← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090615.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 15 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090615.16 Rolnummer: 2007/AR/1916 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 19:59 Fiche UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: Faillissement - vervroegde verschoonbaarheid - gevolgen ten aanzien van de curator en de schuldeisers die over een zakelijke zekerheid beschikken - gevolgen ten aanzien van de echtgenote van de gefailleerde. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 15-06 2009 Nr. 2007/AR/1916 ------------------------ in de zaak van :

  1. R. D. S., hulpkweker, en
  2. C. B., arbeidster, samenwonende te ............................., appellanten, hebbende als raadslieden mr. Frank Van Hoecke en mr. Evelyn Raman, advocaten met kantoor te 9040 Gent (Sint-Amandsberg), Victor Braeckmanlaan 239, tegen
  3. Mr. G. D., advocaat met kantoor te 9051 Gent (Sint-Denijs-Westrem), Kareelstraat 3, optredende in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van R. D. S., voornoemd, eerste geïntimeerde q.q. , in persoon verschijnende,
  4. N.V. KBC BANK, met maatschappelijke zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2 en met ondernemingsnummer 0462.920.226, tweede geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Hans De Meyer, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Coupure 373,
  5. N.V. LANDBOUWKREDIET, met maatschappelijke zetel te 1070 Brussel, Sylvain Dupuislaan 251 en met ondernemingsnummer 0404.764.361, derde geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Véronique Kympers, advocaat met kantoor te 1200 Brussel, Ter Kamerenstraat 22 C, velt het Hof volgend arrest : Procedure in hoger beroep
  6. Appellanten hebben op 25 juli 2007 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen het door de eerste kamer van de rechtbank van koophandel te Gent op 11 mei 2007 op tegenspraak gewezen vonnis in de zaak AR A/06/
  7. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, alsook de stukken werden ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg
  8. De relevante feiten en het voorwerp van de vordering werden door de eerste rechter als volgt omschreven : "Voorwerp van de vordering. De vordering strekt ertoe te horen vaststellen dat de beschikking van 11 maart 2005 van de rechter-commissaris bij de rechtbank van koophandel te Gent vervallen is ingevolge de vervroegde verschoonbaarheid van R. D. S., minstens dat van deze beschikking geen gebruik mag worden gemaakt. Ondergeschikt te zeggen voor recht dat de helft van de opbrengst van de verkochte goederen toekomt aan mevrouw C. B. als medeeigenares en bijgevolg aan haar dient uitbetaald. Kosten lastens de massa. Feiten en procedurevoorgaanden. Bij vonnis van 21 januari 2005 werd R. D. S. failliet verklaard. Meester G. D. werd aangesteld als curator. Bij vonnis van 10 maart 2006 werd R. D. S. vervroegd verschoonbaar verklaard. Eerder was de curator door de rechter-commissaris gemachtigd bij beschikking van 11 maart 2005 om over te gaan tot de verkoop van de volgende onroerende goederen : - een alleenstaand woonhuis met aanhorigheden, grond en oude serres, ge- legen te 9042 Gent, Keurestraat 11 (sectie A nrs. 292/E, 293/R en 294/K) - een perceel landbouwgrond nabij de Keurestraat (sectie A nr. 312/H) - een perceel grond gelegen aan de Bieskensstraat (sectie A nr. 312/B) - een perceel land, Putteveld (sectie A deel van nr. 296/E) - een partij land, wijk Bieskens (sectie A nr. 345) - een perceel grond aan de Bieskensstraat (sectie A nr. 391) - een perceel grond aan de Bieskensstraat (sectie A nr. 310) - een perceel grond, achteraan de Bieskensstraat (sectie A nrs. 341,342) - een perceel grond, Bieskensstraat (sectie A nr. 311) - een perceel grond, Keurestraat (sectie A, m. 313/A) - twee aanpalende percelen, Bieskens en Boef (sectie A, nrs. 343 en 344) - een perceel land, aan de Bieskensstraat (sectie A, nr. 340). Er werd bodemverontreiniging vastgesteld zodat de curator opdracht gaf tot het uitvoeren van een bodemonderzoek teneinde van OVAM een bodemattest te bekomen. Op 23 augustus 2006 bekwam de curator een bodemattest. Aan de notaris werd gevraagd een openbare verkoop te organiseren. Eisers oordeelden dat de curator na de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde niet langer deze goederen kan verkopen en lieten overgaan tot dagvaarding. NV KBC Bank en NV Landbouwkrediet zijn hypothecaire schuldeisers van de gefailleerde en kwamen vrijwillig tussen in de procedure." Het Hof verwijst partijen naar voormelde uiteenzetting die het volledig bijtreedt en die geen verdere aanvulling behoeft.
