← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090615.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 15 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090615.7 Rolnummer: 2006/AR/1771 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-07-08 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 19:59 Fiche Intellectueel en materieel eigendomsrecht over een beeld, dat onder begeleiding van een kunstenaar en naar twee beelden van deze kunstenaar, door de leerlingen van een technisch instituut ter gelegenheid van cultuurdagen is gemaakt. - De intellectuele inspanning berust bij de kunstenaar en het kunstwerk is tot zijn persoon terug te brengen, zodat het auteursrecht bij hem berust. De leerlingen, noch de leerkrachten zijn partij in het geding en vorderen geen mede - auteursrecht. - Opstelling van een beeldhouwwerk in de school vormt geen mededeling aan het publiek en vormt derhalve geen inbreuk op het vermogensrecht van de auteur. - Nu de materialen door de school geleverd werden en het grootste gedeelte van het werk door de leerlingen en de leerkrachten geleverd werd, berust het eigendomsrecht bij de school (artikel 565 B.W.). UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en Naburige rechten - Auteursrecht - Algemeen Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7e Kamer ________ Terechtzitting van 15-06 2009 Nr. 2006/AR/1771 ------------------------ AUTEURSRECHTEN in de zaak van : V.Z.W. VRIJ TECHNISCH INSTITUUT SINT-LAURENTIUS, (VTI Lokeren) met zetel te 9160 Lokeren, P. Thuysbaertlaan 1 en met ondernemingsnummer 0410.048.989, appellante, hebbende als raadsman mr. Tim Verdonck, advocaat met kantoor te 8720 Dentergem, Dreve 53, tegen L. V. H., , wonende te , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Joris Deene, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Coupure 5, velt het Hof volgend arrest : I. Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep

  1. Bestreden beslissing: het vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde (05/1423/A) van 31 maart
  2. Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 7 juli
  3. Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II. Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
  4. De overblijvende betwisting betreft de vragen: 1) wie over het auteursrecht over het beeldhouwerk ‘Pegasus' beschikt; 2) wie over het eigendomsrecht over het beeldhouwwerk ‘Pegasus' beschikt.
  5. De eerste rechter zette de feiten omstandig en correct uiteen op de pagina's 1 tot 4 bovenaan van het bestreden vonnis. Het hof verwijst naar deze uiteenzetting, die geen verder aanvulling of correctie behoeft.
  6. De eerste rechter besliste in essentie dat: 1) zowel het materiële eigendomsrecht als het intellectuele eigendomsrecht over het beeldhouwwerk Pegasus op grond van artikel 571 B.W. enkel en alleen toebehoren aan de heer V. H.; 2) het beeldhouwwerk in oorspronkelijke staat, dit is volledig en geheel ontdaan van de poederlakverzinking door onderdompeling in een bad, te herstellen en terug te geven aan de heer V. H., binnen een termijn van één maand na de betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van euro 500 per kalenderdag vertraging, met een maximum van euro 12.500; 3) de ondergeschikte vordering van de heer V. H. tot het doorstorten van drie vierde van de verkoopprijs van het beeld afgewezen werd; 4) de tegenvorderingen in hoofdorde van de school ongegrond zijn; 5) de tegenvorderingen in ondergeschikte orde van de school gegrond zijn en de heer V. H. op grond van artikel 571 B.W. een bedrag van euro 1.250 aan de school moet betalen voor de geleverde materialen. III. Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
  7. De vzw Vrij Technisch Instituut Sint-Laurentius (VTI Lokeren) (hierna "de school" of "het VTI" of "Sint-Laurentius") formuleert geen specifieke grieven. Sint-Laurentius herneemt in belangrijke mate haar standpunten en vorderingen, die zij in eerste aanleg formuleerde. 1) In de eerste plaats werpt de school op dat zij materieel eigenaar is van het beeldhouwwerk. 2) Zij argumenteert verder dat zij over een mede-auteurschap beschikt met de heer V. H.. 3) Volgens het VTI is de poederlakbedekking een goede manier om het beeldhouwwerk te beschermen. 4) De school is nog van oordeel dat het geding van de heer V. H. tergend en roekeloos is en haar op die grond een vergoeding van euro 2.500 toekomt. 5) Tot slot vordert de school een vergoeding van euro 2.500 ex aequo et bono voor de vergoeding van haar advocatenkosten.
