id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 15 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090615.17 Rolnummer: 2007/AR/2337 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-10-02 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-07-02 19:59 Fiche De overeenkomst tot beëindiging van een aantal artiesten- en managementovereenkomsten is in deze zaak een uitvloeisel van een overeenkomst inzake producentschap. Om die reden is artikel 39 e.v. Auteurswet op deze zaak van toepassing. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht Vrije woorden: Artikel 39 Auteurswet Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 15-06 2009 Nr. 2007/AR/2337 ------------------------ (TUSSENARREST : heropening der debatten op 07.12.2009 om 11.30 uur) in de zaak van : B.V.B.A. ASSEKREM MUSIC ENTERTAINMENT, met maatschappelijke zetel te 9200 Dendermonde, Noordlaan 296 en met ondernemingsnummer 0418.793.242, appellante, hebbende als raadsman mr. Alex Trappeniers, advocaat met kantoor te 3140 Keerbergen, Achiel Cleynhenslaan 32, tegen J. T., musicus, wonende te ............................, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Beleke Kusters, advocaat met kantoor te 9140 Temse, Kattebrug 7, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
- Bestreden beslissing: het vonnis van de derde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde (06/1187/A) van 19 juni
- Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 21 september
- Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Het bestreden vonnis werd op 23 augustus 2007 betekend (stuk 20 van het dossier van geïntimeerde). Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
- De overblijvende betwisting betreft de vraag of, en zo ja welke, vergoedingen de bvba Assekrem Music Entertainment (hierna "Assekrem") verschuldigd is aan de heer J. T., die optrad als producent in onderaanneming van Assekrem.
- De heer T., die onder meer zanger is en de artiestennaam "J. T." gebruikt, bracht mevrouw C. V. L., zangeres, die de naam "D. W." gebruikt aan als klant bij Assekrem. Hierover is geen betwisting. Assekrem zou audio CD's uitbrengen met liederen die D. W. zingt. Assekrem sloot een overeenkomst daartoe met mevrouw V.L.. Zij sloot naar zeggen van beide partijen ook een overeenkomst af met de heer T.. Daarbij zou de heer T. de CD's produceren in onderaanneming van Assekrem.Van deze overeenkomst wordt geen kopie bijgebracht. Het wordt wel niet betwist dat de heer T. prestaties geleverd heeft. Tussen Assekrem en mevrouw V. L. ontstond een betwisting, die aanleiding gegeven heeft tot een gerechtelijke procedure, die met een dading tussen partijen beëindigd werd. In deze procedure tussen Assekrem en mevrouw V. L. heeft de heer T. getuigd. In dezelfde periode zijn de heer T. en Assekrem het volgende overeengekomen: 1) er zij geen artiesten- of managementsovereenkomsten meer, die partijen binden en die betrekking hebben op de prestaties van de heer T. als zanger of uitvoerend kunstenaar; 2) er wordt door Assekrem een "overide" (sic) betaald "op de verkoop van de full CD en MC Regenbogen van D.W . van 2% op de PPD vanaf 70.000 exemplaren, en voor wat betreft de compilaties 1/10 van de ontvangsten van Assekrem.". 3) er zal een vergoeding betaald worden aan de heer T. van "2% op het bedrag dat door het Hof van Beroep eventueel zal worden toegekend als schadevergoeding in mijn voordeel.". Er is geen betwisting tussen partijen dat het gaat om een vergoeding aan de heer T. (hoewel de tekst op onduidelijke wijze vermeldt "er zal mij een vergoeding worden betaald van 2%...". Er is verder geen betwisting over het feit dat het om de vergoeding gaat, die eventueel betaald wordt door D. W. aan Assekrem, in uitvoering van een eventueel arrest van het Hof. Nadien is gebleken dat een dading is tussengekomen tussen D. W. en Assekrem. Deze dading is tot op heden niet voorgelegd. Deze overeenkomst, onder de vorm van een brief van Assekrem aan de heer T., die voor akkoord getekend werd door de heer T., is gedateerd op 12 juni 2006 (stuk 3 van het dossier van geïntimeerde). Nadien voerde Assekrem haar verbintenissen niet uit en dagvaardde de heer T..