  9. De eerste rechter was van oordeel dat de vervroegde verschoonbaarheid enkel geldt voor schulden die overblijven na de afwikkeling van het faillissement en dat deze geen afbreuk doet aan de lopende realisatieactiviteit van de curator. De voormelde vordering werd dan ook ontvankelijk maar niet gegrond verklaard, met veroordeling van appellanten tot betaling van de gedingkosten. Grieven/voorwerp van het hoger beroep
  10. Appellanten kunnen zich niet vinden in de beoordeling van de eerste rechter. Samengevat argumenteren zij dat : - de door artikel 82 Faill.W. verleende uitvoeringsimmuniteit onmiddellijk van toepassing is, zijnde vanaf het ogenblik dat de verschoonbaarheid wordt toegestaan, - deze uitvoeringsimmuniteit niet enkel geldt ten aanzien van de schuldeisers, maar ook ten aanzien van de curator, - hun onroerende goederen dan ook niet kunnen verkocht worden en de door de rechter-commissaris op 11.03.2005 verleende machtiging tot verkoop dan ook vervallen is, - ook tweede appellante, als echtgenote van de gefailleerde, niet langer aansprakelijk is voor de schulden van haar gefailleerde en verschoonbaar verklaarde echtgenoot. Appellanten vorderen dan ook de hervorming van het bestreden vonnis en de toekenning van hun oorspronkelijke vordering. Voor zover het Hof het bestreden vonnis mocht bevestigen, vorderen appellanten de herleiding van de rechtsplegingsvergoeding tot het minimumbedrag van 75,00 EUR.
  11. Kort samengevat is eerste geïntimeerde qualitate qua van oordeel dat : - de regels inzake de vervroegde verschoonbaarheid van de gefailleerde enkel een uitvoeringsimmuniteit/-exceptie voor de toekomst verlenen, - deze regels de taak van de curator niet hebben gewijzigd en niet beletten dat de curator verder zorgt voor de realisatie van de activa die in de boedel zijn gevallen, - de curator in het bezit is en blijft van het actief van de gefailleerde tot de realisatie, de afrekening, de uitdeling en de afsluiting van het faillissement. Eerste geïntimeerde qualitate qua besluit dan ook dat hij als curator zijn taak moet kunnen voortzetten en er de door de rechter-commissaris verleende machtiging tot verkoop van de zich in de faillissementsboedel bevindende onroerende goederen geenszins vervallen kan worden verklaard. Eerste geïntimeerde qualitate qua vordert dan ook de bevestiging van het bestreden vonnis. Uiterst ondergeschikt - voor zover het Hof mocht van oordeel zijn dat het actief van het faillissement terug in het bezit van eerste en/of tweede appellanten zou moeten worden gesteld - vordert eerste geïntimeerde qualitate qua de veroordeling van eerste en/of tweede appellanten, solidair, ieder voor het geheel, tot betaling van alle met betrekking tot het actief van de gefailleerde inmiddels gemaakte kosten, provisioneel begroot op 1,00 EUR, geschat op minstens 30.000,00 EUR.
  12. Tweede geïntimeerde die het standpunt van eerste geïntimeerde qualitate qua onderschrijft, voegt vanuit haar positie daaraan nog toe dat zowel de verschoonbaarheid bij de afsluiting van het faillissement, als de vervroegde verschoonbaarheid geen afbreuk kunnen doen aan de rechten van de hypothecaire schuldeiser op zijn onderpand, Ook tweede geïntimeerde besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis.
  13. Derde geïntimeerde sluit zich volledig aan bij de door eerste geïntimeerde qualitate qua en tweede geïntimeerde ontwikkelde argumentatie. Zij onderlijnt nog dat de uitvoeringsimmuniteit ingevolge de vervroegde verschoonbaarverklaring énkel de inkomsten en goederen betreft die de gefailleerde nà de vervroegde verschoonbaarverklaring verwerft. Zij besluit dan ook dat de door de rechter-commissaris aan de curator verleende machtiging niet vervallen is door de op 10 maart 2006 tussengekomen vervroegde verschoonbaarverklaring, en niets belet dat de curator zijn werkzaamheden onverkort voortzet. Ook derde geïntimeerde vordert de afwijzing van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis. Beoordeling
  14. Voorafgaandelijk stelt het Hof vast dat de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van appellanten thans niet meer ter discussie staat, temeer geen enkele van de geïntimeerden incidenteel hoger beroep instellen tegen het bestreden vonnis waar dit de oorspronkelijke vordering van appellanten ontvankelijk verklaarde.