  8. De heer V.H. stelt beperkt incidenteel hoger beroep in. Hij vordert: 1) de betaling van een schadevergoeding van euro 2.500 wegens het onrechtmatig bezit van het beeld waarvan de school geen eigenaar is; 2) de betaling van een schadevergoeding van euro 2.500 wegens een inbreuk op zijn publiek mededelingsrecht; 3) de betaling van een schadevergoeding van euro 2.500 voor de morele schade die hij geleden heeft door de handelswijze van de school en voor de inbreuken op zijn morele integriteitsrecht. Ondergeschikt vordert de heer V.H. dat de school, in geval geoordeeld zou worden dat zij de materiële eigenaar is van het kunstwerk en in geval zij het werk zou doorverkopen aan een derde, de school dan gehouden is één vierde van de verkoopprijs door te storten aan hem. IV. Beoordeling Het intellectuele eigendomsrecht: de school, de leerkrachten en/of de leerlingen zijn geen mede-auteur van het beeldhouwwerk ‘Pegasus'
  9. Op de volgende gronden, die het Hof bijtreedt en bevestigt, oordeelde de eerste rechter dat het auteursrecht enkel de heer V.H. toekomt. "Beide partijen zijn het er over eens dat de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten in casu van toepassing is en dat de creatie "Pegasus" auteursrechtelijke bescherming geniet overeenkomstig deze wet. Echter, de eiser stelt dat hij en alleen hij de auteur is van dit kunstwerk "Pegasus". De verweerster daarentegen houdt staande dat de auteursrechten op het kunstwerk zich in onverdeeldheid bevinden tussen alle betrokken partijen, zijnde de eiser maar ook de school, de leerkrachten en leerlingen, overeenkomstig artikel 4 van deze auteurswet. In artikel 1 van de auteurswet is bepaald: "§
  10. Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook te reproduceren of te laten reproduceren. Dat recht omvat onder meer het exclusieve recht om toestemming te geven tot het bewerken of het vertalen van een werk. Dat recht omvat ook het exclusieve recht om toestemming te geven tot het verhuren of het uitlenen van het werk. Alleen de auteur van een werk van letterkunde heeft het recht om het werk volgens ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen. §
  11. De auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft op dat werk een onvervreemdbaar moreel recht. De globale afstand van de toekomstige uitoefening van dat recht is nietig. Het omvat ook het recht om het werk bekend te maken. Niet bekendgemaakte werken zijn niet vatbaar voor beslag. De auteur heeft het recht om het vaderschap van het werk op te eisen of te weigeren. Hij heeft recht op eerbied voor zijn werk en dat maakt het hem mogelijk zich te verzetten tegen elke wijziging ervan. Niettegenstaande enige afstand, behoudt hij het recht om zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van dit werk dan wel tegen enige andere aantasting van het werk, die zijn eer of reputatie kunnen schaden". Dat de creatie "Pegasus" onder de toepassing van deze auteurswet bescherming geniet en dat de eiser (minstens mede-) auteur is van dit kunstwerk, kan inderdaad niet ernstig betwist worden. Het werk "Pegasus" bezit niet alleen de voor de auteursrechtelijke bescherming vereiste concrete maar ook originele vorm. Wat dit laatste betreft, kan hier, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie dienaangaande, niet ter discussie staan dat deze creatie de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de maker waarbij dus een aanwijsbare activiteit van de menselijke geest ligt. Het noodzakelijke verband tussen het beschermde werk en de auteur ervan bestaat hier duidelijk (vgl. Cass. 27 april 1989, Arr. Cass. 1988-89, 