- De eerste rechter: 1) verklaarde de oorspronkelijke vordering en tegenvordering toelaatbaar; 2) verklaarde zich bevoegd; 3) wees de vordering van de heer T. tot betaling van een schadevergoeding van euro 1.000,00 wegens tergend en roekeloos procesgedrag af als ongegrond; 4) wees de vordering van Assekrem tot nietigverklaring van de overeenkomst van 12 juni 1996 af als ongegrond; 5) veroordeelde Assekrem om binnen de maand na de kennisgeving van het vonnis aan de griffie een gedetailleerde opgave te doen van alle verkoopcijfers van het album Regenbogen van mevrouw D. W. (C. V. L.) en van alle compilaties die werken uit dit album bevatten en dit onder verbeurte van een dwangsom van euro 50,00 per dag vertraging; 6) veroordeelde Assekrem om binnen de maand na datum van het vonnis een kopie over te leggen van het vonnis in eerste aanleg in de door Assekrem gevoerde procedure tegen mevrouw D. W., van de beroepsakte en het rolnummer en van alle verdere stukken uitgaande van de griffie van het hof van beroep en dit onder verbeurte van een dwangsom van euro 50,00 per dag vertraging. De bvba Assekrem werd bevolen de rechtbank in te lichten over de huidige stand van zaken in deze procedure; 7) beval de cv Sabam om binnen de twee maanden na de kennisgeving van het vonnis aan de griffie opgave te doen van alle verkoopscijfers van het album Regenbogen van mevrouw D. W. en van alle compilaties die werken uit dit album bevatten. III. Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
- Met de volgende grieven tekende Assekrem hoger beroep aan: 1) ten onrechte heeft de eerste rechter zich bevoegd verklaard want de rechtbank van koophandel is ratione materiae niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil; 2) ten onrechte heeft de eerste rechter de overeenkomst tussen partijen niet vernietigd. Er is gekwalificeerde benadeling, wat tot de vernietiging moet leiden.
- De heer T. stelt beperkt hoger beroep in, dat ertoe strekt: 1) Assekrem tot het betalen van een provisie te veroordelen; 2) bijkomend bij de overlegging van stukken, die de eerste rechter oplegde, een deskundige met een welbepaalde opdracht aan te stellen; 3) Assekrem te veroordelen om bijkomende stukken neer te leggen; Verder breidt de heer T. zijn vordering uit en vordert hij de betaling van euro 2.500 wegens tergend en roekeloos hoger beroep. IV. Beoordeling De exceptie van onbevoegdheid ratione materiae
- Deze betwisting heeft voor het hof van beroep, waar het onderscheid tussen de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel niet geldt, nog slechts relevantie in de mate in het bestreden vonnis dwangsommen werden opgelegd en deze werden verbeurd. Dit aspect van de betwisting is verder van gering belang, nu inmiddels artikel 575, §1 Ger. Wb. bepaalt dat de rechtbank van koophandel bevoegd is voor de vorderingen tussen handelaars met betrekking tot het auteursrecht, de naburige rechten en het recht van de producenten van databanken. Dit artikel trad in werking op 1 november 2007, dit is na de datum van het bestreden vonnis. Nu op 4 oktober 2007 een bevel tot betaling van dwangsommen voor een bedrag van euro 1261,98 aan Assekrem betekend werd (stuk 5 van haar dossier) en op 20 december 2007 een uitvoerend beslag op roerende goederen gedaan werd bij Assekrem voor een bedrag van euro 8.452,81 (stuk 6 van het dossier van appellante) dient dan ook ingegaan te worden op de exceptie.