  15. Ook in hoger beroep heeft de tussen partijen gevoerde betwisting hoofdzakelijk betrekking op de gevolgen van een vervroegde - dit is vòòr de afsluiting van het faillissement - toegekende verschoonbaarheid. Zoals hiervoor vermeld zijn appellanten van oordeel dat deze verschoonbaarheid onmiddellijke uitwerking heeft en de daardoor verleende uitvoeringsimmuniteit niet alleen geldt ten aanzien van de schuldeisers, maar ook ten aanzien van de curator die, aldus nog appellanten, niet meer tot de realisatie van hun onroerende goederen kan overgaan. Geïntimeerden zijn daarentegen van oordeel dat deze uitvoeringsimmuniteit geen afbreuk kan doen aan : - de verdere afhandeling van het faillissement, - de taak van de curator, waaronder de verdere realisatie van de activa, - de rechten van tweede en derde geïntimeerde als hypothecaire schuldeiser.
  16. Op volgende relevante overwegingen verklaarde de eerste rechter de oorspronkelijke hoofdvordering van appellanten ongegrond : "
  17. Art. 82 eerste lid Faill.W. bepaalt dat indien de gefailleerde verschoonbaar verklaard wordt, hij niet meer kan worden vervolgd door zijn schuldeisers. De verschoonbaarheid van de gefailleerde leidt niet tot een uitdoving van de schulden maar tot een uitvoeringsimmuniteit na afsluiting van het faillissement. De bedoeling van de vervroegde mogelijkheid tot verschoonbaarverklaring was de discriminatie opheffen tussen de gefailleerde van een complex faillissement waarvan de afhandeling mogelijk lange tijd aansleept en de gefailleerde van een faillissement dat (bijv. wegens gebrek aan actief) snel kan worden afgehandeld. De bedoeling is de ex-gefailleerde de mogelijkheid te geven met een schone lei een nieuwe handelsactiviteit op te starten waarvan de opbrengsten niet langer in beslag kunnen genomen worden door de schuldeisers uit het faillissement.
  18. Volgens [appellanten] geldt de uitvoeringsimmuniteit ten gevolge van de verschoonbaarheid met onmiddellijke ingang ook ten aanzien van het op datum van de vervroegde verschoonbaarverklaring bestaande en door de curator nog niet gerealiseerde vermogen van de gefailleerde. De verschoonbaarheid komt evenwel niet in de plaats van een sluiting van het faillissement en art. 82 Faill.W. zelf spreekt uitsluitend over vervolgingen door de schuldeisers, niet door de curator van het faillissement. De curator is geen vertegenwoordiger van de gefailleerde. Hij is een gerechtelijk mandataris die de bij de wet bepaalde machten uitoefent (Cass. 16 februari 1995, Arr.Cass.1995, nr.93) Dit betekent dus ook dat aan de buitenbezitstelling van de gefailleerde overeenkomstig artikel 16 Faill.W. en de machten van de curator niets gewijzigd wordt (zie L. Woestyn, Gevolgen van het faillissement t.a.v. een persoon die een persoonlijke zekerheid heeft verschaft, in Bijzondere Overeenkomsten, Antwerpen, Maklu, 2006, nr.114) Hieruit volgt dat ook de vervroegde verschoonbaarheid enkel geldt voor de schulden die overblijven na de afwikkeling van het faillissement en dat deze geen afbreuk doet aan de lopende realisatieactiviteit van de curator." Het Hof verwijst partijen naar deze overwegingen die het juist bevindt en bijtreedt. Alleen aanvullend en tevens in antwoord op de door appellanten in hoger beroep ontwikkelde argumentatie, voegt het Hof nog het volgende toe. 10.