1006; Cass., 2 maart 1993, Pas. 1993, 234). Verder draagt deze creatie de stempel van de persoonlijkheid van de maker, de vorm van het werk vertoont ongetwijfeld een eigen persoonlijk krakter (vgl. Cass., 25 oktober 1989, Arr. Cass., 1989-90, 272). Dat de maker hier bij dit werk dient te worden aangeduid als (minstens) de eiser staat buiten kijf. Gelet op de eigenheid van het werk van de eiser - zoals duidelijk blijkt uit de andere voordien gecreëerde kunstwerken, meer in het bijzonder het voorbeeld "de polo pony met ruiter" (zie foto's en artikels) - kan niet tegengesproken worden dat deze creatie de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de eiser en de stempel draagt van zijn persoonlijkheid. De verweerster eist overeenkomstig artikel 4 van de auteurswet het mede-auteurschap over "Pegasus" op. Overeenkomstig artikel 6 van de auteurswet kunnen enkel fysieke personen houder zijn van auteursrechten. In artikel 6 is gesteld: "De oorspronkelijke auteursrechthebbende is de natuurlijke persoon die het werk heeft gecreëerd. Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt éénieder als auteur aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op het werk wordt vermeld. De uitgever van een anoniem werk of van een werk onder pseudoniem wordt ten aanzien van derden geacht de auteur daarvan te zijn." Gelet op artikel 6, lid 1 kan de verweerster als vereniging zonder winstoogmerk, als rechtspersoon, onmogelijk aanspraak maken op enig auteursrecht. De hypotheses van artikel 6, lid 2 en lid 3 stellen zich hier duidelijk niet. Evenmin kan de verweerster een overeenkomst voorleggen op basis waarvan zij enige vermogensrechtelijke auteursrechten zou bekomen hebben (artikel 3 auteurswet). Ook kan de verweerster bezwaarlijk "de leerlingen en leerkrachten" aangeven als mede-auteurs. Vooreerst zijn deze personen niet nominatim aangeduid. Verder zijn deze geen partij in het geding en stellen zij zelf in eigen persoon ter zake geen enkele vordering. De verweerster kan hoe dan ook geen vordering stellen voor deze anderen. De door een rechtspersoon ingestelde rechtsvordering kan niet worden toegelaten indien de eiser geen persoonlijk en rechtstreeks belang, dit is een eigen belang heeft (zie artikel 17 Ger. Wb.; Cass., 17 oktober 1986, Arr. Cass., 1986-87, 217). Tenslotte blijkt uit de stukken en de (niet-betwiste) feiten dat de leerlingen en leerkrachten wel hebben meegeholpen om de materiële vorm van dit kunstwerk te realiseren, doch blijkt evenzeer dat zij dit hebben gedaan onder toezicht en volgens aanwijzingen van de eiser, de auteur, zodat zij ook om deze reden geen mede-auteurschap overeenkomstig het artikel 4 van de auteurswet kunnen opeisen. De rechtbank merkt op dat dit laatste aan de verweerster, die blijkbaar niet wist wat haar plichten en rechten waren (cfr. haar brief van 3 mei 2004), reeds duidelijk werd gemaakt door de juridische dienst van Sabam bij schrijven van 4 mei
  12. In de gegeven omstandigheden is duidelijk enkel de eiser de auteur van het kunstwerk "Pegasus". De verweerster kan ter zake noch op vermogensrechten noch op morele rechten als auteur aanspraak maken. De hoofdvordering van de eiser te horen zeggen voor recht dat de auteursrechten op het beeldhouwwerk "Pegasus" enkel en alleen toebehoren aan de eiser is derhalve gegrond te verklaren. De tegenvorderingen van de verweerster tot het horen zeggen voor recht dat de auteursrechten zich in onverdeeldheid bevinden tussen alle betrokken partijen en tot het horen veroordelen van de eiser tot aanpassing van de aanmelding bij Sabam zijn bijgevolg ongegrond te verklaren.".