- Het eerste deel van de overeenkomst van 12 juni 1996 tussen partijen bepaalt dat er geen artiesten- of managementsovereenkomsten meer zijn die partijen binden aangaande de prestaties van de heer T. als zanger of uitvoerend kunstenaar. Deze aangelegenheid valt zonder betwisting onder de de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (hierna "de Auteurswet"). Ook dit onderdeel van de overeenkomst staat ter discussie, nu Assekrem de nietigverklaring van de volledige overeenkomst vordert. De twee volgende delen van de overeenkomst bevatten geen duidelijke en uitdrukkelijke verwijzing naar de hoedanigheid van producent, die de heer T., in onderaanneming voor Assekrem op zich nam. De feitelijke uiteenzetting en de dossiers tonen evenwel aan dat deze overeenkomst aangegaan is in de rand van het producentschap van de heer T. en voor het aanbrengen van een artieste. De dagvaarding bevestigt dit. Bijgevolg vallen ook de twee volgende delen van de overeenkomst onder de Auteurswet (artikel 39 en volgende van deze wet). Geschillen met betrekking tot aangelegenheden geregeld in de Auteurswet vielen op het ogenblik van de feiten en van de inleidende dagvaarding onder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechter zich bevoegd verklaard heeft. De exceptie is gegrond en het eerste vonnis wordt op deze grond vernietigd. De vordering tot nietig verklaring van de overeenkomst van 12 juni 1996 wegens gekwalificeerde benadeling
- Terecht heeft de eerste rechter er op gewezen dat deze vordering verjaard is en door Assekrem enkel nog als verweer kan opgeworpen worden.
- Benadeling veronderstelt dat de economische waarde van de prestatie, verschuldigd door de twee partijen in een wederkering contract, ongelijk is (VANDEPUTTE, R., De overeenkomst. Haar ontstaan, haar uitvoering en verdwijning, haar bewijs, Brussel, Larcier, 1977, 74). Deze ongelijkheid heeft geen rechtsgevolgen, behalve in een aantal welbepaalde gevallen. Eén daarvan is de gekwalificeerde benadeling. De gekwalificeerde benadeling is een creatie van rechtspraak en rechtsleer en veronderstelt dat één van de partijen zich overdreven voordelen heeft laten beloven door de tegenpartij en dat zij, om dat doel te bereiken, misbruik gemaakt heeft van de zwakte van de tegenpartij. Een dergelijk misbruik wordt uitbuiting genoemd (VANDEPUTTE, R., op. cit., 93). Volgens rechtspraak en rechtsleer dienen drie toepassingsvoorwaarden vervuld te zijn opdat er gekwalificeerde benadeling aanwezig zou zijn (zie CORNELIS, L., Algemene therorie van de verbintenis, Intersentia, 2000, p. 70 e.v.): - Een manifeste wanverhouding tussen de wederkerige verbintenissen van de partijen; - Die wanverhouding moet veroorzaakt zijn door het misbruik van de ondergeschikte (feitelijke) toestand waarin een partij zich bevindt; - Dit misbruik moet determinerend zijn geweest voor de wilsuiting van de schuldenaar die zich op de gekwalificeerde benadeling beroept.