  19. De mogelijkheid tot een vervroegde uitspraak over de verschoonbaarheid werd ingevoerd met de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 en houdende diverse fiscale bepalingen (B.S. 28 juli 2005). Zoals de eerste rechter terecht vaststelde beoogde de wetgever met deze mogelijkheid van vervroegde verschoonbaarverklaring om alle gefailleerden dezelfde kans te geven om op korte termijn na het faillissement een nieuwe start te krijgen. Het ook bij een vervroegde verschoonbaarverklaring toepasselijke artikel 82 Faill.W. bepaalt dat een verschoonbaar verklaarde gefailleerde niet meer kan vervolgd worden door zijn schuldeisers. Waar de schuldeisers slechts na de afsluiting van het faillissement opnieuw in hun rechten treden ten aanzien van de ex-gefailleerde voor het niet-gerecupereerde saldo van hun schulden, lijdt het naar het oordeel van het Hof geen twijfel dat voormelde bepaling de verdere wettelijk voorziene afhandeling van het faillissement onverlet laat en dat de in deze bepaling verleende uitvoeringsimmuniteit enkel geldt voor de schulden die overblijven na de afwikkeling van het faillissement. Terecht overwoog de eerste rechter aldus dat de verschoonbaarheid niet in de plaats komt van een sluiting van het faillissement en artikel 82 Faill.W. zelf uitsluitend spreekt over de vervolgingen door de schuldeisers en niet door de curator van het faillissement. (zie hierna verder onder randnummer 10.2.) Appellanten kunnen dan ook niet worden bijgetreden in hun argumentatie waar zij, onder verwijzing naar een door de heer Marinower ingediend amendement (stuk 2 - appellanten) besluiten dat de wetgever duidelijk stelt dat : - de gefailleerde onmiddellijk dient bevrijd te worden van zijn schulden en - dit in geval van vervroegde verschoonbaarheid tot gevolg heeft dat de gefailleerde vanaf het moment van de vervroegde verschoonbaarheid niet langer mag verontrust worden door de schuldeisers en de activa niet meer kunnen verkocht worden. Gelet op wat voorafgaat miskennen appellanten met deze argumentatie ontegensprekelijk de inhoud en de draagwijdte van artikel 82 Faill.W. dat in elk geval niet bepaalt dat de gefailleerde onmiddellijk bevrijd wordt van zijn schulden. Het Hof wijst er tenslotte nog op dat het door appellanten aangehaalde amendement van de heer Marinower precies uitgaat van een verdere tegeldemaking van de activa. 10.
  20. Appellanten kunnen ook niet worden bijgetreden in hun argumentatie waar zij zonder meer poneren dat de in artikel 82 Faill.W. verleende uitvoeringsimmuniteit ook geldt tegenover de curator voor wat de nog niet gerealiseerde activa betreft. Met dit standpunt miskennen zij de klaar en duidelijke bepaling van artikel 82 Faill.W. die : - geen melding maakt van de curator, - geen enkele beperking van de aan de curator als gerechtelijk mandataris wettelijk toegekende bevoegdheden inhoudt, - geen enkele wijziging inhoudt van de overige bepalingen van de faillissementswet die de opening, de afwikkeling en de sluiting van het faillissement regelen. De enkele vaststelling dat de wetgever niet uitdrukkelijk heeft bepaald dat de vervroegde verschoonbaarheid de verdere afwikkeling van het faillissement - waaronder de realisatie van de activa van de boedel - niet in de weg staat, laat appellanten niet toe om daarin een aanwijzing te vinden dat na de vervroegde verschoonbaarverklaring de activa niet meer kunnen worden verkocht. De voormelde inhoud en de draagwijdte van artikel 82 Faill.W. laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Met de invoering van artikel 80 lid 5 Faill.W. heeft de wetgever - zonder op enige wijze afbreuk te doen aan de verdere afhandeling van het faillissement zoals dit in de faillissementswet is voorzien - alleen aan alle gefailleerden de kans willen bieden om op korte termijn na het faillissement een nieuwe start te krijgen. Deze mogelijkheid houdt dan ook niets meer in dan dat de vervroegd verschoonbaar verklaarde gefailleerde nog vòòr de sluiting van het faillissement een nieuwe handels- of beroepsactiviteit kan opstarten zonder dat de schuldeisers van het faillissement de inkomsten en/of opbrengsten van die nieuwe activiteit - zowel in de verdere afhandeling als na de afsluiting van het faillissement - nog kunnen aanspreken voor de delging van hun schuldvordering. Hun aanspraken op de activa van de failliete boedel zoals deze tot op het ogenblik van de verschoonbaarverklaring voorhanden waren, blijven de schuldeisers wel behouden. Appellanten kunnen dan ook niet voorhouden dat de onroerende goederen die tot het buiten bezit gestelde vermogen behoren, ingevolge de vervroegde verschoonbaarverklaring niet langer verkocht kunnen worden. 10.