  13. Enkel het volgende wordt nog toegevoegd. De school maakt met haar uiteenzetting aannemelijk dat een achttal leerkrachten (en misschien een aantal leerlingen) meer gedaan heeft dan enkel uitvoerende arbeidsprestaties en dan louter supervisie van de leerlingen. Het is niet onaannemelijk dat het werk er anders zou uitgezien hebben indien de heer V.H. alleen gewerkt zou hebben of indien de leerlingen enkel uitvoerend werk geleverd zouden hebben. Dit verandert evenwel niets aan de wettelijke bepalingen die van toepassing zijn in deze zaak en die hiervoor uiteengezet en toegepast werden. Ook het feit dat de heer V.H. zichzelf aangeduid heeft als "begeleidend kunstenaar" is zonder invloed op de wettelijke bepalingen inzake auteurschap en mede-auteurschap.
  14. Dit onderdeel van het bestreden vonnis wordt bevestigd. De school heeft het materieel eigendomsrecht over het beeldhouwwerk
  15. De partijen gaan ervan uit dat de materiële eigendom, bij gebrek aan overeenkomst, bepaald moet worden overeenkomstig de bepalingen inzake natrekking uit het burgerlijk wetboek. De volgende bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, allen gevat onder de afdeling "Recht van natrekking betreffende roerende zaken" zijn dan relevant voor het voorliggende geschil. "Artikel 565 B.W. Wanneer het recht van natrekking twee roerende zaken betreft, die aan twee verschillende eigenaars toebehoren, is dat recht geheel onderworpen aan de beginselen van de natuurlijke billijkheid. De volgende regels dienen de rechter tot voorbeeld, om hem in staat te stellen in de niet-voorziene gevallen volgens de bijzondere omstandigheden te beslissen. Artikel 570 B.W. Indien een ambachtsman of enig ander persoon, om een zaak van een nieuwe soort te vervaardigen, een hem niet toebehorende stof heeft gebruikt, hetzij deze haar eerste vorm kan herkrijgen of niet, heeft hij die eigenaar was van de stof, het recht de daaruit vervaardigde zaak op te eisen, mits hij de waarde van het arbeidsloon vergoedt. Artikel 571 B.W. Indien echter de arbeid van zoveel belang was dat hij de waarde van de gebruikte stof ver overtreft, wordt de arbeid als de hoofdzaak beschouwd, en heeft de arbeider het recht de bewerkte zaak voor zich te behouden, mits hij de prijs van de stof aan de eigenaar vergoedt.". Het is op basis van deze wetsartikelen gerechtvaardigd te besluiten dat de wetgever een afweging heeft willen maken tussen de verschillende bijdragen van de verschillende partijen. Het is eveneens gerechtvaardigd te besluiten dat de wetgever wenst dat de betrokken partijen bepalen wat de hoofdzaak is en in functie daarvan de rechtsgevolgen te bepalen. De volgende vragen rijzen: 1) is de marktwaarde, desgevallend de verkoopprijs, van het beeldhouwwerk gekend? Zo ja, hoeveel bedraagt dit? Wat is het belang van de marktwaarde om te bepalen wie eigenaar is? 2) wat is de waarde van de materialen, die alleen de school bijbracht? 3) wat is de waarde van de inspanning van de leerkrachten en de leerlingen, die zich zonder enige twijfel hebben ingezet om het beeld tot stand te brengen? 4) wat is de waarde van de intellectuele prestatie van de kunstenaar? Kan en moet deze afgewogen worden ten opzichte van inzet van de leerkrachten en de leerlingen en eventueel ten opzichte van de ‘materiële arbeid' van de kunstenaar? Moet de intellectuele inspanning van de kunstenaar als kunstenaar in de voorliggende zaak onderscheiden worden van de inspanning die de heer V.H. als "begeleidend kunstenaar" geleverd heeft en waarvoor hij euro 1.500,00 ontving? 1) De marktwaarde van het beeldhouwwerk
  16. Hoewel de heer V.H. zich beroept op de marktwaarde, bevatten de dossiers geen enkel stuk waaruit de marktwaarde van het beeld "Pegasus" met voldoende objectiviteit kan afgeleid worden. De stukken 18 en 19 van het dossier van geïntimeerde zijn niet altijd even nauwkeurig. Zo wordt voor de kameel als prijs "meer dan 20.000 EUR" en voor de bizon "minstens 20.000 EUR" opgegeven. De laagste prijs is euro 1.
