id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 15 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090615.15 Rolnummer: 2008/AR/9 Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2009-09-30 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-07-02 20:00 Fiche - drankafname-akkoord nietig als strijdig met art. 81 EG-verdrag, omdat geïntimeerde van de groepsvrijstelling niet kan genieten wegens het niet vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 6 en 8 van de EEG-verordening - gezien de samenhang tussen de drankafnameplicht en de lening, is de volledige overeenkomst tussen partijen nietig UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE Vrije woorden: Brouwerijovereenkomst - Art. 81 EG-Verdrag Tekst van de beslissing Hof van beroepte Gent 7de bis Kamer Terechtzitting van15 juni 2009 2008/AR/9 - In de zaak van: W. C., zelfstandige, wonende te .............................................., ingeschreven met KBO-nummer 0672289875, appellant,hebbende als raadsman mr. MOREAU Michel, advocaat te 8370 BLANKENBERGE, Mgr. Waffelaertlaan 9, tegen: BIERHANDEL HIP PAUWAERT N.V., met maatschappelijke zetel te 8300 KNOKKE-HEIST, Natiënlaan 43-45, ingeschreven met KBO-nummer 0411625438, geïntimeerde,hebbende als raadsman mr. VANQUATHEM Georges, advocaat te 8301 HEIST-AAN-ZEE, Invalidenlaan 14, velt het hof het volgend arrest: Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden de stukken ingezien. 1.Bij verzoekschrift, neergelegd op 3 januari 2008, heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 15 november 2007 op tegenspraak gewezen door de 1ste kamer van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge (A/06/00551). Het vonnis a quo werd aan appellant betekend op 6 december 2007. Feiten en procedure in eerste aanleg 2.C. W. (hierna: "appellant") is uitbater van café "Trafalgar", gevestigd te .............................. Op 24 maart 1998 ondertekende hij een drankafname-akkoord, waarbij hij zich verbond om de contractueel opgelegde bieren en andere dranken af te nemen bij de NV BIERHANDEL HIP PAUWAERT (hierna: "geïntimeerde") voor een periode van 10 opeenvolgende kalenderjaren vanaf 24 maart 1998. Ook werd door geïntimeerde een bedrag van 200.000 BEF (= 4.957,87 EUR) aan appellant uitgeleend als "verloren investering", terug te betalen a rato van 250 BEF (= 6,20 EUR) per hectoliter aangekochte dranken. Geïntimeerde stelde dat de afname door appellant van 1998 tot 2004 een constante neerwaartse spiraal vertoonde en hij vanaf 29 oktober 2004 zelfs weigerde verder dranken af te nemen. Na tevergeefse aanmaning, stelde geïntimeerde dat ze zware schade leed ingevolge het niet naleven door appellant van zijn drankafname verplichting. Bij dagvaarding, betekend op 17 maart 2006, vorderde geïntimeerde lastens appellant:
(1)te horen zeggen voor recht dat hij verder zijn drankafname verplichting moet uitvoeren, onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 EUR per week bij niet-naleving hiervan, met machtiging van geïntimeerde om de niet-uitvoering te bewijzen met alle middelen van recht;
(2)betaling van een provisionele schadevergoeding van 2.500,00 EUR;
(3)aanstelling van een deskundige om de schade te begroten;
(4)veroordeling tot de gedingkosten. Bij tussenvonnis van 10 mei 2007 heeft de eerste rechter ambtshalve de nietigheid ingeroepen van het drankafname-akkoord van 24 maart 1998, als strijdig met art. 81 EG-Verdrag, omdat geïntimeerde van de groepsvrijstelling niet kon genieten wegens het niet vervuld zijn van de voorwaarden van art. 6 en 8 van de EEG-Verordening nr. 1984/83 van 22 juni 1983 (een looptijd van méér dan 5 jaar). De debatten werden heropend. Geïntimeerde betoogde dat de nietigheid "ex tunc" van de exclusieve drankafnameverplichting tot gevolg heeft dat de ter beschikking gestelde 200.000 BEF moet beschouwd worden als onverschuldigde betaling, minstens als verrijking zonder oorzaak in hoofde van appellant. Ze vorderde in conclusie, neergelegd op 31 juli 2007, veroordeling van appellant tot terugbetaling van 4.957,87 EUR, méér de gerechtelijke rente (wettelijke rentevoet) vanaf 24 maart 1998 tot de dag der volledige betaling, méér de gedingkosten. Bij het vonnis a quo van 15 november 2007 veroordeelde de eerste rechter appellant tot betaling aan geïntimeerde van 4.957,87 EUR, méér de vergoedende rente vanaf 29 april 2005 tot dagvaarding (17 