  21. Ook de argumentatie van appellanten dat de uitspraak over de vervroegde verschoonbaarheid op initiatief van de curator of de schuldeisers kon worden uitgesteld omdat nog niet alle activa gerealiseerd waren, snijdt geen hout. Deze argumentatie staat vooreerst haaks op de hiervoor vermelde bedoeling van de wetgever om precies in geval van complexe faillissementen waar de realisatie van activa meer dan geruime tijd op zich kan laten wachten, een vervroegde uitspraak over de verschoonbaarheid mogelijk te maken. Daarenboven komt naar het oordeel van het Hof een uitstel enkel verantwoord voor indien dit gebaseerd is op feiten die betrekking hebben op het al dan niet vervuld zijn van de toekenningsvoorwaarden van de verschoonbaarheid. 10.
  22. Appellanten kunnen evenmin worden gevolgd waar zij voorhouden dat de vervroegde verschoonbaarheid tot gevolg heeft dat zowel artikel 16 Faill.W. als artikel 100 Faill.W. volledig buiten werking worden gesteld. 10.4.
  23. De vervroegde verschoonbaarverklaring wijzigt niets aan artikel 16 Faill.W. en stelt deze bepaling geenszins volledig buiten werking. Zij heeft alleen tot gevolg dat de lopende het faillissement vanaf de vervroegde verschoonbaarverklaring verworven inkomsten en goederen uit de uitoefening van een nieuwe activiteit als zelfstandige of in loondienst, niet meer in de boedel vallen en door de schuldeisers van het faillissement - ook na de afsluiting van het faillissement - niet meer kunnen worden aangesproken voor de delging van hun schuldvordering. Voor alle andere activa die op het ogenblik van de vervroegde verschoonbaarverklaring deel uitmaken van de faillissementsboedel blijft de buiten bezitstelling van de gefailleerde overeenkomstig artikel 16 Faill.W. behouden, en wordt geen afbreuk gedaan aan de bevoegdheden/machten van de curator. 10.4.
  24. Vermits hiervoor reeds werd geoordeeld dat de vervroegde verschoonbaarheid geen enkele beperking van de aan de curator als gerechtelijk mandataris wettelijk toegekende bevoegdheden inhoudt en ook geen enkele wijziging inhoudt van de overige bepalingen van de faillissementswet die de opening, de afwikkeling en de sluiting van het faillissement regelen; kunnen appellanten niet worden gevolgd in hun stelling dat de vervroegde verschoonbaarheid tot gevolg heeft dat de aan de curator verleende machtiging om tot verkoop van de onroerende goederen over te gaan is komen te vervallen. In tegenstelling tot wat appellanten poneren stelt de vervroegde verschoonbaarheid artikel 100 Faill.W. - dat de bevoegdheden van de curator in verband met de verkoop van de onroerende goederen van de gefailleerde regelt - dan ook niet buiten werking. 10.
  25. Appellanten argumenteren verder nog dat de bepaling van artikel 96 Faill.W. wordt doorkruist door de uitspraak over de vervroegde verschoonbaarheid en artikel 82 Faill.W. dat uitdrukkelijk bepaalt dat de echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd wordt van die verplichting. Gelet op de verschoonbaarheid van eerste appellant, acht tweede appellante zich niet langer persoonlijk aansprakelijk voor de schulden van haar gefailleerde echtgenoot, en is zij van oordeel dat geen beroep kan worden gedaan op de door haar verstrekte zakelijke zekerheid. Zij stelt minstens gerechtigd te zijn op de helft van de opbrengst van de verkochte onroerende goederen. 10.5.
  26. Hiervoor werd onder randnummer 10.
  27. reeds geoordeeld dat de ingevolge verschoonbaarheid verleende uitvoeringsimmuniteit enkel geldt voor de schulden die overblijven na de afwikkeling van het faillissement. De ratio legis van de uitbreiding van de verschoonbaarheid naar de echtgenoot is de vrijwaring van het gemeenschappelijk vermogen na faillissement tegen de verder uitwinning door de schuldeisers voor deze overblijvende schulden. Zoals ook de eerste rechter vaststelde geldt de bevrijding van de echtgenote dan ook evenzeer alleen voor de schulden die overblijven na de afwikkeling van het faillissement. 10.5.
  28. Hiervoor werd onder randnummer 10.
  29. en 10.4.