  17. De marktwaarde is de prijs die het beeld in geval van verkoop zou opbrengen. Dit is dus onder meer tijd- en conjunctuurgebonden. Nu er geen verkoop gepland is, noch heeft plaats gehad, en nu het burgerlijk wetboek de marktwaarde of de verkoopprijs niet als criterium naar voren schuift, houdt het Hof met dit element geen rekening. 2) De waarde van de materialen door de school bijgebracht
  18. De heer V.H. betwist niet dat de school het materiaal leverde. De school brengt stukken bij waaruit de waarde van de materialen voor een bedrag van euro 3.799,82 zou moeten blijken, euro 1.597,20 voor het poederlakken inbegrepen. De eerste rechter raamt de waarde van de materialen die de school leverde forfaitair op euro 1.250,
  19. Gelet op de overige elementen van de zaak gaat het Hof niet in op de waardering van de materialen. Van belang is dat niet betwist is dat de school de materialen leverde. 3) De waarde van de inzet van de leerkrachten en de leerlingen van de school
  20. De heer V. H. is ten onrechte van oordeel dat geen rekening kan gehouden worden met de inspanningen van de leerlingen. Het is niet omdat deze geen waarde vertegenwoordigen op de arbeidsmarkt en niet in het klassieke gangbare arbeidsrecht ingepast kunnen worden, dat deze inspanningen waardeloos zijn. Het is niet omdat de leerkrachten maandelijks een forfaitair loon ontvangen dat hun inspanningen in het kader van een kunstproject, naast hun dagelijkse inzet, waardeloos zijn. Indien de heer V. H. zelf of betaalde arbeiders alle uren hadden moeten presteren, die nu door de leerlingen en de leerkrachten uitgevoerd werden, dan zou de rekening zeer hoog en veel hoger dan nu het geval is, opgelopen zijn. Gelet op het geheel van de overwegingen, moet de inzet van de leerlingen en de leerkrachten niet cijfermatig begroot worden. Zij vormt wel een factor om te bepalen of artikel 570, dan wel 571 B.W. van toepassing is en eventueel voor het bepalen in billijkheid van de eigenaar. 4) De waarde van de intellectuele inspanning van de heer V.H.
  21. De begeleidende kunstenaar beroept zich op zijn intellectuele inspanning om de toepassing van artikel 571 B.W. te bepleiten. Hij verwijst naar zijn creatie van "Pegasus" en naar het feit dat het werk duidelijk gebaseerd is op twee eerdere werken van hem. Hiervoor werd reeds geoordeeld dat het intellectuele eigendomsrecht aan de heer V.H. toekomt. Het Hof is van oordeel dat de intellectuele inspanning niet apart in rekening moet gebracht worden bij het bepalen van het materiële eigendomsrecht. De intellectuele inspanning en de arbeid om het kunstwerk concreet vorm te geven moeten in de voorliggende zaak, waar de vormgeving in belangrijke mate uitgevoerd is door de leerlingen en de leerkrachten van de school weliswaar van elkaar onderscheiden worden (zonder in te gaan op de discussie in welke mate de leerlingen mee het concept bepaald hebben), maar de intellectuele inspanning van de heer V.H. moet niet meegenomen worden in het bepalen van het materiële eigendomsrecht. Conclusie
  22. Uit het voorgaande volgt dat de school niet enkel de materialen bijbracht, maar ook het grootste gedeelte van de arbeid. De opdeling van de artikelen 570 en 571 B.W. tussen enerzijds materialen geleverd door één partij en anderzijds arbeid geleverd door een andere partij, is in deze zaak niet van toepassing. De school leverde de materialen en het overgrote deel van de arbeid. Het feit dat de school een vzw is wordt niet opgeworpen door de heer V.H.. Nu het kunstwerk tot stand kwam in het kader van een project dat doorging in de school, in het kader van het verstrekte onderwijs, komt het eigendomsrecht niet de individuele leerlingen en leerkrachten, noch de leerlingen en / of de leerkrachten als groep toe, maar wel de vzw die het onderwijs verschaft. De school is dan ook de materiële eigenaar van het beeld. De heer V.H. stemde in met een vergoeding van euro 1.500 voor het bijbrengen van het concept en voor de begeleiding. Zelfs indien achteraf zou gebleken zijn dat deze vergoeding vrij laag is ten opzichte van het bekomen resultaat, een mooi beeldhouwwerk, dat een meerwaarde voor de school vormt, dan nog is niet bewezen dat deze vergoeding onbillijk is of enige vorm van misbruik uitmaakt. Tenslotte overweegt het Hof nog het volgende. De natuurlijke billijkheid (artikel 565 B.W.)