- Welnu, Assekrem bewijst niet de vervulling van ook maar één van deze drie voorwaarden. - De stukken laten niet toe te oordelen dat er een manifeste wanverhouding zou zijn tussen de verbintenissen van partijen. Dit is niet aangetoond voor elk van de drie onderdelen van de afspraak tussen partijen. 1) Partijen hebben het recht de samenwerking als uitvoerend artiest met de heer T. te beëindigen. 2) Waarom een override van 2% beloofd is, is speculatief. Het kan zijn om het producentenwerk te vergoeden. Het kan zijn voor het aanbrengen van mevrouw W. als klant. Dit is speculatief nu de dossiers niet toelaten met zekerheid hierover een conclusie te nemen. Beide oorzaken zijn evenwel geoorloofd. Bij beide oorzaken en voor het geheel van de afspraak is geen manifeste wanverhouding bewezen. Het kan theoretisch zelfs zijn dat partijen zouden terugkomen op de overeenkomst van twee of drie jaar tevoren. Ook dit is geen vernietigingsgrond of bewijs van een manifeste wanverhouding of misbruik. 3) De vergoeding van 2% in geval Assekrem een vergoeding krijgt in de procedure tegen mevrouw V. L. van het hof van beroep is niet gebruikelijk, maar is daarom nog niet ongeoorloofd, noch in manifeste wanverhouding met de verbintenissen en prestaties van de heer T.; - Het is niet omdat Assekrem gevraagd heeft aan de heer T. om te getuigen in het proces tegen D. W. dat Assekrem zich automatisch in een feitelijke ondergeschikte toestand bevindt. Daarvoor is meer nodig, wat Assekrem niet aantoont. Gesteld dat de getuigenverklaring van de heer T. het enige bewijsmiddel zou geweest zijn voor Assekrem, wat zij niet betoogt, laat staan aantoont, dan nog blijkt niet dat zij dit getuigenis pas kon verkrijgen door hiervoor te betalen aan de heer T. Een getuige kan ook nog zonder meer opgeroepen en gehoord worden in een rechtsgeding. Het hof beschikt thans niet over elementen die zouden wijzen op een misdrijf of een misbruik in hoofde van de heer T. Geheel terzijde rijst de vraag wat de waarde is van de getuigenis van de heer T. in de procedure tussen Assekrem en mevrouw V. L. en wat de weerslag ervan is op de dading die tot stand kwam tussen haar en Assekrem, gesteld dat hier zou bewezen zijn dat Assekrem de getuigenis van de heer T. "kocht". - Asekrem toont niet aan dat er misbruik is geweest, laat staan dat dit een determinerende beweegreden voor de overeenkomst van 12 juni 1996 zou geweest zijn. Het feit dat die overeenkomst drie jaar na de productie van de CD tot stand gekomen is en twee jaar na de factuur met de forfaitaire vergoeding vormt geen voldoende bewijs van de stelling van Assekrem. Het is dus terecht dat de eerste rechter geoordeeld heeft dat Assekrem nog geen begin van bewijs van een gekwalificeerde benadeling voorlegt. In graad van beroep brengt Assekrem geen nieuwe of bijkomende stukken bij, op grond waarvan besloten zou kunnen worden tot een gekwalificeerde benadeling van Assekrem en dus tot de nietig verklaring van de overeenkomst. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in dit onderdeel.
- Bij het bepalen van de vergoeding in uitvoering van de betwiste overeenkomst moet de forfaitaire vergoeding, die op basis van de factuur van juni 1994 uitbetaald werd, niet afgetrokken te worden. Het gaat om twee aparte vergoedingen, die cumuleerbaar zijn, gelet op de bewoordingen van de beide overeenkomsten. De vordering van de heer T. tot overlegging van stukken
- Vooraleer dit onderdeel van de vorderingen te beoordelen werpt het Hof het volgende op. Het tweede deel van de overeenkomst van 12 juni 1996 bepaalt dat een override betaald wordt op de verkoop van de full CD en MC ‘Regenbogen' van D. W. van 2% op de PPD vanaf 70.000 exemplaren en voor wat betreft de compilaties 10% van de ontvangsten van Assekrem. Op 14 juni 2006 sloten Assekrem en de bvba D'W. een dading waarbij Assekrem op definitieve en onherroepelijke wijze de eigendom en de naburige rechten over de masteropnames van Regenbogen aan de bvba D'W. overgedragen heeft (stuk 8 van het dossier van Assekrem). Assekrem (om precies te zijn: haar rechtsvoorganger) ziet verder af van elke aanspraak op een override op de exploitatie van de opnames van D. W. zoals die geëxploiteerd werden door de nv EMI Music Belgium. Assekrem betaalde een forfaitaire som aan de bvba D'W. als vergoeding voor de inkomsten die Assekrem door de exploitatie van de masteropnames heeft ontvangen uit compilaties sedert 21 december
- De vraag rijst of deze dading een invloed heeft op het voorliggende geschil, meer bepaald op de bepaling van de gevorderde vergoedingen in uitvoering van de overeenkomst tussen partijen, en zo ja, welke invloed er precies is. Deze vraag lijkt des te belangrijker nu Assekrem meedeelt dat de boekhouding van 1996 niet meer bestaat (de inleidende dagvaarding dateert van 20 april 2006).
