diende te worden overgegaan tot de openbare verkoop van het onroerend goed. In casu was appellante niet afhankelijk van de raadpleging van de rechtspraak: de rechtsregels over de zakelijke rechten ‘eigendom' en ‘vruchtgebruik' zijn duidelijk genoeg. De door appellante geraadpleegde rechtspraak heeft overigens geen betrekking op hetzelfde geval als onderhavig geval waarbij de naakte eigendom in onverdeeldheid uitsluitend toekomt aan de kinderen van de decujus en het vruchtgebruik van de woning volledig toekomt aan de overlevende echtgenote van de decujus. Alwaar deze overlevende echtgenote door dit vruchtgebruik volledig buiten schot moest blijven van de schuldeiser van M. I., heeft deze schuldeiser zelfs na de duidelijke uitspraak van de eerste rechter tegen appellante verder procedure gevoerd op grond van artikel 815 B.W. terwijl ze wist of minstens moest weten dat dit niet gewettigd was. Appellante heeft zich niet gedragen op een wijze die beantwoordt aan de handelwijze van een normaal voorzichtig en redelijk persoon. Het instellen en voortzetten van een procedure door appellante maakt steeds indruk en kan zelf op de betrokken procespartij een druk leggen. Bij het procederen dient daarom grote omzichtigheid aan de dag gelegd te worden. Door deze omzichtigheid wordt dan ook voorkomen dat de rechtbanken en hoven kennis dienen te nemen van zaken zonder dat dit maatschappelijk verantwoord kan worden. Artikel 780 bis Ger. W. kan hier toepassing krijgen door het opleggen van een boete van 350 EUR. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak ten overstaan van appellante, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Bepaalt, in uitvoering van artikel 780 bis Ger. W. de geldboete op 350 EUR en veroordeelt daartoe de NV KBC LEASE BELGIUM tot betaling van dat bedrag; Gelast de Administratie der Registratie en Domeinen met de uitvoering van onderhavig arrest. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 11e-b kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 11-6-
  5. Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter ; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.