  23. De vraag rijst wat de intenties van de partijen geweest zijn bij het begin van de samenwerking. Is het denkbaar en billijk dat zowel de kunstenaar als de school en de leerkrachten er van bij het begin van uitgegaan zijn dat het beeld gemaakt zou worden in de school, tijdens een projectweek van de school en dat het beeld dan tegen betaling van de grondstoffen door de kunstenaar na de betaling van de begeleiding door de school zonder meer de intellectuele en materiële eigendom van de kunstenaar zou worden? Het komt het Hof voor dat dit niet het geval is. Een kunstenaar die meewerkt aan een project op school tijdens een artistieke projectweek en op die manier zijn onmiskenbaar artistiek talent, zijn vaardigheid en zijn ervaring gedeeltelijk en tijdelijk ter beschikking stelt van de school, tegen de betaling van euro 1.500, verwerft geen eigendomsrecht op het door en met de leerlingen en leerkrachten gemaakte beeldhouwwerk. Het zou mogelijks anders geweest zijn indien de heer V.H. leerlingen bij zichzelf, in zijn atelier, eventueel in het kader van een stage tijdelijk te werk gesteld en begeleid zou hebben. Dit alles bevestigt de conclusie dat de school eigenaar is van "Pegasus".
  24. Dit onderdeel van het bestreden vonnis wordt hervormd. De beschermingsbehandeling van het kunstwerk vormt in deze zaak geen inbreuk op het auteursrecht van de heer V.H.
  25. Om te besluiten dat de beschermingsbehandeling geen inbreuk vormt op het auteursrecht van de heer V.H. zijn de feitelijke omstandigheden van belang. Op 4 mei 2004 bespreekt de heer G. B., leerkracht van de school en gesprekspartner van de heer V.H. met deze laatste de bescherming van het beeld ("Ik tracht het paard vernist te krijgen bovenop het roest, maar vondt (sic) nog geen leraar die het wil doen. - stuk 6a van het dossier van appellante). Hiertegen reageert de heer V.H. niet. Op 14 oktober 2004 mailt de huismeester van de school aan de heer V.H. "Pegasus staat trouwens te wachten om te worden gezandstraald en een afwerkingslaag te krijgen" (stuk 6d van hetzelfde dossier). In de ingebrekestelling van de school door de raadsman van de heer V.H. van 10 november 2004 (stuk 15 van het dossier van geïntimeerde) is enkel vermeld "Het beeld staat nog steeds buiten zonder enige bescherming. Ik behoud me dan ook alle rechten voor tot het vorderen van een schadevergoeding voor de schade die het beeld heeft opgelopen wegens uw retentie ervan." (p. 8 van deze brief). Er wordt niets gemeld over de manier van beschermen. Op 1 december 2004 voert het bedrijf dat reeds in juni 2004 van de school de opdracht gekregen had het beeld te beschermen de nodige werken uit. Op 3 december 2004 deelt de raadsman van de heer V.H. aan de school mee dat de kunstenaar met Pegasus wenst deel te nemen aan internationale wedstrijd Beneluxtrofee Thermisch Verzinken. In de dagvaarding in kort geding tot afgifte van het werk van 10 december 2004 is de hoogdringendheid mede gemotiveerd door de wens tot deelname aan deze wedstrijd.