- Assekrem legt een deskundigenverslag van 27 januari 1997 neer (stuk 9 van haar dossier), dat bevolen werd door de rechtbank van eerste aanleg van Tongeren in de zaak tussen Assekrem en de bvba D'W.. De vraag rijst in welke mate dit verslag bruikbaar is in de bepaling van de vergoeding waarop de heer T. gerechtigd is. In het licht van al het voorgaande komt het als het meest proces-economisch voor dat partijen het Hof een voorstel van definitieve afrekening (proberen) voor (te) leggen. De vordering tot veroordeling tot betaling van een provisie
- In deze stand van het geding is er geen aanleiding om een provisie toe te kennen. Dit onderdeel van de vordering wordt verworpen. Kosten van verdediging
- Met de wet van 26 april 2007 op de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten en het uitvoeringsbesluit ervan heeft de wetgever een systeem gecreëerd waarbij de kosten en erelonen van een verdediging in rechte door toedoen van een advocaat forfaitair vergoed worden via de rechtsplegingvergoeding. In deze zaak bestaat geen rechtsgrond om buiten en boven de rechtsplegingvergoeding een aparte vergoeding voor de verdediging in rechte toe te kennen. Dit onderdeel van de vorderingen wordt dan ook als ongegrond afgewezen. Tergend en roekeloos hoger beroep
- Het instellen van een vordering, of van hoger beroep tegen een vonnis waardoor men zich gegriefd voelt, is een recht, dat slechts wordt misbruikt en ontaardt in een ongeoorloofde handeling die tot schadevergoeding aanleiding geeft, indien het roekeloos, met kwade wil of te kwader trouw wordt uitgeoefend. De roekeloosheid kan worden afgeleid uit de lichtzinnigheid waarmee de vordering of het hoger beroep werd ingesteld en waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden. Een vordering of een hoger beroep is tergend wanneer ze voortvloeit uit kwaad opzet of hatelijkheid ten aanzien van de tegenpartij. De loutere vaststelling dat een vordering of een hoger beroep ongegrond is en dat de appellant zich vergist heeft, verleent aan deze vordering of aan dit hoger beroep geen tergend of roekeloos karakter. In deze zaak is niet aangetoond dat een normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden van dit hoger beroep, net zo min als er kwaad opzet of hatelijkheid bewezen is. Dit onderdeel van de vorderingen wordt dan ook als ongegrond afgewezen. Kosten
- De beslissing met betrekking tot de kosten wordt aangehouden tot het eindarrest. V. Beslissing Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, maar enkel gegrond in de hierna volgende mate. Het Hof: - vernietigt het bestreden vonnis; - doet opnieuw recht, - verklaart de oorspronkelijke vordering en tegenvordering toelaatbaar; - verklaart de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tussen partijen van 12 juni 1996 ongegrond; - verklaart de vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep ongegrond; - zegt voor recht dat er in dit stadium van het geding geen aanleiding is een provisie toe te kennen aan de heer T.; - alvorens verder recht te doen, heropent de debatten op 7 december 2009 te 11.30 uur (pleitduur 30'), teneinde partijen toe te laten een conclusie te nemen over de vragen opgenomen onder de overwegingen met nummers 14 en 15; - zegt voor recht dat · de heer T. ten laatste op 21 september 2009 een conclusie zal overmaken aan de bvba Assekrem Music Entertainment en neerleggen ter griffie · de bvba Assekrem Music Entertainment ten laatste op 19 oktober 2009 een conclusie zal overmaken aan de heer T. en neerleggen ter griffie · de heer T. ten laatste op 9 november 2009 een conclusie zal overmaken aan de bvba Assekrem Music Entertainment en neerleggen ter griffie - houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op vijftien juni tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div