  30. ook reeds geoordeeld dat : - de vervroegde verschoonbaarheid geen enkele beperking van de aan de curator als gerechtelijk mandataris wettelijk toegekende bevoegdheden inhoudt en ook geen enkele wijziging inhoudt van de overige bepalingen van de faillissementswet die de opening, de afwikkeling en de sluiting van het faillissement regelen, - appellanten dan ook niet worden gevolgd in hun stelling dat de vervroegde verschoonbaarheid tot gevolg heeft dat de aan de curator verleende machtiging om tot verkoop van de onroerende goederen over te gaan is komen te vervallen. De vervroegde verschoonbaarheid doet dan ook geen afbreuk aan artikel 96 Faill.W. Krachtens deze bepaling kan de curator de roerende en onroerende goederen zowel uit het eigen als uit het gemeenschappelijk vermogen van een gefailleerde echtgenoot verkopen zonder (de door art. 215, § 1 en art. 1418 B.W. voorgeschreven) voorafgaande toestemming van de andere echtgenoot en zonder (de door art. 1420 B.W. voorgeschreven) rechterlijke machtiging. Het gemeenschappelijk vermogen behoort derhalve tot het onderpand van de massa der schuldeisers van het faillissement, wat een toepassing is van artikel 1414, lid 2, 3° B.W. krachtens hetwelk beroepsschulden kunnen verhaald worden op het gemeenschappelijk vermogen en op het eigen vermogen van de betrokken echtgenoot, in casu de gefailleerde. De echtgenoot van de gefailleerde verliest aldus niet alleen het bestuursrecht over het gemeenschappelijk vermogen, doch wordt evenzeer getroffen in zijn eigendomsrecht t.a.v. dit gemeenschappelijk vermogen, m.n. zijn eigendoms-aandeel daarin. Waar appellanten zelf bevestigen dat de onroerende goederen die de curator wenst te verkopen gemeenschappelijke goederen betreffen, kan ook de ondergeschikte vordering van appellanten niet worden ingewilligd. 10.5.
  31. Tenslotte stelt het Hof nog vast dat de vervroegde verschoonbaarheid van eerste appellant niet belet dat tweede en derde geïntimeerden - als schuldeisers buiten de faillissementsboedel die over een zakelijke zekerheid beschikken - hun verhaalsmogelijkheden verder uitputten zoals deze op de datum van het faillissementsvonnis voorhanden waren. In tegenstelling tot wat appellanten voorhouden kunnen tweede en derde geïntimeerden, ondanks de vervroegde verschoonbaarheid, wel degelijk beroep doen op de in hun voordeel verstrekte zakelijke zekerheden en de uitwinning daarvan nastreven. Zij worden als separatisten enkel getroffen door de verschoonbaarverklaring voor het nà de tegeldemaking van hun onderpand.eventueel nog uitstaande saldo van hun schuldvordering. (BRYS, S. "Over de verschoonbaarheid van de gefailleerde", noot onder Kh. Hasselt 11 juni 1998, R.W. 1998-1999, 226,5 ; DIRIX, E. "Posities van schuldeisers en hun zekerheden" in BRAECKMAN, DIRIX en WYMEERSCH, "Faillissement en gerechtelijk akkoord, het nieuwe recht', Antwerpen, Kluwer, 1998, 418; WOESTYN, J. "Gevolgen van het faillissement ten aanzien van een persoon die een persoonlijke zekerheid heeft verschaft" in Vlaamse Conferentie Balie Gent, Bijzondere Overeenkomsten, Maklu, Antwerpen, 2006, randnrs. 38-39). 10.
  32. Wat voorafgaat leidt tot de vaststelling dat het hoger beroep van appellanten ontvankelijk maar niet gegrond voorkomt en de bevestiging van het bestreden vonnis zich opdringt. Het Hof gaat dan ook niet verder in op de door eerste geïntimeerde qualitate qua in ondergeschikte orde geformuleerde vordering tot veroordeling van appellanten tot betaling van alle met betrekking tot het actief van de gefailleerde reeds gemaakte kosten. 10.
  33. In toepassing van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. verwijst het Hof de appellanten in de aan de zijde van geïntimeerden gevallen kosten van het hoger beroep, die het - gelet op de aard van de zaak - aan de zijde van tweede en derde geïntimeerde vaststelt op 75,00 EUR, zijnde de minimum rechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare zaken. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis, Veroordeelt appellanten tot betaling van de aan de zijde van geïntimeerden gevallen kosten van het hoger beroep, aan de zijde van eerste geïntimeerde qualitate qua begroot op nihil, aan de zijde van tweede en derde geïntimeerde, voor elk van hen, begroot op 75,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op vijftien juni tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.