  26. Uit de correspondentie, meer bepaald uit het gebrek aan reactie op de voorstellen van de heer B. en de huismeester met betrekking tot de bescherming en uit de verwoording in de ingebrekestelling leidt het Hof af dat de heer V.H. ingestemd heeft met de beschermingswijze. Het is begrijpelijk dat de school spoed gezet heeft achter de beschermingswerken na de ingebrekestelling van 10 november 2004 zonder verdere technische aanwijzingen of bezwaren tegen de werkwijze die voorgesteld werd door de huismeester in de mail van 14 oktober
  27. Het is ten slotte niet uit te sluiten dat de vraag om het werk af te geven om te kunnen deelnemen aan de Beneluxtrofee Thermisch Verzinken een voorwendsel was om het werk in handen te krijgen. Deze wedstrijd wordt tweejaarlijks gehouden. De werken moeten opgeleverd zijn tussen 1 januari 2003 en 31 december
  28. De sluitingsdatum voor de inzendingen was 31 januari
  29. De heer V.H. had reeds deel genomen voor een vorige editie

(2003), zodat aangenomen mag worden dat hij bekend was met de wedstrijd en de wedstrijdvoorwaarden. Het is niet zo dat hij pas in december 2004 voor het eerst op de hoogte gebracht werd van deze wedstrijd. De uitnodiging die hij bijbrengt (stuk 20a van zijn dossier) is ten andere niet gedateerd. De heer V.H. had dus reeds veel vroeger zijn wens kunnen uiten om deel te nemen aan de wedstrijd en het beeld op die manier en niet op de manier van de school te beschermen.
  1. De vordering om het beeld terug in zijn oorspronkelijke staat te herstellen, dit is volledig ontdaan van de poederlakverzinking door onderdompeling in een bad, is ongegrond. Het bestreden vonnis wordt hervormd. Het geding is niet tergend en roekeloos
  2. Alleen al uit de beslissing dat het intellectueel eigendomsrecht bij de heer V.H. berust en het materieel eigendomsrecht bij de school blijkt dat het geding niet tergend en roekeloos is. Hoe dan ook is het instellen van een vordering, of van hoger beroep tegen een vonnis waardoor men zich gegriefd voelt, een recht, dat slechts wordt misbruikt en ontaardt in een ongeoorloofde handeling die tot schade-vergoeding aanleiding geeft, indien het roekeloos, met kwade wil of te kwader trouw wordt uitgeoefend. De roekeloosheid kan worden afgeleid uit de lichtzinnigheid waarmee de vordering of het hoger beroep werd ingesteld en waarvan ieder normaal zorgvuldig en bezonnen persoon zich zou hebben onthouden. Een vordering of een hoger beroep is tergend wanneer ze voortvloeit uit kwaad opzet of hatelijkheid ten aanzien van de tegenpartij. De loutere vaststelling dat een vordering of een hoger beroep ongegrond is en dat de appellant zich vergist heeft, verleent aan deze vordering of aan dit hoger beroep geen tergend of roekeloos karakter. In deze zaak is het ongelijk dan nog slechts over een deel van de vordering en krijgt elke partij gedeeltelijk gelijk. De heer V.H. heeft het genot niet moeten derven
  3. Nu het genotsrecht een onderdeel is van het eigendomsrecht en de school materieel eigenaar is van het beeldhouwwerk Pegasus, is dit onderdeel van de vordering ongegrond. De school maakt geen inbreuk op de vermogensrechten