maart 2006), méér de gerechtelijke rente (wettelijke rentevoet), méér de gedingkosten. Procedure in hoger beroep 3.Het hoger beroep werd aangetekend door de oorspronkelijke verweerder. Appellant stelt dat ook de leningsovereenkomst nietig is. Waar hij echter geen kortingen heeft bekomen op de afgenomen hectoliters (in casu 615,58 hectoliter), dient de korting (250 BEF/hectoliter) toegerekend te worden op het terug te betalen bedrag van de lening. Volgens appellant is hij slechts 200.000 BEF - 153.895 BEF = 46.105 BEF (= 1.142,27 EUR) verschuldigd. Volgens appellant moet geïntimeerde alle gedingkosten van beide aanleggen dragen. Tenslotte vordert appellant 1,00 EUR provisioneel schadevergoeding wegens het méér betaald hebben aan geïntimeerde voor de dranken dan bij de concurrentie. Geïntimeerde vraagt bevestiging van het vonnis a quo. Voor de uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen in hoger beroep, wordt verwezen naar de beroepsakte en hun conclusies in hoger beroep. Beoordeling 4.Het is duidelijk dat geïntimeerde het bedrag van 200.000 BEF (= 4.957,87 EUR) niet ter beschikking van appellant zou hebben gesteld wanneer deze zich niet had verbonden tot exclusieve drankafname. Gezien deze samenhang, is de volledige overeenkomst tussen partijen van 24 maart 1998 nietig. Partijen moeten teruggeplaatst worden in hun "status ante quem". De uitgevoerde drankafnames en leveringen zijn successieve prestaties en de hieruit ontstane rechten en plichten kunnen niet meer ongedaan gemaakt worden. Het ter beschikking gestelde bedrag van 200.000 BEF (= 4.957,87 EUR) kan echter terugbetaald worden. Uit het akkoord tussen partijen blijkt dat appellant reeds terugbetalingen op de lening heeft verricht via de korting van 6,20 EUR per aangekochte hectoliter, die geïntimeerde anders verstrekt (vgl. stuk 1 geïntimeerde). Volgens de stukken van geïntimeerde (5 t.e.m. 11) blijkt dat appellant in totaal 615,58 hectoliter aankocht in de periode van 24 maart 1998 tot 31 december 2004. Dit komt overeen met een terugbetaling van 615,58 hectoliter x 6,20 EUR = 3.816,60 EUR en betekent dat appellant thans nog 4.957,87 EUR - 3.816,60 EUR = 1.141,27 EUR verschuldigd is als leningssaldo. 5.Appellant bewijst niet dat hij schade leed door dranken bij geïntimeerde te hebben moeten afnemen die duurder waren dan bij de concurrentie. Het onderdeel van het hoger beroep, strekkende tot het bekomen van 1,00 EUR provisioneel schadevergoeding in dit verband, komt dan ook ongegrond voor. 6.In eerste aanleg vorderde geïntimeerde de uitvoering van een nietige overeenkomst. Daarna vorderde ze terugbetaling van de volledige lening, zonder rekening te houden met de terugbetalingen die ze al bekwam via ingehouden kortingen. Geïntimeerde moet de gedingkosten van de eerste procedure volledig dragen. In hoger beroep heeft appellant gelijk m.b.t. de gedane terugbetalingen, maar is het onderdeel tot het bekomen van schadevergoeding wegens het betalen van duurdere prijzen ongegrond. Geïntimeerde moet drie vierden en appellant één vierde van de gedingkosten in hoger beroep dragen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak. Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond: Doet het bestreden vonnis teniet : Derhalve opnieuw oordelende: Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en als volgt gegrond: Veroordeelt appellant tot betaling aan geïntimeerde van de som van DUIZEND HONDERD EENENVEERTIG EURO EN ZEVENENTWINTIG CENT (1.141,27 EUR), méér de vergoedende rente vanaf 29 april 2005 tot 16 maart 2006, méér de gerechtelijke rente vanaf 17 maart 2006 tot de dag der volledige betaling. Wijst het méér gevorderde af als ongegrond. Veroordeelt geïntimeerde tot de gedingkosten van de procedure in eerste aanleg, vereffend in hoofde van appellant op 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg. Veroordeelt geïntimeerde tot drie vierden en appellant één vierde van de gedingkosten in hoger beroep, vereffend in hoofde van appellant op 186,00 EUR rolrecht hoger beroep en 900,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, en vereffend in hoofde van geïntimeerde op 900,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, kamer zeven bis, op 15 juni tweeduizend en negen.Aanwezig:dhr. Frank Deschoolmeester, raadsheer, wnd. kamervoorzitter;dhr. Yves Henderickx, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div