  4. Het vermogensrecht van de auteur is het exclusief recht om toestemming te geven tot het gebruik van het werk op welke wijze ook. Het corrolarium van dit recht is de bevoegdheid van de auteur of de auteursrechthebbende om anderen verbod op te leggen om het auteurswerk te gebruiken zonder toestemming. Het vermogensrecht omvat het reproductierecht, hier niet aan de orde, en het recht tot mededeling aan het publiek, hier wel betwist. De vraag rijst wat onder "het publiek" moet verstaan worden in de mededeling aan het publiek. Artikel 22, §1, 3° van de Auteurswet, dat een uitzondering op het vermogensrecht bepaalt dat geen toestemming vereist is van de auteur voor "de kosteloze privé-uitvoering in familiekring". Met de wet van 22 mei 2005 heeft de wetgever deze uitzondering uitgebreid tot "uitvoeringen in het kader van schoolactiviteiten". Deze wetswijziging is van toepassing. Alleen al op grond van deze wettelijke bepaling is de vordering van de heer V.H. ongegrond. Voor zover nodig wijst het Hof er op dat het niet betwist is dat het beeld een plaats in de school gevonden heeft en niet tentoon gesteld wordt voor een breder publiek dan dat van de school, dit is leerlingen en hun ouders, leerkrachten, directie en personeel. Het begrip publiek mag niet zo geïnterpreteerd worden dat enkel het grote aantal personen die het beeld kan zien in aanmerking genomen wordt. Van belang is dat er een vaste band is tussen de personen die het werk kunnen zien, namelijk het schoolverband, waar dagelijks nauwe, quasi-familiale contacten worden gelegd (zie ook Cass., 18 februari 2000, C980517, www.cass.be, waar het Hof oordeelde dat een rusthuis voor ouderen geen openbaar karakter had).
  5. Dit onderdeel van de vordering is ongegrond. De morele auteursrechten op "Pegasus" zijn evenmin geschonden Op de volgende gronden oordeelt het Hof dat ook dit onderdeel van de vordering ongegrond is.
  6. De heer V.H., die de school arrogantie bij het opeisen van het eigendomsrecht verwijt, toont niet aan op welke concrete wijze zijn morele rechten geschaad zouden zijn. Dit is des te meer het geval nu hij niet de eigenaar is van het beeld. Waaruit de "totale onwetendheid van de Belgische rechtsregels" (p. 26 van zijn syntheseconclusie in hoger beroep) zou moeten blijken, is niet aangetoond, gesteld dat dit al een schending van de morele rechten van geïntimeerde zou kunnen uitmaken. Tenslotte is niet concreet aangetoond waaruit de "dreigende houding" (p. 26 van zijn syntheseconclusie) van de school zou blijken.
  7. Hiervoor werd reeds geoordeeld dat de heer V.H. zijn toestemming gegeven heeft met betrekking tot de poederlakverzinking van Pegasus door meermaals niet te reageren op de mededelingen van de aangestelden van de school en door eerst in gebreke te stellen voor het niet beschermen van het beeld en dan te wachten met concreet te reageren tot het beeld behandeld was. Zijn morele auteursrechten kunnen dan ook niet geschonden zijn. Kosten
  8. Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden de kosten omgeslagen en wordt elke partij veroordeeld om de eigen kosten te dragen. Ook op grond van supranationale en internationale bepalingen is in de voorliggende zaak geen verdere vergoeding verschuldigd, nu elke partij de eigen kosten moet dragen. V. Beslissing Het hoger principaal en incidenteel beroep zijn toelaatbaar, maar enkel het hoofdberoep is in de volgende mate gegrond; Het Hof: - hervormt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het de vorderingen toelaatbaar verklaarde en voor recht zegde dat de auteursrechten op het beeldhouwwerk Pegasus bij de heer V.H. berusten; - zegt voor recht dat het materiële eigendomsrecht op het beeldhouwwerk Pegasus aan appellante toekomt; - verwerpt alle overige vorderingen als ongegrond; - slaat de kosten tussen partijen om en veroordeelt ieder tot betaling van de eigen kosten, om die reden niet cijfermatig bepaald. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend voorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de wn. voorzitter in openbare terechtzitting op vijftien juni tweeduizend en negen. Repertorium nr. 2009/ A. Ferdinande G. De la Ruelle G. Vanderstichele P. Vanherpe Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.